Verzet tegen dwangbevel, Afwijzing, Recht op hoger beroep, Beperkingen · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Hof van Cassatie 19 januari 2012

Zoeken

Verzet tegen dwangbevel, Afwijzing, Recht op hoger beroep, Beperkingen

https://juriel.be/nl/rechtspraak/verzet-tegen-dwangbevel-afwijzing-recht-cassatie-brussel-2012-01-19-f2a6

Rechtscollege
Hof van Cassatie
Datum
19 januari 2012

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

77 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van Cassatie dd. 19.01.2012, nr. F.10.0132.N

Verzet tegen dwangbevel - Afwijzing - Recht op hoger beroep - Beperkingen - Verplichting tot consignatie

Wettelijke basis

Artikel 92, tweede lid, Btw-wetboek

Samenvatting

Artikel 92, lid 2, van het B.T.W.-Wetboek, dat het recht van hoger beroep tegen de rechterlijke beslissing waarbij het verzet tegen het dwangbevel is afgewezen, onderwerpt aan de verplichting het bedrag van de verschuldigde sommen in consignatie te geven, strekt ertoe het instellen van dilatoire rechtsmiddelen die de rechten van de schatkist in gevaar zouden brengen, tegen te gaan en legt het bevoegde bestuur de verplichting op rekening te houden met de concrete gegevens van elke zaak, met inbegrip van de financiële toestand van de belastingplichtige die een voldoende draagkracht moet hebben om het bedrag te kunnen consigneren; indien het hoger beroep niet dilatoir is, kan de aangevoerde omstandigheid dat de rechten van de schatkist in gevaar zijn of kunnen zijn, het opgelegde verzoek tot consignatie niet verantwoorden. (1) Zie de conclusie van het O.M.

Tekst van de beslissing

Hof van Cassatie van België

Arrest

(volledige tekst)

Nr. F.10.0132.N

W. I. bvba, met zetel te Antwerpen,

eiseres,

vertegenwoordigd door mr. P. W., advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te Brussel, waar de eiseres woonplaats kiest,

tegen

BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kantoor te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de eerstaanwezend inspecteur van het eerste btw-ontvangkantoor van Antwerpen, met kantoor te 2000 Antwerpen, Italiëlei 4, bus 4,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. A. D. B., advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te Brusssel, waar de verweerder woonplaats kiest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest door het hof van beroep te Antwerpen van op 12 oktober 2010.

Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft op 26 september 2011 een schriftelijke conclusie neergelegd.

Raadsheer Geert Jocqué heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste onderdeel

1. Krachtens het toepasselijke artikel 92 Btw-wetboek kan, wanneer het verzet tegen een dwangbevel is afgewezen, tegen de rechterlijke beslissing niet op geldige wijze enig rechtsmiddel worden aangewend, indien het bedrag van de verschuldigde sommen of een gedeelte daarvan vastgesteld door de ontvanger, niet in consignatie is gegeven binnen twee maanden na het verzoek dat de bevoegde ambtenaar bij aangetekende brief tot de belastingschuldige richt.

2. Die bepaling strekt ertoe het instellen van dilatoire rechtsmiddelen die de rechten van de schatkist in gevaar zouden brengen, tegen te gaan.

Zij legt aan het bevoegde bestuur de verplichting op rekening te houden met de concrete gegevens van elke zaak, met inbegrip van de financiële toestand van de belastingplichtige die een voldoende draagkracht moet hebben om het bedrag te kunnen consigneren.

3. Indien het hoger beroep niet dilatoir is, kan de aangevoerde omstandigheid dat de rechten van de schatkist in gevaar zijn of kunnen zijn, het opgelegde verzoek tot consignatie niet verantwoorden.

4. De appelrechters stellen niet vast dat het hoger beroep dilatoir is.

5. De appelrechters verantwoorden niet naar recht hun beslissing dat de ontvanger op zicht van de concrete gegevens in redelijkheid kon besluiten tot de noodzaak van de consignatie van een gedeelte van het verschuldigde bedrag.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest.

Beveelt dat van dit arrest melding wordt gemaakt op de kant van het vernietigde arrest.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Gent.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit waarnemend eerste voorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Beatrijs Deconinck, Alain Smetryns, Geert Jocqué en Filip Van Volsem, en in openbare rechtszitting van 19 januari 2012 uitgesproken door waarnemend eerste voorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht André Van Ingelgem, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche.

____________________

Conclusie van advocaat-generaal Dirk THIJS:

1. In oktober 2007 werd eiseres gecontroleerd door de BTW-administratie, die oordeelde dat eiseres ten onrechte BTW had afgetrokken met betrekking tot de door haar uitgebate exploitatie van een helikopter en zweefvliegtuig met hulpmotor.

Hiervan werd op 12 december 2008 een proces-verbaal opgesteld, gevolgd door een dwangbevel van 16 december 2008, dat op 22 december 2008 aan eiseres betekend werd.

In totaal werd van eiseres de betaling gevorderd van 88.261,41 euro BTW, meer de intresten ad 0,8% per maand sedert 21 januari 2007 en 176.522,82 euro boete aan 200%.

Het verzet tegen voormeld dwangbevel werd bij vonnis van 26 april 2009 van de Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen ongegrond verklaard, met veroordeling van eiseres tot de kosten van het geding.

Op 4 mei 2009 legde eiseres een verzoekschrift tot hoger beroep neer, waarna bij aangetekend schrijven van 10 mei 2010 de BTW-administratie verzocht om tot de consignatie over te gaan van de som van 123.000 euro .

Op 27 mei 2010 heeft eiseres vervolgens een verzoekschrift neergelegd op grond van artikel 92 van het BTW-Wetboek teneinde het verzoek tot consignatie als ongegrond af te wijzen.

Bij arrest van 12 oktober 2010 van het Hof van beroep te Antwerpen wordt dit verzoek afgewezen op het motief dat "de ontvanger op zicht van de concrete gegevens in redelijkheid kon besluiten tot de noodzaak van een consignatie van een gedeelte van het verschuldigd bedrag."

Het is tegen deze beslissing dat eiseres onderhavig cassatieberoep instelt.

2. In het eerste onderdeel van het enig middel wordt aangevoerd dat het bestreden arrest onwettig heeft beslist dat het verzoek van eiseres op grond van artikel 92, derde lid, van het BTW-Wetboek, dat ertoe strekt het consignatieverzoek van verweerder te verwerpen, ongegrond is, nu niet werd vastgesteld dat het hoger beroep van eiseres dilatoir is en er dus enkel op gericht is om de betaling van de verschuldigde bedragen uit te stellen.

3. Luidens artikel 92, lid 2 van het BTW-Wetboek, kan, wanneer het verzet tegen het dwangbevel is afgewezen, tegen de rechterlijke beslissing niet op geldige wijze enig rechtsmiddel worden aangewend indien het bedrag van de verschuldigde sommen niet in consignatie is gegeven binnen de twee maanden na het verzoek dat de bevoegde ambtenaar bij aangetekende brief tot de belastingplichtige richt.

Deze beperking van het recht op hoger beroep van de belastingplichtige strekt ertoe de rechten van de Schatkist veilig te stellen tegen dilatoire rechtsmiddelen.

De wetgever heeft gewild dat enkel dergelijke dilatoire beroepen verhinderd worden teneinde de rechten van de Schatkist er tegen te beschermen.

Ter zake kan ik verwijzen naar volgende passus uit mijn schriftelijke conclusie voorafgaand aan het arrest van Uw Hof van 3 januari 2003 (AR nr. C.00.0318.N, AC 2003, nr. 6):

"II. 3. De ratio legis van artikel 92, tweede lid, BTW-Wetboek.

Deze wetsbepaling is geïnspireerd door artikel 202.2, derde lid van het Wetboek der met de Zegel gelijkgestelde taksen, waarin de ontvankelijkheid van het beroep tegen een rechterlijke beslissing waarbij het verzet tegen het dwangschrift verworpen werd zonder meer afhankelijk wordt gemaakt van de consignatie van de betwiste belasting (met toebehoren) tot betaling waarvan de belastingschuldige in eerste aanleg werd veroordeeld (cfr. Arbitragehof, nr. 73/92, 18 november 1992, r.o. B1, B.S., 16 januari 1993, 707).

Het doel van artikel 202.2 van het W. Taksen werd in het verslag aan de Koning bij het Koninklijk Besluit nr. 127 van 28 februari 1935 bevattende vereenvoudigingsmaatregelen en maatregelen tot voorkoming van bedrog inzake zegelrechten en met de zegel gelijkgestelde taxes (B.S., 3 maart 1935, 1280) als volgt verwoord: " Welnu, sinds enige tijd, gebeurt het meer en meer dat schuldenaars vervolgd tot betaling van ontegensprekelijk verschuldigde rechten, de vordering van het bestuur verlammen door de zaak voor het gerecht te brengen zonder enige ernstige bewijsvoering en, zo doende, ertoe geraken jaren lang de betaling van hun schuld te verdagen. Daaruit volgt een hoogst nadelige vertraging in het invorderen der Staatspenningen en wat, erger is, in sommige gevallen het totaal verlies van de schuldvordering van de Staat, omdat de belanghebbende intussen helemaal onvermogend is geworden, iets waarop hij overigens soms gerekend heeft wanneer hij zulke handelswijze aanwendde ".

Met artikel 92 BTW-wetboek had de wetgever dezelfde bedoeling nl. vermijden dat de betaling van de belasting (de verschuldigde BTW) wordt verdaagd of uitgesteld door vertragingspogingen van de belastingplichtige (Memorie van Toelichting, Gedr. St., Kamer, B.Z., 1968, nr. 88, p. 71; Verslag namens de Verenigde Commissies voor de Economische Zaken en de Financiën, Gedr. St., Senaat, 1968-69, 20 juni 1968, nr. 445, p. 221).

Op grond van artikel 92, tweede lid BTW-wetboek kan de fiscus het hoger beroep in BTW-geschillen afhankelijk maken van een voorafgaande consignatie van de verschuldigde belasting. Door het invoeren van deze bepaling gaf de wetgever aan de fiscus de mogelijkheid om een "dam op te werpen" tegen manifest ongegronde dilatoire hogere beroepen, die enkel de bedoeling hadden de betaling van de verschuldigde sommen uit te stellen " (S. VERTOMMEN, " BTW.-consignatieverplichting: gebonden of discretionaire bevoegdheid ? ", in Fiscaal praktijkboek '95-'96 Indirecte belastingen, (149), 158)."

4. Artikel 92, tweede lid, van het BTW-Wetboek legt aan het bevoegde bestuur op om bij de uitoefening van die discretionaire bevoegdheid rekening te houden met de concrete gegevens van elke zaak, met inbegrip van de financiële toestand van de belastingplichtige (Cass. 10 december 2010, AR F.09.0100.N, AC 2010, nr. 728, met concl. van het O.M.; Cass. 15 oktober 2009, AR F.08.0001.N, RW 2010-11, 198, met noot L. VANDENBERGHE; Cass. 3 januari 2003, AR C.00.0318.N, AC 2003, nr. 6, met concl. van het O.M.).

Zowel de rechtspraak als de rechtsleer hebben specifiek aandacht besteed aan de situatie van de belastingplichtige die niet over de nodige financiële middelen beschikt om het gevraagde bedrag te consigneren.(1)

Auteur VAN ORSHOVEN werkte deze problematiek verder uit. Hij acht het weinig waarschijnlijk dat een belastingplichtige die niet kan betalen hoger beroep instelt om louter dilatoire redenen d.w.z. om uitstel van betaling af te dwingen of om in afwachting van de uitspraak over zijn beroep zijn insolvabiliteit te organiseren (vermits hij reeds insolvabel is). Indien de belastingplichtige insolvabel is, kan de ontvanger de vraag tot consignatie bijgevolg niet voldoende naar recht motiveren.(2)

Het Grondwettelijk Hof oordeelde dat dit leidt tot een schending van de Grondwet:

"B.6. Daarentegen heeft genoemde bepaling in de interpretatie die de verwijzende rechter eraan heeft gegeven, waarin de bevoegde administratie in ieder geval de verplichting heeft de consignatie te vragen, ongeacht de concrete situatie van de belastingplichtige, tot gevolg dat in geen enkele hypothese een rechtzoekende die niet over de noodzakelijke middelen beschikt om de gevraagde consignatie te verrichten een ontvankelijk beroep vermag in te stellen. Aldus belemmert de wetgever op een discriminerende manier de uitoefening van het recht op een eerlijke behandeling van de zaak." (Arbitragehof, arrest nr. 75/95 van 9 november 1995, www.arbitrage.be; Arbitragehof, arrest nr. 44/95 van 6 juni 1995, www.arbitrage.be).

Ook auteur E. VAN BRUSTUM heeft zich in dezelfde zin uitgesproken over de problematiek van de insolvabele belastingplichtige:

"Il n'est pas indifférent, à ce stade, d'avoir égard au commentaire T.V.A., doctrine administrative en la matière. On peut ainsi lire que le receveur de la T.V.A. pet demander la consignation à condition qu'un certain nombre de conditions soient remplies. Outre le fait qu'il faut toujours que la demande soit relative à un appel dilatoire, qu'il doit être tenu compte de toutes les données concrètes du dossier, c'est surtout le fait que le receveur doit être d'avis que la situation financière de l'assujetti permette d'effectuer la consignation ou qu'il a la possibilité d'y substituer une sureté réelle ou personnelle qui retient l'attention. En effet, ainsi que la rappelle le commentaire T.V.A., cette disposition a été introduite de par le fait que l'imposition d'une consignation à un redevable insolvable a été considérée comme discriminatoire. (...) En effet, si la consignation est un mécanisme destiné à empêcher l'assujetti d'introduire des recours dilatoires destinés uniquement à prolonger la contestation et l'impossibilité pour le Trésor de récupérer les sommes litigieuses, encore faut-il savoir s'il peut être recouru à ce mécanisme pour empêcher un assujetti de soumettre son litige à un juge d'appel quand bien même il ne dispose pas des sommes qui lui sont réclamées. Le risque encouru par l'Etat est donc partiellement voire totalement inexistant puisque en toute hypothèse l'assujetti ne dispose pas des sommes qui lui sont réclamées." (E. VAN BRUSTUM, Taxe sur la valeur ajoutée: consignation et droit d'appel: à la recherche de l'équilibre entre les droits du Trésor et le droit à un procès équitable, R.G.C.F., 2008, p. 122).

Inderdaad, heeft het geen zin om aan een belastingplichtige, die al insolvabel is en derhalve niet in staat is aan enig verzoek tot consignatie of zekerheidstelling te voldoen, dergelijke verplichting op te leggen, vermits een belastingplichtige die toch niet kan betalen überhaupt geen hoger beroep met dilatoir karakter kan instellen, gezien uitstel van betaling afdwingen of in afwachting van de uitspraak over zijn beroep zijn insolvabiliteit organiseren niets bijbrengt en zonder effect blijft, omdat hij toch al niet kan betalen en de rechten van de Schatkist door dat beroep ook niet ernstiger in het gedrang worden gebracht dan ze al zijn.

5. De appelrechters stellen dienaangaande op p. 7-8 het volgende vast:

"2.9. - Uit het verzoek tot consignatie blijkt dat de ontvanger de solvabiliteit van (eiseres) heeft onderzocht en heeft vastgesteld dat de vennootschap, na het afstoten van waardevol actief, geen enkel waardevol actief element (roerend of onroerend) meer bezit dat tot waarborg/dekking van de fiscale schulden zou kunnen dienen, dat er een blijvende negatieve aangroei is van het eigen vermogen en dat uit de balans blijkt dat bij tegeldemaking van het actief het passief nog niet voor een fractie gedekt is.

(Eiseres) betwist deze vaststellingen niet en stelt zelf dat zij 'geen activiteiten meer heeft en haar vermogen is verdwenen'. Zij brengt ook geen stukken bij om haar solvabiliteit aan te tonen. Zij biedt evenmin aan om een zakelijke of persoonlijke zekerheid te stellen."

6. Ofschoon de appelrechters aldus vaststelden dat eiseres insolvabel is, hebben zij nagelaten te onderzoeken of het hoger beroep van eiseres dilatoir is zoals vereist voor de toepassing van artikel 92, lid 2, van het BTW-Wetboek.

De appelrechters gaan er daarbij verkeerdelijk van uit dat de vraag "of er al, dan niet sprake is van een dilatoir hoger beroep zal dienen beoordeeld te worden bij de behandeling ten gronde".

Het eerste onderdeel komt mij dan ook gegrond voor.

Besluit: VERNIETIGING.


(1) Zie bv. Antwerpen, 21 april 1998, F.J.F., 1998, nr. 98/207 (De belastingplichtige beschikt niet over de vereiste financiële middelen om te consigneren, bijgevolg is het verzoek onredelijk). Zie tevens Antwerpen, 17 april 2007, F.J.F., 2007/292 (Enkel in geval van fraude, een dilatoir beroep en indien de financiële toestand van de belastingschuldige het toelaat, zal het totaal bedrag aan belasting, interesten en boeten in consignatie worden gevraagd).

(2) P. VAN ORSHOVEN, "Consignatie of geen consignatie? That's the question... Oefeningen in administratief (proces)recht bij BTW-geschillen", T.F.R., 1994, (51), 54, nr. 7.

Aangehaalde teksten

1
WBTW art. 9210 voorkomens

Vergelijkbare beslissingen

8