Fiche van de FOD Financiën
Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Leuven d.d. 17.03.1998
Samenvatting niet beschikbaar
Tekst van het vonnis
Tekst van de beslissing
N.V. V. P., ingeschreven in het H.R. te Leuven onder nummer …, met zetel te …, …;
- eiseres op verzet, ter zitting vertegenwoordigd door haar raadsman meester V., advokaat te …, …;
tegen
DE BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de heer Minister van Financiën, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, in de persoon van de Rekenplichtige van het BTW-ontvangkantoor te Tienen, wiens burelen gevestigd zijn te 3300 Tienen, R.A.C., Goossensvest 3;
- verweerder op verzet, ter zitting vertegenwoordigd door zijn raadsman meester d. N., advokaat te …, …;
De rechtbank spreekt het vonnis uit in deze zaak, die ter zitting van 17 februari 1998 in beraad werd genomen;
Gelet op de artikelen 2-9-34-36-37-40 en 41 der wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken;
Gehoord partijen bij monde van hun raadslieden ter zitting van 17.02.1998 en gelet op hun conclusies en stukken;
Gezien de akte van verzet, betekend bij geboekt exploot van plaatsvervangend gerechtsdeurwaarder A. I. in vervanging van gerechtsdeurwaarder P. H. te … dd. 25.09.1996, gericht tegen een dwangbevel, uitgevaardigd door de Ontvanger van het BTW-kantoor te Tienen op 28.08.1996, geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de Hoofdcontroleur van de BTW te Diest aangewezen door de Gewestelijke Directeur van de Administratie van de BTW, registratie en domeinen te Hasselt op 04.09.1996 en eiseres op verzet ter kennis gebracht bij aangetekend schrijven dd. 05.09.1996;
dat het verzet tijdig en regelmatig naar de vorm werd ingesteld zodat het ontvankelijk is;
IN FEITE :
Overwegende dat eiseres op verzet wegens haar activiteiten van plaatslager, hersteller, depanagedienst, groothandel in tweedehandse voertuigen, kleinhandel in vloeibare brandstoffen en smeermiddelen, alsmede onderdelen en toebehoren voor motorvoertuigen BTW-belastingplichtige is;
dat bij haar op 20.05.1996 een BTW-controle werd gehouden met betrekking tot de periode van 01.07.1991 tot 31.12.1993;
Overwegende dat bij eiseres een aantal overtredingen werden vastgesteld, nl. dat de door eiseres op verzet uitgereikte facturen een volgnummer vermelden dat verschilt van dit waaronder de factuur in het boek voor uitgaande facturen werd ingeschreven zodat niet voldaan werd aan de voorwaarde in art. 2, 1° van het K.B. nr. 1 van 23.07.1969 gesteld, hetgeen zijn gevolgen had op de toegepaste aftrekregeling;
dat deze vastgestelde overtredingen werden opgenomen in het proces-verbaal van verificateur J. S. dd. 19.08.1996;
dat op grond hiervan het kwestig dwangbevel werd uitgevaardigd voor :
-1) … fr. hoofdens BTW
-2) … fr. hoofdens administratieve geldboete conform art. 70 § 1bis BTW Wetb.
-3) … fr. hoofdens geldboete conform art. 70, § 4 BTW Wetb.
-4) wettelijke intresten over de rechten vanaf 21.01.1994
-5) moratoire intresten over de geldboeten vanaf de kennisgeving van het dwangbevel
-6) de kosten;
IN RECHTE :
Overwegende dat vooreerst dient opgemerkt te worden dat art. 22 lid 3, b Zesde E.E.G. richtlijn een aantal vereisten stelt waaraan facturen dienen te voldoen doch dat eveneens voorzien is dat de lidstaten de criteria vastleggen waaraan een document dient te voldoen om als factuur dienstig te zijn;
dat alzo de Belgische wetgever de criteria waaraan de factuur dient te voldoen, vermag vast te stellen;
Overwegende dat eiseres op verzet stelt dat de vermeldingen, waarvan de Belgische wetgever eist dat ze op de factuur voorkomen, moeilijk in de praktijk -inzonderheid wat de handel in tweedehandswagens betreft- kunnen nagevolgd worden;
dat zulks mogelijk het geval kan zijn voor wat bepaalde voorschriften betreft doch andere vermeldingen (zoals bijvoorbeeld de cilinderinhoud, motorsterkte enz...) de administratie moeten toelaten de kwestige wagen nauwkeurig en juist te kunnen identificeren;
dat de inbreuk op art. 2 van het K.B. nr. 1 dd. 23.07.1969 - nl. het niet overeenstemmen van het volgnummer van de factuur met het volgnummer waaronder deze factuur in het boek der uitgaande facturen werd ingeschreven echter geen bijzondere kennis of inspanning vergt doch alleen vereist dat de belastingplichtige op nauwkeurige wijze tewerk gaat zodat ten onrechte wordt voorgehouden dat deze verplichting moeilijk kan nagekomen worden;
dat deze inbreuk door verificateur S. werd vastgesteld en derhalve genoegzaam bewezen is;
Overwegende dat eiseres op verzet ten onrechte stelt dat er zich een tegenstrijdigheid voordoet tussen de Belgische wetgeving -zijnde de weerkaatsing van art. 18 en 22 van de Zesde Richtlijn- en art.2 van de Eerste Richtlijn nu beiden samen dienen gelezen te worden;
dat alzo het principe van het recht op aftrek wordt ingesteld doch de nationale wetgever de voorwaarden hiertoe bepaalt;
dat eiseres op verzet voorhoudt dat het doel van de bepalingen m.b.t. de factuur erin bestaat een bewijs te verschaffen van het verschuldigd zijn van de BTW en de controle hierop mogelijk te maken;
dat het nochtans duidelijk is dat de toepassing van dit principe op de vastgestelde inbreuk tot het besluit leidt dat controle zoniet onmogelijk alleszins fel bemoeilijkt wordt ingeval volgnummers van uitgereikte facturen niet met deze in het boek der uitgaande facturen overeenkomen;
dat het in casu derhalve niet alleen om loutere vormwaarden gaat zoals eiseres op verzet tracht voor te houden;
Overwegende dat eiseres op verzet verder stelt dat het evenredigheidsbeginsel zou geschonden zijn;
dat het evenredigheidsbeginsel erop neerkomt dat de door de administratie toegepaste maatregel noodzakelijk moet zijn om het door die maatregel beoogde doel te bereiken, en zelfs al is de maatregel onmisbaar, toch dient hij achterwege gelaten te worden indien de eruit ontstane belemmeringen buiten verhouding met het beoogde doel staan;
dat eiseres op verzet hiertoe verwijst naar verplichte detailvermeldingen (cilinderinhoud, motorsterkte, jaar van eerste ingebruikname enz...) doch geenszins melding maakt van het feit dat de volgnummers der kwestige facturen niet met de volgnummers in het boek der uitgaande facturen overeenkomen hoewel het voldoen aan deze vereiste een noodzakelijke voorwaarde is om verweerder op verzet toe te laten enige controle te kunnen uitoefenen en daarenboven niet buiten verhouding met het beoogde doel staat;
dat, nu de aftrek blijkens het proces-verbaal op grond van deze inbreuk geweigerd werd, geen prejudiciële vraag aan het Europees Hof van Justitie dient gesteld te worden gezien de bepaling nopens de overeenstemming der volgnummers op de facturen en het uitgaande factuurboek zeker niet onevenredig is met het nagestreefde doel, nl. een controle mogelijk maken;
Overwegende dat hierboven reeds werd aangehaald dat de in het proces-verbaal vastgestelde inbreuken genoegzaam bewezen zijn en niet door eiseres op verzet weerlegd worden;
dat het bedrag van … fr. hoofdens BTW bijgevolg verschuldigd is;
Overwegende dat, wat de boeten betreft, partijen het niet eens zijn nopens de aard van deze fiscale boeten en eiseres op verzet stelt dat de door art. 70 BTW Wetb. opgelegde boeten art. 144 van de Grondwet schenden;
dat art. 144 van de Grondwet echter op burgerlijke rechten doelt en niet op de verplichtingen die in het fiscaal recht hun oorsprong vinden;
Overwegende dat volgens eiseres op verzet art. 70 BTW Wetb. de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt;
dat deze thesis echter niet kan bijgetreden worden gezien algemeen aanvaard wordt dat de wetgever een verschil in behandeling volgens bepaalde categorieën van personen vermag in te stellen, mits zulks op een objectieve wijze geschiedt;
dat de wetgever op grond van dit principe derhalve vermag een verschil in boeten in te stellen al naargelang het bijvoorbeeld om strafrechtelijke dan wel fiscale boeten gaat mits hij alle BTW-belastingplichtigen die zich in dezelfde situatie en feitelijke voorwaarden bevinden. gelijk behandelt;
dat zulks in casu het geval is gezien de kwestige reglementering van toepassing is, niet alleen op eiseres op verzet, doch op alle natuurlijke of rechtspersonen die dezelfde handel als eiseres op verzet drijven zodat geen onderscheid ten aanzien van de persoon wordt gemaakt;
Overwegende dat eiseres op verzet laat gelden dat, zelfs al zouden de fiscale boeten als een administratieve boete aanzien zouden worden, de rechter deze nog -evenals de strafsanctie- kan beoordelen;
dat er zich een kentering blijkt voorgedaan te hebben ingevolge het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens dd. 24.02.1994 in de zaak Bendenoun;
dat in dit arrest werd gesteld dat fiscale geldboeten als een strafsanctie dienen aanzien te worden;
dat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens zich op vier argumenten heeft gebaseerd om tot het besluit te komen dat fiscale sancties strafsancties zijn en alzo dient nagegaan te worden of deze eveneens in casu aanwezig zijn, nl. :
-1) De overtredingen die eiseres op verzet worden verweten vallen onder art. 70 BTW Wetb.;
dat dit artikel betrekking heeft op alle burgers in hun hoedanigheid van BTW-belastingplichtigen en niet enkel op een beperkte groep van personen die over een speciaal statuut beschikt;
-2) De boeten worden niet opgelegd als schadevergoeding maar beogen vooral een nieuwe gelijkaardige overtreding te vermijden;
dat immers, ingeval schadevergoeding zou beoogd worden, deze schade zou dienen begroot te worden aan de hand van concrete gegevens terwijl in casu een vast bedrag namelijk het dubbele van de verschuldigde hoofdsom gevorderd wordt;
-3) De boeten worden opgelegd op grond van een algemene regel waarvan de bedoeling zowel preventief als repressief is;
-4)Het gaat in casu om een aanzienlijk bedrag, nl. … fr. dat bijkomend dient opgemerkt te worden dat eiseres op verzet -of haar verantwoordelijke- bij niet betaling door de strafrechter tot een gevangenisstraf conform art. 73 BTW Wetb. kan veroordeeld worden;
(cfr. Rb. Mechelen dd. 11.01.1996, F.J.F. nr. 96/106 met verwijzing naar E.H.R.M. dd. 24.02.1994, Beslissingen in Belastingszaken (Nedl.), 1994, 1620, rechtsoverweging 47);
Overwegende dat in casu aan deze vereisten is voldaan zodat de rechtbank gerechtigd is de opportuniteit en de zwaarte van de boete te beoordelen;
dat verweerder op verzet laat gelden dat het arrest Bendenoun zich uitstrekte tot het Franse recht en niet tot het Belgische;
dat deze vaststelling ongetwijfeld juist is doch geen afbreuk kan doen aan de in dit arrest gestelde principes;
Overwegende dat rekeninghoudend met de aard van de inbreuk, nl. het niet overeenstemmen van volgnummers op facturen met deze in het uitgaand factuurboek doch zonder dat een frauduleus oogmerk blijkt, de boete op 20 % van de verschuldigde BTW kan bepaald worden, hetzij (… fr. x 20 % =) … fr.;
Overwegende dat bijgevolg eveneens de moratoire intresten op grond van art. 91 § 4 BTW Wetb. verschuldigd zijn op de boete van … fr.;
Beschikkend gedeelte
OM DEZE REDENEN
DE RECHTBANK,
Rechtdoende op tegenspraak en in eerste aanleg;
Verklaart het verzet ontvankelijk doch alleen gegrond voor wat de geldboete en de moratoire intresten op de geldboete betreft;
Herleidt de geldboete tot … fr. en de moratoire intresten op de geldboete tot de moratoire intresten op … fr.;
Veroordeelt eiseres op verzet tot de kosten, deze begroot zijnde in haren hoofde op … fr. dagv & rolz + … fr. RPV en in hoofde van verweerder op verzet op … fr. RPV;
Aldus gedaan en uitgesproken in de openbare terechtzitting van de vierde kamer der rechtbank van eerste aanleg, zitting houdende te Leuven op dinsdag zeventien maart 1900-achtennegentig,
waar zetelden de heer T. M. alleenzetelend rechter en
mevrouw M. L'E., griffier.
M. L’E. T. M.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.