Voldoening van de belasting, bewijs, controlemaatregel, vervolging, geding · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Hof van beroep Antwerpen 6 september 2011

Zoeken

Voldoening van de belasting, bewijs, controlemaatregel, vervolging, gedingBelasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/voldoening-belasting-bewijs-controlemaatregel-vervolging-hof-van-beroep-antwerpen-2011-09-06-6513

Rechtscollege
Hof van beroep
Zetel
Antwerpen
Datum
6 september 2011

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

158 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van beroep te Antwerpen d.d. 06.09.2011

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het arrest

Tekst van de beslissing

Het Hof van beroep te Antwerpen, zitting houdend te Antwerpen, ZESDE KAMER, recht doende in burgerlijke zaken, heeft het volgende arrest uitgesproken :

Zitting van : 6/9/2011

In zake : 2010/AR/1847

1. DE BELGISCHE STAAT, FOD FINANCIEN, MINISTER VAN FINANCIEN, 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12,

2. DE BELGISCHE STAAT, FOD FINANCIEN, EA INSPECTEUR, BTW ONTVANGKANTOOR TE BRUGGE, 8000 BRUGGE, G. Vincke Dujardinstraat 4,

appellanten, eisers na cassatie,

tegen het vonnis gewezen op 07 februari 2005 door de Rechtbank van eerste aanleg te Brugge,

vertegenwoordigd door Mr. V. L. D. J. A., advocaat te …, …,

tegen :

O. D. B. BVBA, met maatschappelijke zetel te …, …,

geïntimeerde, verweerster na cassatie,

vertegenwoordigd door Mr. S. P., advocaat te …, …;

Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd, waaronder het eensluidend afschrift van het bestreden vonnis, op tegenspraak tussen partijen gewezen op 7 februari 2005 door de Vierde Kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge, waarvan geen akte van betekening voorligt, en waartegen een naar vorm en termijn regelmatig hoger beroep werd aangetekend bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het Hof van beroep te Gent op 19 mei 2005;

Gelet op het arrest uitgesproken door het Hof van Cassatie op 10 december 2009;

Gelet op de dagvaarding betekend op 2 juni 2010 bij exploot van gerechtsdeurwaarder L. H., met standplaats te …;

Gehoord partijen in hun middelen en conclusies;

1. Feiten, retroacten, eis en verweer in hoger beroep

1.1. De BVBA O. D. B., verweerster na cassatie, is geregistreerd als BTW-belastingplichtige onder het nummer BE … met als activiteit kleinhandel in textielwaren. Zij baat meer bepaald twee kledingzaken uit.

1.2. Er werd een eerste BTW-controle uitgevoerd bij verweerster na cassatie voor de periode van 1 januari 1994 tot 31 december 1996 die resulteerde in een proces-verbaal van 16 maart 1999.

In dat proces-verbaal stelde de taxatieambtenaar de volgende bedragen verschuldigd :

- … BEF (… EUR) BTW;

- … BEF (… EUR) verminderde proportionele boete

en

- interest op … BEF (… EUR) voorzien in artikel 91, § 1, W.BTW vanaf21 januari 1997.

Bij gebrek aan betaling door verweerster na cassatie werd op basis van dat proces-verbaal op 26 maart 1999 onder RCIV nr. … een dwangbevel opgemaakt dat op 29 maart 1999 geviseerd werd en uitvoerbaar verklaard.

1.3. Na betekening van dat dwangbevel bij gerechtsdeurwaarderexploot van 13 april 1999, heeft verweerster na cassatie eerst een vordering tot terugbetaling ingesteld bij verzoekschrift op tegenspraak neergelegd ter griffie van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge op 12 juli 1999 (zaak AR 99/1914/A). Ter regularisatie werd daarna, op 14 mei 2001, door de partijen dezelfde vordering nogmaals aanhangig gemaakt door middel van vrijwillige verschijning (zaak AR 01/1437/A).

In de eerste zaak heeft het bestreden vonnis uitgesproken door de Vierde Kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge vastgesteld dat de inleiding van de zaak bij wijze van verzoekschrift op tegenspraak voor de BTW die verschuldigd was in de betreffende periode, niet mogelijk was en dat de vordering daarom onontvankelijk was.

In de tweede zaak heeft de eerste rechter de vordering gedeeltelijk gegrond verklaard omdat - zoals door eiser na cassatie erkend - in de berekening voor de BTW van het jaar 1994 geen kortingen in rekening waren gebracht. Aldus werden de cijfers verminderd met … BEF (… EUR) BTW en … BEF (… EUR) boete. Eiser na cassatie werd veroordeeld tot terugbetaling van de teveel betaalde sommen vermeerderd met de moratoire interest overeenkomstig artikel 91, § 4, W.BTW en dit te rekenen vanaf de inning ervan tot op datum van volledige terugbetaling.

1.4. Er werd ook een tweede BTW-controle gehouden, namelijk voor de periode van 1 januari 1997 tot 31 december 1999.

Die controle resulteerde in een proces-verbaal van 19 oktober 2001 waarin de taxatieambtenaar de volgende bedragen verschuldigd verklaarde :

- … BEF (… EUR) BTW;

- … BEF (… EUR) verminderde proportionele boete en

- interest op … BEF (… EUR) voorzien in artikel 91, § 1, W.BTW vanaf 21 januari 2000.

Na de betaling door verweerster na cassatie (naar haar eigen zeggen "onder voorbehoud") heeft zij in haar BTW-aangifte voor de maand januari 2002 hetzelfde bedrag teruggevraagd. Daarop werd gewezen in de brief van de accountant van verweerster na cassatie van 31 januari 2001 die de bijlage begeleidde.

Eiser na cassatie heeft toen per brief van 20 februari 2002 laten weten daarmee niet te kunnen akkoord gaan, waarna verweerster na cassatie op 8 juli 2002 met betrekking tot de betreffende sommen een dagvaarding liet betekenen die strekte tot terugbetaling.

Deze vordering (in de zaak AR 02/2418/A) werd door de eerste rechter ongegrond verklaard.

1.5. De beide genoemde processen-verbaal zijn op de volgende vaststellingen gebaseerd die door de taxatieambtenaar als tekortkomingen inzake de boekhouding en als overtredingen op de BTW-wetgeving werden beschouwd :

1) met betrekking tot klantenkaarten :

- de toegestane kortingen worden niet afzonderlijk geboekt;

- de voorgelegde klantenkaarten vermelden enkel het jaar van de verkoop en geen datum;

- de datum waarop de korting van 5 % na de 10de aankoop wordt toegestaan werd niet vermeld;

2) de toegestane verminderingen in de koopjesperiodes worden niet afzonderlijk geboekt en er werden geen bewijsstukken voorgelegd van de toegestane verminderingen;

3) de ontvangsten worden opgeschreven op niet-genummerde losse bladen;

4) de verkopen van stukken boven de … BEF (… EUR) worden niet apart en identificeerbaar genoteerd in het dagontvangstenboek.

De taxatieambtenaar leidde uit zijn vaststellingen af dat de boekhouding van verweerster na cassatie niet bewijskrachtig was en maakte een herberekening op basis van het forfait voor de kleinhandelaars in diverse textiel- en lederwaren, uitgewerkt na overleg met de beroepsverenigingen ten behoeve van de BTW-belastingplichtigen die hun omzet forfaitair aangeven. Aldus werd vertrokken van de verkochte aankopen waarop een winstmarge werd toegepast met inrekening van kortingen. Op die manier kwam de taxatieambtenaar·voor elk van de jaren tot een tekort aan aangegeven omzet.

Verweerster na cassatie heeft steeds betwist dat haar boekhouding niet in orde zou zijn en heeft elke meeromzet bestreden.

1.6. Tegen het vonnis van de Vierde Kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge uitgesproken op 7 februari 2005 heeft verweerster na cassatie hoger beroep ingesteld bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het Hof van Beroep te Gent op 19 mei 2005.

Bij arrest uitgesproken op 15 januari 2008 heeft de Vijfde Kamer van het Hof van Beroep te Gent beslist dat het uitgereikte dwangbevel ten onrechte werd uitgevaardigd en zonder rechtsgevolgen moet blijven. Verder wordt eiser na cassatie veroordeeld tot terugbetaling van alle sommen die op grond van het tweede proces-verbaal werden betaald of ingehouden.

In dit arrest erkent het Hof van Beroep te Gent dat het niet apart en identificeerbaar noteren van de verkopen van stukken boven … BEF in strijd is met de wettelijke bepalingen.

Het oordeelt ook dat de boekhouding de toets van de controleerbaarheid niet kan doorstaan.

Toch oordeelt het Hof van Beroep te Gent dat dit niet volstond om de boekhouding te verwerpen gelet op het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel.

Buiten het niet apart noteren van de verkopen boven … BEF zijn er geen schendingen van uitdrukkelijke wetsbepalingen vastgesteld, waardoor het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel, volgens het Hof van Beroep te Gent niet opzij kan worden gezet door het legaliteitsbeginsel.

1.7.1. Tegen dit arrest heeft eiser na cassatie een voorziening in cassatie ingesteld op 5 juni 2008.

In het eerste onderdeel van het enig middel voerde eiser na cassatie aan dat verweerster na cassatie in casu niet de rechtmatige verwachting kon. hebben dat op haar boekhouding naar de vorm niets aan te merken was.

Er was immers ook vóór de hier beschouwde periode, namelijk voor de periode 1988-1991, reeds een BTW-controle gebeurd die aanleiding gaf tot naheffing van BTW. Eiser na cassatie stelde dat dergelijke controle die leidde tot naheffing niet het rechtmatige vertrouwen kon wekken dat er niets verkeerd was aan de wijze waarop de BTW-belastingplichtige zijn BTW-verplichtingen was nagekomen en dat aan de vorm van haar boekhouding op zich niets verkeerd was, wel integendeel. Alleen een controle die niet leidt tot naheffing zou dat rechtmatige vertrouwen kunnen wekken.

De verwerping van de boekhouding voor de jaren 1994 tot 1999 kon volgens eiser na cassatie dan ook niet als een plotse en onvoorzienbare beslissing worden opgevat.

Uit de vaststelling dat uit niets blijkt dat de controleambtenaar bij de controle voor de periode 1988-1991, kritiek zou hebben geleverd over de punten die thans door de belastingadministratie worden aangevoerd om de boekhouding te verwerpen, laat staan dat bewezen zou zijn dat toen tot de verwerping van de boekhouding werd besloten kon, volgens eiser na cassatie, niet als feitelijk vermoeden worden afgeleid dat de controleambtenaar heeft ingestemd met de wijze waarop de boekhouding was gevoerd, temeer daar die controle tot een naheffing van BTW heeft geleid, wat impliceert dat de geboekte bedragen niet klopten.

Eiser na cassatie besloot dat het bestreden arrest niet wettig heeft kunnen beslissen dat hij het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel heeft geschonden door in de concrete omstandigheden van de zaak de boekhouding "plots" te verwerpen voor de jaren 1994 tot 1999.

1.7.2. Bij arrest gewezen op 10 december 2009 heeft het Hof van Cassatie het eerste onderdeel van het enig middel gegrond verklaard en het bestreden arrest van het Hof van Beroep te Gent vernietigd behalve in zoverre dit het hoger beroep ontvankelijk verklaart.

Het Hof van Cassatie oordeelt dat de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, die bindend zijn voor de belastingadministratie, het recht op rechtszekerheid insluiten, hetgeen inhoudt dat de burger moet kunnen vertrouwen op wat hij niet anders kan opvatten dan als een vaste gedrags­ of beleidsregel van de overheid. Daaruit volgt dat de door de overheid opgewekte gerechtvaardigde verwachtingen van de burger in de regel moeten worden gehonoreerd.

De burger kan evenwel niet verwachten dat het bestuur tegen de wettelijke regels in, over de jaren heen een onregelmatige boekhouding als bewijskrachtig zou blijven beschouwen.

Het bestreden arrest van het Hof van Beroep te Gent stelt vast dat de boekhouding van verweerster na cassatie de toets van de controleerbaarheid niet doorstaat voor de betrokken periodes van 1994 tot 1999. Het stelt ook vast dat de verantwoordingsstukken voor verkopen boven de … euro niet voldoende gedetailleerd waren, geeft te kennen dat de belastingplichtige dit wel kon weten maar dat dit de verwerping van de volledige boekhouding niet in redelijkheid kon verantwoorden. Het stelt tenslotte vast dat in vroegere periodes (van 1988 tot 1991) naheffingen volgden, maar oordeelt dat "uit niets blijkt dat de controleambtenaar toentertijd kritiek zou geleverd hebben op de wijze waarop de klantenkaarten werden ingevuld en verwerkt op het niet afzonderlijk boeken van kortingen en op de niet-detaillering van de verkochte goederen op de (losse, niet-genummerde) verantwoordingsstukken voor het dagontvangstenboek, laat staan dat zou bewezen zijn dat toen tot de verwerping van de boekhouding werd besloten".

Het Hof van Cassatie stelt dat de appelrechters op grond van die gegevens niet wettig konden oordelen dat de controleambtenaar naar aanleiding van de vroegere controles had ingestemd met de wijze waarop de boekhouding tijdens de voorgaande jaren was gevoerd en zij evenmin wettig konden beslissen dat eiser na cassatie aldus een gerechtvaardigde verwachting bij verweerster na cassatie had gecreëerd.

De aldus beperkte zaak wordt naar het Hof van Beroep te Antwerpen verwezen, de kosten worden aangehouden en de beslissing hieromtrent wordt aan de feitenrechter overgelaten.

1.8. Bij dagvaarding betekend op 2 juni 2010 bij exploot L. H., met standplaats te Brugge, vordert eiser na cassatie het door verweerster na cassatie bij verzoekschrift neergelegd op 19 mei 2005 ingestelde hoger beroep tegen het vonnis van 7 februari 2005 van de 4de kamer der rechtbank van eerste Aanleg te Brugge ongegrond te verklaren, het door eiser na cassatie ingestelde incidenteel hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren, dienvolgens het vonnis van 7 februari 2005 van de 4de kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge te vernietigen in de mate dat het vonnis geoordeeld heeft dat de moratoire interesten overeenkomstig artikel 91, § 4, W.BTW verschuldigd zijn vanaf de inning en in de mate dat de rechtbank geoordeeld heeft dat elk der partijen veroordeeld worden in hun eigen gerechtskosten.

1.9. In het verzoekschrift tot hoger beroep en in haar op 9 december 2010 neergelegde syntheseconclusie voert verweerster na cassatie vooreerst aan dat de forfaitaire regeling niet mag gebruikt worden om aan te tonen dat haar boekhouding niet bewijskrachtig was. Zij stelt verder dat de klantenkaarten bij de controle werden meegenomen zonder een ontvangstbewijs af te geven en dus in strijd met artikel 61, § 2, W.BTW. Omdat dit gegeven er niet in vermeld staat, zou het proces-verbaal geen correcte en volledige weergave van de gevoerde controlewerkzaamheden bevatten. Bovendien zouden de rechten van de verdediging van verweerster na cassatie daardoor geschonden zijn. Verweerster na cassatie voert voorts aan dat het niet volstaat vast te stellen dat een boekhouding niet (volledig) voldoet aan de boekhoudwetgeving om daaruit meteen te concluderen dat de boekhouding niet bewijskrachtig is zodat ze moet worden verworpen. Het zou er alleen op aan komen te weten of de door de belastingplichtige voorgelegde boeken en bescheiden voldoende betrouwbaar en controleerbaar zijn om als uitgangspunt voor de berekening van het fiscaal resultaat te dienen. Ook al bevat ze tekortkomingen, toch zou de boekhouding slechts kunnen verworpen worden voor zover die tekortkomingen elke controleerbaarheid van het fiscaal resultaat onmogelijk maakt. Bij dat alles zou het redelijkheidsbeginsel moeten toegepast worden : er zou moeten worden nagegaan of de zwaarte van de sanctie, namelijk de volledige verwerping van de boekhouding, gelet op alle feiten eigen aan het geval, in verhouding staat tot de tekortkomingen.

Ten onrechte zou eiser na cassatie die afweging niet maken en uit de vaststelling van tekortkomingen in de boekhouding onmiddellijk tot de integrale verwerping ervan besluiten. Verweerster na cassatie betwist dat eiser na cassatie hoe dan ook, ten gronde, redenen zou gehad hebben om de boekhouding van verweerster na cassatie te verwerpen op grond van de tekortkomingen die in de processen-verbaal zijn weergegeven. Met betrekking tot de klantenkaarten stelt zij dat noch de boekhoudwetgeving, noch de BTW-wetgeving vormvoorwaarden opleggen. De vormvoorwaarden die gehanteerd worden voor de toepassing van de forfaitaire regeling zouden hier niet gelden omdat verweerster na cassatie niet geopteerd had voor die forfaitaire regeling en overigens gelet op haar jaaromzet daarvoor niet in aanmerking kwam. Hoe dan ook zou eiser na cassatie niet aantonen dat de klantenkaarten niet bewijskrachtig zijn en nog minder dat een eventueel gebrek aan bewijskracht van die klantenkaarten meteen zou leiden tot een gebrek aan bewijskracht van de hele boekhouding. Verweerster na cassatie benadrukt dat op haar klantenkaarten elke datum van aankoop en de datum van uitbetaling stond (namelijk de datum van de laatste aankoop) met het bedrag ervan zodat het aldus perfect mogelijk zou zijn om de weerslag van die klantenkaarten op de ontvangsten te berekenen. Ten onrechte zou eiser na cassatie in de loop van de procedure steeds strengere eisen stellen. Dat op 148 kaarten er 2 zijn die niet de volledige identiteit van de klant bevatten, laat volgens verweerster niet toe te stellen dat de controleerbaarheid in het gedrang zou komen. Wat de prijsverminderingen tijdens de koopjesperiode aangaat, voert verweerster na cassatie aan dat eiser na cassatie ten onrechte dezelfde voorwaarden eist als voor de klantenkaarten en ze verwijst ook naar haar argumenten op dat punt. De korting in de koopjesperiode, zo stelt verweerster na cassatie, wordt toegekend zonder onderscheid naar de klant. De boekhoudwetgeving zou verder geen verplichting opleggen om prijsverminderingen afzonderlijk te boeken. Kortingen zouden zelfs geboekt mogen worden door de omzet te boeken na aftrek van die kortingen. Verweerster na cassatie ontkent dat ontvangsten zouden opgeschreven zijn op niet-genummerde losse bladen. Zij stelt dat haar ontvangstenboek ingebonden, genummerd en gedateerd is maar dat alleen haar verantwoordingsstukken (telbanden en andere) waarnaar het ontvangstenboek verwijst worden bijgehouden op losse niet-genummerde bladen. Dat zou niet in strijd zijn met de wet en in geen geval zou de bewijskracht van de boekhouding er door in het gedrang komen.

In verband met de verkochte stukken van boven de … BEF (… EUR) erkent verweerster na cassatie dat de gedetailleerde omschrijving niet in haar dagontvangstenboek zelf staat maar ze roept in dat het volstaat dat die omschrijving vermeld wordt op de verantwoordingsstukken die als bijlagen bij het ontvangstenboek bijgehouden worden. Dat zou zelfs letterlijk zijn toegestaan door artikel 15, § 4, 3de lid, KB nr. 1. Er zouden slechts zelden stukken van boven de … BEF verkocht worden en het stuk 8 waarnaar eiser na cassatie verwijst, zou haar onbekend zijn. Verweerster na cassatie benadrukt dat zij steeds zeer getrouw haar boekhouding heeft ingevuld zonder ook maar iets van haar omzet uit de boekhouding te weren, zodat zij niet begrijpt dat eiser na cassatie tot naheffing overgaat. De tekortkomingen die verweerster na cassatie zouden kunnen verweten worden, zouden in elk geval minimaal zijn en onvoldoende zwaar wegen om tot verwerping van de volledige boekhouding te kunnen besluiten. Daarom zou de forfaitaire regeling ten onrechte zijn toegepast. Minstens is verweerster na cassatie van oordeel dat de naheffing ongegrond is omdat de administratie in de vorige jaren nooit enige kritiek heeft geleverd op de wijze waarop zij haar boekhouding voerde en de administratie zelfs nooit enige tekortkoming heeft kunnen vaststellen in haar boekhouding. Eiser na cassatie zou bij verweerster na cassatie op die manier het gewettigde vertrouwen gewekt hebben dat ze met haar boekhouding volledig in orde was. Eiser na cassatie zou dus een inbreuk gemaakt hebben op het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel. Op basis van de schending van het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel vordert verweerster na cassatie veroordeling van eiser na cassatie tot betaling van een schadevergoeding van … EUR. Die schadevergoeding zou moeten dienen als compensatie van de door de houding van eiser na cassatie veroorzaakte bijkomende administratieve kosten. Met betrekking tot het door eiser na cassatie ingesteld incidenteel beroep vraagt verweerster na cassatie in hoofdorde de afwijzing van het incidenteel hoger beroep. Minstens zou voor de periode van 1994 tot 1996 de datum van het verzoekschrift op tegenspraak moeten genomen worden en voor de periode van 1997 tot 1999 de datum van de periodieke aangifte voor de maand januari 2002 waarin via vak 62 de teruggave werd gevorderd. Verweerster na cassatie besluit derhalve tot het gegrond verklaren van het hoger beroep en het ongegrond verklaren van het incidenteel beroep, dienvolgens de vernietiging minstens de hervorming van het bestreden vonnis, de veroordeling van eiser na cassatie tot terugbetaling van de op basis van het dwangbevel van 13 april 1999 in casu vereffende sommen en kosten, meer de moratoire en gerechtelijke interesten, alsook de veroordeling van eiser na cassatie tot teruggave aan verweerster na cassatie van een bedrag van … EUR, meer de moratoire en gerechtelijke interesten. Zij vordert tevens de veroordeling van eiser na cassatie tot betaling van een bedrag van … EUR ten titel van schadevergoeding meer de interesten. Ondergeschikt, vordert verweerster na cassatie de door eiser na cassatie gevorderde rechtsplegingsvergoeding van … EUR te herleiden tot het minimumbedrag.

1.10. Eiser na cassatie beaamt zijnerzijds in zijn op 10 januari 2011 neergelegde synthesebesluiten de redengeving van het bestreden vonnis behalve in de mate dat in het vonnis geoordeeld werd dat de moratoire interesten overeenkomstig artikel 91, § 4, W.BTW verschuldigd zijn vanaf de inning en in de mate dat de eerste rechter geoordeeld heeft dat elk der partijen veroordeeld worden in hun eigen gerechtskosten. Eiser na cassatie ontkent nog steeds ten stelligste dat de administratie een forfaitaire berekening zou gemaakt hebben om de bewijskracht van de boekhouding te betwisten. Eiser na cassatie verduidelijkt dat de klantenkaarten alleen voor de periode 1994 tot 1996 werden meegenomen en dat er inderdaad geen ontvangstbewijs werd uitgereikt en zonder dat van het meenemen van die klantenkaarten melding werd gemaakt in het proces-verbaal van 16 maart 1999. Dat zou evenwel niet leiden tot de nietigheid van het proces-verbaal. Ook al voorziet de wet het afleveren van het ontvangstbewijs, toch zouden de partijen daarover akkoord kunnen gaan en eiser na cassatie beroept er zich op dat de zaakvoerder van verweerster na cassatie destijds geen enkel bezwaar heeft geuit toen de klantenkaarten zonder afgiftebewijs werden meegenomen. Het komt in dat geval aan de controleambtenaar toe, zo stelt eiser na cassatie, om erop toe te zien dat hij de meegenomen stukken zorgvuldig terugbezorgt. Eiser na cassatie stelt verder dat hij zich niet zozeer steunt op de formele boekhoudrechtelijke voorschriften om tot de verwerping van de boekhouding te besluiten. Hij stelt dat de vraag naar de bewijskracht van de boekhouding een feitenkwestie is en dat het essentieel gaat om de controleerbaarheid van de boekhouding. Dat zou veronderstellen dat een boekhouding een geheel vormt van samenhangende, nauwkeurige en controleerbare elementen.

Het zou zelfs niet volstaan dat een boekhouding aan de formele vereisten van de boekhoudwet beantwoordt. Volgens eiser na cassatie moeten de verschillende tekortkomingen samen genomen worden en verantwoorden zij wel degelijk de verwerping van de boekhouding. Die sanctie zou in evenredigheid zijn met de vastgestelde inbreuken. Met betrekking tot de concrete tekortkomingen waarop hij zich baseert, stelt eiser na cassatie dat aan de hand van de klantenkaarten niet kan worden nagegaan welk bedrag precies in mindering werd gebracht als klantenkorting, of niet nog meer kortingen verrekend werden dan op de ondertekende klantenkaart vermeld vermits het bedrag nergens vermeld wordt. Ook zou enkel het jaar en niet de precieze datum van de aankoop zijn vermeld waardoor geen controle mogelijk is door na te gaan of de verkoop in kwestie werkelijk in het ontvangstendagboek werd genoteerd. Voor eiser na cassatie is het niet zo vanzelfsprekend dat de korting op de dag van de tiende aankoop zou zijn toegekend omdat het eerder gebruikelijk zou zijn om de korting bij de elfde aankoop te verrekenen. Eiser na cassatie signaleert nog dat er 7 kaarten zijn zonder handtekening van de klant, 2 zonder identificatie van de klant en 21 met dezelfde handtekening hoewel het verschillende klanten betrof. Eiser na cassatie roept in dat kortingen moeten bewezen worden aan de hand van verantwoordingsstukken en hij verwijst naar de vereisten die aan verantwoordingsstukken worden gesteld door de Commissie voor Boekhoudkundige Normen. Volgens eiser na cassatie voldoen de klantenkaarten van verweerster na cassatie niet die vereisten en kan de waarachtigheid van de kortingen niet worden gecontroleerd. Wat de kortingen tijdens de koopjesperiode aangaat, stelt eiser na cassatie dat hij geenszins betwist dat er allicht kortingen zullen zijn verleend en dat ze hoog kunnen hebben opgelopen. Toch, zo voert eiser na cassatie aan, kan niet zomaar genoegen worden genomen met de stelling van verweerster na cassatie dat de kortingen blijken uit de geboekte ontvangsten vermits er op dat punt geen enkel verantwoordingsstuk werd overgelegd en er dus geen controle zou mogelijk zijn. Eiser na cassatie voert aan dat er geen objectieve controle mogelijk is van de dagontvangsten omdat die ontvangsten worden ingeschreven op losse, niet-genummerde bladen, enkel voorzien van de datum en een algemene omschrijving, meestal met een globale prijs van de verkochte goederen.

Vermits de bladen niet genummerd zijn en los zijn kan een blad gemakkelijk vervangen worden volgens eiser na cassatie; er zouden geen dubbels zijn die als aankoopbewijs voor de klant dienen, verweerster na cassatie zou - in weerwil van haar stelling dat er telbanden waren - geen kasregister hebben; de verantwoordingsstukken zouden geen melding maken van toegestane kortingen of van de verrekening met klantenkaarten en bovendien zouden de. verantwoordingsstukken niet gedetailleerd zijn. Wat de verkoop van stukken met een prijs boven de … BEF (… EUR) betreft, stelt eiser na cassatie dat de verkochte goederen niet nauwkeurig en gedetailleerd vermeld werden, noch in het dagontvangstenboek, noch op de verantwoordingsstukken. Er zouden slechts vage omschrijvingen zijn gebruikt, ook wanneer de prijs hoger was dan … BEF. Wat het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel betreft roept eiser na cassatie in dat in het verleden ook betwisting bestaan heeft omtrent de aangegeven omzet van verweerster na cassatie met omzetverhoging tot gevolg, in het bijzonder naar aanleiding van de controle voor de jaren 1988 tot 1991. Dat wijst er volgens eiser na cassatie op dat er toen ook al getwijfeld werd aan de waarachtigheid van de boekhouding van verweerster na cassatie. Subsidiair stelt eiser na cassatie dat een eventueel niet opgemerkte onregelmatigheid tijdens een vorige controle door een belastingplichtige niet als een onaanvechtbare verworvenheid kan worden aangezien. Wanneer een ambtenaar vroeger uit nalatigheid of onoplettendheid bepaalde overtredingen van de wetgeving door de belastingplichtige over het hoofd heeft gezien, kan de overheid daardoor naar het oordeel van eiser na cassatie niet gebonden zijn voor de volgende jaren. Eiser na cassatie stelt dat de eerste rechter ten onrechte heeft aangenomen dat de moratoire interest die verschuldigd is op de aan verweerster na cassatie terug te betalen sommen voor het jaar 1994, lopen vanaf de datum van betaling door verweerster na cassatie. Eiser na cassatie verwijst naar artikel 91, § 4, W.BTW dat verwijst naar het gemeen recht. In dat verband stelt eiser na cassatie dat artikel 1153 B.W. moet worden toegepast zodat de moratoire interest maar zou verschuldigd zijn vanaf de aanmaning tot betaling. Dat zou volgens eiser na cassatie betekenen dat pas vanaf de datum van het proces-verbaal van vrijwillige verschijning, namelijk 14 mei 2001, moratoire interest zou kunnen lopen. De datum van het verzoekschrift op tegenspraak, 12 juli 1999, zou geen rol kunnen spelen omdat dit om een onwettelijke wijze van gedinginleiding zou gaan.

Voor de periode van 1997 tot 1999 stelt eiser na cassatie dat de teruggave via vak 62 van de periodieke aangifte niet mogelijk was omdat het ging om sommen die betaald waren op verzoek van de administratie omdat artikel 6 KB nr. 4 van 29 december 1969 dat letterlijk uitsluit. Omdat enkel teruggave bij wijze van dagvaarding mogelijk was, zou de moratoire interest pas vanaf die dagvaarding kunnen lopen en niet vanaf de opname in vak 62 van de periodieke aangifte. Vermits hij meent dat geen schending van het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel heeft plaatsgevonden, en dat er geen fout gepleegd werd door zijn administratie, is de vordering tot. schadevergoeding volgens eiser na cassatie ongegrond. Eiser na cassatie besluit derhalve tot de afwijzing van het hoger beroep als ongegrond, het gegrond verklaren van het incidenteel beroep en dienvolgens de vernietiging van het bestreden vonnis in de mate dat in het vonnis geoordeeld wordt dat de moratoire interesten overeenkomstig artikel 91, § 4, W.BTW verschuldigd zijn vanaf de inning en in de mate dat de eerste rechter geoordeeld heeft dat elk der partijen veroordeeld wordt in zijn eigen proceskosten. Eiser na cassatie begroot het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep op … EUR.

2. Beoordeling

2.1. Over de forfaitaire regeling als bewijsmiddel

Zowel in het proces-verbaal van 16 maart 1999 als in het proces-verbaal van 19 oktober 2001 heeft de taxatieambtenaar zijn oordeel dat de boekhouding niet regelmatig was en daarom niet als bewijskrachtig kan worden aangemerkt uit niets anders afgeleid dan uit de vaststellingen aangaande de klantenkaarten, de kortingen in de koopjesperiodes, de niet-genummerde losse bladen en de niet-identificatie van verkochte stukken met een waarde boven de … BEF (… EUR).

Het is pas na de conclusie dat de boekhouding niet bewijskrachtig was dat de taxatieambtenaar een berekening gemaakt heeft op eenzelfde manier als voorzien voor de belastingplichtigen in koopwarengroep 33 van de forfaitaire structuur voor de kleinhandelaars in diverse textiel- en lederwaren.

De grief is dus ongegrond.

2.2. Over het meenemen van klantenkaarten ontvangstbewijs zonder ontvangstbewijs

Waar artikel 61, § 2 W.BTW aan de BTW-ambtenaren het recht verleent om bepaalde stukken "tegen afgifte van een ontvangstbewijs te behouden" (en dus mee te nemen), heeft het meenemen van die stukken zonder afgifte van een ontvangstbewijs niet de nietigheid van de controlewerkzaamheden tot gevolg.

Evenmin belet dat gegeven dat tot een geldige vestiging van een belastingheffing zou kunnen worden overgegaan. De wet voorziet voor de niet-afgifte van een ontvangstbewijs geen sanctie.

Bovendien, blijkt niet dat de klantenkaarten werden meegenomen zonder medeweten van verweerster na cassatie of zelfs tegen haar wil. Verweerster na cassatie roept dan ook niet in dat het om onrechtmatig verkregen bewijs zou gaan.

Dat over het al dan niet uitreiken van een ontvangstbewijs voor de klantenkaarten geen melding werd gemaakt in het proces-verbaal, kan evenmin tot de conclusie leiden dat het proces-verbaal nietig is en/of dat de belasting ten onrechte werd gevestigd. Ook hier is er geen wettelijke sanctie. Vermits niet betwist is dat de klantenkaarten volledig in origineel werden terugbezorgd aan verweerster na cassatie, kan zij zich niet beroepen op een schending van haar rechten van verdediging.

Deze grief is dan ook ongegrond.

2.3. Over de toepassing forfaitaire regeling slechts op voorwaarde dat de boekhouding onregelmatig zou zijn

2.3.1. Zelfs al is de belastingwetgeving (net zomin als de boekhoudwetgeving) eerder vaag over de concrete invulling van het begrip "bewijskrachtige boekhouding", toch staat vast dat de boekhouding "controleerbaar" moet zijn. Dat volgt op zijn minst uit artikel 14, § 1, van het KB nr. 1 dat luidt : "De belastingplichtigen moeten een aan de omvang van hun activiteiten aangepaste boekhouding voeren om de belasting over de toegevoegde waarde te kunnen toepassen en controleren."

Om controleerbaar te zijn, moet een boekhouding op die manier zijn opgesteld dat zij een samenhangend, nauwkeurig geheel vormt en opgebouwd is rond voldoende elementen die toelaten na te gaan (te controleren) of de gegevens die de belastingplichtige zelf vermeldt, met de werkelijkheid overeenstemmen. De controle moet zo objectief "mogelijk" zijn. Het komt in dat verband aan de belastingplichtige toe om er voor te zorgen dat hij voldoende (en binnen de perken van het mogelijke en het redelijke) elementen inbouwt waarmee hij een kritische buitenstaander (de controleur) ervan kan overtuigen dat zijn boekhouding waarheidsgetrouw is zonder dat die buitenstaander verplicht moet worden de belastingplichtige op zijn woord te geloven.

De vraag of een boekhouding aan de vereiste van controleerbaarheid voldoet, is dan ook een feiten kwestie die geval per geval moet beoordeeld worden. Terecht laat eiser na cassatie gelden dat het geheel van de eventuele tekortkomingen in aanmerking moet worden genomen om te beoordelen of de vastgestelde tekorten zwaar genoeg wegen om - alle proporties in acht genomen - tot verwerping van de volledige boekhouding te besluiten.

2.3.2. Over klantenkaarten en boeking van kortingen bestaan geen expliciete wettelijke bepalingen

Dat is anders voor het dagontvangstenboek.

In het algemeen gelden voor de inschrijvingen in de boekhouding de regels van artikel 15, in het bijzonder § 1 en § 2, van KB nr. 1 van 29 december 1992 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde. Zij bepaalden in de betreffende periode het volgende :

§ 1. De boeken die deel uitmaken van de boekhouding vormen, ieder naar gelang zijn oogmerk, een doorlopende reeks; uiterlijk op het tijdstip van gebruik worden zij geïdentificeerd door de precisering van dit oogmerk, hun plaats in deze reeks, de naam of de maatschappelijke benaming van de belastingplichtige of van de niet-belastingplichtige rechtspersoon en zijn in artikel 50 van het Wetboek bedoelde BTW­identificatienummer.

De boeken bedoeld in artikel 14 mogen worden gehouden op losse bladen, met uitzondering van het dagboek van ontvangsten bedoeld in § 2, 3° van dit artikel.

De losse bladen van de in het vorige lid beoogde boeken en de bladen van het dagboek van ontvangsten moeten genummerd worden, uiterlijk op het tijdstip waarop deze bladen of dit dagboek in gebruik worden genomen.

§ 2. De inschrijvingen met betrekking tot de boekhouding moeten zijn gesteund op verantwoordingsstukken die gedateerd zijn en waarvan, naar gelang het geval, een origineel exemplaar of een dubbel dient te worden bewaard.

De inschrijvingen in de boeken worden zonder uitstel, in volgorde van de data, zonder enig wit vlak noch leemte verricht; in geval van verbetering moet de oorspronkelijke inschrijving leesbaar blijven; de totalen van elk blad worden overgedragen bovenaan op het volgend blad.

Wat het ontvangstenboek betreft, is er de meer specifieke bepaling van § 4 van artikel 15 van KB nr. 1 van 29 december 1992, die als volgt luidde voor de betreffende periodes :

§ 4. Het totale bedrag van de dagontvangsten wordt van dag tot dag ingeschreven in het dagboek van ontvangsten.

Een afzonderlijke inschrijving met vermelding van de aard van de verkochte goederen is evenwel noodzakelijk voor de ontvangsten die voortkomen van de levering van goederen waarvan de prijs, per in de handel gebruikelijke eenheid, meer bedraagt dan … frank, belasting over de toegevoegde waarde inbegrepen.

De in het vorige lid bedoelde afzonderlijke inschrijving mag worden vervangen door een dagelijkse globale inschrijving wanneer de verantwoordingsstukken die moeten worden opgesteld, benevens de ontvangst, de aard van de verkochte goederen nauwkeurig vermelden.

Wanneer de ontvangsten onderworpen zijn aan verschillende tarieven, worden ze per tarief ingeschreven.

In de gevallen en onder de voorwaarden die zij bepalen, kan door of vanwege de Minister van Financiën nochtans van dit voorschrift worden afgeweken door toe te staan dat de ontvangsten worden ingeschreven zonder onderscheid te maken naar gelang het belastingtarief en dat aangepaste methodes worden aangewend voor het uitsplitsen van deze ontvangsten per tarief.

Het dagontvangstenboek moet worden ingevuld door belastingplichtigen die ervan ontheven zijn een factuur uit te reiken wanneer zij goederen leveren of diensten verstrekken aan natuurlijke personen die ze bestemmen voor hun privégebruik, waaronder in het bijzonder handelaars in gewone kledij zoals verweerster na cassatie. Dit geldt krachtens artikel 14, § 2, 3° van KB nr. 1 (juncto artikel 1, § 2, van dat KB), dat immers (in de toepasselijke versie) het bijhouden oplegt van :

3° een dagboek waarin zij de ontvangsten inschrijven met betrekking tot de handelingen waarvoor zij gebruik maken van, de ontheffing van de factureringsplicht waarin artikel 1, § 2 voorziet.

Het samen lezen van die bepalingen houdt in dat in het dagontvangstenboek zelf alleen voor de levering van goederen met een gebruikelijke winkelprijs per stuk van meer dan … BEF (… EUR) een afzonderlijke inschrijving met vermelding van de aard van de verkochte goederen moest gebeuren, tenzij - zoals voorzien in het derde lid van artikel 15, § 4, KB nr. 1 - de "verantwoordingsstukken van alle ontvangsten die in het totale dagbedrag", naast het bedrag van de ontvangst voldoende nauwkeurig de aard van de verkochte goederen vermelden.

Uit de voorgelegde stukken blijkt dat verweerster na cassatie af en toe leveringen had van boven de … BEF zonder dat op haar losse bladen van de dagontvangsten een nauwkeurige vermelding van de aard van de verkochte goederen staat (bv. niets meer dan confectie). Op dat punt is de kritiek van eiser na cassatie op de wijze van bijhouden van het dagontvangstenboek alvast gegrond.

Het derde lid van artikel 15, § 4, KB nr. 1 bevestigt ook dat het dagontvangstenboek moet gebaseerd zijn op "verantwoordingsstukken". Met betrekking tot verantwoordingsstukken is nergens voorzien dat ze vastbladig moeten zijn en evenmin dat ze genummerd moeten worden. In artikel 15, § 2, is alleen opgelegd dat verantwoordingsstukken gedateerd moeten zijn en dat er een origineel of een kopie van moet bewaard worden. De losse, niet-genummerde blaadjes zijn gedateerd en voldoen in principe aan de uitdrukkelijke, specifieke voorschriften. Louter op basis van de wettekst kan het verweerster na cassatie niet verweten worden dat ze op die verantwoordingsstukken - behoudens voor de verkopen boven de … BEF (… EUR) - geen nauwkeurige omschrijving vermeldde en zich er toe beperkte een algemene vermelding (bv. hemd, bloes, blazer, broek, enz.) op te schrijven.

Bij gebrek aan meer uitdrukkelijke bepalingen omtrent het bijhouden van de betreffende boekhoudstukken, kan eiser na cassatie zich voor het overige slechts beroepen op de algemene vereiste van controleerbaarheid om de verwerping van de boekhouding te verantwoorden.

Wat de klantenkaarten aangaat, stelt het Hof vast dat eiser na cassatie terecht laat gelden dat alleen het jaartal vermeld staat en niet de exacte datum waarop de verkopen zijn gebeurd waaruit de klant zijn recht op een korting put. Op zich weegt dit punt van kritiek niet erg zwaar. Op datum waarop een korting op een klantenkaart wordt genoteerd, is deze immers nog niet verworven en betaalt de klant de volle prijs van zijn gekochte goederen.

Het is evenwel anders met de vaststelling dat geen melding wordt gemaakt van de datum waarop de klant uiteindelijk de korting geniet. Op dat moment immers verlaten bij verweerster na cassatie goederen de deur tegen een lagere ontvangst dan de winkelprijs. In weerwil van wat verweerster na cassatie aanvoert is het overigens niet uit te maken of de korting aan de klant werd verleend ter gelegenheid van zijn tiende dan wel van zijn elfde aankoop. De kaarten bevatten daarover geen uitleg en de beide praktijken bestaan.

Die werkwijze van verweerster na cassatie laat in elk geval niet toe om na te gaan in welke belastbare periode de korting werd toegestaan. Vermits deze minontvangst rechtstreekse invloed heeft op de verschuldigde BTW, ontneemt het gebrek aan datering aan de BTW­ambtenaar een middel om de (datum van) eisbaarheid van de BTW te controleren (wat in het bijzonder invloed heeft op de eventueel verschuldigde interest).

De vereiste dat de boekhouding een samenhangend geheel moet vormen, is precies ingegeven door de noodzaak dat een controleur diverse boekingen met elkaar in verband moet kunnen brengen om de goederen­ en geldstroom voldoende te kunnen traceren. Om de verbanden tussen aankoopfacturen (en daaraan beantwoordende betalingen), inventarisboek en verkopen (met daaraan beantwoordende ontvangsten) te kunnen achterhalen, is een boeking op exacte datum belangrijk. Zelfs al is er geen uitdrukkelijke wetsbepaling die het dateren van de toekenning van korting wegens klantenkaarten oplegt, toch is dit een essentieel middel om controle van de boekhouding mogelijk te maken. De toekenning van een korting is immers een afwijking van de normaal te verwachten samenloop tussen de uitgaande goederenstroom en de inkomende geldstroom.

Op grond van dezelfde principes dwingt de vereiste van controleerbaarheid van de boekhouding ertoe dat kortingen tijdens de koopjesperiodes voldoende gedetailleerd geboekt worden. Door in de koopjesperiode gewoon de ontvangen prijs bij de ontvangsten te noteren zonder vermelding van de korting - zeker gecombineerd met het slechts algemeen benoemen van de verkochte goederen op de verantwoordingsstukken - is een behoorlijke controle van de boekhouding niet evident.

Verder is het onmiskenbaar dat de wettelijke regeling voor het bijhouden van het ontvangstenboek waarbij voor verkopen tot … BEF (… EUR) niet vereist is om - zelfs op de verantwoordingsstukken - de verkochte goederen nauwkeurig te omschrijven; niet erg bevorderlijk is voor de controleerbaarheid van de boekhouding. In dat opzicht bekritiseert eiser na cassatie niet geheel ten onrechte de werkwijze van verweerster na cassatie. Die werkwijze laat immers niet toe uit te sluiten dat de belastingplichtige lagere cijfers inschrijft dan de werkelijk ontvangen bedragen. Alleen systemen zoals deze van kasregisters met een dubbele kasrol kunnen op dat vlak soelaas brengen.

2.3.3. De algemene beginselen van behoorlijk bestuur, die bindend zijn voor de belastingadministratie, sluiten het recht op rechtszekerheid in. Dit houdt in dat de burger moet kunnen vertrouwen op wat hij niet anders kan opvatten dan als een vaste gedrags- of beleidsregel van de overheid. Daaruit volgt dat de door de overheid opgewekte gerechtvaardigde verwachtingen van de burger in de regel moeten worden gehonoreerd.

De burger kan evenwel niet verwachten dat het bestuur tegen de wettelijke regels in, over de jaren heen een onregelmatige boekhouding als bewijskrachtig zou blijven beschouwen.

Uit de vorenstaande consideransen blijkt :

1. dat de boekhouding van verweerster na cassatie de toets van de controleerbaarheid niet doorstaat voor de betrokken periodes van 1994 tot 1999;

2. dat de verantwoordingsstukken voor verkopen boven de … euro niet voldoende gedetailleerd waren, hetgeen verweerster na cassatie wel kon weten maar dat dit de verwerping van de volledige boekhouding niet in redelijkheid kon verantwoorden;

3. dat in vroegere periodes (van 1988 tot 1991) naheffingen volgden, doch dat de controleambtenaar toentertijd geen kritiek zou geleverd hebben op de wijze waarop de klantenkaarten werden ingevuld en verwerkt, op het niet afzonderlijk boeken van kortingen en op de niet­detaillering van de verkochte goederen op de (losse, niet-genummerde) verantwoordingsstukken voor het dagontvangstenboek, laat staan dat zou bewezen zijn dat toen tot de verwerping van de boekhouding werd besloten.

Uit voormelde vaststellingen kan echter niet wettig besloten worden dat de controleambtenaar naar aanleiding van de vroegere controles had ingestemd met de wijze waarop de boekhouding tijdens de voorgaande jaren was gevoerd noch dat eiser na cassatie aldus een gerechtvaardigde verwachting bij verweerster na cassatie had gecreëerd.

De oorspronkelijke vordering van verweerster na cassatie blijft dan ook ongegrond, evenals het door haar ingestelde hoger beroep.

2.4. Over het incidenteel hoger beroep - de moratoire interest

Terecht stelt eiser na cassatie dat op basis van artikel 91, § 4 W.BTW toepassing moet gemaakt worden van artikel 1153 B.W., waar in het derde lid gesteld wordt dat interest verschuldigd is vanaf de dag der aanmaning.

Wat de periode van 1994 tot 1996 betreft, is het verzoekschrift op tegenspraak van 12 juli 1999 de aanmaning die de interest heeft doen lopen. Er blijkt geen vroegere aanmaning uit het dossier. Dat dit verzoekschrift onontvankelijk was, belet niet dat het een onmiskenbare aanspraak vanwege verweerster na cassatie inhield om de sommen die betaald werden in uitvoering van het dwangbevel van 26 maart 1999, terug te krijgen (en dus een aanmaning was) en belet evenmin dat eiser na cassatie toen al kennis kreeg van die aanspraak en ermee moest rekening houden. Mocht verweerster na cassatie immers op diezelfde datum een brief tot eiser na cassatie gericht hebben met vraag tot terugbetaling en geen gerechtelijke vordering hebben ingesteld vóór 14 mei 2001 (datum waarop naderhand de ontvankelijke vordering werd ingesteld), dan zou die brief als aanmaning gelden die de moratoire interest deed lopen. Het is derhalve niet van belang dat het tegensprekelijk verzoekschrift geen gerechtelijke vordering op gang bracht; het volstaat vast te stellen dat met het verzoekschrift aan eiser na cassatie de aanmaning tot terugbetaling van de BTW-schuld ter kennis werd gebracht. In zoverre de eerste rechter de moratoire interest liet lopen vanaf de inning van die BTW-schuld door eiser na cassatie, terwijl die inning zich situeerde vóór 12 juli 1999, is het incidenteel hoger beroep gegrond in zoverre dat die interest, verschuldigd overeenkomstig artikel 91, § 4 W.BTW, begint te lopen vanaf 12 juli 1999.

2.5. Omtrent de vordering tot schadevergoeding

Gezien de ongegrond verklaring van het hoofdberoep kan geen fout in hoofde van eiser na cassatie in de uitoefening van zijn opdracht worden weerhouden.

Enkel ten overvloede kan worden opgemerkt dat verweerster na cassatie beweert bijkomende administratieve kosten te hebben gemaakt, maar dat zij daarvan geen enkel bewijs voorlegt.

De vordering tot schadevergoeding is in die omstandigheden ongegrond.

2.6. Omtrent de gerechtskosten

Vermits de waarde van de vorderingen, bepaald zoals voorzien in de artikelen 557 tot 562 en artikel 618 Ger. W. zich in de schijf van 20.000,01 en 40.000,01 EUR bevindt, is het basisbedrag van … EUR toepasselijk.

Ondergeschikt verzoekt verweerster na cassatie de door eiser na cassatie gevorderde rechtsplegingsvergoeding van … EUR te herleiden tot het minimumbedrag.

Naar luid van artikel 1022, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek kan de rechter, op verzoek van een van de partijen, dat in voorkomend geval wordt gedaan na ondervraging door hem, bij een met bijzondere redenen omklede beslissing ofwel de vergoeding verminderen, ofwel die verhogen, zonder de door de Koning bepaalde maximum- en minimumbedragen te overschrijden. Bij zijn beoordeling houdt de rechter rekening met :

- de financiële draagkracht van de verliezende partij, om het bedrag van de vergoeding te verminderen;

- de complexiteit van de zaak;

- de contractueel bepaalde vergoedingen voor de in het gelijk gestelde partij;

- het kennelijk onredelijk karakter van de situatie.

Verweerster na cassatie preciseert niet nader op welke grond zij de vermindering van de vergoeding meent te mogen staven. Geen van de reden vermeld in artikel 1022, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek blijkt ten deze toepasselijk te kunnen zijn, zodat er geen aanleiding bestaat tot vermindering van de rechtsplegingsvergoeding, zoals door eiser na cassatie begroot.

Beschikkend gedeelte

OM DEZE REDENEN,

HET HOF,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935;

Recht doende op tegenspraak,

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond;

Verklaart het incidenteel beroep ontvankelijk en zoals hierna bepaald gegrond;

Wijzigt dienvolgens het bestreden vonnis zoals volgt :

Zegt voor recht dat het dwangbevel van 26 maart 1999, uitgevaardigd onder RCIV-nummer …, slechts gegrond is voor wat betreft … EUR (… BEF) BTW en … EUR (… BEF) geldboete;

Veroordeelt eiser na cassatie tot terugbetaling aan verweerster na cassatie van alle op grond van dat dwangbevel teveel geïnde bedrag (voor de periode van 1 januari 1994 tot 31 december 1996), vermeerderd met de moratoire interest voorzien in artikel 91, § 4 W.BTW, te rekenen vanaf 12 juli 1999;

Verklaart de vordering van verweerster na cassatie strekkende tot veroordeling van eiser na cassatie tot betaling van een schadevergoeding ontvankelijk maar wijst ze af als ongegrond;

Bevestigt alle overige beschikkingen van het bestreden vonnis;

Veroordeelt verweerster na cassatie tot de kosten in hoger beroep, begroot aan de zijde van eiser na cassatie op … euro (… EUR) voor kosten van betekening van de voorziening in cassatie, … euro (… EUR) voor kosten van dagvaarding na cassatie en … euro (… EUR) voor rechtsplegingsvergoeding hoger beroep;

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het HOF VAN BEROEP te ANTWERPEN van ZES SEPTEMBER TWEEDUIZENDENELF,

waar aanwezig waren :

D. W., Raadsheer wd. Voorzitter;

S. B. en M. G., Raadsheren;

A. V. L., Griffier.

A. V. L. M. G. S. B. D. W.

Aangehaalde teksten

4
KB nr. 1 art. 153 voorkomens
KB nr. 1 art. 142 voorkomens
KB nr. 4 art. 61 voorkomen
WBTW art. 501 voorkomen

Vergelijkbare beslissingen

8