Vrijstelling, andere vrijstelling, bewijs, controlemaatregel · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg Brugge 4 september 2007

Zoeken

Vrijstelling, andere vrijstelling, bewijs, controlemaatregelBelasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/vrijstelling-andere-bewijs-controlemaatregel-recht-rechtbank-brugge-2007-09-04-1396

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Zetel
Brugge
Datum
4 september 2007

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

93 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Brugge d.d. 04.09.2007

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het vonnis

Tekst van de beslissing

De Rechtbank van eerste aanleg te Brugge, VIERDE KAMER, heeft het hierna volgend vonnis verleend :

In de zaak 04/2311/A

de NV F. V. D., (Ondernemingsnr. …), met vennootschapszetel te …, …,

eiseres,

voor wie optreedt Meester L. D. M., advocaat met kantoor te …, …,

tegen :

1. de BELGISCHE STAAT, FOD FINANCIËN, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, met kabinet gevestigd te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, op benaarstiging van de Hoofdcontroleur van de BTW, Administratie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit (Sectie 1), met kantoren te 8800 ROESELARE, Controlecentrum Roeselare, Rondekomstraat 30, Afdeling 3.4,

2. de BELGISCHE STAAT, FOD, FINANCIËN, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, met kabinet gevestigd te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, op benaarstiging van de Ontvanger van het BTW-Ontvangkantoor KORTRIJK 1, met kantoren gevestigd te 8500 KORTRIJK, Hoveniersstraat 31,

verweerders, hierna genoemd “verweerder”

voor wie optreedt Meester F. W., advocaat met kantoor te …, …,

I. RECHTSPLEGING

Gelet op de dagvaarding d.d. 13 juli 2004.

De rechtbank nam kennis van het dossier van de rechtspleging en van de door partijen overlegde bundels.

Partijen werden gehoord in hun middelen bij monde van hun raadsman in de openbare·terechtzitting van 5 juni 2007.

Artikel 2 en (volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.

II. BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK

1. Eiseres is ingeschreven als BTW-belastingplichtige onder het BTW-registratienummer BE …, voor de activiteit van handel in reinigingstoestellen. Zij is derhalve onderworpen aan de bepalingen van de BTW-wetgeving en de ter uitvoering ervan genomen besluiten.

Op 10 maart 1998 werd door H. V., verificateur-accountant bij de Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, ter beschikking gesteld van de Administratie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit verbonden aan het controlecentrum Roeselare, een controle gestart over de toepassing van de wetgeving ende reglementering inzake de belasting over de toegevoegde waarde over de periode van 1 januari 1995 tot 30 juni 1997.

Op 17 juni 1999 werden de overtredingen en vaststellingen opgenomen in een proces-verbaal door voormelde ambtenaar. Hierbij werd o.a. de aftrek van BTW geweigerd van een aantal inkomende facturen wegens gebrek aan detaillering, werd de aftrek van BTW beperkt tot 50 % betreffende een carport wegens niet-gebruik voor doeleinden van de economische activiteit en werd een meeromzet weerhouden van 3.714.004 BEF (92.067,75 EUR).

Het proces-verbaal werd op 17 juni 1999 ter kennis gebracht van eiseres per aangetekende brief.

Op 22 juli 1999 heeft eiseres de gevorderde BTW, de proportionele boete en de intresten betaald onder voorbehoud.

Met een dagvaarding d.d. 13 juli 2004 heeft eiseres een vordering tot teruggaaf ingeleid.

2. Eiseres vraagt dat :

- de vordering ontvankelijk en gegrond wordt verklaard;

- voor recht gezegd wordt dat de BTW gevorderd in het proces-verbaal d.d. 17 juni 1999 niet verschuldigd is;

- verweerder wordt veroordeeld tot terugbetaling van het bedrag van 28.373,32 EUR, te vermeerderen met de wettelijke intresten vanaf datum van betaling;

- minstens kwijtschelding of substantiële vermindering van de boete wordt bevolen en verweerder wordt veroordeeld tot terugbetaling te. vermeerderen met de wettelijke intresten vanaf datum van betaling;

- verweerder wordt veroordeeld tot alle kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding;

- het vonnis uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard, spijts elke voorziening en zonder borgstelling of kantonnement.

3. Verweerder vraagt dat de vordering van eiseres ongegrond wordt verklaard en dat eiseres wordt veroordeeld tot de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding.

III. BEOORDELING

A. Betreffende de toelaatbaarheid

Verweerder voert geen redenen aan die tot de ontoelaatbaarheid van de eis kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van ontoelaatbaarheid; die zij ambtshalve zou moeten opwerpen, vaststelt, is de eis toelaatbaar.

B. Betreffende de grond

1. Betreffende de inbreuken op de verplichting in het bezit te zijn van een regelmatige factuur ( artikel 45, § 1 W.BTW en artikel 3 KB nr. 3)

1.1. Conform artikel 3, § 1, 1° van het KB. nr. 3 van 10 december 1969 dient de belastingplichtige om zijn recht op aftrek te kunnen uit te oefenen in bezit te zijn van een factuur opgemaakt overeenkomstig artikel 5 van het KB nr. 1 van 29 december 1992. Artikel 5 van het betreffende KB nr. 1 bepaalt dat een factuur o.a. dient te vermelden de gegevens die nodig zijn om de handeling te determineren en om het tarief van de verschuldigde belasting vast te stellen, inzonderheid de gebruikelijke benaming van de geleverde goederen en van de verstrekte diensten en hun hoeveelheid alsook het voorwerp van de diensten, de maatstaf van heffing, de tarieven van de verschuldigde belasting, en het bedrag van de verschuldigde belasting.

1.2. In het proces-verbaal d.d. 17 juni 1999 is vastgesteld dat voor 3 facturen· de geleverde goederen niet gedetailleerd zijn en op 1 van deze facturen is het BTW-tarief en de verschuldigde BTW ook niet vermeld.

Eiseres stelde aan de betrokken leveranciers een detail te vragen maar heeft tot op heden, zijnde meer dan 10 jaar na factuurdatum, deze details nog niet overlegd.

1.3. De aftrek van BTW werd dan ook terecht verworpen door verweerder.

2. Betreffende de inbreuken op de aftrekregeling t.a.v. goederen die volledig of gedeeltelijk bestemd zijn voor privé- of andere doeleinden dan die van de economische activiteit ( artikel 45, § 1 W.BTW)

2.1. In het proces-verbaal d.d. 17 juni 1999 wordt vastgesteld dat een carport, die is opgericht door eiseres op haar grond en waarvan de BTW integraal werd afgetrokken, deels gebruikt wordt voor privé-doeleinden van een bestuurder van eiseres. Het gebruik voor de economische activiteit van eiseres wordt door verweerder bepaald op 50 % en 50 % van de aftrek van de BTW wordt verworpen.

2.2. De rechtbank stelt vast dat eiseres niet bewijst dat de betreffende carport niet deels gebruikt wordt voor de privé-doeleinden van haar bestuurder.

Eiseres betwist wel de door verweerder toegepaste techniek van beperking van het recht op aftrek.

2.3. Conform artikel 45, § 1, 1° W.BTW heeft een BTW-belastingplichtige het recht om de belasting in aftrek te brengen van de aan hem geleverde goederen en aan hem verleende diensten, van de door hem ingevoerde goederen en de door hem verrichte intracommunautaire verwervingen, in de mate dat hij de goederen of de diensten gebruikt voor het verrichten van belastbare diensten. Artikel 19, § 1 W.BTW bepaalt dat met een belastbare dienst wordt gelijkgesteld, het gebruiken van een tot het bedrijf behorend goed, voor privé-doeleinden van de belastingplichtige of van zijn personeel of, meer algemeen, voor andere doeleinden dan deze van de economische activiteit van de belastingplichtige.

2.4. In deze zaak kan het gebruik van de carport door de bestuurder van eiseres niet beschouwd worden als een onroerende verhuur en dus een vrijgestelde handeling (artikel 44, § 3, 2° W.BTW). Uit de vaststellingen door verweerder gedaan blijkt dat de bestuurder geen exclusief genot heeft van de carport (blijkbaar wordt de carport voor 50 % door eiseres zelf gebruikt). De bestuurder heeft dus niet het recht de carport te gebruiken als ware hij er eigenaar van.

Conform artikel 19, § 1 W.BTW dient het gedeeltelijk afstaan van het gebruik van de carport aan de bestuurder beschouwd te worden als een belastbare handeling, zodat eiseres recht heeft op volledige aftrek van de BTW.

Het principe dat een BTW-belastingplichtige recht heeft op volledige aftrek van BTW, wanneer hij een bedrijfsmiddel gebruikt voor zijn economische activiteit maar ook voor privé-doeleinden en het bedrijfsmiddel heeft opgenomen in zijn bedrijfsvermogen werd reeds herhaaldelijk bevestigd door het Hof van Justitie (zie o.a. H.v.J. 8 mei 2003, zaak nr. C-269/00, www.fisconet.be ; H.v.J. 14 juli 2005, zaak nr. C-434/03, www.fisconet.be ).Dat deze rechtspraak dateert van na de controleperiode doet niet ter zake.

Verweerder maakt bij de toepassing van artikel 19, § 1 W.BTW ten onrechte een onderscheid tussen een BTW-belastingplichte natuurlijk persoon en een BTW-belastingplichtige rechtspersoon. Dit onderscheid is niet terug te vinden in het betreffende wetsartikelen verweerder voegt dan ook een voorwaarde aan de wet toe.

Het is wel zo dat tegenover het recht om de BTW volledig af te trekken, de plicht staat om de BTW te betalen over de voor het privé-gebruik van de bestuurder gemaakte uitgaven. De rechtbank stelt evenwel vast dat verweerder deze inbreuk niet weerhouden heeft t.o.v. eiseres.

2.5. De aftrek van de BTW werd dan ook ten onrechte verworpen door verweerder.

3. Betreffende inbreuken inzake de omzet

3.1. Door de Administratie werd een hoeveelheidscontrole uitgevoerd op een aantal producten en toestellen bij eiseres. Zo heeft de administratie een verschil vastgesteld tussen de aangekochte en verkochte reinigingsproducten en werden een aantal aangekochte machines niet teruggevonden bij de verkopen. Steunend op artikel 59, § 1 en 64, § 1 W.BTW heeft de administratie in het proces-verbaal d.d. 17 juni 1999 een meeromzet aangenomen van 3.714.000 BEF (92.067,66 EUR) exclusief BTW.

3.2. Artikel 64, § 1 W.BTW bepaalt "Hij die goederen verkrijgt of produceert om ze te verkopen wordt behoudens tegenbewijs geacht de door hem verkregen of geproduceerde goederen te hebben geleverd onder de voorwaarden waaronder de belasting opeisbaar wordt".

Het tegenbewijs kan door de BTW-belastinplichtige geleverd worden doordat de goederen in de onderneming zelf verbruikt werden of doordat de goederen werden verstrekt in omstandigheden die de BTW niet opeisbaar maakt of doordat de goederen zich nog in voorraad bevinden.

3.3. De rechtbank stelt vast dat eiseres dit tegenbewijs niet levert.

Eiseres beweert dat 6.000 liter reinigingsproducten hebben gediend voor eigen gebruik, dat 15.000 liter reinigingsproducten werden verbruikt bij demonstraties en dat 7.500 liter reinigingsproducten gratis werden geleverd bij verkoop van machines. Eiseres bewijst dit alles evenwel niet. De beweringen van eiseres worden niet gestaafd door haar boekhouding, uitgaande facturen of op enige andere wijze.

Eiseres is niet ernstig wanneer zij stelt dat het maar om een beperkte hoeveelheid gaat. Het betreft in totaal wel 28.500 liter voor een omzet (volgens de berekening van eiseres zelf) van 1.140.000 BEF (28.259,86 EUR) of ongeveer 4 % van het aangekochte product, waarvoor eiseres geen enkel bewijs kan voorleggen.

Verder beweert eiseres dat de niet teruggevonden machines door haar werden gedemonteerd voor wisselstukken. Ook hier bewijst eiseres haar beweringen niet. Er is hieromtrent niets terug te vinden in haar boekhouding of op de uitgaande facturen. Een factuur met de vermelding 'herstelling' of met de vermelding van een bepaald stuk van de machine bewijst niet dat de herstelling is gebeurd door gebruik van een wisselstuk dat door eiseres zelf in gedementeerd uit een door haar gekochte machine. Het is daarenboven·ongeloofwaardig dat op het einde van het boekjaar er geen gedemonteerde wisselstukken meer in voorraad zouden zijn en dus alle onderdelen van de gedemonteerde machines zouden verkocht of gebruikt zijn.

3.4. Eiseres levert zodoende geen tegenbewijs wat betreft het vermoeden opgenomen in artikel 64, § 1 W.BTW zodat de meeromzet terecht werd toegevoegd. De vordering van verweerder is dan ook helemaal niet willekeurig.

3.5. De rechtbank wenst nog op te merken dat de overheid niet kan gebonden zijn door een eventuele nalatigheid of onoplettendheid van een contolerende ambtenaar die, zonder een standpunt in te nemen of een interpretatie te geven, bepaalde overtredingen van de wetgeving over het hoofd zou hebben gezien of niet zou hebben gesanctioneerd. De vroegere (of latere) houding van verweerder kan niet verhinderen dat de wet thans strikt wordt toegepast.

Eiseres toont bovendien niet aan dat de administratie de vorige (of latere) jaren bij een controle ook een hoeveelheidscontrole heeft gedaan die een verschil tussen de aan- en verkopen aan het licht bracht. Evenmin toont eiseres aan om welke redenen de administratie dan wel het eventueel vastgestelde verschil heeft aanvaard.

Verweerder heeft derhalve het algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, zijnde het rechtszekerheidsbeginsel, niet geschonden.

4. betreffende de boete

4.1. Eiseres vraagt de gehele minstens gedeeltelijke kwijtschelding van de boete, aangezien deze volgens haar niet in verhouding staat tot de weerhouden overtredingen en zij ter goeder trouw heeft gehandeld.

4.2. Een boete van 5 % (niet regelmatige facturen: punt 1 hiervoor) en 20 % (meeromzet: punt 3 hiervoor) op het verschuldigde BTW-bedrag en voor een totaal bedrag van 156.346 BEF (3.875,72 EUR) heeft een repressief karakter. Het zou strijdig zijn met het gelijkheidsbeginsel mochten de rechtbanken het recht ontzegd worden om op de betwiste administratieve beslissing om een dergelijke geldboete op te leggen, een toetsing met volle rechtsmacht uit te oefenen. Een toetsing met volle rechtsmacht houdt in dat de rechter moet nagaan of een administratieve beslissing met repressief karakter in rechte en in feite verantwoord is en of zij de wettelijke bepalingen en algemene beginselen die de administratie in acht moet nemen, waaronder het evenredigheidsbeginsel, eerbiedigt (Arbitragehof, 24 februari 1999, rolnr. 1279, arrest nr. 22/99).

Dat kan alleen in die zin begrepen worden dat de rechtbank (onder andere) de macht heeft om na te gaan of de concrete administratieve boete al dan niet in een redelijke verhouding staat tot de feiten waaraan de belastingplichtige zich bezondigd heeft. Een dergelijke toetsing brengt nog niet noodzakelijk met zich dat de rechtbank de belastingplichtige, om loutere redenen van opportuniteit of billijkheid, zou bevrijden van de verplichtingen die hem wettelijk zijn opgelegd door de overheid.

4.3. Concreet is de rechtbank in elk geval van oordeel dat een administratieve boete gepast is. Eiseres diende immers te weten dat zij moet bewijzen wat er met de door haar aangekochte goederen is gebeurd. Wat betreft de niet regelmatige facturen heeft eiseres regelmatig beloofd details te bezorgen, doch zonder enig resultaat.

Tenslotte moet een boete een ontradend effect hebben.

Rekening houdend met deze elementen en met de relatieve zwaarwichtigheid van de inbreuk betreffende de meeromzet acht de rechtbank de boete van 5 % (onregelmatige facturen) en 20 % (meeromzet) en voor een bedrag van 156.346 BEF (3.875,72 EUR), in gepaste verhouding tot de vastgestelde feiten.

5. Betreffende de intresten

5.1. Eiseres heeft blijkbaar nooit uitdrukkelijk aan verweerder meegedeeld dat de betaling op 22 juli 1999 onder voorbehoud is gebeurd. Dit zou alleen blijken uit de mededeling bij de overschrijving van het bedrag aan verweerder.

Eiseres heeft bijna 5 jaar gewacht om verweerder bij dagvaarding aan te manen tot terugbetaling.

5.2. De intresten opheffen onrechte geiende bedrag worden beheerst door artikel 91, § 4 W.BTW. Het betreft moratoire intresten, namelijk vanaf de aanmaning. De aanmaning tot terugbetaling is kennelijk pas door middel van de dagvaarding gedaan. De intresten zijn dus verschuldigd vanaf 13 juli 2004 en dit tegen de wettelijke rentevoet.

C. Betreffende de uitvoerbaarheid bij voorraad

Ingevolge artikel 377 WIB 1992 en artikel 92bis W.BTW kan een vonnis in fiscale zaken niet uitvoerbaar verklaard worden bij voorraad.

D. Betreffende de kosten

Eiseres wordt voor het grootste gedeelte in het ongelijk gesteld, zodat het passend voorkomt om haar de gerechtskosten te laten dragen.

Beschikkend gedeelte

OM DEZE REDENEN,

De rechtbank,

Wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak.

Alle verdere middelen van partijen verwerpende als niet dienend.

Verklaart de eis toelaatbaar en in volgende mate gegrond.

Zegt dienvolgens voor recht dat het proces-verbaal dat door verweerder ten nadele van eiseres op 17 juni 1999 werd opgemaakt ongegrond is voor het bedrag van 629,90 EUR aan BTW en voor het bedrag van 31,50 EUR aan administratieve boete en de intresten op deze bedragen aangerekend vanaf 21 juli 1997 op basis van artikel 91, § 1 W.BTW.

Beveelt dienvolgens verweerder om over te gaan tot terugbetaling aan eiseres van het bedrag van het genoemde proces-verbaal dat ongegrond werd verklaard, te vermeerderen met de verwijlintresten aan de wettelijke rentevoet vanaf 13 juli 2004.

Veroordeelt eiseres tot de kosten van het geding, aan haar zijde niet te begroten gezien ze haar ten laste blijven en aan de zijde van verweerder begroot op de rechtsplegingsvergoeding ten bedrage van 364,40 EUR.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting in het gerechtshof te Brugge op dinsdag vier september tweeduizend en zeven.

Aanwezig zijn :

D. P. L., alleenrechtsprekend rechter;

L. N., griffier.

N. L. D. P. L.

Aangehaalde teksten

4

Vergelijkbare beslissingen

8