Fiche van de FOD Financiën
Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Brugge d.d. 24.04.2007
Samenvatting niet beschikbaar
Tekst van het vonnis
Tekst van de beslissing
De Rechtbank van eerste aanleg te Brugge, VIERDE KAMER, heeft het hierna volgend vonnis verleend :
In de zaak 05/3706/A Rep. nr. 2007/5719
de NV A. B., (ondernemingsnr. …), met maatschappelijke zetel te …, …,
eiseres,
voor wie optreedt Meester D. J., advocaat met kantoor te …, …,
tegen :
De BELGISCHE STAAT, FOD FINANCIËN, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, Administratie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit, in de persoon van :
- de e.a. inspecteur van het BTW-Ontvangkantoor te Roeselare, met kantoren te 8800 Roeselare, Rondekomstraat 30,
- de gewestelijk directeur van de Administratie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit te Brugge, Controlecentrum Brugge, met kantoren te 8000 Brugge, G. Vincke Dujardinstraat 4,
verweerders,
voor wie optreedt Meester L. D. S., advocaat met kantoor te …, …,
I. RECHTSPLEGING
Gelet op het inleidend verzoekschrift neergelegd ter griffie d.d. 19 december 2005.
De rechtbank nam kennis van het dossier van de rechtspleging en van de door partijen overlegde bundels.
Partijen werden gehoord in hun middelen bij monde van hun raadsman in de openbare terechtzitting van 27 maart 2007.
Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.
ll. BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK
1. Eiseres is ingeschreven als BTW-belastingplichtige onder het BTWregistratienummer BE …, voor de activiteit van accountant en belastingconsulent. Zij is derhalve onderworpen aan de bepalingen van de BTWwetgeving en de ter uitvoering ervan genomen besluiten.
Op 2 mei 2005 werd door M. C., e.a. inspecteur bij de administratie van de BTW, registratie en domeinen en ter beschikking gesteld van de Administratie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit, een controle uitgevoerd bij eiseres over de toepassing van de wetgeving en de reglementering inzake de belasting over de toegevoegde waarde over de periode van 1 januari 2002 tot 30 juni 2004, bij uitbreiding tot 31 maart 2005.
Op 10 november 2005 werden de overtredingen en vaststellingen opgenomen in een proces-verbaal door voormelde ambtenaar.
Op 24 november 2005 werd op basis van dit proces-verbaal door de bevoegde ambtenaar van het BTW-ontvangkantoor te Roeselare een dwangbevel uitgevaardigd.
Voormeld dwangbevel werd op 25 november 2005 geviseerd en uitvoerbaar verklaard door L. V., e.a. inspecteur controlekantoor Torhout 1, aangewezen door de gewestelijke directeur van de belasting over de toegevoegde waarde te Brugge.
Tegen dit dwangbevel werd op 19 december 2005 verzet aangetekend door eiseres.
2. Eiseres vraagt dat :
- de vordering ontvankelijk en gegrond wordt verklaard;
- het dwangbevel wordt vernietigd, minstens ongegrond wordt verklaard, desgevallend na het stellen van een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie;
- teruggave wordt bevolen van de betaalde of ingevorderde bedragen, te vermeerderen met de intresten;
- verweerder wordt veroordeeld tot alle kosten van het geding, met inbegrip van de geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding;
- ondergeschikt overgegaan wordt tot de herberekening van het aftrekbaar gedeelte van de BTW op het betrokken onroerend goed, eventueel na het doorvoeren van een plaats bezoek;
- uiterst ondergeschikt een deskundige wordt aangesteld teneinde de juiste verhouding te bepalen tussen het gedeelte van het onroerend goed dat voor de economische activiteit wordt gebruikt en het gedeelte dat niet voor deze economische activiteit wordt gebruikt.
3. Verweerder vraagt dat het verzet van eiseres ontvankelijk doch ongegrond wordt verklaard en dat eiseres wordt veroordeeld tot de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding.
III. BEOORDELING
A. Betreffende de toelaatbaarheid
Verweerder voert geen redenen aan die tot de ontoelaatbaarheid van de eis kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van ontoelaatbaarheid, die zij ambtshalve zou moeten opwerpen, vaststelt, is de eis toelaatbaar.
B. Betreffende de grond
1. recht op aftrek van de BTW
1.1. Eiseres heeft via een notariële akte d.d. 3 februari 2003 een recht van opstal bekomen op een perceel grond gelegen te …, …. Dit perceel grond is eigendom van de heer G. B., zaakvoerder van eiseres. Eiseres heeft op het perceel grond een onroerend goed opgericht dat deels wordt gebruikt voor de uitoefening van de beroepsactiviteit van eiseres en deels ter beschikking wordt gesteld als woning aan haar zaakvoerder.
De verhouding tussen het beroepsmatig gedeelte en het privé-gedeelte van het onroerend goed werd door eiseres bepaald op respectievelijk 28,95 % beroepsmatig en 71,05 % privé.
Eiseres heeft de BTW die betrekking had op de oprichting van het onroerend goed nagenoeg integraal in aftrek genomen.
1.2. In het proces-verbaal van 10 november 2005 wordt gesteld dat eiseres enkel aanspraak kan maken op de aftrek van BTW in de mate het onroerend goed effectief wordt gebruikt voor de met BTW belastbare economische activiteit van eiseres. Eiseres kan geen aanspraak maken op de aftrek van BTW in de mate dat het onroerend goed wordt gebruikt voor de privé-behoeften van de zaakvoerder. De terbeschikkingstelling is geen met BTW belastbare activiteit volgens verweerder. Verweerder stelt verder dat het onroerend goed slechts ten beloop van 13,22 % wordt aangewend voor de uitoefening van de beroepsactiviteit van eiseres. Verweerder vordert de terugbetaling van 49.168,74 EUR aan BTW die ten onrechte zou afgetrokken zijn en legt een administratieve boete op van 10 %.
1.3. Artikel 13, B, sub b van de Zesde richtlijn (nr. 77/388/EEG Raad 17/05/1977) bepaalt dat de lidstaten, onverminderd andere communautaire bepalingen, vrijstelling verlenen voor o.m. verpachting en verhuur van onroerende goederen, met uitzondering van de aldaar opgesomde gevallen.
Artikel 44, § 3, 2° W.BTW bepaalt op zijn beurt dat van de BTW zijn vrijgesteld de verpachting, de verhuur en de overdracht van huur van uit hun aard onroerende goederen, alsook het gebruik van dergelijke goederen onder de voorwaarden van artikel 19, § 1 W.BTW, met de in artikel 44, § 3, 2° W.BTW opgesomde uitzonderingen.
Waar voormeld artikel 44 voorziet in de vrijstelling voor verhuur van uit hun aard onroerende goederen is het een implementatie van het vermelde artikel 13, B, sub b van de Zesde richtlijn 77/388/EEG, zodat het dient te worden uitgelegd in het licht van de bewoordingen en het doel van de richtlijn. Dit brengt onder meer met zich dat bij het onderzoek van de vraag of in casu al dan niet sprake is van onroerende verhuur in de zin van artikel 44, § 3, 2° W.BTW, de volgende principes dienen in acht genomen :
- de in artikel 13 van de Zesde richtlijn bedoelde vrijstellingen moeten strikt worden uitgelegd, daar die vrijstellingen afwijken van het algemeen beginsel dat BTW wordt geheven over elke dienst die door een belastingplichtige onder bezwarende titel wordt verricht;
- de vrijstellingen van artikel 13 van de Zesde richtlijn zijn autonome communautaire rechtsbegrippen en dienen derhalve een communautaire definitie te krijgen;
- wat de in artikel 13, B, sub b van de Zesde richtlijn bedoelde vrijstellingen betreft, geeft deze bepaling geen omschrijving van het begrip 'verhuur' en verwijst zij evenmin naar de respectieve omschrijvingen van dat begrip in de wettelijke regelingen van de lidstaten. Krachtens de vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen is het wezenlijke kenmerk van de verhuur van onroerende goederen in de zin van artikel 13, B, sub b, van de Zesde richtlijn, dat aan de houder voor een overeengekomen tijdsduur tegen vergoeding het recht wordt verleend, een onroerend goed te gebruiken als ware hij eigenaar ervan en ieder ander van het genot van dat recht uit te sluiten;
- om de aard van een belastbare handeling vast te stellen, moeten verder alle omstandigheden waaronder de betrokken handeling wordt verricht in aanmerking worden genomen om daaruit de kenmerkende elementen naar voren te halen.
In casu heeft eiseres als rechtspersoon een deel van het onroerend goed ter beschikking gesteld van een derde persoon, namelijk haar zaakvoerder, voor diens privé-behoeften. Het is evident dat deze overeenkomst een overeenkomst ten bezwarende titel is vermits de vergoeding die wordt ontvangen voor het uitoefenen van de functie van zaakvoerder kan bestaan in diensten of in prestaties in natura zoals de terbeschikkingstelling van een woning.
Het feit dat de duur van de overeenkomst niet is vastgelegd betekent niet dat er in werkelijkheid geen verhuur zou bestaan. Er moet immers rekening worden gehouden met de werkelijke contractuele bepalingen en met het gegeven dat de vennootschap en de zaakvoerder zeer nauw met elkaar betrokken zijn en vertegenwoordigd worden door één en dezelfde natuurlijke persoon. Bijgevolg is het ondenkbaar dat eiseres, als eigenaar van het gebouw, zal toestaan dat het rustig genot dat zij aan haar zaakvoerder ten persoonlijke titel verleend heeft, zou verstoord worden.
Het feit dat derden, mits toestemming van de zaakvoerder, toegang zouden hebben tot de privatieve gedeelten van het gebouw, maakt deze derden nog geen gebruikers van deze ruimtes. De zaakvoerder heeft het recht om ieder ander het gebruik van de privatieve gedeelten van het gebouw te ontzeggen.
1.4. De terbeschikkingstelling van een deel het onroerend goed aan de zaakvoerder van de vennootschap moet in casu worden aangemerkt als een onroerende verhuur onder bezwarende titel en is bijgevolg vrijgesteld door artikel 44, § 3, 2° W.BTW. De terbeschikkingstelling is bijgevolg niet onderworpen aan BTW en kan derhalve ook geen aanleiding geven tot aftrek van de BTW.
2. de verhouding tussen beroepsmatig en privé-gedeelte van de woning
2.1. Uit het proces-verbaal d.d. 10 november 2005 blijkt dat, op basis van de bouwplannen, volgende ruimten een duidelijk privatief karakter hebben :
- gelijkvloers : Eetplaats, keuken, wasplaats, berging en koele berging;
- verdieping : slaapkamers 1 - 2 en 3, sauna, badkamer, WC, hobbyruimte en vide op inkom.
Volgende ruimten hebben een gemengd gebruik : de inkom met vestiaire, het sanitair en de garage. Verweerder aanvaardt voor deze ruimten de door eiseres opgegeven verhouding van 25 % beroepsmatig.
In het proces-verbaal wordt verder vastgesteld dat in de zolderruimte de stookinstallatie voorzien is, dat er geen vaste trap voorzien is naar de zolder maar enkel een luik en dat de maximale hoogte van de zolder 1,30 m is. Er wordt dan ook vastgesteld dat de zolderruimte zich niet leent tot een normaal gebruik.
Verder wordt in het proces-verbaal vastgesteld dat de'bureauruimte' op de eerste verdieping niet effectief dienstig is als bureauruimte. Het beroepsmatig gebruik van het bureau met ontvangstruimte op het gelijkvloers wordt niet betwist.
Het totale beroepsmatig gebruik wordt in het proces-verbaal vastgesteld op 13,22 % van het totaal.
2.2. Het proces-verbaal van de ambtenaar van de BTW geldt, wat betreft de vaststellingen, tot bewijs van het tegendeel. Er moet dan ook - behoudens tegenbewijs - aanvaard worden dat de in het proces-verbaal opgenomen vaststellingen wat betreft o.a. de zolderruimte en de 'bureauruimte' op de eerste verdieping juist zijn.
In tegenstelling tot de bewering van eiseres worden de oppervlaktes zoals opgegeven door architect V. niet betwist, wel wordt voor bepaalde ruimten het beroepsmatig gebruik betwist. Het is eiseres die dient te bewijzen dat de ruimten beroepsmatig worden gebruikt. Dit bewijs wordt door eiseres niet geleverd.
De rechtbank ziet het nut van een plaats bezoek of de aanstelling van een deskundige niet in. Er kan alleen vastgesteld worden wat de ambtenaar van de BTW al heeft vastgesteld in zijn proces-verbaal van 10 november 2005.
De eis is derhalve ongegrond.
C. Betreffende de kosten
Gezien eiseres in het ongelijk wordt gesteld, moet zij overeenkomstig artikel 1017, 1° lid Ger. W. de gerechtskosten dragen.
Beschikkend gedeelte
OM DEZE REDENEN,
DE RECHTBANK,
Wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak.
Alle verdere middelen van partijen verwerpend als niet dienend.
Verklaart de eis toelaatbaar doch wijst ze af als ongegrond.
Veroordeelt eiseres tot de gedingkosten, aan haar zijde niet te begroten aangezien ze haar ten laste blijven, en aan de zijde van verweerder begroot op 364,40 EUR.
Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting in het gerechtshof te Brugge op dinsdag vierentwintig april tweeduizend en zeven.
Aanwezig zijn :
D. P. L., alleenrechtsprekend rechter;
L. N., griffier.
N. L. L. D. P.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.