Belastbaarheid, werkingssfeer, levering van goederen, belastbare handeling · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg 27 december 2001

Zoeken

Belastbaarheid, werkingssfeer, levering van goederen, belastbare handelingBelasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/belastbaarheid-werkingssfeer-levering-goederen-belastbare-rechtbank-dendermonde-2001-12-27-ac9f

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Datum
27 december 2001

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

93 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Dendermonde d.d. 27.12.2001

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het vonnis

Tekst van de beslissing

ZITTING VAN 27 DECEMBER 2001 - 9e Kamer-B.Z.

A.R. : 96/1175/A

In de zaak van :

BVBA C., handel in computers en hardware, met zetel te …, …, thans te …, …, met B.T.W. nr. …;

eiseres,

hebbende als raadsman Mr. V. B. loco Mr. J. S., advocaat te …, …;

tegen :

DE BELGISCHE STAAT, Ministerie van Financiën, administratie der BTW, Registratie en Domeinen, vertegenwoordigd door de Heer Minister van Financiën, wiens kantoren gevestigd zijn te 1000 Brussel, Wetstraat 12, op vervolging en benaarstiging van :

Mevrouw BTW-Ontvanger, te Aalst, wiens kantoren gevestigd zijn te 9300 Aalst, Geraardsbergsestraat 234;

Mijnheer de Hoofdcontroleur der BTW te Dendermonde, BTW-controle, wiens kantoren gevestigd zijn in het RAC ’T Saske', Sint-Rochusstraat 63 te 9200 Dendermonde

verweerster,

verschijnende door Mr. A. L. loco Mr. J.-P. W., advocaat te …, …;

werden op de openbare terechtzitting van 13 september 2001 partijen gehoord in hun middelen en conclusies, de debatten gesloten en werd de zaak in beraad genomen.

De overgelegde stavingsstukken en het gerechtsdossier werden ingezien, inzonderheid de inleidende dagvaarding betekend door het ambt van P D. M., gerechtsdeurwaarder met standplaats te … op 24 april 1996.

Gelet op het tussenvonnis van deze rechtbank d.d. 8 februari 2001.

De rechtbank verleent volgend vonnis.

1. Wat betreft de vordering

De vordering van eiseres strekt er toe, bij een bij voorraad uitvoerbaar vonnis, niettegenstaande alle verhaal en zonder mogelijkheid tot borgstelling noch kantonnement verzet aan te tekenen tegen een dwangbevel d.d. 1 februari 1996 en dit dwangbevel nietig, minstens onwettig en/of ongegrond te horen verklaren;

dienvolgens te horen zeggen dat dit dwangbevel d.d. 1 februari 1996 en de betekening geen enkel gevolg mag hebben, tevens de terugbetaling te horen bevelen van alle sommen die werden betaald of op eender welke wijze werden achtergehouden of gecompenseerd, en tevens van het bedrag van … fr., terug te geven BTW, verhoogd met de moratoire intrest sedert 20 oktober 1995, tevens verweerster te horen veroordelen tot de kosten van het geding, inbegrepen de rechtsplegingsvergoeding, zoals voorzien in art. 1022 Ger. W.

2. Wat betreft de feitelijke gegevens

Overwegende dat eiseres BVBA C. werd opgericht bij notariële akte d.d. 15 maart 1989 voor notaris W. W. te …, zij was een zelfstandig verkooppunt van computer hardware voor de NV C. F. & D. afgekort "C.F.D.'' met zetel te …. Alle aankopen door eiseres gebeurden bij C.F.D.

Overwegende dat aanlegster uit de aard van haar activiteiten, als handelaarster in computers en hardware destijds geregistreerd als BTW-plichtige onder het nr. …, in toepassing van art. 4 wetboek BTW onderworpen is aan de BTW-wetgeving en de ter uitvoering ervan genomen besluiten.

Overwegende dat bij factuur d.d. 1 november 1991 liet eiseres haar handelsfonds over aan de NV C. B. voor de prijs van … fr. en dit met vrijstelling van BTW ingevolge toepassing van art. 11 Wetboek BTW.

Overwegende dat op 24 mei 1993 eiseres conform art. 53, 111° Wetboek BTW een "aangifte stopzetting van werkzaamheid" indiende met als datum 30 november 1991, waarbij tevens werd verwezen naar de voormelde factuur d.d. 11 november 1991, deze aangifte werd ondertekend door …

Overwegende dat op 20 juli 1995 eiseres bij aangetekende brief van het A. & C. B. V. BVBA aan de BTW-controle Dendermonde t.a.v. de heer B. een vraag om de schorsing van het BTW-nr van de BVBA C. BTW. nr. … ongedaan te maken en het BTW-nr. te heropenen. Tevens werd vermeld dat er geen omzet is geboekt vanaf de overname van het handelsfonds per 1 november 1991 door de NV C. B., de activiteiten hebben zich beperkt tot het regulariseren van de juridische - fiscale en boekhoudkundige toestand welke door … werd nagelaten.

Overwegende dat bij aangetekende brief d.d. 26 oktober 1995 de aangifte met betrekking tot het derde kwartaal 1995 werd toegestuurd en waarbij werd vermeld :

- saldo aangifteperiode

- door de staat verschuldigde bedrag … fr, nog door de staat verschuldigd bedrag … fr. ingevolge aankoopfactuur nr. … van de NV C.F.D. aan eiseres betreffende "door facturatie gemaakte kosten voor de jaren 1990 t.e.m. oktober 1991,

Overwegende dat op 9 november 1995 werd door de BTW-administratie een controle werd gedaan bij eiseres nopens de toepassing van de BTW-wetgeving.

Overwegende dat verweerster op 22 januari 1996 een proces-verbaal opstelde ten aanzien van aanlegster, hoofdens inbreuken op de toepasselijke BTW-wetgeving, welke haar werd overgemaakt op 31 januari 1996.

Bij gebrek aan betaling werd op 1 februari 1996 door mevrouw G. V., een dwangbevel uitgevaardigd welke geviseerd en uitvoerbaar verklaard werd op 5 februari 1996 door de heer B., hoofdcontroleur BTW Dendermonde 1 waarbij de betaling van de verschuldigde BTW werd gevraagd Dit dwangbevel werd op 15 februari 1996 betekend aan aanlegster en werd zij tevens aangemaand binnen de 8 dagen de sommen te betalen van … fr. aan belasting op de toegevoegde waarde, meer een som van … fr aan boete en de wettelijke intresten.

Bij brief d.d. 21 februari 1996 stelde eiseres dat zij niet akkoord kon gaan met de processen-verbaal d.d. 20 november 1996 en 31 januari 1996 en vraagt zij deze te annuleren en de vraag tot teruggaaf in te willigen.

Bij brief d.d. 25 maart 1996 antwoordde verweerster dat op de vraag van eiseres niet kon worden ingegaan.

Overwegende dat eiseres alsdan huidige verzetsprocedure startte en tevens de teruggave vordert van een bedrag van … fr belasting op de toegevoegde waarde welke volgens haar te veel werd betaald.

Overwegende dat aanlegster aan vordering steunt op schending :

- van art. 85 Wetboek BTW;

- van art. 45 Wetboek BTW;

- van art. 5 KB nr. 4 en art. 4 wetboek BTW, wat betreft de teruggave;

3. Beoordeling

Overwegende dat voorafgaand de rechtbank dient vastgesteld dat de eerste besluiten van verweerster niet aan het rechtsplegingsdossier werden toegevoegd zoals gevraagd in het tussenvonnis d.d. 8 februari 2001 maar werd opgenomen in het stukken bundel van verweerster, dat de argumentatie van verweerster in deze eerste besluiten echter werd verwerkt in haar synthese besluiten.

A. Wat betreft het verzet tegen het dwangbevel d.d. 22 januari 1996

3.A.1 wat betreft schending art. 85, BTW-wetboek

Overwegende dat uit het voorgelegde kwestieuze dwangbevel duidelijk blijkt dat deze niet uitgevaardigd is door de heer F. B. (zoals eiseres stelt in haar dagvaarding), maar door mevrouw V. G., ontvanger van het BTW-ontvangkantoor te Aalst op 1 februari 1996 geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 5 februari 1996 door de hoofdcontroleur van de BTW-controle te Dendermonde 1 daartoe aangewezen door de gewestelijk directeur van de administratie van de BTW, registratie en domeinen te Gent.

Overwegende dat de heer B. bij brief d.d. 11 oktober 1995 van de gewestelijk directeur de heer D. S. delegatie bekwam tot het viseren en uitvoerbaar verklaren van alle dwangbevelen.

Overwegende dat kwestieus dwangbevel aan alle voorwaarden van art. 85 BTW-wetboek voldoet.

3.A.2 wat betreft schending van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen

Overwegende dat eiseres stelt dat het dwangbevel niet correct is gemotiveerd daar in het kwestieuze proces-verbaal van 22 januari 1996 de aftrek van de BTW werd geweigerd hoofdens niet voorleggen van de facturen en thans in huidige procedure verweerster de aftrek van BTW weigert om reden van vormgebreken van de kwestieuze facturen daar de copies van de facturen haar waren voorgelegd op 21 februari 1996 en het dwangbevel werd uitgevaardigd op 1 februari 1996 geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 5 februari 1996 en betekend op 15 februari 1996.

Overwegende dat op blz. 4 van het proces-verbaal d.d. 22 januari 1996 duidelijk verwezen wordt naar koninklijk besluit nr. 3 van 10 december 1969, artikel 3, § 1 en naar het koninklijk besluit nr. 1 van 23 juli 1969, artikel 2.

Overwegende dat als dusdanig in het proces-verbaal d.d. 22 januari 1996 de kwestieuze facturen niet voor aftrek in aanmerking neemt om reden dat ze nier worden voorgelegd (KB nr. 3 art. 3, § 1) en hoofdens het niet voldoen aan de elementaire voorwaarden (KB nr. 1, art. 2).

Overwegende dat als dusdanig de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen niet geschonden is en het dwangbevel d.d. 1 februari 1996 dan ook juist gemotiveerd is.

3.A.3 wat betreft de schending van artikel 45 BTW-wetboek en het weigeren van de aftrek wegens vormgebrek

Overwegende dat eiseres van oordeel is dat verweerster ten onrechte de in het proces-verbaal d.d. 22 januari 1996 vermelde inkomende facturen in de periode januari 1991 t.e.m. oktober 1991 niet voor aftrek in aanmerking neemt hoofdens vormgebreken van de facturen.

Art. 45, par. 1 W.BTW huldigt het principe dat de betasting geheven op de aan de belastingplichtige geleverde goederen en diensten in regel in de aftrek mag worden gebracht.

Krachtens de algemene rechtsbeginselen is het de belastingplichtige die de juistheid van de aftrekbare sommen moet vaststellen. De bewijslast rust immers op diegene die een recht wil uitoefenen en het komt dus niet toe aan de administratie om vast te stellen dat de aftrek niet gerechtvaardigd is.

Om een recht op aftrek te doen gelden moet de belastingplichtige aantonen dat de BTW de hem geleverde goederen of diensten hebben bezwaard en dat hij die goederen of diensten heeft gebruikt om de handelingen uit te voeren beoogd in art. 45, par. 1, 1° W.BTW. De administratie wordt toegelaten met alle rechtsmiddelen, getuigen en vermoedens inbegrepen, en bovendien met processen-verbaal van de ambtenaren van het Ministerie van Financiën, elke overtreding te bewijzen op de bepalingen van het W.BTW of haar uitvoeringsbesluiten, zelfs van op het even welk feit dat de verschuldigdheid van een belasting of een boete vaststelt of dat ertoe leidt die vast te stellen.

Luik 2 juni 1998, J.L.M.B. 1999, 1649; R.R.D. 1998, 470; F.J.F. 2000, 460.

Het recht op aftrek volgt niet alleen uit de uitreiking en de daaropvolgende ontvangst van een factuur, maar tevens uit de regelmatigheid en de werkelijkheid van de vastgestelde handeling.

Luik 2 juni 1998, R.R.D. 1998, 470; F.J.F. 2000, 460; J.L.M.B. 1999, 1649.

Overwegende dat de regelmatigheid van de factuur in het bezit van de belastingplichtige blijkt uit het feit of de factuur opgemaakt is overeenkomstig art. 2 K.B. nr. 1, 23 juli 1969 : uit die bepaling volgt dat de belastingplichtige niet de mogelijkheid heeft ontbrekende wezenlijke vermeldingen op de factuur op grond van andere documenten aan te vullen om alzo zijn recht op aftrek te kunnen gronden (art. 3, par. 1, 1° K.B. nr. 3, 10 december 1969).

Cass. AR C.98.0402 F, 13 oktober 2000 (Belgische Staat / P.), Fisc. Act. 2000 (weergave BORGER, F. , afl. 44, 3.

Overwegende dat verweerster alsdan bij haar controle diende vast te stellen dat :

- er op facturen geen melding is van het BTW nr. van de leverancier, volgnummer waaronder de facturen zouden ingeschreven zijn in het boek voor uitgaande facturen van de NV C.F.D. werd nergens vermeld,

- de omschrijving van de geleverde goederen is altijd “geleverde goederen voor de maand …”

- welke goederen, welk tarief dient toegepast te worden op de eventueel verrichte verhandeling.

B. Wat betreft de vordering tot teruggaaf van een bedrag van … fr. BTW meer de moratoire intresten sedert 20 oktober 1995

Overwegende dat bij aangetekend schrijven d.d. 26 oktober 1995 eiseres aan de hand van de ingevulde BTW-aangifte de teruggaaf vorderde van … fr. BTW welke zij teveel zou hebben betaald en niet verrekend hebben.

Overwegende dat dit deel van de vordering betrekking heeft op een factuur d.d. 30 oktober 1991 uitgaande van de NV C.F.D. aan eiseres voor een bedrag van … fr. + … fr. BTW voor “door facturatie van gemaakte kosten (personeel, portkosten publiciteit, transport, …) voor de jaren 1990 t.e.m. oktober 1991”.

Het recht op aftrek of teruggave wordt niet vermoed. De BTW-wetgeving is, zoals de wetten op de inkomstenbelastingen, van openbare orde. Het recht op aftrek en het recht op teruggave moet door de belastingplichtige worden bewezen.

De belastingplichtige moet bijgevolg bewijzen dat het om werkelijk geleverde goederen gaat en dat hij terecht aanspraak kan maken op aftrek.

Gent 29 september 1997, F.J.F 1998, 139, Fisc. Act. 1997 (weergave DESTERBECK, F.), afl. 37, 6.

Overwegende dat verweerster stelt dat eiseres geen recht op aftrek heeft om reden dat zij van oordeel is dat meer in het bijzonder de factuur van 30 oktober 1991 fictief zou zijn en dat zij daardoor ook geen recht zou hebben op de door eventueel betaalde BTW m.a.w. dus geen recht op teruggaaf zou hebben.

Overwegende dat indien verweerster van oordeel zou zijn dat de factuur d.d. 30 oktober 1991 niet fictief zou zijn en dat eiseres rechthebbende (belastingplichtige of niet belastingplichtige) zou zijn op teruggaaf dan dient zij in toepassing van art. 9 van het K.B. nr. 4 het bewijs te leveren van de betaling van de belasting.

Overwegende dat eiseres echter faalt in deze bewijsvoering.

Overwegende dat de vordering tot teruggaaf beheerst wordt door de formaliteiten van het KB. nr. 4 van 29 december 1969 en meer in het bijzonder art. 4 van dit K.B. waarbij duidelijk gesteld dat om zijn vordering tot teruggaaf te kunnen uitoefenen de belastingplichtige of de niet belastingplichtige (rechthebbende) gehouden is de in art. 53, 1° lid, 3° of art. 53ter, 1° Wetboek BTW bedoelde aangifte in te dienen en tevens te voldoen aan de voorwaarden van art. 4, a, b, en c van het KB nr. 4.

Overwegende dat echter uit geen enkel stuk van de voorgelegde bundels blijkt dat aan de voorwaarden van art. 4 KB nr. 4 is voldaan of dat eiseres van deze formaliteiten is ontheven.

Overwegende dat art. 13 van het KB nr. 4 stelt dat wanneer aan de formaliteiten van het KB nr. 4 niet is voldaan het recht van teruggaaf vervalt.

Overwegende dat dit deel van de vordering dan ook ongegrond is.

Beschikkend gedeelte

OM DEZE REDENEN,

DE RECHTBANK,

Uitspraak doende op tegenspraak in eerste aanleg.

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken

Alle andersluidende en/of tegenstrijdige middelen en besluiten van de hand wijzend als niet ter zake en/of overbodig.

Verklaart de vordering ontvankelijk doch ongegrond.

Veroordeelt eiseres in de kosten van het geding.

Begroot deze kosten aan de zijde van verweerster tot heden op de som van … frank, ongerekend de rechten van registratie op minuut, de kosten van uitgifte van onderhavig vonnis en van verdere uitvoering.

Aldus gewezen en uitgesproken ter buitengewone openbare terechtzitting van ZEVENENTWITIG DECEMBER TWEEDUIZEND EN EEN, van de negende kamer zitting houdende in burgerlijke zaken, der rechtbank van eerste aanleg, zetelend te Dendermonde.

Aanwezig :

S. D., ondervoorzitter, voorzitter van de negende kamer ;

K. W., e.a. adj.-griffier.

K. W. S. D.

Aangehaalde teksten

11
WBTW art. 853 voorkomens
WBTW art. 42 voorkomens
WBTW art. 452 voorkomens
KB nr. 1 art. 21 voorkomen
KB nr. 4 art. 131 voorkomen
KB nr. 4 art. 41 voorkomen
KB nr. 4 art. 51 voorkomen
KB nr. 4 art. 91 voorkomen
WBTW art. 111 voorkomen
WBTW art. 531 voorkomen
WBTW art. 53ter1 voorkomen

Vergelijkbare beslissingen

8