Uivoer, Bewijs, uitvoer · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Hof van beroep Gent 29 maart 2000

Zoeken

Uivoer, Bewijs, uitvoerUivoer,Bewijs

https://juriel.be/nl/rechtspraak/uivoer-bewijs-uitvoer-hof-van-beroep-gent-2000-03-29-8e0c

Rechtscollege
Hof van beroep
Zetel
Gent
Datum
29 maart 2000

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

67 paragrafen

Tekst van de beslissing

ARREST G 00/10

Arrest van het Hof van Beroep te Gent dd. 29.03.2000

Uivoer - Bewijs

Een B.T.W.-belastingplichtige was jarenlang verkoper van personenwagens. Tijdens een controle werd vastgesteld dat meerdere wagens werden verkocht aan een Luxemburgse koper met vrijstelling van B.T.W. De douanestempels die op de voorgeschreven documenten werden aangebracht waren echter vals. Bijgevolg werd de uitvoer niet bewezen geacht en diende de B.T.W.-belastingplichtige de verschuldigde B.T.W. te betalen. Aangezien alle handelsverrichtingen mondeling gebeurden en dat de aankopen contant werden betaald, waren er ook geen bestelbons, betalingsbewijzen, ontvangstbewijzen en dergelijke voorhanden, zodat de voorwaarden gesteld door artikel 5, § 1, van het koninklijk besluit nr. 18 niet voldaan zijn. Het Hof treedt bijgevolg de eerste rechter en de B.T.W.-administratie bij.

13° Kamer

Alleenrechtsprekend Kamervoorzitter: Dhr. L. Gallet

Griffier: Dhr. C. Sonneville

Partij: Garage Becque B.v.b.a. t. De Belgische Staat

Rolnr.: 1994/AR/2296

Bij verzoekschrift ter griffie van het Hof neergelegd op 16 september 1994 heeft de appellante hoger beroep ingesteld tegen het vonnis op 3 mei 1994 uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde, dertiende kamer.

Er wordt geen bewijs van betekening van dit vonnis voorgelegd.

Het hoger beroep is tijdig en regelmatig.

Het geschil betreft een verzet tegen een dwangbevel inzake de BTW.

De appellante was jarenlang verkoopster van personenwagens. Bij een fiscaal toezicht uitgevoerd door leden van de B.B.I. werd vastgesteld dat meerdere nieuwe en/of tweedehandse personenwagens werden verkocht aan de Luxemburgse garage Kappweiller en dit met vrijstelling van de BTW (voor uitvoer) terwijl de douanestempels aangebracht op de voorgeschreven documenten, vals waren. Om deze reden werd de uitvoer niet bewezen geacht en werd de appellant uitgenodigd de verschuldigde BTW te betalen.

Omdat geen akkoord tot stand kwam werd een dwangbevel uitgevaardigd.

Dat bevel werd, behoorlijk geviseerd en uitvoerbaar verklaard, betekend aan de appellante. Deze tekende daarna verzet aan tegen het dwangbevel.

Na de betekening van het dwangbevel werd de boete bepaald op 337.500 fr.

De appellante hield voor dat zij onmogelijk kon vaststellen dat de douanestempels werden vervalst en dat zij dan ook niet verantwoordelijk kon gesteld worden voor deze valsheid. Zij verwees naar een vonnis van de correctionele rechtbank van Luik dd. 27 juni 1990 waarbij o.m. een zekere R••••••• zou veroordeeld zijn voor deze fraude en waaruit zou blijken dat de BTW voor de betrokken voertuigen inmiddels werd betaald. Zij leidde daaruit af dat de administratie dezelfde BTW niet meer van haar kon vorderen.

De appellante beweerde ook dat zij, uit voorzichtigheid, de BTW liet betalen door de kopers en dat zij deze slechts terug betaalde wanneer haar de nodige documenten werden bezorgd, voorzien van de vereiste stempels.

De eerste rechter oordeelde:

- dat valse documenten de uitvoer niet bewijzen;

- dat de douanedocumenten op de verantwoordelijkheid van de leverancier aan de koper worden toevertrouwd voor de geldigmaking aan het douanekantoor;

- dat de leverancier slechts mag factureren met vrijstelling van de BTW wanneer hij de zekerheid heeft dat de goederen zullen uitgevoerd worden en dat de vereiste documenten hem zullen bezorgd worden;

- dat de appellante, als beroepsverkoper, diende te weten dat regelmatig fraudesystemen worden opgezet om de BTW te ontduiken en dat zij derhalve diende voorzichtig te zijn in haar handel met buitenlandse opkopers en dat zij geen nazicht heeft gedaan bij het plots opduiken van een nieuwe en belangrijke klant;

- dat in het ingeroepen vonnis van de correctionele rechtbank van Luik geen sprake is van de garage Kappweiller.

Het verzet werd om deze redenen ongegrond verklaard.

Het hoger beroep

De appellante herhaalt de argumenten welke zij voorlegde aan de eerste rechter en benadrukt:

- dat het ontbreken van ontvangstbewijzen welke de leverancier zou moeten doen ondertekenen door de buitenlandse afnemer, niet relevant is en dat het inroepen daarvan getuigt van een overdreven formalisme;

- dat de genaamde R••••••• de feiten bekend heeft;

- dat de stempels blijkbaar zorgvuldig werden nagemaakt daar ook de B.B.I. niet onmiddellijk de valsheid van de aangebrachte stempels kon vaststellen en dat de valsheid pas na enkele jaren werd ontdekt;

- dat, zelfs wanneer hij doorgedreven opzoekingen zou hebben gedaan, hij niet had kunnen ontdekken dat de stempels vals waren omdat deze niet voorkwamen op de 'zwarte lijst';

- dat de bewering dat zij vertrouwd was met douanestempels niet dienend is omdat het feit dat zij weliswaar regelmatig voertuigen invoert niet bewijst dat zij onmiddellijk kan opmerken dat de aangebrachte douanestempels vals waren daar zij niet wist dat de datum en de stempel één geheel uitmaakten en dat er, normaal, steeds een ander nummer vermeld wordt; zij beweert ook dat zij het mechanisme van het aanbrengen van de stempels nooit heeft onderzocht;

- dat het 'vermoeden' van de administratie als zouden de valse documenten bij haar opgemaakt zijn, niet ernstig te nemen is;

- dat er geen redenen bestaan waarom zij zou meegewerkt hebben aan de fraude daar zij er geen belang bij had of er al dan niet BTW betaald werd en dat uit het strafdossier blijkt dat zij werd opgelicht door fraudeurs;

- dat zij te goeder trouw heeft gehandeld en dat de beginselen van behoorlijk bestuur, inzonderheid de fair-play-regel, worden geschonden wanneer de belasting ten haren laste wordt gelegd;

- dat zij niet onvoorzichtig heeft gehandeld omdat de BTW pas werd terugbetaald nadat de nodige documenten werden bezorgd;

- dat zelfs niet bewezen is dat de voertuigen niet werden uitgevoerd;

- dat het vonnis van de correctionele rechtbank van Luik wel betrekking heeft op de garage Kappweiller en de betrokken voertuigen worden vermeld in dit vonnis dat overigens stelt dat de BTW inmiddels werd betaald;

- dat het vorderen van BTW lastens haar, dan ook getuigt van kwade trouw.

De geïntimeerde vraagt de bevestiging van het bestreden vonnis, verwijst naar de overwegingen van de eerste rechter en roept in dat de leverancier hoe dan ook verantwoordelijk blijft om het bewijs te leveren van de uitvoer. Hij stelt ook dat de appellante vaak te maken had met douanestempels en er derhalve mee vertrouwd was, dat zij had kunnen opmerken dat de datumstempel afzonderlijk werd aangebracht en niet samen (en automatisch) met de andere vermeldingen en dat zij ook had kunnen opmerken dat het inschrijvingsnummer steeds hetzelfde was. De geïntimeerde oppert het vermoeden dat de documenten werden opgemaakt bij de appellante. Hij houdt ook voor dat in de boekhouding van de appellante geen spoor wordt teruggevonden van een betaling, noch van een terugbetaling van de BTW, zodat de appellante niet bewijst dat zij de BTW liet betalen in afwachting van het terugkrijgen van de vereiste documenten. Daar geen bewijs is geleverd van de uitvoer van de voertuigen, is, aldus de geïntimeerde, de BTW verschuldigd door de appellante.

De geïntimeerde stelt dat de vervalsing van de douanestempels had kunnen vastgesteld worden omdat: "hetzelfde volgnummer (011330) in de vervalste douanestempels dat voor ieder van de documenten 'BENELUX 50' werd gebruikt; de afmetingen van het douanestempelkader (rechthoekig) met een lengte van 59 mm, daar waar de normale lengte 66 mm moet zijn; de datum die werd aangebracht met een afzonderlijke stempel daar waar bij een echt douanestempel datum en volgnummer gelijktijdig worden aangebracht door middel van één stempelafdruk".

Er wordt tevens op gewezen dat de verantwoordelijke van de appellante de valsheid heeft erkend.

De geïntimeerde verwijst verder naar art. 39 van het BTW-wetboek en het K.B. nr. 18 getroffen ter uitvoering van dit artikel 39, zoals deze luidden ten tijde van de overtreding, te weten:

"Art. 39 § 1 Van de belasting zijn vrijgesteld:

1° de levering van goederen die door of voor rekening van de leverancier worden uitgevoerd;

2° de levering van goederen die door of voor rekening van de niet in België gevestigde koper worden uitgevoerd...."

en het K.B. nr. 18, Afdeling 2 'Goederen afgehaald door de niet in België gevestigde koper of voor zijn rekening. Vrijstelling ingesteld bij artikel 39 § 1, 2° van het Wetboek':

"Art. 5 § 1 Onder voorbehoud van de bepalingen van hoofdstuk IV, moet de niet in België gevestigde koper die zelf hier te lande goederen in bezit neemt, bij de inbezitneming aan zijn in België gevestigde leverancier een ontvangstbewijs afleveren en de goederen binnen een termijn van dertig dagen te rekenen vanaf de datum van de inbezitneming uitvoeren. Het aan de leverancier af te leveren ontvangstbewijs moet benevens de datum van afgifte en de omschrijving van de goederen, het land van bestemming vermelden.

Hetzelfde geldt wanneer de goederen hier te lande in bezit worden genomen voor rekening van de niet in België gevestigde koper door een al dan niet in België gevestigde persoon, andere dan een hier te lande gevestigde nakomende koper in geval van achtereenvolgende verkopen als bedoeld in artikel 4 § 1, hierboven.

De leverancier wordt pas van zijn verantwoordelijkheid ontslagen indien hij kan bewijzen dat de goederen onder de gestelde voorwaarden werden uitgevoerd".

De geïntimeerde roept verder in dat de appellante, in België, voertuigen heeft ter hand gesteld aan R•••••••, die ze voor rekening van de niet in België gevestigde koper (garage Kappweiller) zou uitvoeren, en dat zij kon aanspraak maken op de vrijstelling van de BTW wanneer werd voldaan aan alle verplichtingen opgesomd in art. 5 § 1 van het K.B. nr. 18; dit houdt (volgens de geïntimeerde) in dat aan de leverancier (d.i. de huidige appellante) een ontvangstbewijs diende afgegeven te worden dat "de specificatie van de goederen, de datum van afgifte, de naam en het adres van de koper en de plaats van bestemming" diende te vermelden en dat de appellante dit ontvangstbewijs (en de eventuele andere documenten zoals bestelbons, vervoersdocumenten, betalingsdocumenten, enz.) samen met de aangifte ten uitvoer 'BENELUX 50' diende voor te leggen om de vrijstelling van de BTW te rechtvaardigen. Daar de appellante beweerde dat alle handelsverrichtingen mondeling gebeurden en dat de aankopen in contanten betaald werden, zouden er geen bestelbons, betalingsbewijzen of dergelijke bestaan, maar de appellante legt ook de ontvangstbewijzen niet voor. De geïntimeerde meent dat de voorlegging van de documenten 'BENELUX 50' op zich onvoldoende is om de vrijstelling van de BTW te bewijzen.

Uit dit alles leidt de geïntimeerde af dat het niet bewezen is dat de voertuigen werden uitgevoerd en dat de vervalste documenten 'BENELUX 50' hebben gediend om een binnenlandse levering te verdoezelen. De geïntimeerde houdt verder voor dat de goede trouw van de appellante niet relevant is, zodat het niet nuttig is te onderzoeken of de appellante op de hoogte was van de fraude en zij de vervalsing van de stempels kon vaststellen.

En tenslotte beweert de geïntimeerde dat het minnelijk akkoord tussen de administratie en de fraudeurs (o.m. R•••••••) geen betrekking heeft op de BTW verschuldigd wegens de niet bewezen uitvoer, doch enkel op de belasting 'en toebehoren' verschuldigd door deze personen wegens handelingen gesteld met o.m. voertuigen afkomstig van de appellante, waarbij de BTW niet werd betaald; zij beweert dat deze akkoorden werden gevestigd op andere gronden en wegens andere overtredingen zodat deze betalingen niet kunnen ingeroepen worden door de appellante.

De geïntimeerde vraagt dan ook de bevestiging van het bestreden vonnis.

Beoordeling

1. De bewering van de geïntimeerde als zou de appellante hebben 'moeten' opmerken dat de douanestempels vervalst waren, kan niet bijgetreden worden. Immers, voor zover het Hof kan nameten, heeft de vervalste stempel de afmetingen 60 op 30 mm, terwijl de geïntimeerde (zie haar stuk 6) twee modellen van afdruk voorlegt, waarvan de afmetingen respectievelijk 61 op 24 mm en 62 op 31 mm bedragen (noot: het Hof vindt geen stempel terug met een lengte van 66 mm zoals de geïntimeerde in conclusie voorhoudt); en in hetzelfde stuk 6 wordt beweerd dat de betrokken douanedienst (op het ogenblik waarop een modelafstempeling werd gevraagd) niet meer in het bezit was van de stempels welke in gebruik zouden geweest zijn op het ogenblik van de feiten. Het geringe verschil in afmetingen (te weten amper 2 mm in de lengte en 1 mm in de breedte in vergelijking met één van de voorgelegde modelstempels) kan niet van aard geacht worden argwaan te 'moeten' wekken, zelfs niet wanneer de appellante (wat wordt voorgehouden door de geïntimeerde) regelmatig douanestempels zou zien. En dat de appellante niet heeft opgemerkt dat de datumstempel niet op de gewone manier was aangebracht en dat het volgnummer steeds hetzelfde was, kan - naar ons oordeel - ook geen kwade trouw bewijzen.

2. De bewering van de geïntimeerde dat een 'vermoeden' bestaat dat de valse stempels zouden aangebracht zijn bij de appellante, kan niet ernstig genomen worden. Een vermoeden moet immers steunen op een bekend feit (art. 1349 B.W.), wat te dezen ontbreekt. De bewering van de administratie is enkel een loutere veronderstelling welke niet onderbouwd is.

3. De appellante betwist evenwel niet dat zij geen 'ontvangstbewijzen' kan voorleggen. De bewering dat het eisen van deze stukken getuigt van een overdreven formalisme, kan niet bijgetreden worden. De overhandiging van dergelijk 'ontvangstbewijs' is voorgeschreven door art. 5 § 1 van het K.B. nr. 18 en de voorlegging ervan wordt dan ook terecht gevraagd door de administratie.

4. Uit de minnelijke regeling (st. 7/11 en 12 van de appellante) kan niet worden afgeleid dat deze betrekking heeft op de voertuigen welke door de appellante werden verkocht aan de garage Kappweiller: noch de naam van de appellante, noch deze van de garage Kappweiller worden in dit stuk vermeld en overigens wordt in deze regeling uitdrukkelijk bepaald dat de betaling (door de fraudeurs) van dit forfaitair bedrag, de rechten niet aantast welke de administratie nog zou kunnen doen gelden lastens andere personen.

De appellante toont derhalve niet aan dat de BTW welke door de fraudeurs zou betaald zijn, betrekking heeft op de overtreding welke door haar werd begaan.

5. Uit wat voorafgaat volgt dat het hoger beroep ongegrond is.

Beschikkend gedeelte

Op deze gronden,

het Hof,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935;

Ontvangt het hoger beroep doch verklaart het ongegrond en bevestigt dienvolgens het bestreden vonnis.

Veroordeelt de appellante tot de kosten van de aanleg in haren hoofde niet te begroten gezien ze eigen blijven en in hoofde van de geïntimeerde begroot op 16.400 fr. rechtsplegingsvergoeding, volgens opgave.

De namen van natuurlijke personen die leesbaar bleven in de versie die de FOD Financiën verspreidt, worden hier niet opnieuw gepubliceerd: ze zijn tot hun initiaal herleid. De tekst is nergens anders gewijzigd.

Aangehaalde teksten

2
KB nr. 18 art. 53 voorkomens
WBTW art. 392 voorkomens

Vergelijkbare beslissingen

8