Fiche van de FOD Financiën
Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Brugge d.d. 14.10.2003
Samenvatting niet bechikbaar
Tekst van het vonnis
Tekst van de beslissing
DE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE BRUGGE, VIERDE KAMER, HEEFT HET HIERNAVOLGEND VONNIS VERLEEND :
in de zaak AR. nr. 02/0360/A
van :
…, zelfstandige, wonende te …, …
eiser,
vertegenwoordigd door meester D. D., advocaat te ….
tegen :
DE BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, waarvan de burelen gevestigd zijn te 1000 Brussel, Wetstraat 12, in de persoon van de heer Ontvanger van het BTW-Ontvangkantoor te Oostende, wiens kantoor gevestigd is te 8400 Oostende, Administratief Centrum - Vrijhavenstraat nr.1, eerste verdieping,
verweerder,
vertegenwoordigd door meester L. D. S., advocaat te ….
I. PROCEDURE
De partijen hebben hun middelen en besluiten voorgedragen in de openbare terechtzitting van 16 september 2003, waarna het debat werd gesloten. De rechtbank nam vervolgens de zaak in beraad.
De rechtbank heeft de artikelen 2, 30 tot 37 en 41 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken nageleefd.
De rechtbank houdt in het bijzonder rekening met de volgende documenten :
1. de geding inleidende dagvaarding van 30 januari 2002 met verzet tegen het dwangbevel van 17 januari 2002;
2. de conclusie voor verweerder van 4 juni 2002 en
3. de conclusie voor verweerder van 6 maart 2003.
Daarenboven heeft de rechtbank de overtuigingsstukken van de partijen ingezien.
Il. DE BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK
1. De feiten die relevant zijn voor het geschil
In de periode 1996-1997 liet eiser een nieuwbouwwoning optrekken.
Op 20 augustus 1996 had eiser een document 121 ingevuld waarin hij verklaarde dat zijn woning binnen de maximaal toegelaten oppervlakte van 190 vierkante meter bleef zoals berekend volgens de criteria van het ministerieel besluit nr. 20 van 22 december 1995. Daarmee maakte eiser aanspraak op het verlaagd BTW-tarief van 12 procent. Tot beloop van … frank (… euro) werd daarmee toelating gegeven aan de aannemer van de ruwbouwwerken om het verlaagd tarief aan te rekenen.
Aldus reikte die aannemer een factuur uit op 22 december 1996 en een volgende factuur op 15 februari 1997. Voor een maatstaf van heffing van 2 miljoen frank werd het tarief van 12 procent toegepast.
Op 3 februari 1999 voerde de controledienst van de BTW-administratie ter plaatse een controle uit. De ambtenaar was van oordeel dat de oppervlakte van de woning die in aanmerking kwam voor de berekening van het verlaagd tarief, de 190 vierkante meter overschreed.
Eiser was niet akkoord en er werd over en weer geargumenteerd. De partijen bleven op hun standpunten.
De controleambtenaar maakte van zijn vaststellingen en zijn conclusies op 1 februari 2001 een proces-verbaal op. Daarin werd een bedrag van … frank (… euro) BTW verschuldigd geacht, vermeerderd met een (proportioneel verminderde) geldboete van … frank (… euro).
Bij gebrek aan vrijwillige betaling door eiser, maakte verweerder op 17 januari 2002 een dwangbevel op dat hij, na visa en uitvoerbaarverklaring, op 22 januari 2002 liet betekenen aan eiser.
Op 30 januari 2002 volgde de inleidende dagvaarding waarmee eiser zijn vordering instelde.
2. De standpunten en vorderingen van de partijen
Eiser vordert dat de rechtbank zijn verzet tegen het dwangbevel ontvankelijk en gegrond zou verklaren en bijgevolg zou zeggen voor recht dat het bestreden dwangbevel van 17 januari 2002 niet uitvoerbaar is en ten onrechte werd uitgevaardigd.
Eiser vraagt bovendien dat verweerder zou veroordeeld worden tot het betalen van de gerechtskosten.
Verweerder vordert dat de rechtbank de vordering van eiser ongegrond zou verklaren tot beloop van een bedrag van … euro als BTW en … euro als boete. Hij vordert ook dat eiser zou verwezen worden in de gerechtskosten.
IIl. BEOORDELING
1. De ontvankelijkheid van de vordering
Verweerder voert geen redenen aan die tot onontvankelijkheid van de vordering kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid, die hij ambtshalve zou moeten opwerpen, vaststelt, is de vordering ontvankelijk.
2. De grond van de vordering
2.1. Stelling van eiser
Als eerste argument roept eiser in dat de vordering van verweerder overeenkomstig artikel 81bis W.BTW verjaard zou zijn.
Eiser stelt verder dat het gedeelte van zijn woning dat in aanmerking genomen moet worden voor de berekening van de oppervlakte ten einde van het verlaagd tarief te kunnen genieten, lager is dan 190 vierkante meter. Dat vloeit volgens hem voort uit het feit dat de bergplaats en de kleine werkplaats (zijnde het bureau) niet zouden mogen worden meegerekend. Op die manier bedraagt de oppervlakte slechts 184,67 m.
Op de openbare terechtzitting van 16 september 2003 heeft de advocaat van eiser verduidelijkt dat verweerder volgens eiser een interpretatiefout begaat omdat er in artikel 1, A, h) van het Ministerieel Besluit van 22 december 1995 slechts een komma staat tussen de woorden garage en bergplaats. Deze zouden daarom nooit in de berekening mogen in aanmerking worden genomen, ook al zijn ze ingebouwd.
2.2. Stelling van verweerder
Verweerder stelt dat voor de BTW, de interesten en de geldboeten waarvoor de vordering tot voldoening ontstaan is vóór 1 januari 1999, nog het oude artikel 81 W.BTW toepasselijk is, zodat de verjaringstermijn 5 jaar bedraagt, te rekenen vanaf de dag waarop de vordering tot voldoening ontstaan is.
Verweerder geeft toe dat het deel van de vordering dat betrekking heeft op de BTW die verschuldigd was door de uitreiking van de factuur op 22 december 1996, op het moment van de betekening van het dwangbevel al verjaard was. Om die redenen heeft verweerder in conclusies zijn vordering beperkt tot … euro BTW en … euro boete, omdat de BTW uit de factuur van 15 februari 1997 niet verjaard zou zijn.
Wat de oppervlakte aangaat, stelt verweerder dat eiser zijn bergplaats en zijn kleine werkplaats niet uit de berekening kan houden omdat zij integraal deel uitmaken van de woning. Dergelijke ruimten zouden alleen kunnen geweerd worden uit de berekening wanneer het gaat om een losse of aangebouwde berging of kleine werkplaats.
2.3. Beoordeling
2.3.1. Wat de verjaring betreft
Verweerder moet gevolgd worden in zijn standpunt dat artikel 81bis W.BTW op onderhavig geschil niet toepasselijk is. Artikel 97, 7de lid van de Wet van 15 maart 1999 stelt als overgangsbepaling uitdrukkelijk dat het oude artikel 81 W.BTW toepasselijk blijft voor de belastingen, de interesten en de administratieve geldboeten waarvoor de vordering tot voldoening is ontstaan vóór 1 januari 1999.
De conclusie van verweerder is verder correct : de verjaring werd pas gestuit in de zin van artikel 83 W.BTW door de betekening van het dwangbevel aan eiser op 24 januari 2002. De BTW die was aangerekend in de factuur van 22 december 1996 moest door de aannemer uiterlijk op 20 januari 1997 worden aangegeven en werd meteen op dezelfde dag opeisbaar. De termijn van 5 jaar, voorzien in het oude artikel 81 W.BTW, verstreek dan ook op 20 januari 2002. De betekening van het dwangbevel volgde pas enkele dagen later voor het gedeelte van de sommen die in het dwangbevel gevorderd worden dat zijn oorzaak vindt in de factuur van 22 december 1996, is de vordering van eiseres alvast gegrond.
Voor de factuur van 15 februari 1997 ontstond de opeisbaarheid van de BTW pas op 20 maart 1997. De termijn van 5 jaar was op 24 januari 2002, toen het dwangbevel betekend werd, nog niet verstreken.
2.3.2. De betwisting ten gronde : oppervlakte
Het verlaagd tarief voor de werken in onroerende staat, is onder strikte voorwaarden toepasselijk overeenkomstig artikel 1quater van het KB nr. 20 van 20 juli 1970. Onder § 1. A). eerste streepje wordt gesteld dat de maximale oppervlakte voor huizen 190 vierkante meter niet mag overschrijden en dit "berekend volgens criteria vastgesteld door de Minister van Financiën".
ln het M.B. van 22 december 1995 wordt verduidelijkt welke de criteria in kwestie zijn. In wezen gaat het om de buitenafmetingen van de bouwwerken die in aanmerking wordt genomen. Bovendien wordt verduidelijkt wat niet in aanmerking wordt genomen : naast de kelderverdieping, kruipruimten, de laagste gedeelten van dakkamers, de lage gedeelten van de zolder, de platte daken, terrassen en balkons, moeten "de ingebouwde garages en de losse of aangebouwde garage, bergplaats of kleine werkplaats" niet worden mee· gerekend.
In tegenstelling tot wat eiser naar voor brengt, is de enige semantisch benadering die steek houdt, dat het woord 'en' in deze zinsnede een onderscheid maakt tussen twee categorieën : enerzijds de ruimten die niet worden meegeteld als 'ingebouwd' zijn en anderzijds de andere ruimten die slechts buiten de berekening vallen als ze 'los of aangebouwd zijn'. De komma tussen “garage” en 'bergplaats” geeft weer dat de woorden “garage”, “bergplaats” en 'kleine werkplaats' deel uitmaken van een opsomming. Waar voor garages uitdrukkelijk vermeld is dat ze zowel in ingebouwde als in losse en in aangebouwde vorm buiten de oppervlakteberekening vallen, geldt voor de bergplaatsen en kleine werkplaatsen dat ze in de berekening alleen dan niet meegeteld worden wanneer ze los of aangebouwd zijn.
Uit de stukken die verweerder voorlegt, blijkt dat de 'bergplaats en de 'kleine werkplaats (bureau)' die eiser uit de berekening wenst te weren, een geïntegreerd deel uitmaken van zijn woning; zij bevinden zich binnen de dragende buitenmuren van de woning, waarop de bovenverdieping en het dak steunen. De toegang tussen die bergplaats en die kleine werkplaats en de overige deel van de eigenlijke woning, gebeurt langs deuropeningen in de muren die zich onder het woningdak zelf bevinden. De twee betrokken ruimten zijn dus 'ingebouwd'.
Verweerder heeft bijgevolg met reden geoordeeld dat er geen sprake is van een 'losse of aangebouwde bergplaats of kleine werkplaats'.
Nu dat de totale in aanmerking te nemen oppervlakte van de woning op meer dan 190 vierkante meter doet komen, had eiser geen recht op het verlaagd tarief.
Verweerder moet dan ook bijgetreden worden in zijn standpunt dat de vordering van eiser voor de bedragen die niet door verjaring vervallen zijn, namelijk voor … euro BTW en … euro boete, ongegrond is.
3. De gerechtskosten
Gelet op het wederzijds gelijk en ongelijk van elk van de partijen moeten zij elk de helft van de gerechtskosten dragen. De rechtsplegingsvergoedingen worden gecompenseerd.
Beschikkend gedeelte
IV. UITSPRAAK
De rechtbank doet uitspraak in eerste aanleg en op tegenspraak.
Om alle bovenstaande redenen verklaart de rechtbank de vordering ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond.
De rechtbank verklaart het verzet van eiser tegen het dwangbevel van 17 januari 2002 daarom ontvankelijk en als volgt gegrond. De rechtbank zegt voor recht dat het genoemde dwangbevel slechts gevolg kan hebben en uitgevoerd kan worden voor zover het betrekking heeft op een bedrag aan BTW van … euro (… EUR) en een administratieve geldboete tot beloop van … euro (.. EUR).
De rechtbank compenseert de rechtsplegingsvergoedingen en verwijst elk van de partijen in de helft van de overige gerechtskosten van deze procedure en stelt die kosten als volgt vast :
aan de zijde van eiser :
- dagvaarding : … euro
aan de zijde van verweerder : nihil.
Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare terechtzitting van de vierde kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge op veertien oktober tweeduizend en drie.
De rechtbank is als volgt samengesteld :
D. V., alleenrechtsprekend rechter
A. V., griffier.
A. V. D. V.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.