Voldoening van de belasting, strafbepaling, administratieve geldboete, vervolging, geding · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg Brussel 2 maart 2007

Zoeken

Voldoening van de belasting, strafbepaling, administratieve geldboete, vervolging, gedingBelasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/voldoening-belasting-strafbepaling-administratieve-geldboete-rechtbank-brussel-2007-03-02-137b

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Zetel
Brussel
Datum
2 maart 2007

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

115 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Brussel d.d. 02.03.2007

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het vonnis

Tekst van de beslissing

Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel, 33ste kamer

A.R. 05/12161/A

- Fiscale zaken : BTW : verzet tegen dwangbevelen

- op tegenspraak tegenover verweerder en bij verstek geacht op tegenspraak te zijn gewezen tegenover eiser (art. 751 Ger. W.)

- eindvonnis

In zake van :

De heer Y. B., wonende te …, …,

eisende partij,

niet verschijnende noch iemand voor hem

tegen :

De BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, Dienst Invordering-Sector BTW, vertegenwoordigd door de rekenplichtige van het BTW-Ontvangkantoor te 1500 Halle. met kantoren te 1500 Halle, Zuster Bernardastraat 32.

verwerende partij,

vertegenwoordigd door Mr. F. S., advocaat te …, … (ref. : …).


De rechtbank spreekt het navolgend vonnis uit :


Verweerder heeft haar middelen en besluiten voorgedragen in de openbare terechtzitting 8 december 2006 van waarna het debat werd gesloten. De rechtbank nam vervolgens de zaak in beraad.

De rechtbank houdt in het bijzonder rekening met de volgende documenten :

• het verzet tegen dwangbevel op 18 oktober 2005 betekend op verzoek van eiser door Meester B. plaatsvervangend gerechtsdeurwaarder in vervanging van Meester J. B., gerechtsdeurwaarder met kantoor te …, …,

• de conclusie voor verweerder van 7 december 2005;

• de kennisgeving op grond van artikel 751 van het Gerechtelijk Wetboek.

Bovendien heeft de rechtbank de overtuigingsstukken van de partijen ingezien.


1. FEITEN

De heer B. (eiser) is onderworpen aan het wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde (W.BTW) en de in het kader ervan opgenomen uitvoeringsbesluiten, voor de uitoefening van zijn activiteit van boekhouder.

Het BTW-nummer van eiser werd op 1 maart 2003 ambtshalve doorgehaald. Eiser was tot op die datum derhalve onderworpen aan de BTW-wetgeving en aan de ter uitvoering ervan genomen besluiten voor zijn activiteit van boekhouder.

Hij was als belastingplichtige geregistreerd onder het BTW-nummer ….

Door de heer G. V. B., wd. e.a. inspecteur bij de Administratie van de BTW te Halle I werd naar aanleiding van een controle uitgeoefend op 13 oktober 2000, voor de periode van 1 januari 1998 tot 31 december 2000, een correctieopgave opgesteld. De correctieopgave werd op 13 oktober 2000 door eiser voor akkoord ondertekend (bundel verweerder, stuk nr. 1).

Voor de periode van 1 januari 2001 tot 31 december 2002 werd door dezelfde ambtenaar andermaal een controle uitgeoefend en een correctieopgave opgesteld, met betrekking tot overtredingen op de BTW-wetgeving. Eiser tekende deze voor akkoord op 31 juli 2003 (bundel verweerder, stuk nr. 4).

Omdat iedere betaling uitbleef werden lastens eiser op grond van de ondertekende naheffingsopgaven door de rekenplichtige van het BTW-Ontvangkantoor van Halle op 26 juli 2005 twee dwangbevelen uitgevaardigd, die uitvoerbaar verklaard werden door de eerstaanwezend inspecteur van de BTW te Halle I, aangewezen door de gewestelijke directeur van de Administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen te Mechelen (bundel verweerder, stukken nrs. 2 en 4).

Overeenkomstig deze dwangbevelen is eiser verschuldigd aan de Belgische Staat:

1. Dwangbevel met RCIV-nummer …

… euro BTW, verminderde geldboete … euro te verhogen met de wettelijke interesten van 0,80 % per maand vertraging te rekenen over de verschuldigde BTW vanaf 21 juli 2000, met de moratoire interest over de nog verschuldigde geldboeten die loopt vanaf de betekening van het dwangbevel en met de vervolgingskosten.

2. Dwangbevel met RCIV-nummer …

… euro BTW, verminderde geldboete … euro te verhogen met de wettelijke interesten van 0,80 % per maand vertraging te rekenen over de verschuldigde BTW vanaf 21 januari 2003, met de moratoire interest over de nog verschuldigde geldboeten die loopt vanaf de betekening van het dwangbevel en met de vervolgingskosten.

Beide dwangbevelen werden aan eiser op 8 augustus 2005 betekend bij exploot van gerechtsdeurwaarder A. V. D. D. (bundel verweerder, stuk nr. 5).

Op 21 september 2005 werd beslag gelegd op de roerende goederen van eiser met verkoopstelling op 28 oktober 2005 (bundel verweerder, stuk nr. 6).

Op 18 oktober 2005 werd door eiser een exploot van verzet aangetekend (stuk nr.7).

Dit verzet is gemotiveerd als volgt :

“(…)

Dat verzoeker het bedrag van de boeten betwist gevolg gevend aan de totale of ten minste gedeeltelijke verlichting;

Dat verzoeker eveneens het bedrag van de BTW betwist dat gevorderd wordt rekening houdend met de betalingen die door hem werden verricht sinds de opmaking van het dwangbevel;

Dat hij eveneens om de reductie van alle of een gedeelte van de interesten;

Dat verzoeker zich het recht voorbehoudt alle rechts- en feiten elementen te doen gelden tijdens het geding;

Dat indien er nog een saldo zou bestaan verzoeker betalingstermijnen zal aanvragen;

Dat hij zich het recht voorbehoudt aan te tonen dat hij ongelukkig en van goede trouw is;

Dat hij zich het recht voorbehoudt deze vordering op nauwkeuriger wijze te formuleren tijdens het geding;"

2. VORDERING

Eiser verzoekt de rechtbank "huidig verzet ontvankelijk en gegrond te horen verklaren; een tegenstrijdige (sic) afrekening te horen opstellen van de bedragen die aan gedaagde zouden verschuldigd zijn; aan verzoeker te horen verlenen (sic) afbetalingstermijnen aan te vragen voor het saldo dat nog zou bestaan dat tijdens het geding zou worden opgesteld."

Verweerder concludeert tot de ongegrondheid van de vordering.

3. ONTVANKELIJKHEID

Partijen werpen geen specifieke gronden van niet-ontvankelijkheid van de vordering op. De rechtbank ziet evenmin redenen om ambtshalve te besluiten tot de niet-ontvankelijkheid van de vordering. Deze is ontvankelijk.

4. BESPREKING TEN GRONDE

Op 18 maart 1997 werd door de wd. e.a. inspecteur bij het Controlekantoor van de BTW te Halle I, bij eiser een controle over de jaren 1994, 1995 en 1996 uitgeoefend. De overtredingen werden opgenomen in een correctieopgave die op dezelfde dag door eiser voor akkoord werd ondertekend.

Op grond van deze correctieopgave werd op 22 november 2000 een dwangbevel uitgevaardigd dat op 11 december 2000 aan eiser werd betekend. Op 5 december 2001 is eiser in verzet gegaan tegen een uitvoerend roerend beslag dat gelegd werd op basis van hetzelfde dwangbevel, verzet dat als ongegrond werd afgewezen (zie bundel verweerder stuk nr. 8).

Ook tegen het dwangbevel van 22 november 2000 werd op 2 november 2004 verzet aangetekend. Deze zaak draagt het A.R. nr. 04/13751/A.

De vordering, voorwerp van huidig verzet, heeft betrekking op twee BTW­toezichten die afgesloten werden met regularisatieopgaven die door betrokkene voor akkoord werden ondertekend. Eiser betwist schijnbaar de gevorderde rechten niet. Zij werden namelijk vastgesteld op basis van zijn boekhouding.

Eiser heeft op het ogenblik van de feiten de door hem verschuldigde BTW niet in BTW-aangiften opgenomen.

4.1. Over de betwisting van de boetes

Artikel 70, § 1 van het W.BTW bepaalt dat voor iedere overtreding van de verplichting de belasting te voldoen, een geldboete wordt opgelegd gelijk aan het dubbel van de ontdoken of niet tijdig betaalde belasting.

Artikel 84, 3de lid van het W.BTW bepaalt dat binnen de door de wet gestelde grenzen, het bedrag van de proportionele fiscale boete wordt vastgesteld in dit Wetboek of in de ter uitvoering ervan genomen besluiten, bepaald volgens een schaal waarvan de trappen door de Koning worden vastgesteld.

Het Koninklijk Besluit nr. 41 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale boete met betrekking tot de belasting over de toegevoegde waarde bepaalt in het laatste lid van artikel 1, uitdrukkelijk dat de verminderde boeten niet van toepassing zijn t.o.v. overtredingen die begaan werden met het oogmerk de belasting te ontduiken of ontduiking ervan mogelijk te maken.

Gezien de aard van de overtredingen, werd het Koninklijk Besluit nr. 41 toegepast en werd de boete herleid tot 10 % van de rechten.

Zowel in de correctieopgaven van 13 oktober 2000 en 31 juli 2003 (bundel verweerder, stukken nrs. 1 en 3) als in de dwangbevelen uitgevaardigd op 26 juli 2005 (bundel verweerder, stukken nrs. 2 en 4) werd uitdrukkelijk meegedeeld dat de boete verminderd werd overeenkomstig artikel 1 van het Koninklijk Besluit nr. 41 voornoemd.

De geldboete van artikel 70, § 1, W.BTW verminderd bij toepassing van K.B. nr. 41 werd dus terecht opgelegd.

Eiser stelt dat er een totale of ten minste een gedeeltelijke vrijstelling van de boete heeft plaats gevonden. Dit blijkt evenwel niet uit de stukken.

Het middel is ongegrond.

4.2. Betwisting van de BTW-vordering, rekening houdend met de betalingen die werden verricht sinds het opmaken van het dwangbevel

Stuk nr. 10 (bundel verweerder) geeft een overzicht van de openstaande vorderingen en vervolgde vorderingen, van de betalingen en de manier van de toerekening. De betalingen worden zonder aanduiding op het betalingsformulier toegerekend op de oudste schuld. Uit dit overzicht blijkt dat de ontvangen betalingen zeer regelmatig, nauwkeurig en juist werden geboekt. Aangezien er zonder aanduiding op het betalingsformulier, de betalingen toegerekend worden op de oudste schuld, werd er op de vorderingen, voorwerp van huidig geding nog geen enkele betaling geboekt (zie bundel verweerder stukken nrs. 12 en 13).

Verweerder kan deze betalingen slechts aftrekken van de door eiser beweerde betalingen indien verweerder over de betalingsbewijzen beschikt.

Daartoe werd eiser door de rekenplichtige van het Ontvangkantoor te Halle uitgenodigd om op kantoor zijn betalingen te komen bewijzen, maar eiser liet zich schijnbaar niet horen of zien.

Het middel is ongegrond.

4.3. Over het verzoek tot vermindering van alle of een gedeelte van de interesten

Luidens artikel 84bis W.BTW mag in bijzondere gevallen, de gewestelijke directeur van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen, onder door hem bepaalde voorwaarden, vrijstelling verlenen voor alle in artikel 91, §§ 1 en 2, bedoelde interesten of een deel ervan.

Eiser heeft nooit een dergelijke vraag ingediend. Pas nu, in het exploot van verzet, vraagt eiser gedeeltelijke of volledige vrijstelling van intresten, echter zonder de minste motivatie.

Het spreekt voor zich dat dergelijke vraag omstandig gemotiveerd moet zijn en pas dan aan een ernstig onderzoek kan onderworpen worden.

Verweerder merkt terecht op dat artikel 84bis W.BTW aan de bevoegde gewestelijk directeur een persoonlijke en exclusieve beslissingsbevoegdheid inzake de interesten bedoeld bij artikel 91 BTW-Wetboek toekent. Wanneer de gewestelijk directeur vrijstelling van nalatigheidsintrest verleent of weigert, neemt hij een discretionaire beslissing krachtens een exclusieve bevoegdheidsdelegatie die hem door de belastingwet is verleend.

De rechtbank van eerste aanleg kan enkel bevoegd zijn om de wettelijkheid van de beslissing van de gewestelijk directeur, die over een discretionaire bevoegdheid beschikt, te beoordelen (zie Cass., 7 november 1975, Arr. Cass., 1976, 316; Cass., 29 januari 1981, Pas., 1981, I, 565). De rechtbank kan zich evenwel niet in de plaats stellen van de gewestelijk directeur om vrijstelling van nalatigheidsintrest toe te staan (Rb. Leuven, 12 oktober 2001, stuk nr. 11, bundel verweerder).

Het middel is ongegrond.

4.4. Over de door eiser gevraagde betalingstermijnen

BTW-schulden zijn van rechtswege verschuldigd. Artikel 53 van het BTW­Wetboek bepaalt de termijnen waarbinnen de belasting over de toegevoegde waarde moet worden betaald en geen enkele wettelijke bepaling geeft aan de ontvanger expliciet de bevoegdheid om hiervan af te wijken.

Het verlenen van betalingsfaciliteiten behoort tot de exclusieve bevoegdheid van de ontvanger. Artikel 66 van het KB van 17.7.1991 houdende de coördinatie van de wetten op de Rijkscomptabiliteit regelt de persoonlijke aansprakelijkheid van de rekenplichtigen voor de invordering van kapitalen, rechten en belastingen waarvan de inning hen is toevertrouwd. Art. 66 van het KB van 17.71991 houdt geen enkel afdwingbaar voorschrift in wat betreft het toekennen van betalingsfaciliteiten.

Wanneer de ontvanger toch betalingsfaciliteiten toestaat, wijkt hij af van een strikte toepassing van een wetgeving van openbare orde, en dit onder zijn persoonlijke aansprakelijkheid. Hiertegen staat geen rechtsmiddel open.

Inzake fiscale schulden is de rechter derhalve niet bevoegd om betalingsfaciliteiten toe te kennen. Dit in tegenstelling tot burgerlijke schulden, waar de schuldenaar op grond van art. 1244, tweede lid BW de rechtbank kan verzoeken om betalingstermijnen toe te staan.

Het publiekrechtelijk karakter van de belastingschuld is niet overeen te brengen met de beginselen van verbintenissenrecht, die enkel op private rechtsverhoudingen zijn ingesteld. Derhalve mogen ze niet worden aangewend voor de uitlegging van bepalingen uit de fiscale wet, waarbij de invoering van de schuldvordering van de overheid wordt geregeld (J. Van Houtte, Beginselen van het Belgisch Belastingrecht 1979, nr. 200, 182).

Dit wordt eveneens bevestigd door het arrest van het Hof van Beroep te Brussel van 24 juni 1964 (Pass. 1965, 11, 191 - B.423, 1770) volgens hetwelk de rechtbanken niet gemachtigd zijn een uitstel van betaling in de plaats te stellen van een rechtsterm die ingevolge een wettelijke bepaling van openbare orde is vastgelegd (Beslagr. Verviers, 6.11.81, Bull. Bel. nr. 664, 1935; Beslagr. Kortrijk, 18.11.85, Bull. Bel. nr. 657, 77; Beslagr. Brussel, 12.1.87, Bull. Bel. nr. 674, 1307 en J.L. M. B., 1987, 288; Beslagr. Oudenaarde, 2.12.87, Bull. Bel. nr. 679, 94; RB. Brussel, 10.04.89, Bull. Bel. nr. 696, 1972; Rb. Nijvel, 14.6.89, Bull. Bel. nr. 700, 3321; Rb. Brussel, 14.12.78, Rec; Gén., 20.465; Rb. Leuven, 14.1.75, R.W. 1.3.1975, 1646).

Uitstel van betaling mag bijgevolg enkel worden toegestaan op administratief vlak en onder voorbehoud van de persoonlijke verantwoordelijkheid van de rekenplichtige belast met de invordering van kapitalen, intrest, tollen, rechten en belastingen, overeenkomstig artikel 10 van de wet van 15 mei 1846 op de Rijkscomptabiliteit (Beslagr. Luik, 11.10.78, Bull. Bel. nr. 66.834).

De uitsluitende bevoegdheid om afbetalingstermijnen inzake indirecte belastingen toe te staan, behoort dus enkel toe aan de rekenplichtige van het ontvangkantoor van de BTW te Halle. In deze kwestie is geen wettelijke bepaling voorhanden. Het betreft enkel een louter administratieve gunstmaatregel, waartegen bovendien geen beroep mogelijk is.

De rechtbanken zijn bijgevolg onbevoegd om inzake belastingen uitstel van betaling te verlenen. De bepalingen van het Wetboek van Koophandel, het Burgerlijk Wetboek en het Gerechtelijk Wetboek zijn ter zake niet van toepassing.

Uit de schuldentabel (zie bundel verweerder stuk nr. 14) blijkt overigens dat eiser niet het type was van een voorbeeldige belastingplichtige. Naast de schuld - voorwerp van huidige conclusies - zijn er nog verschillende bijzondere rekeningen (wegens niet- of laattijdig indienen en/of het niet-of laattijdig betalen van de BTW), en werden boeten opgelopen wegens het niet tijdig indienen van de klantenlistings. Verder kan worden vastgesteld dat andere regularisatieopgaven slechts zeer laattijdig en met mondjesmaat geheel of gedeeltelijk werden betaald.

Met betrekking tot de twee vorderingen die het voorwerp uitmaken van onderhavig geding werd geen enkele betaling gedaan.

Evenmin toont eiser aan dat hij "ongelukkig en te goeder trouw" is, zoals hij beweert.

Het middel is ongegrond.

4.5. Tergend en roekeloos geding

In het verzet wordt door eiser geen enkel ernstig of valabel argument naar voor gebracht, zodat het louter en alleen de bedoeling kan zijn geweest om de Administratie te hinderen.

Het verzet ten aanzien van verweerder die nauwgezet zijn taken heeft vervuld, kan niet anders dan als tergend en roekeloos worden beschreven. Het getuigt immers vanwege eiser van verregaande arrogantie gedurende jaren zijn BTW­verplichtingen niet na te komen zodat de invordering van de verschuldigde BTW steeds moest nagestreefd worden door verschillende controlebezoeken, opvolging van de dossiers door de bevoegde ambtenaren (betalingsberichten, dwangbevelen, beslag op roerende goederen, op loon, toerekening van kleine gedeeltelijke betalingen, enz.) en anderzijds de BTW-vorderingen te betwisten op grond van een verkeerde toerekening. Temeer daar eiser uitgenodigd werd op het ontvangkantoor om zijn betalingen te controleren, waaraan door eiser geen gevolg werd gegeven.

Het feit dat eiser, als boekhouder, op de hoogte is of minsten moet zijn van de toepassing van de BTW-wetgeving maakt de inbreuken des te erger.

Verweerder herhaalt haar vordering wegens tergend en roekeloos geding niet in het petitum van haar conclusie, doch zet haar vordering zeer uitvoerig uiteen op pagina 8 van haar conclusie (net boven het petitum) zodat eiser zeker op de hoogte is van deze tegenvordering.

Verweerder voert in haar conclusie terecht aan dat de verschillende procedures die door eiser werden ingeleid als vertragingsmanoeuvre worden gebruikt om de betaling van de BTW-schulden zoveel mogelijk te kunnen uitstellen. Het kan niet de bedoeling zijn dat de BTW-Administratie fungeert als financieringsinstelling.

Daarom lijkt een schadevergoeding ,wegens tergend en roekeloos geding van … euro niet meer dan billijk.

De vordering wegens tergend en roekeloos geding is gegrond.


Beschikkend gedeelte

0M DEZE REDENEN,

DE RECHTBANK

Gelet op de artikelen 4, 37, 41 en 42 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken,

Rechtsprekend in eerste aanleg en op tegenspraak tegenover verweerder en bij verstek geacht op tegenspraak te zijn gewezen tegenover eiser;

Verklaart de vordering van eiser ontvankelijk doch ongegrond;

Verklaart de tegenvordering van verweerder ontvankelijk en gegrond;

Veroordeelt eiser tot betaling van een schadevergoeding aan verweerder van … euro;

Veroordeelt eiser tot betaling van de gedingkosten, in hoofde van verweerder begroot op € … rechtsplegingsvergoeding.

Veroordelen tot betaling van de gedingkosten. begroot op € … rechtsplegingsvergoeding en € … aanvullende rechtsplegingvergoeding.

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de 33ste kamer van de Rechtbank van eerste aanleg te Brusse,. op 2 maart 2007.

\Vaar aanwezig waren en zitting namen :

Mevrouw N. S. : alleenrechtsprekend rechter

Mevrouw J. D. : griffier.

I. D. N. S.

Aangehaalde teksten

3
KB nr. 41 art. 11 voorkomen
WBTW art. 531 voorkomen
WBTW art. 911 voorkomen

Vergelijkbare beslissingen

8