Fiche van de FOD Financiën
Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Kortrijk d.d. 01.09.2003
Samenvatting niet beschikbaar
Tekst van het vonnis
Tekst van de beslissing
DE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG VAN HET ARRONDISSEMENT KORTRIJK, PROVINCIE WEST-VLAANDEREN, TWEEDE KAMER FISCAAL MET EEN RECHTER, RECHTSPREKEND IN BURGERLIJKE ZAKEN
In de zaak nr. 97/2146/A - 250
V. G., autohandelaar, wonende te …, …, ingeschreven in het handelsregister te Kortrijk onder het nummer …,
eiser,
vertegenwoordigd door en pleitend meester K. G., advocaat te …, …,
tegen :
DE BELGISCHE STAAT, Ministerie van Financiën, Administratie van de Belasting over de Toegevoegde Waarde, op vervolging en benaarstiging van de ontvanger van het 2° BTW-Ontvangkantoor te Kortrijk, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 8500 Kortrijk, Hoveniersstraat 31,
verweerder,
vertegenwoordigd door en pleitend meester F. W., advocaat te …, … (ref. : RD 766),
I. Vordering en standpunt
A. G. V.
Bij dagvaarding op 18 november 1997 betekend aan de Belgische Staat leidde G. V. de zaak in.
Hij vorderde oorspronkelijk :
- het dwangbevel waartegen verzet te vernietigen en hem te ontlasten van alle veroordelingen tegen hem erin uitgesproken;
- de Belgische Staat te veroordelen tot alle kosten van het geding;
- dit alles bij vonnis uitvoerbaar te verklaren bij voorraad, niettegenstaande alle verhaal, zonder borgstelling noch kantonnement.
In de loop van het geding wijzigde hij zijn vordering. Hij vordert thans :
- het dwangbevel te vernietigen in de mate een hoger bedrag gevorderd wordt dan rest na compensatie van de hoofdsom met 438.750 BEF (thans 10.876,33 euro);
- de Belgische Staat te veroordelen tot de kosten van het geding.
B. De Belgische Staat
De Belgische Staat vraagt :
- het verzet van G. V. ontvankelijk doch ongegrond te verklaren;
- hem te veroordelen tot de kosten van het geding.
II. Uiteenzetting door G. V. in de dagvaarding
G. V. zet uiteen in de dagvaarding :
Hij tekent verzet aan tegen het dwangbevel uitgevaardigd door de heer Ontvanger te Kortrijk op 10 oktober 1997 en bij exploot van gerechtsdeurwaarder J. G. te … van 20 oktober 1997 betekend aan hem.
Het dwangbevel waartegen verzet beveelt de betaling van een bedrag van 694.489 BEF (thans 17.215,93 euro) aan BTW-rechten, naast de wettelijke interesten op de BTW-rechten vanaf 21 juli 1997 en de kosten.
Dit dwangbevel verwijst in zijn motivering naar een proces-verbaal van 20 augustus 1996.
Het verzet is gesteund onder meer op volgende gronden :
Nadat deze compensatie eerst toegestaan werd, wordt ten onrechte de volledige aftrek als compensatie van het BTW-bedrag van 461.250 BEF (thans 11.434,09 euro) geweigerd, alhoewel dit bedrag door hem betaald werd aan zijn leverancier.
De rechtszekerheid voor de belastingplichtige komt aldus in het gedrang.
Bovendien is de berekening van de interesten en de boeten en de aanrekening ervan door de verscheidene betalingen van hem allerminst duidelijk.
III. Stellingen van de partijen
A. G. V.
De argumentatie die G. V. ontwikkelt in zijn conclusie neergelegd ter griffie op 15 september 2000, kan weergegeven worden als volgt :
De correctie opgave die door hem op 20 augustus 1996 ondertekend werd, houdt geen compensatieaanvraag in, maar is het resultaat van een toegestane compensatie.
Het is enkel omdat op de gecompenseerde hoofdsom van BTW toch een zware boete toegepast werd, dat hij bij brief van 11 september 1996 aan de heer hoofdcontroleur een vermindering van de boete vroeg.
Op 25 juni 1997 liet de administratie weten dat de boete niet verminderd werd en dat integendeel door de administratie teruggekomen werd op haar beslissing om de compensatie toe te staan daar op de bewuste aankoopfactuur een verkeerd BTW-tarief toegepast werd, namelijk 20,5 % in plaats van 19,5 %.
De essentie van de zaak is of hij recht heeft op aftrek van de BTW op de aankoopfactuur van de bewuste wagen Ferrari van 3 december 1993 die hij op 7 december 1993 doorverkocht heeft.
Hij gaat hierbij akkoord dat inderdaad de facturatie aan het BTW-tarief van 20,5 % niet volledig aftrekbaar is en dat slechts de BTW van 19,5 % verschuldigd was en dus ook slechts deze BTW aftrekbaar kan zijn.
Er kan ook moeilijk getwijfeld worden aan de levering van de wagen, daar er een opvolgende levering van hem aan een derde geweest is, waarop trouwens de BTW gevorderd wordt.
B. De Belgische Staat
1. De argumentatie die de Belgische Staat ontwikkelt in zijn conclusie neergelegd ter griffie op 20 september 1999, kan samengevat worden als volgt :
a. De waarde van de naheffingsopgave
De naheffingsopgave werd op 20 augustus 1996 ondertekend door de heer V. in eigen naam.
Deze ondertekening geldt als een fiscaal compromis ter beëindiging van een daarbij vastgesteld feitelijk geschil.
Algemeen wordt aangenomen dat een voor akkoord ondertekende regularisatieopgave een schulderkentenis inhoudt die bindend is.
b. Verzoek tot compensatie van aftrekbare BTW versus factuur met vormgebreken.
Een belastingplichtige kan krachtens artikel 3, § 1, 1° KB 3 van 10 december 1969 met betrekking tot de aftrekregeling zijn recht op aftrek slechts uitoefenen voor zover hij in het bezit is van een factuur opgemaakt overeenkomstig artikel 2 KB 1 van 23 juli 1969 (thans artikel 5, § 1 van het KB nr. 1 van 29 december 1992).
Dit houdt in dat het juiste tarief van de verschuldigde belasting vermeld moet worden. In casu was dit niet het geval en wordt de aftrek terecht verworpen.
Het recht op aftrek is verbonden aan de formele regelmatigheid van de voorgelegde facturen.
c. De vermeende schending van de rechtszekerheid
Er is enerzijds een geldig akkoord dat G. V. afgesloten heeft, waarbij de overtredingen opgenomen in de regularisatieopgave uitdrukkelijk erkend worden.
Er is anderzijds het feit dat niet voldaan is aan de voorwaarden om van de compensatie te genieten en deze dus niet toegestaan wordt.
Dit laatste doet geen afbreuk aan de rechtsgeldigheid van het afgesloten akkoord. Dit akkoord blijft bestaan.
De verwerping van de compensatieaanvraag heeft enkel voor gevolg dat de betalingswijze of financieringswijze van de door G. V. verschuldigde BTW inzake de overtredingen die door hem erkend werden bij de ondertekening van de regularisatieopgave, zich wijzigt.
De grond van de zaak, het rechtsgeldig afgesloten akkoord nopens de begane overtredingen, blijft bestaan.
d. De verschuldigde boeten en interesten
Het bedrag van de boete wordt afgerond naar het lager duizendtal.
Wat de verschuldigde interesten betreft, wordt verwezen naar artikel 91, § 1 W.BTW. De betalingen van G. V. zoals aangegeven in het dwangbevel, werden toegerekend op de openstaande schuldvordering.
De toerekeningsvolgorde is wettelijk bepaald in artikel 19 (voorheen artikel 15) van het KB nr. 24 van 29 december 1992 en geschiedt achtereenvolgens op de boeten, de interesten en uiteindelijk op de verschuldigde rechten.
2. In zijn conclusie neergelegd ter griffie op 18 april 2001 expliciteert de Belgische Staat de argumentatie van zijn vorige conclusie, maar ontwikkelt hij geen nieuwe argumenten.
IV. Procedure
Op de openbare terechtzitting van 2 juni 2003 verschenen Mr. K. G. voor de eiser G. V. en Mr. F. W. voor de verweerder de Belgische Staat.
De raadslieden zetten de zaak uiteen.
De debatten werden gesloten.
De raadslieden legden elk een dossier neer.
De zaak werd in beraad genomen.
De stukken werden ingezien.
V. Beoordeling
1. De kernvraag lijkt te zijn, wat primeert :
het akkoord van 20 augustus 1996 of de voorschriften van artikel 5, § 1 van het KB nr. 1 van 29 december 1992 ?
De rechtszekerheid heeft voorrang boven de voorschriften van artikel 5, § 1 van het KB nr. 1 van 29 december 1992.
Niet alleen de belastingplichtige, maar ook de administratie is gebonden door het akkoord van 20 augustus 1996.
De door G. V. ondertekende correctieopgave van 20 augustus 1996 werd opgemaakt na een controle van zijn boekhouding door een verificateur-accountant van de BTW.
Deze ambtenaar is een professioneel, is meer beslagen in de materie dan de belastingplichtige en heeft de correctieopgave na controle van de boekhouding met kennis van zaken opgemaakt.
En - zoals door de Belgische Staat terecht opgemerkt - geldt de ondertekening van de correctieopgave als een fiscaal compromis ter beëindiging van een geschil.
De belastingplichtige moet er derhalve kunnen op vertrouwen dat de administratie het akkoord, met kennis van zaken opgemaakt door een gespecialiseerd ambtenaar na een controle van zijn boekhouding, niet zal herroepen.
In de correctieopgave werd de compensatie van de BTW in de verkoopfactuur van de NV S. van 3 december 1993 voor een bedrag van 461.250 BEF (thans 11.434,09 euro) toegestaan.
De compensatie van de BTW blijft verworven voor G. V..
De administratie kan daar later niet meer op terugkomen.
2. Maar de vraagstelling wat primeert, het akkoord van 20 augustus 1996 of de voorschriften van artikel 5, § 1 van het KB nr. 1 van 29 december 1992, vormt een vals probleem.
Noch artikel 3, § 1, 1° van het KB nr. 3 van 10 december 1969, noch het cassatiearrest van 19 september 1996 stipuleren dat elke - zelfs de minste - tekortkoming aan de voorschriften van artikel 5, § 1 van het KB nr. 1 van 29 december 1992 automatisch het recht op aftrek teniet doet.
Het was de NV S. - en niet G. V. - die verkeerdelijk het tarief van 20,5 % op haar factuur van 3 december 1993 hanteerde.
Op zijn factuur van 7 december 1993 rekende G. V. het correcte tarief van 19,5 % aan zijn koper aan.
Dat G. V. de factuur van de NV S. protestloos aanvaardde, is te wijten aan een onachtzaamheid van zijnentwege, maar niet aan collusie.
Hij deed er zeker geen voordeel mee door de factuur van de NV S. protestloos te aanvaarden. Hij betaalde aan zijn leverancier 20,5 % - hetzij 461.250 BEF (thans 11.434,09 euro) - BTW, maar hij ontving van zijn klant slechts 19,5 % - hetzij 448.500 BEF (thans 11.118,02 euro) - BTW
De Belgische Staat toont daarenboven niet aan dat de vermelding van het verkeerde tarief op de factuur van de NV S. van 3 december 1993 de oorzaak vormde van de moeilijkheden bij de inning van de belasting of de controle erop of van om het even welke andere schade.
3. In zijn conclusie (p. 3) gaat G. V. akkoord om de compensatie te beperken tot 19,5 % op 2.250.000 BEF, hetzij 438.750 BEF (thans 10.876,33 euro).
Zijn redenering is correct.
4. Besluit
Aan G. V. wordt een compensatie van de hoofdsom toegestaan voor een bedrag van 438.750 BEF (thans 10.876,33 euro).
De hoofdsom van het dwangbevel moet verminderd worden met dat bedrag.
De vordering is gegrond.
Beschikkend gedeelte
OM DEZE REDENEN,
DE RECHTBANK,
Wijzende op tegenspraak,
Gelet op de artikelen 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken,
Verklaart de vordering ontvankelijk en gegrond.
Zegt dat de hoofdsom van het dwangbevel verminderd moet worden met een bedrag van 438.750 BEF (thans 10.876,33 euro).
Veroordeelt de Belgische Staat tot de kosten, aan de zijde van G. V. begroot op 78,43 euro dagvaardingskosten en 334,67 euro rechtsplegingsvergoeding.
Aldus gevonnist en uitgesproken in het gerechtsgebouw te Kortrijk, in de openbare terechtzitting op EEN SEPTEMBER TWEEDUIZEND EN DRIE.
Aanwezig :
C. V., alleenzetelend rechter,
H. L., adjunct-griffier.
H. L. C. V.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.