Fiche van de FOD Financiën
Arrest van het Hof van beroep te Gent d.d. 24.05.2011
Samenvatting niet beschikbaar
Tekst van het arrest
Tekst van de beslissing
Hof van beroep te Gent - 5° kamer
Nr. 2007/AR/1859
in de zaak van :
V. V. V. W. – N. V.Z.W., te …, …, ingeschreven in de kruispuntbank van ondernemingen onder het nummer …,
appellante,
hebbende als raadslieden mr. G. K., advocaat te …, … en mr. D. C., advocaat te …, …
tegen :
DE BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, Administratie van de BTW, in de persoon van :
- de e.a. Inspecteur van het BTW-controlekantoor te Nieuwpoort, met kantoor te 8620 NIEUWPOORT, J. Filliaertweg 41,
- de gewestelijk directeur van de administratie van de ondernemings- en inkomensfiscaliteit, sector BTW, te Brugge, met kantoor te 8000 BRUGGE, Katelijnestraat 7,
geïntimeerde,
hebbende als raadsman mr. D. S. L., advocaat te …, …
spreekt het Hof het volgend arrest uit :
Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van dit Hof op 19 juli 2007 heeft de appellante hoger beroep aangetekend tegen het vonnis uitgesproken op 26 februari 2007 door de vierde kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te BRUGGE waarbij het verzoekschrift van de appellante ertoe strekkende te zeggen voor recht dat het verschaffen van ligplaatsen en het bergen van boten tijdens de winter op haar terrein van BTW vrijgestelde diensten zijn zodat de teruggaaf moet worden bevolen van alle sommen die onterecht werden geïnd, verhoogd met de moratoire rente en de gedingkosten.
Het hoger beroep strekt er toe dit ontvankelijk en gegrond te verklaren, dienvolgens het vonnis a quo dd. 26 februari 2007 van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge, 4° Kamer, teniet te doen en opnieuw wijzende, de oorspronkelijke vordering van appellante ontvankelijk en gegrond te verklaren. Te zeggen voor recht dat het verschaffen van een ligplaats en de stalling van de boten voor het winterseizoen op haar terrein van BTW vrijgestelde diensten uitmaken in haren hoofde en de Belgische Staat te veroordelen tot terugbetaling .van alle inhoudingen of betalingen die aldus ten onrechte werden betaald onder voorbehoud van alle rechten, verhoogd met de rente vanaf de betalingen, alsook de geïntimeerde te veroordelen tot de kosten van beide aanleggen.
Op haar beurt vordert de geïntimeerde de bevestiging van het bestreden vonnis.
De partijen werden in openbare terechtzitting gehoord in hun middelen en conclusies.
Feitelijke gegevens en beoordeling
Appellante is een VZW met als hoofddoel het bevorderen en het stimuleren van de watersport in al haar onderdelen, als bijzondere tak van de vrijetijdsbesteding (artikel 3, 1° lid statuten). In het kader daarvan stelt appellante bepaalde handelingen waarvoor ze van haar leden en van derden gelden ontvangt.
De discussie heeft betrekking op de vraag of appellante voor de door haar gestelde handelingen BTW-belastingplichtig wordt.
Meer in het bijzonder stelt geïntimeerde dat appellante BTW-belastingplichtige is geworden voor twee handelingen die ze stelt, namelijk het ter beschikking stellen van een ligplaats voor een boot in de jachthaven alsmede het bergen tijdens de winter van deze boten op een terrein van appellante.
De eerste rechter oordeelde dat appellante voor deze twee diensten niet vrijgesteld is van BTW omdat ze niet 'nauw' samenhangen met de beoefening van de sport, hetgeen een actieve deelname vereist.
Uitgangspunt is artikel 44, § 2, 3° BTW-Wet dat luidt als volgt :
"Van belasting zijn vrijgesteld :
3° de diensten verstrekt door exploitanten van sportinrichtingen en inrichtingen voor lichamelijke opvoeding aan personen die aan lichamelijke ontwikkeling of aan sport doen; wanneer die exploitanten en inrichtingen instellingen zijn die geen winstoogmerk hebben en zij de ontvangsten uit de vrijgestelde werkzaamheden uitsluitend gebruiken tot de dekking van de kosten ervan;”
Dit is een implementatie in het Belgisch recht van artikel 13 A, lid 1, sub m van de Zesde Richtlijn.
"Onverminderd andere communautaire bepalingen verlenen de Lid-Staten vrijstelling voor de onderstaande handelingen, (…)
m) sommige diensten die nauw samenhangen met de beoefening van sport of met lichamelijke opvoeding en die door instellingen zonder winstoogmerk worden verleend aan personen die aan sport of lichamelijke opvoeding doen".
De vraag rijst of bepaalde activiteiten al dan niet van vrijstelling genieten. De Belgische Staat gaat er vanuit dat de vrijstelling beperkt is tot de diensten die betrekking hebben op het beoefenen van de sport zelf met inbegrip van de ter beschikkingstelling van sportmateriaal alsook diensten die inherent zijn aan de actieve beoefening van de sport (cursussen, begeleiding en opleiding).
De geïntimeerde gaat er vanuit dat het ter beschikking stellen van ligplaatsen en van infrastructuur voor motorjachten met inbegrip van de winterberging de exploitatie van de jachthaven uitmaken, doch niets van doen hebben met het beoefenen van de watersport zelf. De appellante daarentegen meent dat het verlenen van een ligplaats en winterplaats nauw samenhangend is met de beoefening van de watersport. Zij verwijst daartoe naar de Europese rechtspraak waar werd gezegd dat een dienst in nauw verband staat met de vrijgestelde activiteit als deze dienst onontbeerlijk is voor de vrijgestelde hoofdactiviteit.
Welnu, stelt de appellante, zonder ligplaats in een haven is er geen watersport en kan er niet aan zeilen worden gedaan. De geïntimeerde is geenszins akkoord met deze zienswijze. Voor 1 januari 1993 ontsnapten handelingen zoals het ter beschikking stellen van ligplaatsen te water en meer algemeen, de winterberging, het in en uit het water tillen van vaartuigen en onderhoudswerkzaamheden ten gunste van de sportbeoefenaars aan de toepassing van de BTW. Vanaf 1 januari 1993 is de winterberging·met of zonder bewaking in een ter beschikking gestelde bergruimte en het ter beschikking stellen van bergruimten aan de belasting onderworpen (zie art. 18, eerste en tweede al. WIB 92).
Reeds vroeger werd door dit Hof aangenomen (zie Gent, 27 april 2004) dat ligplaatsen voor vaartuigen als "stalling" of als "parkeerruimte" te beschouwen zijn. Tevens werd geoordeeld dat het louter ter beschikking stellen van een ligplaats geen dienst is die nauw samenhangt met de beoefening van de sport of met lichamelijke opvoeding. Het zijn enkel die diensten die nauw samenhangen met de beoefening van sport en lichamelijke opvoeding die onder de vrijstelling vallen. De moeilijkheid bestaat erin dat niet wordt uiteengezet wat onder "nauw samenhangend" moet worden verstaan. Uit de rechtspraak kan worden afgeleid dat bedoeld wordt "diensten die volledig losstaan van de actieve sportbeoefening''. In die hypothese is er geen sprake van "nauwe samenhang".
Als in het ongelijk gestelde partij dient de appellante veroordeeld te worden in de kosten van het hoger beroep. Aangezien de waarde van de vordering niet werd begroot bedraagt de rechtsplegingsvergoeding … EUR.
Beschikkend gedeelte
OP DEZE GRONDEN,
HET HOF, recht doende op tegenspraak,
Gelet op artikel 24 van de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken;
Verklaart het hoger beroep toelaatbaar doch wijst het af als ongegrond.
Bevestigt het-bestreden vonnis in al zijn samenstellingen.
Veroordeelt de appellante in de kosten van het hoger beroep begroot aan de zijde van iedere partij op … EUR rechtsplegingsvergoeding.
Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, vijfde kamer, recht doende in fiscale zaken, op VIERENTWINTIG MEI TWEEDUIZEND EN ELF.
Aanwezig de Heren :
A. D. M., Kamervoorzitter, Voorzitter,
G. T. en D. V., Raadsheren,
M. V., griffier.
M. V. D. V. G. T. A. D. M.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.