Fiche van de FOD Financiën
Arrest van het Hof van beroep te Antwerpen d.d. 14.09.2010
Samenvatting niet beschikbaar
Tekst van het arrest
Tekst van de beslissing
Het Hof van beroep te Antwerpen, zitting houdend te Antwerpen ZESDE KAMER
Recht doende in burgerlijke zaken heeft het volgende arrest uitgesproken :
In zake 2009/AR/637
E. V. NV met zetel te …, …
appellante
tegen het vonnis gewezen door de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen van 22 december 2008
vertegenwoordigd door Meester I. C. advocaat te …, …
tegen :
de BELGISCHE STAAT Federale OverheidsdIenst Financiën Administratle van de Bijzondere Belastinginspectie op benaarstiging van de Gewestelijk Directeur BTW Registratie en Domeinen waarvan de kantoren gevestigd zijn te 2000 Antwerpen Italiëlei 4 bus 4
geïntimeerde
vertegenwoordigd door Meester F. D. R. advocaat te …, …
Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd waaronder het eensluidend afschrift van hel bestreden vonnis tussen partijen op tegenspraak gewezen op 22 december 2008 door de Vierde F Kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen betekend op 2 februari 2009 en waartegen een naar vorm en termijn regelmatig hoger beroep werd aangetekend bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van dit Hof op 2 maart 2009.
Gelet op het verzoekschrift tot ongegrond verklaring van het consignatieverzoek neergelegd ter griffie van dit Hof op 15 mei 2009.
Gelet op het arrest uitgesproken door dit Hof op 27 oktober 2009.
Gehoord partijen in hun middelen en conclusies.
1 Feiten, retroacten. eis en verweer in hoger beroep
1.1 De NV E. V. appellante is uit hoofde van haar activiteit van verhuur van sport en kampeerartikelen onderworpen aan de bepalingen van het BTW-Wetboek en de ter uitvoering ervan getroffen besluiten. Zij is daarbij gehouden tot het indienen van kwartaalaangiften.
In de BTW aangifte van december 2004 ingediend in januari 2005 werd door appellante de BTW afgetrokken met betrekking tot een aankoopfactuur nummer 240761. De factuur heeft als maatstaf van heffing een bedrag van … EUR en als BTW bedrag … EUR. Deze factuur is uitgeschreven door de leverancier NV E. T. en heeft bij deze leverancier als verkoopfactuur het nummer 240011 en als datum 31 december 2004. De omschrijving vermeld op deze factuur is Afrekening warehousing en transport van 2002. Het betreft diensten zoals bedoeld in artikel 18 van het BTW-Wetboek.
1.2 Naar aanleiding van een in maart 2007 verrichte controle over de periode van 1 januari 2004 tot en met 31 december 2005 bleek dat de betrokken factuur aldus betrekking had op transportverrichtingen van de twaalf maanden van 2002 Het betrof een globale afrekening van prestaties waarvoor elke maand voorschotten aangerekend waren geweest.
Op 11 oktober 2007 werd er een proces-verbaal opgemaakt waarin werd gesteld dat de aftrek voor wat de eerste elf maanden van 2002 betreft diende verworpen te worden gezien de aftrek voor deze maanden was geschied buiten een termijn van twee jaar vanaf het tijdstip waarop een factuur had moeten worden uitgereikt krachtens artikel 22 § 2 W.BTW en KB nr 1. De aftrek werd verworpen op grond van het toenmalige artikel 4, § 1 van het KB nr. 3.
Als gevolg van deze vastgestelde Inbreuk zijn volgens de administratie volgende bedragen verschuldigd :
- het bedrag aan BTW dat ten onrechte In aftrek zou zijn gebracht … EUR
- een administratieve geldboete van … EUR bij toepassing van artikel 70, § 1 W.BTW verminderd overeenkomstig artikel 1 1 van het KB nr. 41 en de bijlage H bij dit besluit afgerond overeenkomstig artikel 4, § 1 van het KB nr. 41
- interesten bij toepassing van artikel 91, § 1 W.BTW pro memorie.
Op 25 oktober 2007 werd een dwangbevel uitgevaardigd geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 30 oktober 2007 en ter kennis gebracht aan de belastingplichtige op 5 november 2007. De interesten werden hierin berekend op een bedrag van … EUR hetzij de interesten berekend tot 20 november 2007. Aldus werd het verschuldigde bedrag vastgesteld op een bedrag van … EUR te vermeerderen met de intresten overeenkomstig artikel 91, § 1 W.BTW vanaf 21 november 2007 de moratoire interesten over de nog verschuldigde geldboeten en de vervolgmgskosten.
1.3 Bij verzoekschrift op tegenspraak neergelegd ter griffie van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen op 22 januari 2008 vordert appellante de vernietiging van het dwangbevel en het bevelen van de terugbetaling van de betaalde en/of door de administratie ingehouden bedragen.
1.4 Het bestreden vonnis uitgesproken door de vierde F Kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen op 22 december 2008 verklaart de vordering ontvankelijk doch ongegrond. De eerste rechter oordeelt meer bepaald dat appellante haar recht op aftrek niet tijdig heeft uitgeoefend. Appellante wordt veroordeeld tot de kosten van het geding vereffend in hoofde van geïntimeerde op een rechtsplegingsvergoeding ten bedrage van … EUR.
1.5 Tegen dit vonnis heeft appellante hoger beroep ingesteld bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van dit Hof op 2 maart 2009.
1.6 De ontvanger van het Derde BTW-ontvangkantoor te Antwerpen heeft bij aangetekende brief van 18 maart 2009 overeenkomstig artikel 92, tweede lid van het BTW-Wetboek aan appellante een consignatieverzoek ter kennis gebracht waarbij appellante verzocht wordt om voor 18 mei 2009 een bedrag van … EUR in consignatie te geven bij de Deposito en Consignatiekas.
De ontvanger verwijst hierbij naar het dilatoir karakter van het hoger beroep dat volgens hem geen andere feiten of argumenten bevat dan diegene die reeds in het oorspronkelijk verzet werden aangehaald. Het hoger beroep zou dan ook enkel als doel hebben de betaling van de belasting te vertragen. De ontvanger wijst verder op het feit dat appellante geen eigenaar is van een onroerend goed hetgeen betekent dat de mogelijkheid niet bestaat om maatregelen te nemen om de kwestieuze BTW-schuld op een andere manier te waarborgen. De jaarrekening die de periode van 1 januari 2007 tot 31 december 2007 dekt werd afgesloten met een verlies van … EUR. Bovendien werd de activiteit van appellante op 1 juli 2004 overgedragen aan de NV E. R. zodat de activiteit van appellante nagenoeg nihil is hetgeen ook wordt gestaafd door de BTW-aangiftes van appellante.
1.7 Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van dit Hof op 15 mei 2009 vordert appellante het verzoek tot consignatie ongegrond te verklaren.
Bij arrest uitgesproken op 27 oktober 2009 heeft het Hof de vordering tot ongegrond verklaring van het verzoek tot consignatie ontvankelijk doch ongegrond verklaard en derhalve het verzoek tot consignatie van de ontvanger van het derde Btw-ontvangkantoor te Antwerpen bij aangetekende brief van 3 oktober 2008 ter kennis gebracht aan appellante waarbij verzocht werd het bedrag van … EUR aan Btw-interesten en kosten in consignatie te geven bij de Deposito en Consignatiekas overeenkomstig artikel 92 van het BTW-Wetboek ontvankelijk en gegrond verklaard.
Het Hof heeft hierbij overwogen dat de belastingplichtige niet aantoont dat de vorderingen die voor boekjaar 2008 op de balans staan vermeld en die … EUR bedragen voor wat de vorderingen op meer dan een jaar betreft en … EUR voor wat betreft de vorderingen op maximum een jaar (waarvan … EUR handelsvorderingen) met op korte tijd te gelde zouden kunnen worden gemaakt om een bedrag van … EUR in consignatie te geven. Er kan met andere woorden niet in redelijkheid worden aangenomen dat het bedrag van de gevraagde consignatie een danige omvang heeft dat het door de belastingplichtige onmogelijk zou kunnen worden bijeengebracht. Zijn recht om hoger beroep aan te tekenen wordt door het consignatieverzoek dan ook niet op een onredelijk wijze beperkt. Het hof oordeelt dan ook dat het consignatieverzoek afdoende gemotiveerd is en dat het marginaal getoetst met kennelijk onredelijk is en niet buiten verhouding staat ten aanzien van het nagestreefde doel.
1.8 In zijn syntheseconclusies neergelegd op 30 november 2009 voert de BELGISCHE STAAT aan dat de voorziening niet ontvankelijk is gezien appellante de gevraagde sommen met heeft betaald en/of met geconsigneerd en ook geen zakelijke of persoonlijke zekerheid heeft gesteld die door de administratie bevoegd voor de belasting over de toegevoegde waarde werd aangenomen. In ondergeschikte orde beaamt geïntimeerde de redengeving van het bestreden vonnis en besluit de BELGISCHE STAAT tot de bevestiging ervan Geïntimeerde begroot de rechtsplegingsvergoeding zo in eerste aanleg als in hoger beroep op … EUR.
2 Beoordeling
Artikel 92 van het BTW-Wetboek zoals gewijzigd bij artikel 61 van de Wet van 15 maart 1999 (van toepassing op de belastingen interesten en fiscale boeten wanneer de oorzaak van eisbaarheid zich heeft voorgedaan ten vroegste op 1 januari 1999) bepaalt het volgende.
In geval van beroep tegen het vonnis dat de door de schuldenaar ingestelde eis heeft verworpen kan de ontvanger van de belasting over de toegevoegde waarde gelet op de concrete gegevens van het dossier met inbegrip van de financiële toestand van de schuldenaar deze laatste kennis geven bij een ter post aangetekende brief van een verzoek tot het in consignatie geven van het geheel of een gedeelte van de verschuldigde bedragen. Aan de schuldenaar kan worden toegestaan dat die consignatie wordt vervangen door een zakelijke of persoonlijke zekerheid die wordt aangenomen door de administratie bevoegd voor de belasting over de toegevoegde waarde.
De gevorderde bedragen dienen in consignatie te worden gegeven of de zekerheid dient te worden gevestigd binnen twee maanden vanaf de kennisgeving.
Bij gebreke van het in consignatie geven van de bedragen of het vestigen van de zekerheid binnen de bepaalde termijn dient de rechtsinstantie waarbij de voorziening aanhangig is gemaakt binnen drie maanden te rekenen vanaf het verstrijken van die termijn de voorziening niet ontvankelijk te verklaren tenzij zij op grond van een met redenen omkleed verzoekschrift ingediend door de schuldenaar binnen twee maanden vanaf de kennisgeving bedoeld in het eerste lid besluit binnen dezelfde termijn van drie maanden dat het door de met de invordering belaste ambtenaar gedane verzoek met gegrond is.
Door het Hof dient te worden vastgesteld dat er inmiddels meer dan twee maanden verstreken zijn sedert de uitspraak van het arrest van 27 oktober 2009 waarbij de vordering tot ongegrond verklaring van het consignatieverzoek ongegrond werd verklaard resp het verzoek tot consignatie van de ontvanger van het derde Btw-ontvangkantoor te Antwerpen bij aangetekende brief van 18 maart 2009 ter kennis gebracht aan appellante ontvankelijk en gegrond werd verklaard.
Appellante bewijst niet noch voert zij aan dat zij inmiddels is overgegaan tot consignatie bij de Deposito en Consignatiekas van het bedrag van … EUR noch dat zij een zakelijke of persoonlijke zekerheid heeft gesteld die door de administratie bevoegd voor de belasting over de toegevoegde waarde werd aanvaard.
De door artikel 92 W.BTW voorgeschreven termijn van twee maanden binnen dewelke de belastingplichtige tot consignatie dient over te gaan is een vervaltermijn die op straffe van nietigheid is voorgeschreven (Cass (1e k) AR C 980326 N 15 september 2000 Act fisc 2001 (weergave L. STREPENNE) afl 2 5 Arr Cass 2000 1375 Bull 2000 1348 Fisc Act 2000 (weergave F. DESTERBECK) afl 35 6 FJF 2000 780).
De door artikel 92 derde lid W.BTW voorgeschreven termijn van drie maanden waarbinnen het Hof de voorziening bij gebrek aan consignatie niet ontvankelijk dient te verklaren is daarentegen geen vervaltermijn die op straffe van nietigheid is bepaald. Het overschrijden van deze termijn zonder dat door de belastingplichtige binnen de termijn van twee maanden vanaf de uitspraak van het Hof omtrent het verzoek tot ongegrond verklaring van het verzoek tot consignatie tot deze consignatie is overgegaan heeft met tot gevolg dat zijn niet ontvankelijke voorziening ontvankelijk wordt.
Het hoger beroep is dan ook niet ontvankelijk.
Beschikkend gedeelte
OM DEZE REDENEN
HET HOF,
Gelet op artikel 24 van de wet van 15 junI 1935 Recht doende op tegenspraak.
Verklaart het hoger beroep met ontvankelijk.
Veroordeelt appellante tot de kosten van het hoger beroep begroot aan de zijde van geïntimeerde op … euro (… EUR) als rechtsplegingsvergoeding hoger beroep.
Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het HOF VAN BEROEP te ANTWERPEN van VEERTIEN SEPTEMBER TWEEDUIZENDENTIEN,
waar aanwezig waren :
D. W. Raadsheer wd Voorzitter
M. D. en
S. B. Raadsheren
A. V. L. Geiffier.
V. L. S. B. M. D. D. W.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.