Teruggaaf inzake belasting over de toegevoegde waarde aan belastingplichtigen gevestigd · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg Brussel 27 juni 2016

Zoeken

Teruggaaf inzake belasting over de toegevoegde waarde aan belastingplichtigen gevestigd

https://juriel.be/nl/rechtspraak/teruggaaf-belasting-toegevoegde-waarde-belastingplichtigen-rechtbank-brussel-2016-06-27-3b28

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Zetel
Brussel
Datum
27 juni 2016

Procesverloop

2 stappen · 4 jaar 4 maanden
  1. Weergegeven beslissingRechtbank van eerste aanleg te Brussel27.06.2016
  2. Beslissing in beroepHof van beroep te Brussel28.10.2020

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

70 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg te Brussel d.d. 27.06.2016

Belasting over de toegevoegde waarde – Teruggaaf inzake belasting over de toegevoegde waarde aan belastingplichtigen gevestigd in een andere lidstaat – Plaats van de dienst – Vervaltermijn – Termijn van orde – Belastbaarheid

Wettelijke bepalingen

Artikelen 21, § 2 en 91, § 4 WBTW

Artikelen 4, 12, 16 en 22 KB nr. 56

Artikel 22 Richtlijn 2008/9/EG

Samenvatting

1. Feiten en voorgaande procedure

De belastingplichtigen vormen een btw-eenheid, werkzaam als marktleider in FM-zendernetwerkbeheer in de Benelux. In België beschikt zij over zendinstallaties, waarvoor zij Belgische leveranciers betaalt (o.a. huur van antennesites, energie, telefonie) met Belgische btw. Zij beschikt niet over een vaste inrichting in België. Om de in België betaalde btw over het vierde kwartaal van 2009 terug te vorderen, diende zij een teruggaafverzoek in conform artikel 4 van KB nr. 56 van 9 december 2009. De administratie vroeg bijkomende informatie op grond van artikel 16 KB nr. 56. De administratie wees de vraag tot teruggaaf af omwille van een laattijdig antwoord op de vraag om inlichtingen. Op aanraden van de administratie diende de belastingplichtige een nieuw teruggaafverzoek in. De administratie wees dit tweede verzoek echter af op grond van laattijdige indiening. Zo werd het teruggaafverzoek voor de betrokken periode definitief geweigerd.

Tegen deze afwijzingsbesluiten stelden de appellanten bij verzoekschrift van 31 december 2014 een vordering in bij de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel. De rechtbank verklaarde de vordering ontvankelijk doch ongegrond bij vonnis van 27 juni 2016. Daartegen werd op 29 december 2016 hoger beroep ingesteld. Het Hof van Beroep te Brussel oordeelde op 28 oktober 2020 daarentegen dat het hoger beroep gegrond was: het vernietigde het vonnis van 27 juni 2016, verklaarde het oorspronkelijke verzoek ontvankelijk en gegrond, vernietigde de administratieve afwijzingsbesluiten en wees de teruggaaf toe vermeerderd met de moratoriuminteresten (artikel 91 WBTW) en kosten. De Belgische Staat diende hiertegen een cassatieverzoek in. Bij arrest van 18 november 2022 vernietigde het Hof van Cassatie het arrest van 28 oktober 2020 wegens een gebrek aan motivering, nl. het niet antwoorden op de grieven die de Belgische Staat heeft opgeworpen in uiterst ondergeschikte orde, en verwees de zaak naar het Hof van Beroep Gent.

Volledige tekst:

Tekst van de beslissing

Vonnis van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg te Brussel d.d. 27.06.2016

(2015/1/A)

In de zaak van:

De X1, vennootschap naar Nederlands recht, met maatschappelijke zetel te Nederland, … ingeschreven in het KvK onder nummer … en met als vestigingsnummer …,

De X2, vennootschap naar Nederlands recht, met maatschappelijke zetel te Nederland, …, ingeschreven in het KvK onder nummer … en met als vestigingsnummer …,

De X3, vennootschap naar Nederlands recht, met maatschappelijke zetel te Nederland, …, ingeschreven in het KvK onder nummer … en met als vestigingsnummer …,

Eisende partijen, allen voor huidige procedure woonplaats kiezend bij hun raadsman,

Bijgestaan door mr. P.W., advocaat met kantoor te …, op de zitting vertegenwoordigd door mr. S.B.;

Tegen:

De BELGISCHE STAAT, F.O.D. Financiën, in persoon van de Minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12 voor wie optreedt de Adviseur-generaal, Directeur van het Centrum Buitenland, met kantoor te 1000 Brussel, Kruidtuinlaan 50 bus 3412,

Verwerende partij,

Vertegenwoordigd door de heer D.D., adviseur,

In deze zaak, in beraad genomen op 03/06/2016, wordt door de rechtbank volgend vonnis uitgesproken:

Gelet op:

 het verzoekschrift op tegenspraak op grond van art. 1385decies Ger.W., neergelegd ter griffie op 31/12/2014;

 de beschikking overeenkomstig artikel 747 Ger.W. van 13/02/2015;

 de eerste besluiten en de synthesebesluiten voor eiseressen, neergelegd ter griffie op respectievelijk 30/10/2015 en 29/02/2016;

 de conclusies, de conclusies en de syntheseconclusies voor verweerder, neergelegd ter griffie op respectievelijk 17/07/2015, 17/12/2015 en 29/04/2016;

 de stukken voor eiseressen, zoals gehecht aan het verzoekschrift; en

 de stukken voor verweerder, neergelegd ter griffie op 17/07/2015 en 29/04/2016.

Gehoord de raadsman van eiseressen en de vertegenwoordiger van verweerder in de openbare terechtzitting van 03/06/2016, waarna de debatten werden gesloten en de zaak in beraad werd genomen.

Toepassing is gemaakt van de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.

I. FEITEN

1. Op 30/09/2010 dienden eiseressen een aanvraag in tot het bekomen van terugbetaling van in België betaalde BTW overeenkomstig art. 4 K.B. nr. 26 (van 09/12/2009 met betrekking tot de teruggaaf inzake belasting over de toegevoegde waarde aan belastingplichtigen gevestigd in een andere lidstaat dan de Iidstaat van teruggaaf). Deze aanvraag had betrekking op een bedrag van € 20.387,79 over de periode 01/09/2009 tot 31/12/2009. (stuk 8 verweerder)

Op 20/10/2010 werd een ontvangstmelding van deze aanvraag gestuurd (stuk 1 verweerder) en op 07/01/2011 volgde een vraag om bijkomende inlichtingen overeenkomstig art. 16 K.B. nr. 56 (stuk 2 verweerder). Er werd gevraagd naar (1) kopies van alle aankoopfacturen/transacties, (2) uitleg waarin de aankopen in België kaderden en (3)indien het handelingen zou betreffen waarvoor achteraf aan Belgische klanten zou gefactureerd zijn, ook hiervan kopies te bezorgen.

De kopies van de facturen werden op 23/02/2011 aan verweerder bezorgd (stuk 3 verweerder). Onmiddellijk lieten de diensten van verweerder weten dat het verzoek al werd afgewezen omdat de gevraagde stukken niet werden overgemaakt. Tevens werden eiseressen er op gewezen dat een nieuw verzoek kon ingediend worden voor 31/03/2011 (stuk 4 verweerder). Op 28/02/2011 werd deze beslissing elektronisch ter kennis gebracht van eiseressen (stuk 5 verweerder).

Op 29/06/2011 werd een nieuw verzoek tot terugbetaling gedaan (stuk 6 en 9 verweerder), doch dit werd afgewezen als Iaattijdig op 05/06/2011 (stuk 7 verweerder).

II. VOORWERP VAN DE VORDERING

2. De vordering van eiseressen strekt ertoe de beslissingen van 05/07/2011 en 28/02/2011 te vernietigen en de vraag tot teruggave in te willigen. Eiseressen vorderen verweerder te veroordelen tot terugbetaling van de som van € 20.387,79, meer de interesten conform art. 91 W.BTW.

Verweerder besluit tot de ongegrondheid van de vordering van eiseressen.

III. BEOORDELING

111.1. De ontvankelijkheid

3.Verweerder betwist de ontvankelijkheid van de vordering niet. De rechtbank ziet evenmin redenen om ambtshalve te besluiten tot de niet-ontvankelijkheid van de vordering. De vordering is ontvankelijk.

111.2. Ten gronde

4.1. Eiseressen menen dat hun vraag tot terugbetaling ten onrechte werd afgewezen. De beslissing van 28/02/2011 is onterecht omdat de antwoordtermijn van een maand geen vervaltermijn zou zijn, noch zou er een sanctie voorzien zijn voor het Iaattijdig antwoord.

Het zou onredelijk zijn de stukken niet in aanmerking te nemen, aangezien de beslissing slechts na de mededeling van die stukken werd genomen.

Zelfs al zou de antwoordtermijn een vervaltermijn zijn, dan dient de verstrekte informatie (23/02/2011) beschouwd te worden als een nieuwe en tijdige aanvraag.

4.2. De argumentatie van eiseressen dat het laattijdig antwoord op de vraag om inlichtingen niet moet leiden tot het verval van het recht tot teruggave, gaat er evenwel aan voorbij dat eiseressen nooit (ook niet tot op heden) een volledig antwoord hebben gegeven op de vraag tot het bekomen van bijkomende informatie op grond van art. 16 K.B. nr. 56.

In deze vraag van 07/01/2011 (stuk 2 verweerder) werd immers gevraagd naar (1) kopies van alle aankoopfacturen/transacties, (2) uitleg waarin de aankopen in België kaderden en (3)indien het handelingen zou betreffen waarvoor achteraf aan Belgische klanten zou gefactureerd zijn, ook hiervan kopies te bezorgen.

De facturen werden dan wel (laattijdig) bezorgd, maar op de tweede en derde vraag wordt tot op heden geen antwoord verschaft. De eerste vraag tot terugbetaling werd dan ook terecht afgewezen omdat de gevraagde inlichtingen niet tijdig werden aangeleverd.

4.3. Het antwoord van eiseressen op de vraag om informatie (23/02/2011, stuk 3 verweerder) kan niet beschouwd worden als een nieuwe vraag om teruggave, aangezien dit niet voldoet aan de criteria van art. 5 K.B. nr. 56.

4.4. Hoewel eiseressen er in de mail van verweerder van 23/02/2011 (stuk 4 verweerder) op gewezen werden dat voor 31/03/2011 een nieuwe aanvraag kon ingediend warden, deden zij dit pas op 29/06/2011 (stukken 6 en 9 verweerder). Deze tweede aanvraag werd dan ook terecht afgewezen als laattijdig overeenkomst art. 12, al. 2 K.B. nr. 56.

De nalatigheid is in deze volledig aan eiseressen zelf te wijten.

4.5. De vordering van eiseressen is bijgevolg niet gegrond.

IV. DE KOSTEN

5. De vordering van eiseressen is niet gegrond. Eiseressen worden bijgevolg veroordeeld tot de kosten van het geding.

Verweerder werd niet bijgestaan door een advocaat, zodat geen rechtsplegingsvergoeding dient te worden begroot.

Beschikkend gedeelte

OM DEZE REDENEN,

DE RECHTBANK,

Gelet op de artikelen 2, 3, 4, 30, 34, 36, 37, 41 en 42 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken,

Rechtsprekend in eerste aanleg, op tegenspraak,

Alle andersluidende en meer omvattende besluiten van de hand wijzende als niet ter zake en/of overbodig,

Verklaart de vordering van eiseressen ontvankelijk doch niet gegrond,

Veroordeelt eiseressen tot de kosten van het geding, in hoofde van verweerder niet verder to begroten,

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de 335te kamer van de

Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel, op 27 juni 2016.

waar aanwezig waren en zitting namen:

De heer J. VAN BROECK, rechter,

Mevrouw T. COUCK, afgevaardigd griffier.

Aangehaalde teksten

8
KB nr. 56 art. 165 voorkomens
KB nr. 56 art. 123 voorkomens
KB nr. 56 art. 43 voorkomens
WBTW art. 913 voorkomens
KB nr. 56 art. 222 voorkomens
WBTW art. 212 voorkomens
KB nr. 56 art. 51 voorkomen
richtlijn 2008/9 art. 221 voorkomen

Vergelijkbare beslissingen

8