Vervolging, belastbaarheid · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg Gent 16 maart 2009

Zoeken

Vervolging, belastbaarheidBelasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/vervolging-belastbaarheid-rechtbank-gent-2009-03-16-2cca

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Zetel
Gent
Datum
16 maart 2009

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

85 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Gent d.d. 16.03.2009

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het vonnis

Tekst van de beslissing

RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE GENT - ZESDE KAMER – OPENBARE TERECHTZITTING VAN 16 MAART 2009

Algemene rol nummer : 06/4001/A

In de zaak van :

N.V. R., waarvan de maatschappelijke zetel gelegen is te …, …, gekend onder het ondernemingsnummer …,

EISERES, hebbende als raadsman, Mr. A D., advocaat, met kantoor te …, …;

tegen :

DE BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, Administratie van de BTW, registratie en domeinen, in de persoon van de eerstaanwezend inspecteur van het 2e BTW-ontvangkantoor te Gent, wiens kantoren gevestigd zijn te 9050 Gent, Gaston Crommenlaan 6 bus 108,

verweerder, hebbende als raadsman, Mr. C. D., advocaat aan de balie te …, met kantoor te …, …;

vonnist de rechtbank als volgt :

1. RECHTSPLEGING

Partijen werden gehoord op de openbare terechtzittingen van 26 januari 2009, waarna het debat werd gesloten en de zaak in beraad werd genomen.

Het dossier van de rechtspleging werd ingezien, in het bijzonder de geding inleidende dagvaarding van 29 november 2006 en de conclusies van de partijen.

2. DE VORDERING

2.1.

De eiseres tekent door middel van haar dagvaarding d.d. 29 november 2006 verzet aan tegen het dwangbevel waarvan het afschrift d.d. 17 februari 2006 is uitgevaardigd door mevrouw M. D., Eerstaanwezend Inspecteur, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 20 februari 2006 door de heer W. V. E., Eerstaanwezend Inspecteur van de BTW-controle te Aalter, aangewezen door de gewestelijke directeur van de Administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen te Gent, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 9050 Gent, Gaston Crommenlaan 6 bus 108. Het dwangbevel werd bij ter post· aangetekende brief d.d. 22 februari 2006 ter kennisgeving aan de eiseres toegezonden.

2.2.

De vordering van de eiseres luidt als volgt :

"Huidige vordering in rechte, ingediend overeenkomstig artikel 569, eerste lid, 32° Ger.W., ontvankelijk en gegrond te verklaren en derhalve :

In hoofdorde de vordering tot het betalen van de vermeende BTW, intresten en boeten, zoals opgenomen in het dwangbevel ter kennis gebracht op 22 februari 2006 en zoals deze betrekking heeft op de BTW met betrekking tot de periode 1996 tot en met 2002 af te wijzen als ongegrond wegens verjaring van de BTW-vordering.

In subsidiaire orde de boete kwijt te schelden, minstens sterk te reduceren.

De Belgische Staat te veroordelen tot terugbetaling van de ten onrechte betaalde belastingen, verhogingen en nalatigheidsintresten met inbegrip van de daarop, verschuldigde moratoriumintresten, alsmede tot terugbetaling van de ten onrechte aan [de eiseres] aangerekende en door haar betaalde vervolgingskosten, daarin inbegrepen de geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding (...)"

3. RELEVANTE FEITEN EN GESCHIL

3.1.

De eiseres, R. NV, heeft sinds 3 juni 1996 bij toepassing van artikel 4 van het BTW-wetboek (W.BTW) de hoedanigheid van BTW-plichtige ingevolge haar activiteit van bedrijvencentrum. De vennootschap is sedert 1 september 1996 geregistreerd onder het BTW-nummer BE ….

Op 25 maart 2005 werd bij de eiseres door de diensten van de Administratie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit een controle aangevangen in verband met de BTW-wetgeving en reglementering met betrekking tot de periode 1 april 2002 tot 31 maart 2004.

Bij die controle werd vastgesteld dat de belastingplichtige op de passiefzijde van haar balans voor de periode 1 april 2003 tot 31 maart 2004 een bedrag vermeldt van € … als BTW te herzien.

De post "BTW te herzien" is opgenomen in de jaarrekening per 31 maart 2000 en wordt tot en met de jaarrekening per 31 maart 2004 vermeld op de resultatenrekening.

Op basis van de verschillende jaarrekeningen oordeelde de administratie dat er een bedrag aan niet geregulariseerde BTW aanwezig was. Het betreft te veel in aftrek gebrachte en nog niet geregulariseerde BTW met betrekking tot kosten aan gebouwen vanaf het boekjaar 1996/1997.

Deze vaststellingen werden door de controleagent opgenomen in een proces-verbaal van 13 februari 2006.

Met betrekking tot de op grond van voormeld proces-verbaal verschuldigde sommen werd bij toepassing van artikel 85, § 1 BTW-wetboek door de bevoegde eerstaanwezend inspecteur van het 2de BTW-ontvangkantoor van Gent op 17 februari 2006 een dwangbevel uitgevaardigd dat op 20 februari 2006 door de bevoegde eerstaanwezend inspecteur van de BTW-controle te Aalter geviseerd en uitvoerbaar werd verklaard en op 22 februari 2006 bij ter post aangetekende brief ter kennisgeving aan de eiseres werd toegezonden.

Op 29 november 2006 werd bij deurwaardersexploot van de heer G. D. W., gerechtsdeurwaarder te Gent, door de eiseres verzet aangetekend tegen voormeld dwangbevel met dagvaarding van de Administratie.

3.2.

De BTW-Administratie vordert de betaling van … EUR. De administratie is van oordeel dat de verjaringstermijn van de BTW-vordering door de eiseres is gestuit door de opname van de BTW-schulden in de opeenvolgende jaarrekeningen. De administratie beschouwt de opname in de jaarrekeningen als een uitdrukkelijke schulderkentenis zoals bepaald in artikel 2248 B.W.

De eiseres is van oordeel dat de opname van de BTW-schulden in de jaarrekening geen stuitende werking heeft. De eiseres is van oordeel dat de BTW-vordering, voor zover die betrekking heeft op de kalenderjaren 1996 tot en met 2002, verjaard is.

3.3.

De eiseres argumenteert dat enkel de BTW waarvan de oorzaak van de opeisbaarheid zich heeft voorgedaan in de loop van het jaar 2003 niet is verjaard, gelet op de betekening van het dwangbevel op 22 februari 2006. De invordering van de overige BTW, waarvan de oorzaak van opeisbaarheid zich heeft voorgedaan tijdens de jaren 2002 en voorgaande of waarvan de vordering tot voldoening was ontstaan tijdens de jaren 1998 en voorgaande. is volgens de eiseres verjaard.

Wat betreft eventuele sluitingen van de verjaring met betrekking tot de voldoening van de belasting, stelt de eiseres dat de opname van de BTW-schuld in de jaarrekening niet kan worden beschouwd als een erkenning van de schuld in de zin van artikel 2248 B.W. De opname in de jaarrekening vloeit volgens de eiseres voort uit een wettelijke verplichting en niet uit een vrijwillige handeling. De eiseres verwijst dienaangaande naar de artikelen 3, 4 en 9 van de Boekhoudwet van 17 juli 1975, waarvan de niet naleving aanleiding kan geven tot strafrechtelijke vervolging. De eiseres betwist de stelling van de administratie dat de opname van de BTW in de jaarrekening zou kunnen worden aangemerkt als een afstand van de verlopen tijd der verjaring, in de zin van artikel 83, § 2 W.BTW.

In subsidiaire orde stelt de eiseres dat geen geldboete verschuldigd is omdat de betwisting van principiële aard is. De eiseres houdt voor dat de administratieve geldboete een repressief karakter heeft en de rechtbank bevoegd is om na te gaan of deze de wettelijke bepalingen en algemene rechtsbeginselen die de administratie in acht moet nemen, waaronder het evenredigheidsbeginsel, eerbiedigt. De eiseres verzoekt de rechtbank om de boete kwijt te schenden of minstens aanzienlijk te verminderen.

3.4.

De administratie argumenteert dat de eiseres door de herhaalde opname van de verschuldigde BTW in de jaarrekeningen, deze schuld heeft erkend en de verjaring door deze erkenning werd gestuit, overeenkomstig de artikelen 83, § 1 W.BTW en 2248 B.W.

Volgens de administratie kan deze erkenning in de zin van artikel 2248 B.W. worden afgeleid uit een handeling die betrokkene. als schuldenaar van een bepaalde bedrag aan te herziene BTW, spontaan heeft gesteld ter voldoening aan de verplichtingen welke hem door een andere wet - van dwingende aard - worden opgelegd. De administratie laat gelden dat de eiseres ieder jaar deze werkwijze - het spontaan en uitdrukkelijk opnemen van een bedrag aan te herziene belasting op de passiefzijde van de balans - herhaald. Dit duidt volgens de administratie op een zekere wilsuiting vanwege de eiseres waaruit blijkt dat zij op een vaststaande wijze afstand doet van de voordelen van de verjaring.

De administratie merkt op dat de eiseres op grond van de bepalingen van de Boekhoudwet de BTW-vordering onmiddellijk diende af te boeken van zodra die volgens haar was komen te vervallen wegens verjaring, hetgeen niet is gebeurd. Door in die omstandigheden de BTW-vordering na de verjaring nog steeds als verschuldigde BTW op te nemen in de jaarrekeningen afgesloten op 31 maart van de jaren 2002 , 2003 en 2004, heeft de eiseres deze schuld erkend en de verjaring gestuit.

Wat betreft de geldboete poneert de administratie dat de geldboete verschuldigd is op grond van de wet en ongeacht de principiële aard van de betwisting. De administratie zet uiteen dat zij een boete heeft opgelegd overeenkomstig een algemeen geldend barema inzake vermindering van administratieve geldboeten en dit kadert in de gelijkberechtiging van de belastingplichtigen. De administratie verzoekt de rechtbank om geen bijkomende vermindering van de overeenkomstig de wettelijke bepalingen opgelegde sanctie toe te staan.

4. BEOORDELING

4.1.

Artikel 81 W.BTW, zoals van toepassing tot de wetswijziging van 15 maart 1999, luidde als volgt :

"De vordering tot voldoening van de belasting, van de interesten en van de administratieve geldboeten verjaart door verloop van vijf jaar, te rekenen van de dag waarop zij is ontstaan.".

Deze oude wetsbepaling is van toepassing op de vorderingen inzake BTW, interesten en administratieve geldboeten die daarop betrekking hebben, die zijn ontstaan voor 1 januari 1999.

De verjaringstermijn begint te lopen op de dag waarop de vordering is ontstaan. Wanneer voor de voldoening van de BTW een aangifte moet worden ingediend, ontstaat de vordering bij het verstrijken van de indieningstermijn van de aangifte waarin de verschuldigde BTW moet zijn opgenomen. Op dat tijdstip begint in dat geval de verjaringstermijn te lopen.

Uit het proces-verbaal van 13 februari 2006 blijkt dat de eiseres in de periode 1 april 1996 tot 31 maart 2004 een totaal bedrag van … EUR als BTW in aftrek gebracht. De eiseres betwist niet dat deze aftrek ten onrechte gebeurde, zoals blijkt uit de opname van deze schuld in haar jaarrekeningen.

De eiseres was inzake BTW gehouden tot het indienen van maandaangiften bedoeld in art. 53, eerste lid, 3° W.BTW. De oudste datum waarop de vordering tot voldoening van de belasting, interesten en administratieve geldboeten is ontstaan, betreft het verstrijken van de indieningstermijn van de aangifte over de maand april 1996, met name 20 mei 1996.

Artikel 81 bis, § 1, eerste alinea W.BTW bepaalt : "Er is verjaring voor de vordering tot voldoening van de belasting, van de interesten en van de administratieve geldboeten, na het verstrijken· van het derde kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van opeisbaarheid van die belasting, interesten en administratieve geldboeten zich heeft voorgedaan.".

Dit nieuwe artikel is van toepassing sinds de Wet van 15 maart 1999. Zoals reeds vermeld, is deze, bepaling, overeenkomstig de overgangsbepalingen van artikel 97 bij de Wet van 15 maart 1999, slechts toepasselijk op vorderingen die ontstaan zijn na 1 januari 1999.

Omtrent deze gegevens wordt tussen de partijen geen betwisting gevoerd.

4.2.

Artikel 83, § 1, eerste alinea W.BTW bepaalt : "Zowel ten aanzien van de voldoening als ten aanzien van de teruggaaf van de belasting, de interesten en de administratieve geldboeten, wordt de verjaring gestuit op de wijze en onder de voorwaarden bepaald bij de artikelen 2242 en volgende van het Burgerlijk Wetboek. Een nieuwe verjaring, die op dezelfde wijze kan worden gestuit, wordt in dat geval verkregen vijfjaar na de laatste stuiting van de vorige verjaring, indien geen rechtsgeding hangend is."

4.3.

De rechtsvraag in het huidige geschil betreft de vraag of het recht tot invordering van de verschuldigde BTW al dan niet verjaard is en meer in het bijzonder of de herhaalde opname van deze schuld in de jaarrekening van de eiseres, kan worden beschouwd als een erkenning van de schuld in de zin van artikel 2248 B.W.

Overeenkomstig artikel 2248 B.W, stuit de erkenning van het recht van hem tegen wie de verjaring loopt, gedaan door de schuldenaar of de bezitter, de verjaring.

4.4.

De eiseres kan worden gevolgd in de redenering dat zij op grond van de wettelijke verplichtingen die voortvloeien uit de Boekhoudwet, ertoe gehouden was de schuld op te nemen in haar jaarrekening. Door de opname van de schuld in de jaarrekening, heeft de eiseres in het bijzonder voldaan aan de wettelijke verplichting om in de jaarrekening een getrouwe weergave te maken van de vermogenstoestand van de vennootschap. De boekhouding moet op grond van artikel 3 van de Boekhoudwet van 17 juli 1975 volledig zijn en alle verrichtingen, bezittingen, vorderingen, schulden en verplichtingen van welke aard ook van de onderneming omvatten. Tevens moet, op grond van artikel 9, § 1 Boekhoudwet, de inventaris een opgave bevatten van alle bezittingen, vorderingen, schulden en verplichtingen van welke aard ook van de onderneming die betrekking hebben op het bedrijf, en van de eigen middelen daaraan verstrekt.

4.5.

Anderzijds merkt de administratie terecht op dat de eiseres op grond van de wettelijke verplichtingen van de Boekhoudwet er niet langer toe gehouden was de BTW-schuld op te nemen in de jaarrekeningen per 31 maart 2002, 2003 en 2004. Op die momenten was de verjaring immers reeds ingetreden en diende de eiseres deze schuld niet langer als dusdanig te laten opnemen in deze voormelde jaarrekeningen.

De rechtbank is van oordeel dat de eiseres door de verdere opname van deze schuld in deze voormelde jaarrekeningen, zij deze schuld heeft erkend en heeft blijven erkennen, tengevolge waarvan de verjaring werd gestuit overeenkomstig artikel 2248 B.W. Ten gronde wordt de BTW-schuld niet betwist. De administratie is dan ook terecht middels het proces-verbaal en het dwangbevel, overgegaan tot het nemen van maatregelen met het oog op de invordering van de niet verjaarde BTW-schuld.

4.6.

Artikel 84, derde lid W.BTW voorziet dat het bedrag van de proportionele fiscale boeten vastgesteld in dit Wetboek of in de ter uitvoering ervan genomen besluiten, bepaald worden volgens een schaal waarvan de trappen door de Koning worden vastgesteld.

Het koninklijk Besluit nr. 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde, bepaalt een schaal van vermindering, die rekening houdt met het karakter van de begane onregelmatigheid, zoals onder meer die ten gevolge van de onwetendheid, de vergissing of de onzorgvuldigheid.

Op grond van artikel 1, 1° van voormeld KB nr. 41, genomen ter uitvoering van de artikelen 70, 71 en 84 van het W.BTW, wordt in tabel H van de bijlage van dit KB, aan de belastingplichtige van de belasting een verminderde boete opgelegd van 10 % van de verschuldigde belasting bij gebrekkige toepassing van de BTW-reglementering.

De door de administratie opgelegde administratie geldboete van 10%, ten bedrage van … EUR kan niet worden aangemerkt als een sanctie met repressief karakter. De geldboete werd overeenkomstig de geldende wettelijke regelen bepaald en werd op een redelijke en evenredige wijze vastgesteld op 10 %.

4.7.

Wat betreft de rechtsplegingsvergoeding hebben de partijen de vordering op de terechtzitting van 26 januari 2009 gewaardeerd in de schijf van 100.000,01 tot 250.000 EUR en de toepassing gevraagd van het basisbedrag van … EUR.

Beschikkend gedeelte

OP DIE GRONDEN,

DE RECHTBANK, rechtdoende op tegenspraak,

Melding makende dat de bepalingen van de artikelen 2 en 30 tot 42 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken werden nageleefd.

Verklaart de vordering van eiseres ontvankelijk, doch ongegrond. Veroordeelt de eiseres tot de kosten van de vordering.

Begroot deze kosten als volgt :

- aan de zijde van de verweerder :

rechtsplegingsvergoeding : … EUR;

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare· terechtzitting door de zesde fiscale kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Gent, op dinsdag zestien maart tweeduizend en negen, waar aanwezig waren :

- de heer S. R., alleenrechtsprekend rechter, voorzitter van deze kamer,

- mevrouw G. L., griffier.

G. L. S. R.

Aangehaalde teksten

2
WBTW art. 41 voorkomen
WBTW art. 851 voorkomen

Vergelijkbare beslissingen

8