Tekst van de beslissing
ARREST G 00/9
Arrest van het Hof van Beroep te Gent dd. 29.03.2000
Beroep - Ontvankelijkheid - Consignatie
Een B.T.W.-belastingplichtige was door de rechtbank van eerste aanleg in het ongelijk gesteld betreffende de al dan niet voldoende aanwezigheid van stukken betreffende het bewijs van de B.T.W.-vrijstelling voorzien in artikel 41 W.B.T.W. De ontvanger van de B.T.W. had consignatie geëist van de betwiste sommen. De B.T.W.-belastingplichtige was van oordeel dat de beslissing van de ontvanger niet gemotiveerd was. Het Hof is van oordeel dat de ontvanger wel degelijk redenen had om consignatie te eisen, aangezien de B.T.W.-belastingplichtige geen nieuwe argumenten naar voor brengt in hoger beroep en de ontvanger er kennis van had dat bij de verkoop van een onroerend goed de totale opbrengst volledig werd overgemaakt aan de hypothecaire schuldeiser. Aangezien door de B.T.W.-belastingplichtige de verschuldigde sommen niet werden geconsigneerd, is het hoger beroep niet ontvankelijk.
27e Kamer
Plaatsvervangend Raadsheer, waarnemend Voorzitter: Dhr. G. Coppieters
Plaatsvervangende Raadsheren: Dhr. D. Desmet, Dhr. H. Michiels
Griffier: Dhr. C. Sonneville
Partij: De Vos Firmin t. De Belgische Staat
Rolnr.: 1994/AR/1596
1
Bij verzoekschrift op 13 juni 1994 ter griffie van het Hof neergelegd heeft appellant hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde op 22 november 1993 heeft uitgesproken.
Er wordt geen betekening van het vonnis voorgelegd.
Het hoger beroep is tijdig en regelmatig naar de vorm.
Partijen werden gehoord in hun middelen en conclusies, de stukken werden ingezien.
2
De feiten
De feiten worden uitvoerig en correct omschreven in het bestreden vonnis en hier als herhaald overgenomen.
3
Het eerste vonnis
3.1
De eerste rechter oordeelde dat de vordering van de fiscus niet verjaard was, enerzijds omwille van de afstand van verlopen verjaring, ondertekend door de boekhouder van appellant, anderzijds omwille van de gedeeltelijke betalingen door appellant zelf, hetgeen een erkenning van schuld inhoudt.
3.2
Tegenover de bewering van appellant volgens dewelke de boekhouder geen volmacht had om afstand te doen van de verjaring, en dat de volmacht eerst op 9 december werd ondertekend, terwijl de afstand van verjaring reeds op 4 december ondertekend was, stelt de eerste rechter dat het mandaat aan de belastingconsulent moet aangezien worden als een bijzondere en zelfs uitdrukkelijke volmacht en er geen twijfel kan over bestaan dat appellant een dergelijke volmacht had gegeven.
Verder overweegt de eerste rechter dat de volmacht d.d. 9 december 1985 moet beschouwd worden als de schriftelijke bevestiging alsdat de belastingconsulent op 4 december wel degelijk rechtsgeldig is opgetreden.
3.3
Tegenover de bewering van appellant dat in casu geen BTW verschuldigd was merkt de eerste rechter op dat er geen betwisting over bestaat dat het hier vervoer over Belgisch grondgebied betreft, dat leveranciers en dienstverleners steeds in het bezit moeten zijn van alle bescheiden die de echtheid van de handelingen en van de definitieve uitvoer van de goederen staven en deze documenten moeten kunnen vertonen op elk verzoek van de controle-agenten. De loutere vermelding op de factuur dat de cliënt bij toepassing van artikel 41 BTW-wetboek is vrijgesteld van BTW levert niet het bewijs op dat deze dienst wel degelijk is vrijgesteld.
Het is de taak van de administratie om de ingeroepen vrijstelling na te gaan.
3.4
De eerste rechter heeft het verzet tegen het dwangbevel afgewezen.
4
De grieven
4.1
Appellant is van oordeel dat de eerste rechter ten onrechte geoordeeld heeft dat de BTW - vordering op facturen uit de periode van 11 april 1981 tot en met 8 mei 1982 niet verjaard zou zijn.
De volmacht werd eerst ondertekend op 9 december 1985, terwijl de belastingconsulent reeds op 4 december 1985, dit is vooraleer hij een volmacht had, afstand gedaan had van de reeds verlopen verjaring.
Bovendien was de belastingconsulent volgens appellant niet gemachtigd om tot een daad van beschikking over te gaan, hetgeen volgens appellant zou blijken uit de termen van de volmacht. Wat de verjaring van de facturen na het eerste kwartaal 1981 betreft, heeft de eerste rechter zich volgens appellant vergist wanneer hij de betaling d.d. 29 april 1986 aanrekende op de huidige betwiste BTW-vordering, terwijl die betaling in werkelijkheid bedoeld was als een afbetaling van saldi van de BTW-aangifte.
4.2
Volgens appellant heeft de eerste rechter ten onrechte aangenomen dat hij geen bewijs van vrijstelling heeft geleverd: alle uitgereikte facturen vermelden de vrijstelling, en hij legt een attest voor van de NV Saré waarbij wordt bevestigd dat de vervoerde goederen werden ingevoerd onder de vrijstelling, verleend door artikel 41 BTW-wetboek.
5
Beoordeling
5.1
Geïntimeerden werpen op dat het hoger beroep onontvankelijk is op grond van artikel 92 BTW-wetboek, waarbij bepaald wordt dat wanneer een verzet tegen een dwangbevel wordt afgewezen, tegen de rechterlijke beslissing niet op geldige wijze enig rechtsmiddel kan aangewend worden indien het bedrag van de verschuldigde sommen niet in consignatie is gegeven binnen de twee maanden na het verzoek dat de bevoegde ambtenaar bij aangetekende brief tot de belastingplichtige richt.
5.2
Volgens appellant is het hoger beroep wel degelijk ontvankelijk omdat de beslissing van de ontvanger niet gemotiveerd was.
5.3
Uit de neergelegde stukken blijkt dat de ontvanger wel degelijk redenen had om een consignatie te eisen nu appellant in hoger beroep geen nieuwe argumenten naar voor brengt, en de ontvanger er kennis van had dat bij de verkoop van een onroerend goed van appellant de totale opbrengst, zijnde 480.000 Bef, volledig werd overgemaakt aan de hypothecaire schuldeiser, aan wie 750.000 Bef verschuldigd was, doch aan wie nog niets werd betaald. Nu appellant het bedrag van de verschuldigde sommen niet geconsigneerd heeft, is het hoger beroep niet ontvankelijk.
Beschikkend gedeelte
OP DEZE GRONDEN,
HET HOF,
Recht doende op tegenspraak,
Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935,
Alle verdere of meeromvattende conclusies van de hand wijzend als overbodig en/of niet ter zake dienend,
Verklaart het hoger beroep onontvankelijk,
Verwijst appellant in de kosten van het hoger beroep aan de zijde van geïntimeerden gevallen en begroot op: rechtsplegingsvergoeding: 16.800 Bef.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.