Tekst van de beslissing
Arrest van het Hof van Cassatie dd. 04.06.2015 (F.12.0098.F)
Beroep – Consignatie van verschuldigde sommen – Voorwaarden – Afwezigheid van consignatie van verschuldigde sommen – Onontvankelijkheid van het beroep – Dilatoir beroep – gebrekkig beroep – Controle door de rechter
Wetgeving
WBTW, artikel 92, alinea 2
Samenvatting
1. Artikel 92, 2de lid, oud, WBTW, dat strekt tot het beschermen van de rechten van de Schatkist tegen dilatoire procedures laat de ontvanger van de belasting toe om de consignatie te eisen van alle of een deel van de verschuldigde sommen. Het beperkt het recht op toegang tot de rechter van de belastingplichtige.
Op straffe van schending van artikel 6 van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens, verplicht artikel 92, lid 2 WBTW zoals o.a. de bevoegde administratie om rekening te houden met de concrete elementen van iedere zaak, de financiële situatie van de belastingplichtige en de betrouwbaarheid van de middelen ingeroepen tot ondersteuning van het beroep.
Het hof van beroep moet bijgevolg onderzoeken, in het kader van de controle uitgeoefend op het verzoek tot consignatie, of de grieven ingeroepen in graad van beroep op de dag waarop de consignatie van de gelden werd verzocht door de bevoegde ambtenaar, redelijkerwijze grond konden geven tot betwisting. Dit onderzoek impliceert een marginale toetsing van de gegrondheid van deze grieven.
2. Artikel 92, lid 2, WBTW en artikel 6 van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens, verzetten zich ertegen dat de belastingplichtige gehouden is tot consignatie van de bedragen die hij onmogelijk kan betalen. Het evenredigheidsbeginsel in deze omgeving verplichten de rechter, geroepen om de wettelijkheid van het verzoek tot consignatie te onderzoeken, na te gaan of de belastingplichtige op het ogenblijk waarop dit verzoek werd verricht, genoot van voldoende middelen om hieraan te voldoen. Ze verplichten de rechter niet om na te gaan of de administratie beschikte over concrete elementen in deze zin
Opmerking
De betwiste bepaling is van toepassing op belastingen, interesten en boetes waarvan de oorzaak van opeisbaarheid dateert van vóór 1 januari 1999.
Uittreksel uit de tekst
Arrest van het Hof van Cassatie
dd. 04.06.2015
(F.12.0098.F)
Betreffende het eerste onderdeel:
Artikel 92, lid 2, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde bepaalt dat, in het geval waarin het verzet tegen dwangbevel werd verworpen, er geen geldig beroep kan worden ingesteld tegen de gerechtelijke beslissing indien het bedrag van de verschuldigde sommen niet geconsigneerd is binnen de twee maanden vanaf het verzoek dat de bevoegde ambtenaar ter kennis geeft aan de belastingschuldige bij een ter post aangetekende brief.
Deze bepaling die strekt tot het beschermen van de rechten van de Schatkist tegen dilatoire procedures, beperkt het verhaalsrecht van de belastingplichtige.
Op straffe van schending van artikel 6 van het Verdrag van de fundamentele rechten en vrijheden van de mens, verplicht artikel 92, lid 2, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, de bevoegde administratie om rekening te houden met de concrete elementen van iedere zaak, met inbegrip van de financiële situatie van de belastingplichtige en de betrouwbaarheid van de middelen ingeroepen tot staving van het beroep.
Het hof van beroep moet bijgevolg onderzoeken, in het kader van de controle uitgeoefend op het verzoek tot consignatie, of de grieven ingeroepen in graad van beroep op de dag waarop de consignatie van de gelden werd verzocht door de bevoegde ambtenaar, redelijkerwijze grond konden geven tot betwisting. Dit onderzoek impliceert een marginale toetsing van de gegrondheid van deze grieven.
Het arrest stelt vast dat het verzoek tot consignatie van de verschuldigde sommen aan de verzoeker werd gericht bij brief van 18 oktober 2007.
Het hof overweegt dat “de administratie heeft terecht geoordeeld, bij de lezing van het verzoekschrift tot hoger beroep, dat het ging om een klaarblijkelijk dilatoir hoger beroep, waarbij de verzoeker, zonder hier zijn argument van de verjaring te betrekken waarvan hij op dit ogenblik zijn hoofdgrief heeft gemaakt[…], enkel heeft staande gehouden in zijn verzoekschrift tot aan de laatste syntheseconclusies overeenkomstig de aanvankelijke conclusiekalender, dat de belastingen over de toegevoegde waarde en buitensporige boeten niet verschuldigd waren wegens gebrek aan gegrondheid van de bewijzen door vermoeden van het bestaan van beweerde valse facturen en dat het hof [van beroep] bevoegd was om zich uit te spreken over het verzoek tot vrijstelling of vermindering van de nalatigheidsinteresten om reden dat de gewestelijke directeur van de belasting over de toegevoegde waarde hiernaar in rechte had verwezen op dit punt ; [dat] hij in het beschikkend gedeelte van zijn verzoekschrift in hoger beroep, evenwel in subsidiaire orde, meerdere van de regularisaties aanvaardde, waaronder degene reeds aanvaard door zijn fiscale raadgever vanaf juli 2003, ofwel vier jaar voor het bestreden vonnis van juni 2007”, en dat “de afstand van een groot gedeelte van de middelen van het verzoekschrift in hoger beroep en de gehele hoofdbetwisting vervat in genoemd verzoekschrift van de vermoedens weerhouden door de eerste rechter over de grond van de regularisaties (terwijl dat een gedeelte achteraf opnieuw als gegrond wordt erkend) – betwisting die slechts ten subsidiaire titel is ontwikkeld in de laatste syntheseconclusies – het dilatoir karakter aantonen van het verzoekschrift neergelegd door [de verzoeker] tegen een vonnis dat iedere betwiste regularisatie tegenover hem had onderzocht en voor iedere regularisatie, op gemotiveerde wijze, de gegrondheid had bevestigd van de verwerping van de aftrek van de betwiste belastingen of de vermeerdering van het omzetcijfer, na de beweerde tegengestelde ernstige, precieze en overeenstemmende vermoedens te hebben vastgesteld ten gunste van de realiteit van de betwiste facturen en te hebben opgemerkt dat het hof [van beroep], in haar arrest van 16 december 1996, betreffende een geschil inzake directe belastingen, in strijd hiermee het niet-bewijskrachtig karakter van de van valsheid betichte boekhouding [van de verzoeker], had onderlijnd en dat indien het hof [van beroep] uiteindelijk slechts vijf facturen moest onderzoeken, dit was om reden dat enkel deze vijf facturen werden in aanmerking genomen door de directeur der directe belastingen“.
Dat het arrest uit deze overwegingen kon afleiden dat het hoger beroep van de verzoeker als een dilatoir hoger beroep moest in aanmerking worden genomen op de dag dat de administratie om de consignatie van de verschuldigde sommen heeft verzocht, zonder schending van één van de wettelijke bepalingen bedoeld in het middel, in dit onderdeel.
Het middel, in dit onderdeel, kan niet worden aangenomen.
(…)
Betreffende het vierde onderdeel :
Het middel in dit onderdeel verwijt het arrest de wettelijkheid te aanvaarden van het verzoek tot consignatie, zonder vast te stellen dat de administratie wanneer ze dit verzoek heeft geformuleerd, rekening heeft gehouden met de financiële situatie van de verzoeker en beschikte over concrete elementen die mogelijk maakten om te besluiten dat deze laatste genoot van voldoende inkomsten om haar verzoek in te willigen.
De verzoeker heeft niet staande gehouden voor het hof van beroep dat de brief van 18 oktober 2007 geen enkele verwijzing bevatte aangaande zijn concrete financiële situatie en inzonderheid het bestaan van inkomsten of andere goederen die mogelijk maakten om het verzoek tot consignatie in te willigen. In zoverre waarin het de motivering van deze akte bekritiseert, is het middel in dit onderdeel nieuw en bijgevolg niet-ontvankelijk.
Artikel 92, lid 2, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde en artikel 6 van het Verdrag van de fundamentele rechten en vrijheden van de mens, verzetten zich ertegen dat de belastingplichtige gehouden is tot consignatie van de bedragen dewelke hij onmogelijk kan betalen. Deze teksten verplichten de rechter, geroepen om de wettelijkheid van het verzoek tot consignatie te onderzoeken, om na te gaan of de belastingplichtige op het ogenblik waarop dit verzoek werd verricht, genoot van voldoende middelen om hieraan te voldoen. Ze verplichten de rechter niet om na te gaan of de administratie beschikte over concrete elementen in deze zin .
In zoverre het middel in dit onderdeel ontvankelijk is, faalt het naar recht.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.
Aangehaalde teksten
1Rechtspraak
2België
2Rechtbank van eerste aanleg24/1086/A01.06.2026
Gemengd gebruik
Rechtbank van eerste aanleg te Luik16.12.2019