Voldoening van de belasting, bewijs, controlemaatregel, strafbepaling, administratieve geldboete · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg Brussel 14 november 2008

Zoeken

Voldoening van de belasting, bewijs, controlemaatregel, strafbepaling, administratieve geldboeteBelasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/voldoening-belasting-bewijs-controlemaatregel-strafbepaling-rechtbank-brussel-2008-11-14-a0fc

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Zetel
Brussel
Datum
14 november 2008

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

95 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Brussel d.d. 14.11.2008

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het vonnis

Tekst van de beslissing

RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE BRUSSEL – 33e Kamer

A.R. 2006/15456/A

- Personenbelasting

- op tegenspraak

- eindvonnis

Bijlage :

1 verzoekschrift,

1 beschikking 747, § 2,

4 conclusies

In zake van :

De heer G. P., wonende te …, …

eisende partij,

vertegenwoordigd door Mr. G. C., advocaat te …, …,

tegen :

De BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, Administratie van de Ondernemings- en inkomensfiscaliteit, sector BTW, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, voor wie optreedt de E.a Inspecteur van het BTW ontvangkantoor te Halle, Zuster Bernardastraat nr. 32 te 1500 Halle,

verwerende partij,

vertegenwoordigd door Mr. A. H. loco Mr. Ph. D., advocaat niet kantoor te …, …


Na beraad op 17/10/2008 spreekt de rechtbank het navolgend vonnis uit :


Gelet op :

- het inleidend verzoekschrift artikel 1385decies van het gerechtelijk wetboek neergelegd ter griffie op 27/12/1986;

- de beschikking tot regeling van conclusietermijnen genomen in toepassing van art. 747, § 2 Ger. W. d.d. 19/11/2007;

- de conclusies, syntheseconclusies en syntheseconclusies van verweerster, neergelegd ter griffie van deze rechtbank op respectievelijk 29/05/2007, 30/07/2008 en 1/08/2008;

- de conclusies eiser, neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 10/04/2008;

- het bundel met stavingstukken van verweerster, neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 2/10/2008;

- het bundel met stavingstukken van verweerster, neergelegd ter zitting op 17/10/2008;

Gehoord de raadslieden van partijen ter openbare zitting van 17/10/2008, waarna de zaak in beraad werd genomen.

Toepassing is gemaakt van de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.

1. FEITEN

De betwisting betreft een navordering inzake BTW.

N.a.v. een controle uitgevoerd door de diensten van verweerder m.b.t. de periode 1/01/2003 - 31/12/2004 werd een proces-verbaal opgesteld waaruit blijkt dat eiser volgens verweerster volgende sommen verschuldigd is :

BTW : € …

Verminderde boete € …

Interest € …

Verweerder vaardigde op 13/10/2006 een dwangbevel uit, dat op 18/10/2006 geviseerd en uitvoerbaar werd verklaard en op 20/10/2006 aan eiser ter kennis werd gebracht d.m.v. aangetekend schrijven.

2. VOORWERP VAN DE VORDERING

De vordering van eiser strekt ertoe het proces-verbaal d.d. 4/10/2006 en/of het dwangbevel d.d. 13/10/2006 nietig te horen verklaren, minstens niet uitvoerbaar en eiser ontheffing te horen verlenen.

In ondergeschikte orde vordert eiser de kwijtschelding van de opgelegde boete. Daarnaast vordert eiser de veroordeling van verweerster tot de kosten van het geding.

Verweerster concludeert tot de ongegrondheid van de vordering.

3. BEOORDELING

3.1. Ontvankelijkheid

Nu verweerster de ontvankelijkheid van de vordering van eiser niet betwist en er geen ambtshalve gronden van niet ontvankelijkheid op te werpen zijn is de vordering van eiser ontvankelijk.

3.2. Gegrondheid

Eiser voert aan dat :

• Het proces-verbaal en het dwangbevel nietig zijn;

• De boekhouding wel bewijskrachtig is.

M.b.t. het argument dat het proces-verbaal en het dwangbevel nietig zouden zijn

Volgens eiser wordt in het proces-verbaal naar art. 53, 1° lid, 3° en 4° W.BTW verwezen, en volgens eiser is het niet duidelijk welke artikelen van het W.BTW worden bedoeld.

Eiser wijst erop dat art. 53 W.BTW wijzigde met ingang van 1/1/2004, zodat aldus eiser, wat 2004 betreft, er door verweerster in het proces-verbaal en het dwangbevel naar de verkeerde rechtsgrond wordt verwezen.

Verweerster stelt terecht dat de versie van art. 53 W.BTW zoals van toepassing in 2003 en de versie van art. 53 W.BTW zoals van toepassing in 2004 slechts in die mate verschillen dat in de recente versie het artikel is onderverdeeld in twee paragrafen waarbij het punt 2° opgenomen is in paragraaf 2 en de overige punten behouden bleven in paragraaf 1.

De rechtbank is van oordeel dat het verwijzen naar en/of het opnemen van de oude versie van art. 53 W.BTW in het proces-verbaal, gelet op het hiervoor vermelde, geen nietigheid met zich meebrengt. Er wordt zodoende niet gesteund op een verkeerde rechtsgrond.

M.b.t. de bewijskracht van de boekhouding

Eiser argumenteert dat verweerder ten onrechte stelt dat de boekhouding niet bewijskrachtig zou zijn. De boekhouding zou volgens de Fiscale Administratie niet bewijskrachtig zijn omdat er vastgesteld werd dat bepaalde facturen alleen maar een globale prijs vermelden.

Eiser wijst op de inhoud van art. 5, § 1, 6° van het KB nr. 1 d.d. 29/12/1992 dat bepaalt dat de factuur de gegevens dient te vermelden die nodig zijn om de handeling te determineren en om het tarief van de verschuldigde belasting vast te stellen, inzonderheid de gebruikelijke benaming van de geleverde goederen en van de verstrekte diensten en hun hoeveelheid alsook het voorwerp van de diensten.

Uit het dossier blijkt dat de diensten van verweerster bij onderzoek van de boekhouding van eiser voor de periode 1/01/2003 - 31/12/2004 vaststelden dat :

- de opgemaakte prijsoffertes na het beëindigen van de werken vernietigd werden,

- van de werken in uitvoering geen detail werd/wordt bijgehouden;

- de verkoopfacturen alleen een globale prijs vermelden zonder opgave van de gebuikte materialen-en/of gepresteerde uren,

Ter illustratie worden enkele facturen aangehaald in het proces-verbaal.

Verweerster argumenteert dat inschrijvingen in een boekhouding slechts bewijskrachtig zijn voor zover ze overeenstemmen met en gestaafd worden door de bescheiden waarvan ze de weergave zijn. Nog volgens verweerster heeft het onderzoek inzake aangetoond dat het onmogelijk zou zijn de belastbare inkomsten van eiser exact samen te stellen aan de hand van de gevoerde boekhouding.

De bewijskracht van een proces-verbaal behelst de handelingen waarvan de verbalisant beweert ze te hebben gesteld en alle feiten waarvan hij verklaart getuige te zijn geweest.

Art. 59, § 1 W.BTW bepaalt o.m. dat feiten die de verschuldigdheid van de belasting aantonen of van een geldboete aantonen of ertoe bijdragen die aan te tonen door de administratie worden bewezen volgens de regelen en door alle middelen van het gemene recht, getuigen en vermoedens inbegrepen, uitgezonderd de eed, en daarenboven door de processen-verbaal van de ambtenaren van het Ministerie van Financiën.

De processen-verbaal leveren bewijs op zolang het tegendeel niet is bewezen.

Eiser dient met bewijsstukken aan te tonen dat de in het proces-verbaal opgenomen feitelijke vaststellingen en afgelegde verklaringen onjuist zijn.

Eiser beweert een aantal zaken waarvan evenwel geen bewijs wordt bijgebracht.

Verweerster mag/mocht steunen op geschriften uitgaande van eiser of in het bezit van eiser om het bedrag van de belastingschuld te bepalen.

Uit het dossier blijkt dat inzake de winst op de aankopen werd vastgesteld aan de hand van aankoopfacturen waarop de erop vermelde kortingen niet werden doorgerekend aan de klant zoals eiser zelf verklaarde.

Verweerster voert terecht aan dat eiser niet het bewijs levert dat de berekening die aan de basis ligt van de heffing niet correct gebeurde.

Wat betreft het uurloon en het aantal gepresteerde uren van de medewerker van eiser staaft eiser zijn beweringen geenszins, terwijl uit het proces-verbaal blijkt dat eiser n.a.v. de controle verklaarde zijn medewerker respectievelijk € … (2003) en € … (2004) per jaar aan te rekenen.

De stelling dat eiser voor 90 % in regie werkt kan ook niet gevolgd zo stelt verweerster terecht omdat dan het aantal gepresteerde uren zou dienen gefactureerd te zijn evenals de kostprijs van de gebruikte materialen.

Dit middel van eiser is bijgevolg ongegrond.

M.b.t. kwijtschelding of vermindering van de boete

Eiser verzoekt om de kwijtschelding of vermindering van de hem opgelegde boete.

Krachtens artikel 70, § 1, van het W.BTW, wordt voor iedere overtreding van de verplichting de belasting te voldoen, een geldboete opgelegd gelijk aan het dubbele van de ontdoken of niet-tijdig betaalde belasting.

Krachtens artikel 84 van dat wetboek, wordt binnen de door de wet gestelde grenzen, het bedrag van de proportionele fiscale boeten bepaald volgens een schaal waarvan de trappen door de Koning worden vastgesteld. Krachtens artikel 1, laatste lid, van het koninklijk besluit nr. 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten, zijnde schalen voor vermindering van de proportionele fiscale geldboete niet van toepassing ten aanzien van de overtredingen begaan met het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken.

De rechter aan wie gevraagd wordt een administratieve sanctie te toetsen die een repressief karakter heeft in de zin van artikel 6 EVRM, mag de wettigheid van die sanctie onderzoeken en mag in het bijzonder nagaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen.

Dit toetsingsrecht moet in het bijzonder aan de rechter toelaten na te gaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk, zodat de rechter mag onderzoeken of het bestuur naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van een administratieve geldboete van zodanige omvang. De rechter mag hierbij in het bijzonder acht slaan op de zwaarte van de inbreuk, de hoogte van reeds opgelegde sancties en de wijze waarop in gelijkaardige zaken werd geoordeeld, maar moet hierbij in acht nemen in welke mate het bestuur zelfgebonden was in verband met de sanctie. Dit toetsingsrecht houdt niet in dat de rechter op grond van een subjectieve appreciatie van wat hij redelijk acht, om loutere redenen van opportuniteit en tegen wettelijke regels in, boeten kan kwijtschelden of verminderen (Cassatie 16 februari 2007, arr. nr. RC072 G5 1).

Uit het dossier, meerbepaald uit het proces-verbaal blijkt dat de Fiscale Administratie de boete rechtsgeldig bepaalde.

De rechtbank kan bijgevolg niet tot kwijtschelding van de inzake opgelegde boete overgaan.

4. WAARDE VAN DE VORDERINGEN DE GEVORDERDE RECHTSPLEGINGSVERGOEDING

De waarde van de vordering situeert zich tussen € 10 000,0 1 en € 20 000,00.

Partijen verklaarden ter zitting het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding te vorderen;

Beschikkend gedeelte

OM DEZE REDENEN,

DE RECHTBANK,

Gelet op de artikelen 4, 37, 41 en 42 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken,

Rechtsprekend in eerste aanleg en op tegenspraak,

Verklaart de vordering van eiser ontvankelijk maar ongegrond.

Veroordeelt eiser in toepassing van art. 1022 Ger. W. en van de artikelen 1 en 2 van het K.B. d.d. 26 oktober 2007 tot betaling van de gedingkosten, in hoofde van verweerster begroot op € … rechtsplegingvergoeding.

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de 33ste kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel, op 14 november 2008

Waar aanwezig waren en zitting namen:

De heer M. L. : rechter

Mevrouw I. D. : griffier.

I.D. M. L.

Aangehaalde teksten

2
KB nr. 1 art. 51 voorkomen
KB nr. 41 art. 11 voorkomen

Vergelijkbare beslissingen

8