Substitutie van motieven, Feitelijke vermoedens, Plaats van de dienst · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Hof van beroep Gent 1 april 2025

Zoeken

Substitutie van motieven, Feitelijke vermoedens, Plaats van de dienstBelasting over de toegevoegde waarde – Substitutie van motieven – Feitelijke vermoedens – Plaats van de dienst – Zetel van economische activiteit – Schuldenaar van de btw

https://juriel.be/nl/rechtspraak/substitutie-motieven-feitelijke-vermoedens-plaats-hof-van-beroep-gent-2025-04-01-106e

Rechtscollege
Hof van beroep
Zetel
Gent
Datum
1 april 2025

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

293 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Arresten van het hof van beroep te Gent d.d. 01.04.2025 - 2023/AR/1446 en 2023/AR/1447

[ Gunstige arresten ]

Belasting over de toegevoegde waarde – substitutie van motieven – feitelijke vermoedens – plaats van de dienst – zetel van economische activiteit – schuldenaar van de btw

Wettelijke bepalingen

Art. 21, §2 WBTW, art. 51, §1, 1° WBTW

Samenvatting van het arrest

1. Feiten

Geïntimeerde is sinds 13 november 2012 geregistreerd als btw-belastingplichtige voor de activiteit van de verhuur en lease van vrachtwagens en overige motorvoertuigen en groothandel in andere motorvoertuigen. Zij maakt deel uit van een transportgroep waartoe ook twee vennootschappen met maatschappelijke zetel in Bulgarije behoren.

In hoofde van geïntimeerde vonden er twee btw-controles plaats voor de periode van 1 februari 2020 tot en met 31 maart 2020 en vervolgens voor de periode 2018. Naar aanleiding hiervan werd een proces-verbaal d.d. 8 juni 2020 en d.d. 28 oktober 2021 opgesteld, waartegen geïntimeerde verzet heeft aangetekend. In de vonnissen van 19 juni 2023 oordeelde de rechtbank van eerste aanleg dat de taxatie willekeurig was en verklaarde zij de vordering van geïntimeerde ontvankelijk en gegrond.

Het is tegen deze vonnissen dat de Belgische Staat hoger beroep heeft aangetekend.

2. Het arrest

Wat betreft het argument van geïntimeerde dat de administratie toepassing maakt van een verboden substitutie van motieven, nu zij haar stelling in deze fase van de gerechtelijke procedure niet langer baseert op een miskenning van art. 21, §3, 5° WBTW maar op grond van art. 21, §2 WBTW, stelt het hof dat het niet gebonden is door de juridische gronden waarop de administratie zich bij het vestigen van de btw-schuld heeft gebaseerd en dat het hof uitspraak moet doen over de gronden die de administratie voor het hof ter verantwoording van de btw-schuld aanvoert. En dit ongeacht het feit dat de gronden die de administratie aanvoert voor het eerst in graad van hoger beroep worden aangehaald.

Het hof stelt verder dat het feit dat de elementen waarop de administratie zich op heden baseert om haar navordering te verantwoorden, deels uit het strafdossier afkomstig zijn en aldus werden verzameld na het opstellen van het proces-verbaal en na de opname in het innings- en invorderingsregister, geen reden is om deze elementen te weren uit het debat. De gegevens uit het strafdossier dienen evenmin eerst door de strafrechter te worden beoordeeld alvorens ze het voorwerp kunnen uitmaken van een bewijsvoering op grond van feitelijke vermoedens voor de fiscale rechter. Waar geïntimeerde de administratie verwijt een beperkte selectie te hebben gemaakt van de processen-verbaal uit het strafdossier, stelt het hof vast dat de geïntimeerde zelf in verdenking was gesteld en aldus inzage kon krijgen in het strafdossier.

De betwisting betreft in wezen de vraag of de Bulgaarse vennootschap Kubin BG OOD aan wie de geïntimeerde diensten leverde, in de betrokken periode van de navordering kwalificeerde als een in België gevestigde belastingplichtige voor doeleinden van de btw. Het wordt niet betwist dat de statutaire zetel van deze vennootschap gevestigd is in Bulgarije. Evenwel moet voor de toepassing van de btw de economische realiteit in aanmerking genomen worden. De zetel van economische activiteit heeft voor de toepassing van de btw betrekking op de plaats waar de voornaamste beslissingen betreffende de algemene leiding van deze vennootschap worden genomen en waar de centrale bestuurstaken ervan worden uitgeoefend. Toegepast op Kubin BG OOD is het duidelijk dat haar zetel van economische activiteit voor toepassing van de btw-wetgeving moet worden gesitueerd in België. Het feit dat deze vennootschap haar statutaire zetel in Bulgarije had en aldaar over een Bulgaars btw-nummer beschikte, kan hieraan geen afbreuk doen. Uit wat voorafgaat blijkt immers dat het om een postbusonderneming ging, die niet kan worden aangemerkt als zetel van vestiging voor de btw. Geïntimeerde toont geen noemenswaardige activiteit in Bulgarije aan.

Aangezien de Bulgaarse vennootschap Kubin BG OOD geacht moet worden haar zetel van economische activiteit in België te hebben, diende de geïntimeerde op de door haar aan deze Bulgaarse vennootschap geleverde diensten Belgische btw aan te rekenen en deze btw door te storten aan de Belgische Schatkist (artikel 51, §1, 1° WBTW).

Het hoger beroep is gegrond, de bestreden vonnissen worden hervormd en het hof verklaart de vorderingen van de geïntimeerde ongegrond.

Volledige tekst:

Tekst van de beslissing

Arresten van het hof van beroep te Gent d.d. 01.04.2025

2023/AR/1446 –

In de zaak van:

BELGISCHE STAAT/FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIËN, ON 0308.357.159,

Minister van Financiën, met kabinet te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, vertegenwoordigd door de Adviseur-generaal-Directeur Centrum KMO Aalst, met burelen te 9100 SINT-NIKLAAS, Driekoningenstraat 4,

appellant,

hebbende ais raadsman mr. B.T., advocaat te … en mr. DE.C., advocaat te …

tegen

C.R., ON 05…

met zetel te …,

geïntimeerde,

hebbende als raadsman mr. V.F., advocaat te … en mr. W.S., advocaat te …

wijst het hof het volgend arrest:

1. De procedure voor het hof

Bij verzoekschrift neergelegd op 29 augustus 2023 heeft de appellant hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat door de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, zesde kamer, op 19 juni 2023 werd uitgesproken in de zaak met rolnummer 21/3028/A, waarvan niet blijkt dat het werd betekend.

De partijen hebben hun middelen en besluiten voorgedragen in de openbare terechtzitting van 14 januari 2025, waarna het debat werd gesloten. Vervolgens werd de zaak in beraad genomen.

Het hof heeft de Nederlandse taal gebruikt in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.

2. De relevante feiten en de voorafaande procedure

2.1. De geïntimeerde is sinds 13 november 2012 geregistreerd als btw-belastingplichtige onder het nummer BE… met als economische activiteit de verhuur en lease van vrachtwagens en overige motorvoertuigen en groothandel in andere motorvoertuigen. Zij maakt deel uit van de transportgroep rond de heer H.K. en zijn dochter, mevrouw A.K.. Tot de “K.”-groep behoren onder meer ook de volgende vennootschappen:

K.I. Transport bv

B.T. bv (voorheen DB Renting & Transport)

K. B., met maatschappelijke zetel in Bulgarije

B.T., met maatschappelijke zetel in Bulgarije

2.2. Bij e-mail van 4 januari 2021 vroeg de administratie in het kader van een btw-controle aan de boekhouder van de geïntimeerde een back-up van de boekhouding van de geïntimeerde voor de periode van 1 januari 2018 tot en met 31 december 2018. Deze vraag werd herhaald op 9 april 2021. Op 2 april 2021 werd een elektronisch bestand gestuurd aan de administratie. Bij e-mail van 22 april 2021 verzocht de administratie de boekhouder van de geïntimeerde om bepaalde documenten te bezorgen, waaronder kopie van bepaalde aan-en verkoopfacturen, contracten met betrekking tot enkele verkoopfacturen voor de verhuur van voertuigen aan de buitenlandse vennootschappen, en enkele betalingsbewijzen van verkoopfacturen voor de verkoop van voertuigen aan de buitenlandse vennootschappen. Op 26 april 2021 stuurde de boekhouder aan de geïntimeerde een aantal bijlagen. Bij e-mail van 26 april 2021 herhaalde de administratie haar vraag om de verhuurcontracten waarnaar de facturen verwezen, te bezorgen. Hierop werd niet gereageerd.

Op 28 oktober 2021 werd een proces-verbaal opgesteld voor de periode van 1 januari 2018 tot en met 31 december 2018 aan de hand van de aan de administratie toegestuurde boeken en stukken, alsook aan de hand van de vaststellingen opgenomen in een proces-verbaal betekend aan de geïntimeerde op 8 juni 2020 naar aanleiding van een controle voor de periode van 1 januari 2020 tot en met 31 maart 2020. De administratie stelde inbreuken vast op artikel 21, §3 WBTW met betrekking tot de plaats van de dienst (de bepaling opgenomen in artikel 21, §3, 5° WBTW met betrekking tot de verhuur op korte termijn van vervoermiddelen was in het vet geplaatst) alsook inbreuken op artikel 51 WBTW met betrekking tot de verschuldigdheid van de belasting. De administratie stelde vastgesteld te hebben dat het rollend materieel, trekkers en opleggers/trailers en bestelwagen/personenwagen, maandelijks werden verhuurd aan de in Bulgarije gevestigde vennootschappen K.B. en B.T. met toepassing van de regels van verlegging van heffing (artikel 21, §2 WBTW), en stelde dat de plaats van deze dienst in België was gelegen en de belasting verschuldigd was door de belastingplichtige die in België een belastbare dienst verrichtte, o.m. met de volgende motivering:

"De verkoopfacturen aan K.B. werden betaald door middel van overschrijving afkomstig van een Belgische rekening met nummer (...) op naam van K.B.

De verkoopfacturen aan B.T. werden betaald door middel van overschrijving afkomstig van een Belgische rekening met nummer (...) op naam van B.T.

In de boekhouding van Ide geintimeerdel zijn verschillende inkomende facturen terug te vinden van onderhoud en onderdelen voor de trekkers/opleggers van de firma's TRL nv en Traiter Verhuur België bvba in België. Op deze facturen staan nummerplaten vermeld waarvan in dezelfde periodes van het onderhoud blijkt dat ze in deze periode waren verhuurd aan de Bulgaarse transportbedrijven (bijlage C: kopieën facturen kosten).

Bij de voorgaande controle is ook gebleken dat de Bulgaarse transportbedrijven de transporten uitvoeren voor de bvba K.T. en de bv B.T. in België. Uit facturatie blijkt dat het de transporten zelf zijn die worden doorgerekend aan de klant, dus de dienst die erin bestaat de desbetreffende goederen van locatie A naar locatie B te vervoeren.

De werkelijke ontvanger voor het gebruik van de voertuigen is namelijk de gebruiker van de trekkers en de opleggers en is aldus niet de vennootschap K.B. in Bulgarije, maar wel de bvba K.I. Transport met maatschappelijke zetel te Temse. Er kan bovendien niet worden aangetoond dat de vervoermiddelen op lange termijn aan K.B. of B.T. worden verhuurd. De transportmiddelen worden ter beschikking gesteld in België, waar de afnemer van de dienst is gevestigd, dit is tevens de plaats waar het transport start en vanwaar transporten worden aangerekend aan de klanten. Het gaat hier over trekkers en opleggers die gebruikt worden door de België vennootschappen.

Enkele trekkers en opleggers, die in 2018 werden verkocht aan K.B. of B.T. blijken maanden later te zijn ingeschreven op naam van de bvba K.I. Trans of de bv Baray Trans in België.

Volgens berichtgeving in de pers is of was er eveneens een gerechtelijk onderzoek lopend bij de bvba K.I. Transport voor sociale fraude met Bulgaarse nepfirma's."

De bijkomend verschuldigde btw werd bepaald op 176.679,14 euro. Een proportionele boete van 10%, zijnde 17.660,00 euro, werd verschuldigd geacht, alsook intresten vanaf 21 januari 2019. Dit proces-verbaal werd op 28 oktober 2021 ter kennis gebracht aan de geïntimeerde.

Op 4 november 2021 werd aan de geïntimeerde een betaalbericht gestuurd voor een verschuldigde btw van 176.679,14 euro, een boete van 17.660,00 euro en intresten tot 20 november 2021 van 43.107,48 euro.

Op 13 december 2021 werd de schuld opgenomen in het innings- en invorderingsregister onder nummer 500247628141, uitvoerbaar verklaard op 14 december 2021.

Met een verzoekschrift neergelegd op 13 december 2021 stelde de geïntimeerde haar vordering tegen het proces-verbaal van 28 oktober 2021 in voor de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent.

2.3. Op 1 maart 2022 verleende de arbeidsauditeur toelating aan de administratie tot inzage en kopiename van het strafdossier gekend onder …. Op 14 en 20 april 2022 nam de administratie inzage van het strafdossier.

2.4. Bij vonnis van 19 juni 2023 oordeelde de zende kamer van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent dat de taxatie willekeurig was en om:

- de vordering van eiseres ontvankelijk en gegrond te verklaren in volgende mate;

- de inschrijving in het Innings- en Invorderingsregister BTW met schuldnummer … te vernietigen;

- de terugbetaling te bevelen van alle ten onrechte geïnde sommen vermeld in het innings- en invorderingsregister, vermeerderd met de moratoriumintrest;

- verweerster te veroordelen tot de kosten van deze aanleg met name de bijdrage bedoeld in artikel 4 § 2 en 5 §§ 1 en 2 van de wet van 19 maart 2017 tot oprichting van een begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand ten belope van 22,00 EUR en tot de rechtsplegingvergoeding van 7.500,00 EUR.

Het is tegen dat vonnis dat de appellant hoger beroep heeft ingesteld.

3. De vorderingen van de partijen

3.1. De vordering van de appellant

De Belgische Staat vraagt in hoger beroep aan het hof om:

Het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren.

Dienvolgens het bestreden vonnis te vernietigen en te zeggen voor recht dat de fiscale schuld

gekend onder RCIV-nummer 500247628141 terecht werd vastgelegd.

De gedingkosten in beide aanleggen, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding, ten

laste te leggen van geïntimeerde.

Gezien appellante, de Belgische Staat, in eerste aanleg zonder advocaat optrad, kan hij in

graad van eerste aanleg geen recht laten gelden op een rechtsplegingsvergoeding.

3.2. De vordering van de geïntimeerde

De geïntimeerde vraagt in hoger beroep aan het hof om:

In hoofdorde:

- Het hoger beroep van appellante ontvankelijk, doch ongegrond te verklaren. Dienvolgens:

- het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent d.d. 19 juni 2023, in de zaak met rolnummer 21/3028/A te bevestigen en zodoende de opname van de btw-navordering onder het schuldnummer 500.2476.28141, te vernietigen, dan wel te ontheffen;

In onderqeschikte orde:

- Het hoger beroep van appellante ontvankelijk, doch slechts gedeeltelijk gegrond te

verklaren.

- Voor recht te zeggen dat de btw-vordering maximaal 17.066,70 EUR (btw in

hoofdsom) bedraagt.

Appellante te veroordelen tot de integrale terugbetaling van alle bedragen welke ten onrechte werden betaald of ingehouden en die toegerekend werden op de sommen vermeld in het innings- en invorderingsregister waarvan thans de vernietiging, c.q. ontheffing wordt gevorderd, te vermeerderen met interesten ex artikel 91 WBTW.

Appellante te veroordelen tot de kosten van het geding, in beide aanleggen, begroot op:

•in eerste aanleg:

Rechtsplegingsvergoeding: 7.500 EUR

Bijdrage Fonds Juridische Tweedelijnsbijstand: 22 EUR

•in graad van beroep:

Rechtsplegingsvergoeding: 7.500 EUR

4. De betwistingen en hun beoordeling

4.1. De_iuridische.gronden voor de belastingschuld — substitutie van motieven

4.1.1. Uit het feitenrelaas (zie randnummer 2.2) blijkt dat de administratie in het proces-verbaal van regularisatie inzake btw het bestaan van de btw-schuld heeft gebaseerd op de miskenning van artikel 21, §3, 5° WBTW (namelijk de bepaling die stelt dat inzake de verhuur op korte termijn van vervoermiddelen de plaats van de dienst is gelegen waar het vervoermiddel daadwerkelijk ter beschikking van de ontvanger wordt gesteld), om op die rechtsgrond te stellen dat de plaats van de diensten geleverd aan de Bulgaarse vennootschappen in België is gelegen, dat de verlegging van heffing ten onrechte werd toegepast en dat Belgische btw verschuldigd is.

In deze fase van de gerechtelijke procedure stelt de administratie nog steeds dat de plaats van de diensten in België is gelegen, dat de verlegging van heffing ten onrechte werd toegepast en dat Belgische btw verschuldigd is. De administratie baseert haar stelling niet langer op een miskenning van artikel 21, §3, 5° WIB92 maar stelt dat de Bulgaarse ondernemingen hun zetel van economische activiteit in werkelijkheid in België hebben ais gevolg waarvan de plaats van de door de geïntimeerde verrichte diensten op grond van artikel 21, §2 WIB92 in België is gelegen.

4.1.2. De geïntimeerde stelt ten onrechte dat de administratie toepassing maakt van een verboden substitutie van motieven.

lmmers, belastingen zijn van openbare orde. Het hof is niet gebonden door de juridische gronden waarop de administratie zich bij het vestigen van de btw-schuld heeft gebaseerd en moet uitspraak doen over de gronden die de administratie voor het hof aanvoert ter verantwoording van de btw-schuld. De rechter moet zelf, ongeacht de gronden die aangehaald worden in het proces-verbaal van regularisatie inzake btw, zowel in feite ais in rechte, beslissen over het bestaan van de btw-schuld wanneer hij daartoe wordt uitgenodigd door de vorderingen die door de partijen zijn gesteld (zie ook Cass. 12 december 2019, AR F.18.0073.N; Cass. 25 september 2020, AR F.18.0003.N; Cass. 23 december 2016, AR F.15.0083.N; Cass. 23 november 2023, AR 20.0153.N; alle op juportal.be).

De kwestieuze btw-schuld is en blijft de resultante van een onderzoek naar de plaats waar de diensten geleverd door de geïntimeerde aan de twee Bulgaarse vennootschappen zijn gelokaliseerd in toepassing van artikel 21 WBTW teneinde te bepalen of de regels inzake de verlegging van heffing door de geïntimeerde correct werden toegepast. Dat de administratie de specifieke rechtsgrond doorheen de betwisting heeft gewijzigd van artikel 21, §3, 5° WBTW naar artikel 21, §2 WBTW is niet dienend. Het hof moet ook in deze omstandigheden nog steeds uitspraak doen over het bestaan van de kwestieuze btw-schuld zoals die blijkt uit het proces-verbaal, ongeacht de rechtsgrond die hiervoor in het proces-verbaal van regularisatie inzake btw werd opgegeven.

Dat deze wijziging van de juridische grond waarop de administratie zich steunt om de plaats van de verhuurdiensten in België te lokaliseren, is gebeurd na het opnemen van de schuld in het innings- en invorderingsregister, na het opstellen van het proces-verbaal van 28 oktober 2021 en na inzage van het in het feitenrelaas vermeld strafdossier, doet aan dit alles geen afbreuk. Het hof herhaalt dat het zelf, ongeacht de gronden die aangehaald worden in het proces-verbaal van regularisatie inzake btw, zowel in feite ais in rechte, moet beslissen over het bestaan van de btw-schuld ongeacht het feit dat de gronden die de administratie aanvoert ter verantwoording van de btw-schuld voor het eerst in graad van hoger beroep worden aangehaald. De geïntimeerde heeft zich terdege kunnen verweren en heeft stelling kunnen innemen over de gewijzigde juridische grond. Het hof stelt geen schending vast van het recht van verdediging van de geïntimeerde.

Het hof ziet dan ook geen reden om op deze grond de btw-navordering zoals uiteengezet in het proces-verbaal van 28 oktober 2021 en opgenomen in het innings- en invorderingsregister nietig te verklaren.

4.2. Omtrent het bestaan van de btw-schuld

4.2.1. De administratie stelt het bestaan (en de omvang) van de btw-schuld te bewijzen aan de hand van een geheel van feitelijke elementen waaruit zij afleidt dat de werkelijke bedrijfsactiviteiten van de Bulgaarse ondernemingen K.B. en B.T., aan wie de geïntimeerde de diensten levert, zich in de betrokken periode in België situeerden, ais gevolg waarvan er Belgische btw verschuldigd was op deze door de geïntimeerde geleverde diensten. De administratie maakt gebruik van de techniek van de feitelijke vermoedens.

Het is de administratie toegelaten om zowel het bestaan ais het bedrag van de belastingschuld te bepalen aan de hand van vermoedens (artikel 59, §1 WBTW). Overeenkomstig artikel 8.1, 9° BW is een feitelijk vermoeden een bewijsmiddel waarbij de rechter het bestaan van één of meer onbekende feiten afleidt uit het voorhanden zijn van één of meer bekende feiten. Het vermoeden kan slechts worden aanvaard wanneer met zekerheid het bestaan van het vast te stellen gegeven uit het bekende feit kan worden afgeleid. Het is niet noodzakelijk dat de vermoedens die uit de vastgestelde feiten worden afgeleid hieruit noodzakelijkerwijze volgen. Het volstaat dat ze hieruit kunnen volgen (zie ook Cass. 20 juni 2014, F.12.0196.F, op juportal.be). Een feitelijk vermoeden kan niet zelf op een ander feitelijk vermoeden steunen (zie ook Cass. 21 december 1990, RW 1990-91, 1141). Ofschoon de feiten die de rechter ais uitgangspunt van zijn redenering neemt, moeten vaststaan, dit wil zeggen moeten bewezen zijn, belet geen enkele wetsbepaling evenwel dat de aanname van dit feit zelf het resultaat kan zijn van een bewijsvoering door vermoedens (zie ook Cass. 22 mei 2014, F.13.0086.N, op juportal.be).

4.2.2. De administratie haait de feitelijke elementen die zij gebruikt voor de bewijsvoering op grond van feitelijke vermoedens deels uit het strafdossier dat in 2017 werd opgestart naar aanleiding van een klacht lastens de K.-groep, waartoe de geïntimeerde behoort, wegens praktijken van sociale dumping.

Het feit dat de elementen waarop de administratie zich op heden baseert om haar navordering te verantwoorden, deels uit het strafdossier afkomstig zijn en aldus werden verzameld na het opstellen van het proces-verbaal op 28 oktober 2021 en na de opname in het innings- en invorderingsregister, is geen reden om deze elementen te weren uit het debat. Net zoals het een belastingplichtige is toegelaten om tijdens een gerechtelijke procedure bijkomende feitelijke elementen aan te halen ter ondersteuning van zijn verweer, kan de administratie bijkomende feitelijke elementen aanhalen ter ondersteuning van haar (gewijzigde; zie randnummer 4.1 hierboven) vordering. De wet motivering bestuurshandelingen van 29 juli 1991 verbiedt dit niet. Bovendien stelt de administratie terecht dat zij in het proces-verbaal van 28 oktober 2021 reeds een aantal elementen heeft aangehaald waaruit blijkt dat de werkelijke bedrijfsactiviteiten van de Bulgaarse vennootschappen zich in de betrokken periode in België bevonden, en die worden bevestigd door het strafrechtelijk onderzoek.

Waar het proces-verbaal van 28 oktober 2021 elementen bevat die de stelling van de administratie ondersteunen dat het om de verhuur op korte termijn van vervoermiddelen zou gaan alsook in dit verband zou verwijzen naar het proces-verbaal van 8 juni 2020 dat werd opgesteld voor de periode van 1 januari 2020 tot en met 31 maart 2020, zijn deze elementen niet langer relevant gelet op de gewijzigde juridische grond waarop de administratie zich heden steunt ter verantwoording van de betwiste navordering. Het hof gaat dan ook niet in op de middelen die de geïntimeerde met betrekking tot deze oorspronkelijke juridische grond ontwikkelt, aangezien deze niet langer relevant zijn.

De gegevens uit het strafdossier waarop de administratie zich heden voor haar navordering steunt, zullen door dit hof op hun bewijswaarde worden beoordeeld. Deze gegevens dienen niet eerst door de administratie worden opgenomen in een proces-verbaal van vaststellingen overeenkomstig artikel 59, §1 WBTW alvorens ze op hun bewijswaarde kunnen worden beoordeeld door het hof. De relevante stukken waarop de administratie zich baseert, werden op rechtsgeldige wijze in het debat gebracht, de geïntimeerde heeft hiervan kennis gekregen door ontvangst van de processen-verbaal van raadpleging van het gerechtsdossier, en de geïntimeerde heeft zich hiertegen terdege kunnen verweren.

De gegevens uit het strafdossier dienen evenmin eerst door de strafrechter te worden beoordeeld alvorens ze het voorwerp kunnen uitmaken van een bewijsvoering op grond van feitelijke vermoedens voor de fiscale rechter. Het hof merkt in dit verband op dat in het strafdossier op 22 oktober 2024 uitspraak werd gedaan door de correctionele rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Dendermonde (vonnis waartegen hoger beroep hangende is, zoals bevestigd op de zitting van 14 januari 2025). Het feit dat de geïntimeerde buiten vervolging werd gesteld door de raadkamer op 17 juni 2022, impliceert niet dat dit vonnis niet als bewijselement in aanmerking zou mogen worden genomen. Het vonnis van 22 oktober 2024 (dat de geïntimeerde zelf neerlegt als stuk 4 van haar bundel) beoordeelt uitdrukkelijk de plaats van werkelijke leiding van de Bulgaarse vennootschap K.B. (zie randnummers 21 tot en met 24 van dit vonnis), discussie die ook in dit fiscale geschil de kern van de betwisting uitmaakt. Van dit vonnis kan bezwaarlijk worden gezegd dat het niet meer is dan een loutere veronderstelling of bewering, zelfs in acht genomen dat hiertegen hoger beroep werd ingesteld.

Waar de geïntimeerde de administratie verwijt een beperkte selectie te hebben gemaakt van de processen-verbaal uit het strafdossier, stelt het hof vast dat de geïntimeerde zelf in verdenking was gesteld en aldus inzage kon krijgen in het strafdossier. Indien zich in dit strafdossier elementen zouden bevinden die de visie van de administratie tegenspreken, was de geïntimeerde perfect in staat om deze elementen voor te leggen in deze fiscale procedure. Het is de geïntimeerde toegestaan om het tegendeel te bewijzen van hetgeen de administratie middels feitelijke vermoedens stelt te bewijzen. Dit betreft de toepassing van de regels inzake bewijsverdeling. Het hof stelt geen inbreuk vast op enig beginsel van behoorlijk bestuur.

De administratie maakt bij het verdedigen van de btw-navordering gebruik van de haar bij wet toegekende bewijsmiddelen. De gegevens in voormeld strafdossier zijn, indien zij beantwoorden aan de voorwaarden van artikel 8.1, 9° BW, minstens feitelijke vermoedens op basis waarvan een navordering kan worden opgesteld, die dan door de fiscale rechter op hun bewijswaarde zullen moeten worden beoordeeld. Of er sprake is van een verboden opeenstapeling van vermoedens en welke bewijswaarde aan de door de administratie aangehaalde feitelijke elementen moet worden toegekend, beoordeelt het hof in wat volgt.

4.2.3. De betwisting tussen de partijen betreft in wezen de vraag of de Bulgaarse vennootschappen K.B. en B.T. aan wie de geïntimeerde diensten leverde, in de betrokken periode van de navordering kwalificeerden als een in België gevestigde belastingplichtige voor doeleinden van de btw. In dit geval was de plaats van de diensten geleverd door de geïntimeerde aan deze Bulgaarse vennootschappen in België gelokaliseerd (toepassing van artikel 21, §2 WBTW) en diende de geïntimeerde zelf Belgische btw aan te rekenen en door te storten aan de Belgische Schatkist, daar waar zij de facturen aan deze Bulgaarse vennootschappen steeds heeft uitgereikt zonder btw (m.n. met toepassing van de regels inzake verlegging van heffing).

Het wordt niet betwist dat de statutaire zetel van de beide vennootschappen is gevestigd in Bulgarije. Evenwel moet voor de toepassing van het gemeenschappelijk stelsel van btw de economische realiteit in aanmerking worden genomen. De zetel van economische activiteit voor de toepassing van het gemeenschappelijk stelsel van btw heeft betrekking op de plaats waar de voornaamste beslissingen betreffende de algemene leiding van deze vennootschap worden genomen en waar de centrale bestuurstaken ervan worden uitgeoefend. Bij het bepalen van de plaats van de zetel van economische activiteit van een vennootschap dient rekening te worden gehouden met tal van factoren, waarvan de belangrijkste zijn de statutaire zetel, de plaats van het centrale bestuur, de plaats waar de bestuurders van de vennootschap vergaderen en de plaats waar het algemene beleid van deze vennootschap wordt bepaald. Ook andere elementen, zoals de woonplaats van de hoofdbestuurders, de plaats waar de algemene vergaderingen worden gehouden, waar de administratie en de boekhouding zich bevinden en waar de financiële en vooral de bankzaken hoofdzakelijk worden geregeld, kunnen in aanmerking worden genomen. Bijgevolg kan een fictieve vestiging, zoals die welke kenmerkend is voor een 'brievenbusmaatschappij' of een 'schijnvennootschap', niet worden aangemerkt als zetel van vestiging voor toepassing van de btw (zie ook o.m. HvJ van 28 juni 2007, zaak C-73/06, Planzer Luxembourg, randnummers 60-63).

Toegepast op zowel K.B. en B.T. is het duidelijk dat hun zetel van economische activiteit voor toepassing van de btw-wetgeving moet worden gesitueerd in België. Immers:

- Het algemene beleid van de Bulgaarse vennootschappen werd bepaald in België: o De zaakvoerders van deze Bulgaarse vennootschappen, H.K., A.K. en echtgenoot D.B. waren in de betrokken periode allen woonachtig in België en oefenden hun werkzaamheden uit vanuit Temse en Antwerpen (zie stukken 13 en 33, bundel administratie), als gevolg waarvan kan worden aangenomen dat zij de operationele leiding en het centrale bestuur van deze Bulgaarse vennootschappen waarnamen vanuit België.

- De Bulgaarse vennootschappen beschikten over Belgische bankrekeningen:

•De Bulgaarse vennootschappen hadden een Belgisch rekeningnummer bij de Belgische bank Crelan, van waaruit de kwestieuze facturen uitgereikt door de geïntimeerde werden betaald (zie stukken 5, 8, 34 en 35, bundel administratie). Het strafonderzoek wees uit dat deze Belgische bankrekeningen ook werden gebruikt voor betalingen door de Bulgaarse vennootschappen aan vele Belgische leveranciers (zie stuk 36, bundel administratie), op basis waarvan ook kan worden aangenomen dat het financieel beheer van de Bulgaarse vennootschappen zich in België situeerde.

De Bulgaarse vennootschappen werden geleid vanuit België. Zo werden de essentiële

elementen van de bedrijfsvoering van een transportbedrijf beheerd en beslist in

België:

•Tijdens de huiszoeking op 1 december 2019 in het kantoorgebouw gelegen in Antwerpen werd een dispatchingbureel met zes computerschermen gevonden, diverse stempels van K.I. Transport bv, K.B. en B.T., een dons met blanco enveloppes met de hoofding, de naam en het adres van K.B., grote hoeveelheden blanco en ingevulde CMR's waarop ais afzender onder meer K.B. en B.T. waren vermeld en geen enkele een Belgische “K.”-vennootschap vermeldde (zie stukken 33 en 56, bundel administratie).

•Tijdens de huiszoeking op 1 december 2019 in het kantoorgebouw gelegen in Temse werden vier stempels van K.B. gevonden, CMR's die in hoofdzaak K.B. of B.T. als hoofdvervoerder en effectieve vervoerder vermeldden, een brief in het Nederlands uit 2014 gericht aan K.B. met betrekking tot 48 visakaarten met bijhorende pincode, naam van de betrokken chauffeur en Belgische of Bulgaarse nummerplaat, afleverbon van een Antwerpse firma voor de aankoop van zes paar veiligheidsschoenen gericht aan K.B., overzicht van de tankkaarten gemaakt door AVIA uitgereikt aan K.B. met vermelding van de Bulgaarse nummerplaten en enkel voor gebruik op het Belgische grondgebied, en een aanvraag door K.B. aan de Duitse autoriteiten voor tolregistrering van een Bulgaarse nummerplaat met vermelding van het Belgisch faxnummer van de “K.”-vennootschappen te Temse (zie stuk 57, bundel administratie).

•Op de locatie in Antwerpen werden zaken teruggevonden die thuishoren op de plaats waar de vennootschap wordt bestuurd en van waaruit de vervoersactiviteiten worden georganiseerd, zoals een groot sleutelbord met de sleutels van alle trekkers met Bulgaarse en Belgische nummerplaat, een box met reservesleutels van de Belgische en Bulgaarse trekkers, een uitleesbakje met een Bulgaarse bedrijfskaart erin dat werd gebruikt om de digitale gegevens van de vrachtwagens en de bestuurderskaarten uit te lezen (zie stuk 33, bundel administratie).

•De dispatching gebeurde met Belgische oproepnummers. Alle chauffeurs beschikten over een werktelefoon met Belgisch oproepnummer, waarbij de opdrachten werden verstuurd via Belgische gsm-nummers (zie stukken 24 en 55, bundel administratie).

•Uit onderschepte telefoongesprekken blijkt dat een personeelslid van K.I. Transport km dagelijks talrijke gesprekken voerde en dagelijks veel contacten had met de Bulgaarse chauffeurs omtrent planning en organisatie van transporten, problemen met vrachtwagens, en dit meestal via zendmasten in de regio Temse — Sint-Niklaas — Antwerpen. Uit onderschepte telefoongesprekken blijkt ook dat een ander personeelslid van de Belgische vennootschap gesprekken voerde met o.m. H.K. en Bulgaarse vrachtwagenbestuurders inzake aanwerving, laden en lossen containers, transportdocumenten, te volgen reisroutes, het organiseren van de dagelijkse transportactiviteiten, het aansturen van chauffeurs (zie correctioneel vonnis van 22 oktober 2024, randnr. 21).

•Net onderhoud en de herstelling van de trekkers en opleggers die werden verhuurd aan de Bulgaarse vennootschappen vond in België plaats (zie bijlage C bij het proces-verbaal van 28 oktober 2021, alsook stukken 37-47 en 55, bundel administratie).

•Ook uit de gecapteerde mailboxen blijkt dat de facturen van Belgische leveranciers gericht aan de Bulgaarse transportfirma's of met betrekking tot vrachtwagens met Bulgaarse nummerplaat per mail werden overgemaakt aan “K”…be.”, waaruit blijkt dat niet alleen de dagelijkse leiding van deze Bulgaarse transportfirma's zich in de betrokken periode in België bevond maar dat ook telefonie- en webfleetcontracten met Belgische en Nederlandse providers en oproepnummers, onderhoudswerkzaamheden, verzekeringen en leveringen van brandstoffen/tankkaarten voor Bulgaarse trekkers aan de Bulgaarse transportvennootschappen in grote mate of zelfs uitsluitend in België plaatsvonden (zie stuk 58, bundel administratie).

•Ook de dagelijkse uitvoering van de activiteiten van de Bulgaarse vennootschappen gebeurde vanuit België:

•Uit de analyse van de tachograaf van de voertuigen blijkt dat België het meest voorkomende land is. De chauffeurs verklaarden meestal te rijden in België, Frankrijk, Nederland en Duitsland, en nooit in Bulgarije (zie stuk 55, bundel administratie).

•De transportopdrachten voor de chauffeurs startten in België (vanuit Temse of Antwerpen; zie verhoren van de chauffeurs, stuk 55, bundel administratie) en de chauffeurs beschikten over een telefoon met Belgische simkaart. Voor de uitvoering van hun opdracht kwamen de chauffeurs met eigen vervoer naar België. Er werd enkel naar Bulgarije gereden voor ijking van de tachograaf.

•De originele ingevulde CMR's werden afgegeven op het kantoor in Antwerpen (zie stuk 24, bundel administratie).

Bovenstaande elementen zijn samenhangend en overeenstemmend, en worden niet tegengesproken door andere overtuigende en pertinente elementen (zie ook paragraaf hierna). Deze elementen tonen aan dat het algemene beleid van de twee Bulgaarse vennootschappen werd bepaald in België en dat het centrale bestuur alsook hun werkelijke bedrijfsactiviteiten zich in de betrokken periode situeerden in België.

Het feit dat de twee Bulgaarse vennootschappen hun statutaire zetel in Bulgarije hadden en aldaar over een Bulgaars btw-nummer beschikten, kan aan voorgaande vaststellingen geen afbreuk doen. Uit wat voorafgaat blijkt immers dat het om postbusondernemingen ging, die niet kunnen worden aangemerkt als zetel van vestiging voor toepassing van de btw. De geïntimeerde toont geen noemenswaardige activiteit in Bulgarije aan. Waar de geïntimeerde nog verwijst naar de verklaringen van bepaalde Bulgaarse chauffeurs waaruit zou blijken dat de dispatching en aansturing vanuit Bulgarije zou gebeuren, worden deze tegengesproken door andere Bulgaarse chauffeurs die in verhoor verklaarden dat de dispatching in Bulgarije optrad als vertaler van H.K. of van andere personen die werkten op de zetel in Antwerpen en Temse, of dat zij de dispatching in Bulgarije nooit hebben ontmoet. Deze verklaringen zijn niet van aard om het bewijs dat de administratie levert, m.n. dat het algemene beleid van de twee Bulgaarse vennootschappen, K.B. en B.T., werd bepaald in België en dat het centrale bestuur zich situeerde in België, te ontkrachten.

Het hof besluit dat de werkelijke zetel van bedrijfsuitoefening van deze twee Bulgaarse vennootschappen in de betrokken periode in België was gelegen.

4.2.4. Aangezien de twee Bulgaarse vennootschappen, K.B. en B.T., geacht moeten worden hun zetel van economische activiteit in België te hebben, diende de geïntimeerde op de door haar aan deze Bulgaarse vennootschappen geleverde diensten Belgische btw aan te rekenen en deze btw door te storten aan de Belgische Schatkist (artikel 51, §1, 1° WBTW). Het hof komt tot dit besluit zonder de verhuurcontracten in aanmerking te nemen, reden waarom het hof niet ingaat op de argumenten die de partijen dienaangaande opwerpen.

4.2.5. De geïntimeerde stelt dat de maatstaf van heffing opgenomen in het proces-verbaal van 28 oktober 2021 op arbitraire wijze werd begroot. Uit de bijlagen bij het proces-verbaal zou slechts een maatstaf van heffing van maximum 81.270,00 euro blijken in plaats van de door de administratie weerhouden 841.329,22 euro.

De administratie stelt dat de bijlagen bij het proces-verbaal van 28 oktober 2021 niet alle uitgaande facturen bevat voor de verhuur van vervoermiddelen aan de Bulgaarse vennootschappen. Het hof stelt vast dat dit uitdrukkelijk zo wordt vermeid in het proces-verbaal, namelijk dat bijlage A een kopie bevat van 'enkele' verkoopfacturen, en dat de navordering is gebaseerd op de facturen en betalingsbewijzen die op 22 april 2021 per e- mail werden verstuurd door de heer J.V., gevolmachtigd boekhouder van de geïntimeerde. Van een gebrekkige motivering van het proces-verbaal is aldus geen sprake.

De administratie legt onder stukken 68-69-70 een oplijsting voor van facturen voor de diensten geleverd door de geïntimeerde aan de twee Bulgaarse vennootschappen waarop Belgische btw had moeten worden aangerekend. De totaalsom van deze facturen stemt overeen met de maatstaf van heffing bepaald in het proces-verbaal van 28 oktober 2021. Met de facturen voor de verkoop van vervoermiddelen heeft de administratie geen rekening gehouden. Het hof ziet geen reden om de navordering wegens willekeurige berekening nietig te verklaren.

4.2.6. De btw-schuld opgenomen in het proces-verbaal van 28 oktober 2021 en in het innings- en invorderingsregister onder nummer 500247628141 is bewezen. De overtreding van de geïntimeerde staat vast. De administratie heeft terecht een proportionele geldboete opgelegd, die door de administratie werd bepaald op 10%.

Het hoger beroep is gegrond. Het bestreden vonnis wordt hervormd.

5. De gerechtskosten

De geïntimeerde wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de gerechtskosten van de beide instanties dragen.

Overeenkomstig het eerste lid van artikel 1022 Ger. W., vervangen bij wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat, heeft slechts de partij die in het gelijk gesteld wordt recht op een rechtsplegingsvergoeding. Aangezien de appellant niet was vertegenwoordigd door een advocaat voor de procedure in eerste aanleg is hij niet gerechtigd op een rechtsplegingsvergoeding voor deze aanleg.

Voor de vaststelling van die rechtsplegingsvergoeding overeenkomstig artikel 1022 Ger. W., uitgevoerd bij KB van 26 oktober 2007, moet, bij gebrek aan redenen tot afwijking ervan, het basisbedrag gehanteerd worden. Vermits de waarde van de vordering, bepaald zoals voorzien in de artikelen 557 tot 562 en artikel 618 Ger. W., zich in de schijf tussen 100.000,01 en 250.000,00 euro bevindt, bedraagt het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding 7.848,84 euro voor de procedure in hoger beroep.

Beschikkend gedeelte

BESLISSING VAN HET HOF

Het hof doet recht op tegenspraak;

Het hof beslist als volgt:

 het hoger beroep van de appellant is ontvankelijk en gegrond als volgt;

 het bestreden vonnis wordt vernietigd, behoudens waar het de oorspronkelijke vordering van de geïntimeerde ontvankelijk verklaart;

 het hof doet opnieuw recht ten gronde en verklaart de vorderingen van de geïntimeerde ongegrond;

 het hof veroordeelt de geïntimeerde tot het betalen van de gerechtskosten van de

beide instanties, vastgesteld als volgt:

- aan de kant van de appellant:

 bijdrage begrotingsfonds hoger beroep: 24,00 euro

 rechtsplegingsvergoeding hoger beroep: 7.848,84 euro

- aan de kant van de geïntimeerde (doch te haren laste blijvend):

 bijdrage begrotingsfonds eerste aanleg: 22,00 euro

Aldus gewezen en uitgesproken in de openbare terechtzitting van het hof van beroep te Gent, VIJFDE KAMER, recht doende in fiscale zaken, op 1 april 2025.

Aanwezig:

F.C., raadsheer, wn. voorzitter, alleenrechtsprekend

J.D., griffier

Door de FOD bijgevoegde beslissing

Volledige tekst:

Arresten van het hof van beroep te Gent dd. 01.04.2025

2023/AR/1447

2023/AR/1447 - In de zaak van:

BELGISCHE STAAT/FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIËN, ON 0308.357.159,

Minister van Financiën, met kabinet te 1000 BRUSSEL, vertegenwoordigd door de Adviseur-generaal - Directeur Centrum KMO Aalst, met burelen te 9100 SINT-NIKLAAS, Driekoningenstraat 4,

appellant,

hebbende als raadsman mr. B.T., advocaat te … en mr. D.C., advocaat te …

tegen

C.R. BV, ON …,

met zetel te …,

geïntimeerde,

hebbende ais raadsman mr. V.F., advocaat te … en mr. W.S., advocaat te …

wijst het hof het volgend arrest:

1. De procedure voor het hof

Bij verzoekschrift neergelegd op 29 augustus 2023 heeft de appellant hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat door de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, zesde kamer, op 19 juni 2023 werd uitgesproken in de zaak met rolnummer 21/2931/A, waarvan niet blijkt dat het werd betekend.

De partijen hebben hun middelen en besluiten voorgedragen in de openbare terechtzitting van 14 januari 2025, waarna het debat werd gesloten. Vervolgens werd de zaak in beraad genomen.

Het hof heeft de Nederlandse taal gebruikt in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.

2. De relevante feiten en de voorafgaande procedure

2.1. De geïntimeerde is sinds 13 november 2012 geregistreerd als btw-belastingplichtige onder het nummer BE… met als economische activiteit de verhuur en lease van vrachtwagens en overige motorvoertuigen en groothandel in andere motorvoertuigen. Zij maakt deel uit van de transportgroep rond de heer H.K. en zijn dochter, mevrouw A.K.. Tot de “K.”-groep behoren onder meer ook de volgende vennootschappen:

K.I. Transport bv

B.T. bv (voorheen …)

K.B., met maatschappelijke zetel in Bulgarije

B.T., met maatschappelijke zetel in Bulgarije

2.2. Op 8 mei 2020 werd een btw-controle aangevangen door de administratie voor de periode van 1 februari 2020 tot en met 31 maart 2020. De administratie vroeg aan de boekhouder van de geïntimeerde om de aankoop- en verkoopjournalen met betrekking tot deze periode te bezorgen. Deze werden doorgestuurd op 8 mei 2020. Op diezelfde dag verzocht de administratie aan de boekhouder om een kopie van een aantal facturen en de onderliggende verkoop- en verhuurcontracten. Bij e-mail van 11 mei 2020 werd ook kopie van een aantal aankoopfacturen en verhuurcontracten gevraagd, alsook werden een aantal vragen gesteld over de verhuur van vervoermiddelen en de werkwijze van de geïntimeerde. Deze informatie werd op diezelfde dag bezorgd. Bij e-mail van 11 mei 2020 werden nog een aantal documenten opgevraagd.

Op 13 mei 2020 werd een correctie-opgave inzake btw opgemaakt voor de periode van 1 februari 2020 tot en met 31 maart 2020 aan de hand van de aan de administratie toegestuurde boeken, facturen, documenten, stukken en verstrekte toelichtingen. De administratie stelde inbreuken vast op artikel 21, §3 WBTW met betrekking tot de plaats van de dienst alsook inbreuken op artikel 51 WBTW met betrekking tot de verschuldigdheid van de belasting. De administratie stelde vastgesteld te hebben dat het rollend materieel maandelijks werd verhuurd aan de in Bulgarije gevestigde vennootschap K.B. met toepassing van de regels van verlegging van heffing (artikel 21, §2 WBTW), en stelde dat werkelijke ontvanger van de diensten de gebruiker van de trekkers en opleggers was, namelijk de Belgische vennootschap K.T.. Volgens de administratie was de plaats van de diensten daarom in België gelegen en was de belasting verschuldigd door de belastingplichtige die in België een belastbare dienst verrichtte. De bijkomend verschuldigde btw werd bepaald op 86.415,00 euro. Er werd ook een inbreuk vastgesteld op artikel 53sexies, §1 WBTW, waarvoor btw voor een bedrag van 14.280,00 euro werd nagevorderd. Een proportionele boete van 10%, zijnde in totaal 10.060,00 euro, werd verschuldigd geacht, alsook intresten vanaf 21 mei 2020.

De geïntimeerde verklaarde zich niet akkoord met de correctie-opgave. De controle werd uitgebreid vanaf 1 januari 2020 tot en met 31 maart 2020. De administratie vroeg hiervoor de nodige stukken op bij de boekhouder op 14 en 15 mei 2020.

Op 8 juni 2020 werd een proces-verbaal opgesteld met de vastgestelde overtredingen voor de periode van 1 januari 2020 tot en met 31 maart 2020, waarin de inbreuken op artikel 21, §3 WBTW en artikel 51 WBTW o.m. als volgt werden gemotiveerd:

"Als bewijs van de verhuur op lange termijn werden vier contracten voorgelegd tussen de partijen [de geïntimeerde] en K.B. Ltd (...), in het Engels opgesteld, waarin geen specifieke vermeldingen qua duurtijd van de verhuur op staan. De periode in de contracten is niet bepaald met een minimum van drie maanden. Er staat niet vermeld vanaf welke datum het contract ingaat. Deze contracten zijn allen gedateerd op 2 januari 2020 en ondertekend door A.K. voor [de geïntimeerde] en door H.K. voor K.B. Ltd.

(...)

=> deze contracten hebben aldus geen bewijskracht : ze zijn gedateerd op een moment dat de nummerplaat nog niet werd toegekend.

=> Alle contracten (per nummerplaat één contract) hebben dezelfde vorm, er is geen bepaalde periode vastgesteld en er kan aldus niet worden aangetoond dat deze vervoermiddelen wel degelijk op lange termijn worden verhuurd aan K.B..

De trekkers en opleggers worden in België ingeschreven op naam van [de geïntimeerde]. De firma K.B. Ltde met adres (...) en met btw-nummer (...) factureert transporten door aan K.T. met het btw-nummer (...). De facturen zijn opgemaakt in het Nederlands : (...)

K.T. met btw-nummer (...) is op hetzelfde adres gevestigd als [de geïntimeerde], namelijk (...) te 9140 Temse.

(..)

In de boekhouding van [de geïntimeerde] zijn verschillende facturen terug te vinden van onderhoud en materialen voor de trekkers/opleggers van de firma's TRL nv en Turbo's Hoet Parts.

De werkelijke ontvanger van de diensten is namelijk de gebruiker van de trekkers en de opleggers en is aldus niet de vennootschap K.B. in Bulgarije, maar wel K.T. met maatschappelijke zetel te Temse. Er kan bovendien niet worden aangetoond dat de vervoermiddelen op lange termijn aan K.B. Ltd worden verhuurd. De transportmiddelen worden ter beschikking gesteld in Temse of Antwerpen, waar de afnemer van de dienst is gevestigd.

Er is eveneens een gerechtelijk onderzoek bezig bij K.T. voor sociale fraude met Bulgaarse nepfirma's."

De inbreuk op artikel 53sexies, §1 WBTW werd niet langer weerhouden. Uit het proces-verbaal bleek een verschuldigde btw van 122.734,50 euro en een geldboete van 10% of 12.270,00 euro, meer intresten vanaf 21 april 2020.

Op 16 juni 2020 werd aan de geïntimeerde een betaalbericht gestuurd voor een verschuldigde btw van 122.734,50 euro, een boete van 12.270,00 euro en intresten tot 20 juni 2020 van 1.963,68 euro.

Op 22 juli 2020 werd de schuld opgenomen in het innings- en invorderingsregister onder nummer …, uitvoerbaar verklaard op 24 juli 2020.

Bij brief van haar raadsman van 3 december 2020 diende de geïntimeerde bezwaar in tegen het proces-verbaal. Dit bezwaar werd afgewezen bij beslissing van 28 oktober 2021.

Met een verzoekschrift neergelegd op 1 december 2021 stelde de geïntimeerde haar vordering tegen voormelde beslissing in voor de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent.

2.3. Op 1 maart 2022 verleende de arbeidsauditeur toelating aan de administratie tot inzage en kopiename van het strafdossier gekend onder... Op 14 en 20 april 2022 nam de administratie inzage van het strafdossier.

2.4. Bij vonnis van 19 juni 2023 oordeelde de zesde kamer van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent dat de taxatie willekeurig was en om:

- de vordering van eiseres ontvankelijk en gegrond te verklaren in volgende mate;

- de inschrijving in het Innings- en Invorderingsregister BTW met schuldnummer … te vernietigen;

- de terugbetaling te bevelen van alle ten onrechte geïnde sommen vermeld in het innings- en invorderingsregister, vermeerderd met de moratoriumintrest;

- verweerster te veroordelen tot de kosten van deze aanleg met name de bijdrage bedoeld in artikel 4 § 2 en 5 §§ 1 en 2 van de wet van 19 maart 2017 tot oprichting van een begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand ten belope van 22,00 EUR en tot de rechtsplegingvergoeding van 7.500,00 EUR.

Het is tegen dat vonnis dat de appellant hoger beroep heeft ingesteld.

3. De vorderingen van de partijen

3.1. De vordering van de appellant

De Belgische Staat vraagt in hoger beroep aan het hof om:

Het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren.

Dienvolgens het bestreden vonnis te vernietigen en te zeggen voor recht dat de fiscale schuld

gekend onder RCIV-nummer 500227267639 terecht werd vastgelegd.

De gedingkosten in beide aanleggen, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding, ten

laste te leggen van geïntimeerde.

Gezien appellante, de Belgische Stout, in eerste aanleg zonder advocaat optrad, kan hij in graad van eerste aanleg geen recht laten gelden op een rechtsplegingsvergoeding.

3.2. De vordering van geïntimeerde

De geïntimeerde vraagt in hoger beroep aan het hof om:

Het hoger beroep van appellante ontvankelijk, doch ongegrond te verklaren.

Dienvolgens:

het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent d.d. 19 juni 2023, in de zaak met rolnummer 21/2931/A te bevestigen en zodoende de opname van de btw-navordering onder het schuldnummer 500.2272.67639, te vernietigen, dan wel te ontheffen;

Appellante te veroordelen tot de integrale terugbetaling van alle bedragen welke ten onrechte werden betaald of ingehouden en die toegerekend werden op de sommen vermeld in het innings- en invorderingsregister waarvan thans de vernietiging, c.q. ontheffing wordt gevorderd, te vermeerderen met interesten ex artikel 91 WBTW.

Appellante te veroordelen tot de kosten van het geding, in beide aanleggen, begroot op:

•in eerste aanleg:

 Rechtsplegingsvergoeding: 7.500 EUR

 Bijdrage Fonds Juridische Tweedelijnsbllstand: 22 EUR

•in graad van beroep:

 Rechtsplegingsvergoeding: 7.500 EUR

4. De betwistingen en hun beoordeling

4.1. De juridische gronden voor de belastingschuld — substitutie van motieven

4.1.1. Uit het feitenrelaas (zie randnummer 2.2) blijkt dat de administratie in het proces-verbaal van regularisatie inzake btw het bestaan van de btw-schuld heeft gebaseerd op de miskenning van artikel 21, §3, 5° WBTW (namelijk de bepaling die stelt dat inzake de verhuur op korte termijn van vervoermiddelen de plaats van de dienst is gelegen waar het vervoermiddel daadwerkelijk ter beschikking van de ontvanger wordt gesteld) alsook op de stelling dat de werkelijke ontvanger van de diensten de Belgische vennootschap K.T. is, om op die rechtsgrond(en) te stellen dat de plaats van de door de geïntimeerde geleverde diensten in België is gelegen, dat de verlegging van heffing ten onrechte werd toegepast en dat Belgische btw verschuldigd is.

In deze fase van de gerechtelijke procedure stelt de administratie nog steeds dat de plaats van de diensten in België is gelegen, dat de verlegging van heffing ten onrechte werd toegepast en dat Belgische btw verschuldigd is. De administratie baseert haar stelling niet langer op een miskenning van artikel 21, §3, 5° WIB92 of op de stelling dat de diensten geleverd werden aan K.T. maar stelt dat de Bulgaarse ondernemingen hun zetel van economische activiteit in werkelijkheid in België hebben ais gevolg waarvan de plaats van de door de geïntimeerde verrichte diensten op grond van artikel 21, §2 WIB92 in België is gelegen.

4.1.2. De geïntimeerde stelt ten onrechte dat de administratie toepassing maakt van een verboden substitutie van motieven.

Immers, belastingen zijn van openbare orde. Het hof is niet gebonden door de juridische gronden waarop de administratie zich bij het vestigen van de btw-schuld heeft gebaseerd en moet uitspraak doen over de gronden die de administratie voor het hof aanvoert ter verantwoording van de btw-schuld. De rechter moet zelf, ongeacht de gronden die aangehaald worden in het proces-verbaal van regularisatie inzake btw, zowel in feite ais in rechte, beslissen over het bestaan van de btw-schuld wanneer hij daartoe wordt uitgenodigd door de vorderingen die door de partijen zijn gesteld (zie ook Cass. 12 december 2019, AR F.18.0073.N; Cass. 25 september 2020, AR F.18.0003.N; Cass. 23 december 2016, AR F.15.0083.N; Cass. 23 november 2023, AR 20.0153.N; alle op juportal.be).

De kwestieuze btw-schuld is en blijft de resultante van een onderzoek naar de plaats waar de diensten geleverd door de geïntimeerde aan de Bulgaarse vennootschap zijn gelokaliseerd in toepassing van artikel 21 WBTW teneinde te bepalen of de regels inzake de verlegging van heffing door de geïntimeerde correct werden toegepast. Dat de administratie de specifieke rechtsgrond doorheen de betwisting heeft gewijzigd van (onder meer) artikel 21, §3, 5° WBTW naar artikel 21, §2 WBTW is niet dienend. Het hof moet ook in deze omstandigheden nog steeds uitspraak doen over het bestaan van de kwestieuze btw-schuld zoals die blijkt uit het proces-verbaal, ongeacht de rechtsgrond die hiervoor in het proces-verbaal van regularisatie inzake btw werd opgegeven.

Dat deze wijziging van de juridische grond waarop de administratie zich steunt om de plaats van de verhuurdiensten in België te lokaliseren, is gebeurd na het opnemen van de schuld in het innings- en invorderingsregister, na het opstellen van het proces-verbaal van 8 juni 2020 en na inzage van het in het feitenrelaas vermeld strafdossier, doet aan dit alles geen afbreuk. Het hof herhaalt dat het zelf, ongeacht de gronden die aangehaald worden in het proces-verbaal van regularisatie inzake btw, zowel in feite ais in rechte, moet beslissen over het bestaan van de btw-schuld ongeacht het feit dat de gronden die de administratie aanvoert ter verantwoording van de btw-schuld voor het eerst in graad van hoger beroep worden aangehaald. De geïntimeerde heeft zich terdege kunnen verweren en heeft stelling kunnen innemen over de gewijzigde juridische grand. Het hof stelt geen schending vast van het recht van verdediging van de geïntimeerde.

Het hof ziet dan ook geen reden om op deze grond de btw-navordering zoals uiteengezet in het proces-verbaal van 8 juni 2020 en opgenomen in het innings- en invorderingsregister nietig te verklaren.

4.2. Omtrent het bestaan van de btw-schuld

4.2.1. De administratie stelt het bestaan (en de omvang) van de btw-schuld te bewijzen aan de hand van een geheel van feitelijke elementen waaruit zij afleidt dat de werkelijke bedrijfsactiviteiten van de Bulgaarse onderneming K.B., aan wie de geïntimeerde de diensten levert, zich in de betrokken periode in België situeerden, ais gevolg waarvan er Belgische btw verschuldigd was op deze door de geïntimeerde geleverde diensten. De administratie maakt gebruik van de techniek van de feitelijke vermoedens.

Het is de administratie toegelaten om zowel het bestaan ais het bedrag van de belastingschuld te bepalen aan de hand van vermoedens (artikel 59, §1 WBTW). Overeenkomstig artikel 8.1, 9° BW is een feitelijk vermoeden een bewijsmiddel waarbij de rechter het bestaan van één of meer onbekende feiten afleidt uit het voorhanden zijn van één of meer bekende feiten. Het vermoeden kan slechts worden aanvaard wanneer met zekerheid het bestaan van het vast te stellen gegeven uit het bekende feit kan worden afgeleid. Het is niet noodzakelijk dat de vermoedens die uit de vastgestelde feiten worden afgeleid hieruit noodzakelijkerwijze volgen. Het volstaat dat ze hieruit kunnen volgen (zie ook Cass. 20 juni 2014, F.12.0196.F, op juportal.be). Een feitelijk vermoeden kan niet zelf op een ander feitelijk vermoeden steunen (zie ook Cass. 21 december 1990, RW 1990-91, 1141). Ofschoon de feiten die de rechter ais uitgangspunt van zijn redenering neemt, moeten vaststaan, dit wil zeggen moeten bewezen zijn, belet geen enkele wetsbepaling evenwel dat de aanname van dit feit zelf het resultaat kan zijn van een bewijsvoering door vermoedens (zie ook Cass. 22 mei 2014, F.13.0086.N, op juportal.be).

4.2.2. De administratie haait de feitelijke elementen die zij gebruikt voor de bewijsvoering op grond van feitelijke vermoedens deels uit het strafdossier dat in 2017 werd opgestart naar aanleiding van een klacht lastens de “K”-groep, waartoe de geïntimeerde behoort, wegens praktijken van sociale dumping.

Het feit dat de elementen waarop de administratie zich op heden baseert om haar navordering te verantwoorden, deels uit het strafdossier afkomstig zijn en aldus werden verzameld na het opstellen van het proces-verbaal op 8 juni 2020 en na de opname in het innings- en invorderingsregister, is geen reden om deze elementen te weren uit het debat. Net zoals het een belastingplichtige is toegelaten om tijdens een gerechtelijke procedure bijkomende feitelijke elementen aan te halen ter ondersteuning van zijn verweer, kan de administratie bijkomende feitelijke elementen aanhalen ter ondersteuning van haar (gewijzigde; zie randnummer 4.1 hierboven) vordering. De wet motivering bestuurshandelingen van 29 juli 1991 verbiedt dit niet. Bovendien stelt de administratie terecht dat zij in het proces-verbaal van 8 juni 2020 reeds een aantal elementen heeft aangehaald waaruit blijkt dat de werkelijke bedrijfsactiviteiten van de Bulgaarse vennootschappen zich in de betrokken periode in België bevonden, en die worden bevestigd door het strafrechtelijk onderzoek.

Waar het proces-verbaal van 8 juni 2020 elementen bevat die de stelling van de administratie ondersteunen dat het om de verhuur op korte termijn van vervoermiddelen zou gaan, zijn deze elementen niet langer relevant gelet op de gewijzigde juridische grond waarop de administratie zich heden steunt ter verantwoording van de betwiste navordering. Het hof gaat dan ook niet in op de middelen die de geïntimeerde met betrekking tot deze oorspronkelijke juridische grond ontwikkelt, aangezien deze niet langer relevant zijn.

De gegevens uit het strafdossier waarop de administratie zich heden voor haar navordering steunt, zullen door dit hof op hun bewijswaarde worden beoordeeld. Deze gegevens dienen niet eerst door de administratie worden opgenomen in een proces-verbaal van vaststellingen overeenkomstig artikel 59, §1 WBTW alvorens ze op hun bewijswaarde kunnen worden beoordeeld door het hof. De relevante stukken waarop de administratie zich baseert, werden op rechtsgeldige wijze in het debat gebracht, de geïntimeerde heeft hiervan kennis gekregen door ontvangst van de processen-verbaal van raadpleging van het gerechtsdossier, en de geïntimeerde heeft zich hiertegen terdege kunnen verweren.

De gegevens uit het strafdossier dienen evenmin eerst door de strafrechter te worden beoordeeld alvorens ze het voorwerp kunnen uitmaken van een bewijsvoering op grond van feitelijke vermoedens voor de fiscale rechter. Het hof merkt in dit verband op dat in het strafdossier op 22 oktober 2024 uitspraak werd gedaan door de correctionele rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Dendermonde (vonnis waartegen hoger beroep hangende is, zoals bevestigd op de zitting van 14 januari 2025). Het feit dat de geïntimeerde buiten vervolging werd gesteld door de raadkamer op 17 juni 2022, impliceert niet dat dit vonnis niet als bewijselement in aanmerking zou mogen worden genomen. Het vonnis van 22 oktober 2024 (dat de geïntimeerde zelf neerlegt als stuk 3 van haar bundel) beoordeelt uitdrukkelijk de plaats van werkelijke leiding van de Bulgaarse vennootschap K.B. (zie randnummers 21 tot en met 24 van dit vonnis), discussie die ook in dit fiscale geschil de kern van de betwisting uitmaakt. Van dit vonnis kan bezwaarlijk worden gezegd dat het niet meer is dan een loutere veronderstelling of bewering, zelfs in acht genomen dat hiertegen hoger beroep werd ingesteld.

Waar de geïntimeerde de administratie verwijt een beperkte selectie te hebben gemaakt van de processen-verbaal uit het strafdossier, stelt het hof vast dat de geïntimeerde zelf in verdenking was gesteld en aldus inzage kon krijgen in het strafdossier. Indien zich in dit strafdossier elementen zouden bevinden die de visie van de administratie tegenspreken, was de geïntimeerde perfect in staat om deze elementen voor te leggen in deze fiscale procedure. Het is de geïntimeerde toegestaan om het tegendeel te bewijzen van hetgeen de administratie middels feitelijke vermoedens stelt te bewijzen. Dit betreft de toepassing van de regels inzake bewijsverdeling. Het hof stelt geen inbreuk vast op enig beginsel van behoorlijk bestuur.

De administratie maakt bij het verdedigen van de btw-navordering gebruik van de haar bij wet toegekende bewijsmiddelen. De gegevens in voormeld strafdossier zijn, indien zij beantwoorden aan de voorwaarden van artikel 8.1, 9° BW, minstens feitelijke vermoedens op basis waarvan een navordering kan worden opgesteld, die dan door de fiscale rechter op hun bewijswaarde zullen moeten worden beoordeeld. Of er sprake is van een verboden opeenstapeling van vermoedens en welke bewijswaarde aan de door de administratie aangehaalde feitelijke elementen moet worden toegekend, beoordeelt het hof in wat volgt.

4.2.3. De betwisting tussen de partijen betreft in wezen de vraag of de Bulgaarse vennootschap K.B. aan wie de geïntimeerde diensten leverde, in de betrokken periode van de navordering kwalificeerde ais een in België gevestigde belastingplichtige voor doeleinden van de btw. In dit geval was de plaats van de diensten geleverd door de geïntimeerde aan deze Bulgaarse vennootschap in België gelokaliseerd (toepassing van artikel 21, §2 WBTW) en diende de geïntimeerde zelf Belgische btw aan te rekenen en door te storten aan de Belgische Schatkist, daar waar zij de facturen aan deze Bulgaarse vennootschap steeds heeft uitgereikt zonder btw (m.n. met toepassing van de regels inzake verlegging van heffing).

Het wordt niet betwist dat de statutaire zetel van K.B. is gevestigd in Bulgarije. Evenwel moet voor de toepassing van het gemeenschappelijk stelsel van btw de economische realiteit in aanmerking worden genomen. De zetel van economische activiteit voor de toepassing van het gemeenschappelijk stelsel van btw heeft betrekking op de plaats waar de voornaamste beslissingen betreffende de algemene leiding van deze vennootschap worden genomen en waar de centrale bestuurstaken ervan worden uitgeoefend. Bij het bepalen van de plaats van de zetel van economische activiteit van een vennootschap dient rekening te worden gehouden met tai van factoren, waarvan de belangrijkste zijn de statutaire zetel, de plaats van het centrale bestuur, de plaats waar de bestuurders van de vennootschap vergaderen en de plaats waar het algemene beleid van deze vennootschap wordt bepaald. Ook andere elementen, zoals de woonplaats van de hoofdbestuurders, de plaats waar de algemene vergaderingen worden gehouden, waar de administratie en de boekhouding zich bevinden en waar de financiële en vooral de bankzaken hoofdzakelijk worden geregeld, kunnen in aanmerking worden genomen. Bijgevolg kan een fictieve vestiging, zoals die welke kenmerkend is voor een 'brievenbusmaatschappij' of een 'schijnvennootschap', niet worden aangemerkt ais zetel van vestiging voor toepassing van de btw (zie ook o.m. HvJ van 28 juni 2007, zaak C-73/06, Planzer Luxembourg, randnummers 60-63).

Toegepast op K.B. is het duidelijk dat haar zetel van economische activiteit voor toepassing van de btw-wetgeving moet worden gesitueerd in België. Immers:

Het algemene beleid van deze vennootschap werd bepaald in België: o De zaakvoerder van deze Bulgaarse vennootschap, H.K., A.K. en echtgenoot D.B. waren in de betrokken periode allen woonachtig in België en oefenden hun werkzaamheden uit vanuit Temse en Antwerpen (zie stukken 20 en 41, bundel administratie), ais gevolg waarvan kan worden aangenomen dat zij de operationele leiding en het centrale bestuur van deze Bulgaarse vennootschap waarnamen vanuit België.

- De Bulgaarse vennootschappen beschikte over een Belgische bankrekening:

•K.B. had een Belgisch rekeningnummer bij de Belgische bank Crelan, van waaruit bepaalde van de kwestieuze facturen uitgereikt door de geïntimeerde werden betaald (zie stukken 12, 13, 42 en 43, bundel administratie). Het strafonderzoek wees uit dat deze Belgische bankrekening ook werd gebruikt voor betalingen door de Bulgaarse vennootschap aan vele Belgische leveranciers (zie stuk 44, bundel administratie), op basis waarvan ook kan worden aangenomen dat het financieel beheer van de Bulgaarse vennootschap zich in België situeerde.

De Bulgaarse vennootschap werd geleid vanuit België. Zo werden de essentiële elementen van de bedrijfsvoering van een transportbedrijf beheerd en beslist in België:

•Tijdens de huiszoeking op 1 december 2019 in het kantoorgebouw gelegen in Antwerpen werd een dispatchingbureel met zes computerschermen gevonden, diverse stempels van K.T. bv, K.B. en B.T., een doos met blanco enveloppes met de hoofding, de naam en het adres van K.B., grote hoeveelheden blanco en ingevulde CMR's waarop als afzender onder meer K.B. en B.T. waren vermeld en geen enkele een Belgische “K.”-vennootschap vermeldde (zie stukken 41 en 55, bundel administratie).

•Tijdens de huiszoeking op 1 december 2019 in het kantoorgebouw gelegen in Temse werden vier stempels van K.B. gevonden, CMR's die in hoofdzaak K.B. of B.T. ais hoofdvervoerder en effectieve vervoerder vermeldden, een brief in het Nederlands uit 2014 gericht aan K.B. met betrekking tot 48 visakaarten met bijhorende pincode, naam van de betrokken chauffeur en Belgische of Bulgaarse nummerplaat, afleverbon van een Antwerpse firma voor de aankoop van zes paar veiligheidsschoenen gericht aan K.B., overzicht van de tankkaarten gemaakt door AVIA uitgereikt aan K.B. met vermelding van de Bulgaarse nummerplaten en enkel voor gebruik op het Belgische grondgebied, en een aanvraag door K.B. aan de Duitse autoriteiten voor tolregistrering van een Bulgaarse nummerplaat met vermelding van het Belgisch faxnummer van de “K.”-vennootschappen te Temse (zie stuk 56, bundel administratie).

•Op de locatie in Antwerpen werden zaken teruggevonden die thuishoren op de plaats waar de vennootschap wordt bestuurd en van waaruit de vervoersactiviteiten worden georganiseerd, zoals een groot sleutelbord met de sleutels van alle trekkers met Bulgaarse en Belgische nummerplaat, een box met reservesleutels van de Belgische en Bulgaarse trekkers, een uitleesbakje met een Bulgaarse bedrijfskaart erin dat werd gebruikt om de digitale gegevens van de vrachtwagens en de bestuurderskaarten uit te lezen (zie stuk 41, bundel administratie).

•De dispatching gebeurde met Belgische oproepnummers. Alle chauffeurs beschikten over een werktelefoon met Belgisch oproepnummer, waarbij de opdrachten werden verstuurd via Belgische gsm-nummers (zie stukken 30 en 32, bundel administratie).

•Uit onderschepte telefoongesprekken blijkt dat een personeelslid van K.T. bv dagelijks talrijke gesprekken voerde en dagelijks veel contacten had met de Bulgaarse chauffeurs omtrent planning en organisatie van transporten, problemen met vrachtwagens, en dit meestal via zendmasten in de regio Temse — Sint-Niklaas — Antwerpen. Uit onderschepte telefoongesprekken blijkt ook dat een ander personeelslid van de Belgische vennootschap gesprekken voerde met o.m. H.K. en Bulgaarse vrachtwagenbestuurders inzake aanwerving, laden en lossen containers, transportdocumenten, te volgen reisroutes, het organiseren van de dagelijkse transportactiviteiten, het aansturen van chauffeurs (zie correctioneel vonnis van 22 oktober 2024, randnr. 21).

•Het onderhoud en de herstelling van de trekkers en opleggers die werden verhuurd aan de Bulgaarse vennootschappen vond in België plaats (zie bijlage C bij het proces-verbaal van 8 juni 2020, alsook stukken 4547 en 30, bundel administratie).

•Ook uit de gecapteerde mailboxen blijkt dat de facturen van Belgische leveranciers gericht aan de Bulgaarse transportfirma's of met betrekking tot vrachtwagens met Bulgaarse nummerplaat per mail werden overgemaakt aan “K.be”, waaruit blijkt dat niet alleen de dagelijkse leiding van deze Bulgaarse transportfirma's zich in de betrokken periode in België bevond maar dat ook telefonie- en webfleetcontracten met Belgische en Nederlandse providers en oproepnummers, onderhoudswerkzaamheden, verzekeringen en leveringen van brandstoffen/tankkaarten voor Bulgaarse trekkers aan de Bulgaarse transportvennootschappen in grote mate of zelfs uitsluitend in België plaatsvonden (zie stuk 57, bundel administratie).

Ook de dagelijkse uitvoering van de activiteiten van de Bulgaarse vennootschappen gebeurde vanuit België:

•Uit de analyse van de tachograaf van de voertuigen blijkt dat België het meest voorkomende land is. De chauffeurs verklaarden meestal te rijden in België, Frankrijk, Nederland en Duitsland, en nooit in Bulgarije (zie stuk 30, bundel administratie).

•De transportopdrachten voor de chauffeurs startten in België (vanuit Temse of Antwerpen; zie verhoren van de chauffeurs, stuk 30, bundel administratie) en de chauffeurs beschikten over een telefoon met Belgische simkaart. Voor de uitvoering van hun opdracht kwamen de chauffeurs met eigen vervoer naar België. Er werd enkel naar Bulgarije gereden voor ijking van de tachograaf.

•De originele ingevulde CMR's werden afgegeven op het kantoor in Antwerpen (zie stuk 32, bundel administratie).

Bovenstaande elementen zijn samenhangend en overeenstemmend, en worden niet tegengesproken door andere overtuigende en pertinente elementen (zie ook paragraaf hierna). Deze elementen tonen aan dat het algemene beleid van de Bulgaarse vennootschap K.B. werd bepaald in België en dat het centrale bestuur alsook haar werkelijke bedrijfsactiviteiten zich in de betrokken periode situeerden in België.

Het feit dat deze Bulgaarse vennootschap haar statutaire zetel in Bulgarije had en aldaar over een Bulgaars btw-nummer beschikte, kan aan voorgaande vaststellingen geen afbreuk doen. Uit wat voorafgaat blijkt immers dat het om een postbusonderneming ging, die niet kan worden aangemerkt als zetel van vestiging voor toepassing van de btw. De geïntimeerde toont geen noemenswaardige activiteit in Bulgarije aan. Waar de geïntimeerde nog verwijst naar de verklaringen van bepaalde Bulgaarse chauffeurs waaruit zou blijken dat de dispatching en aansturing vanuit Bulgarije zou gebeuren, worden deze tegengesproken door andere Bulgaarse chauffeurs die in verhoor verklaarden dat de dispatching in Bulgarije optrad als vertaler van H.K. of van andere personen die werkten op de zetel in Antwerpen en Temse, of dat zij de dispatching in Bulgarije nooit hebben ontmoet. Deze verklaringen zijn niet van aard om het bewijs dat de administratie levert, m.n. dat het algemene beleid van de Bulgaarse vennootschap, K.B., werd bepaald in België en dat het centrale bestuur zich situeerde in België, te ontkrachten.

Het hof besluit dat de werkelijke zetel van bedrijfsuitoefening van deze Bulgaarse vennootschap in de betrokken periode in België was gelegen.

4.2.4. Aangezien de Bulgaarse vennootschap K.B. geacht moet worden haar zetel van economische activiteit in België te hebben, diende de geïntimeerde op de door haar aan deze Bulgaarse vennootschap geleverde diensten Belgische btw aan te rekenen en deze btw door te storten aan de Belgische Schatkist (artikel 51, §1, 1' WBTW). Het hof komt tot dit besluit zonder de verhuurcontracten in aanmerking te nemen, reden waarom het hof niet ingaat op de argumenten die de partijen dienaangaande opwerpen.

4.2.5. De btw-schuld opgenomen in het proces-verbaal van 8 juni 2020 en in het innings- en invorderingsregister onder nummer … is bewezen. De overtreding van de geïntimeerde staat vast. De administratie heeft terecht een proportionele geldboete opgelegd, die door de administratie werd bepaald op 10%.

Het hoger beroep is gegrond. Het bestreden vonnis wordt hervormd.

5. De gerechtskosten

De geïntimeerde wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de gerechtskosten van de beide instanties dragen.

Overeenkomstig het eerste lid van artikel 1022 Ger. W., vervangen bij wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat, heeft slechts de partij die in het gelijk gesteld wordt recht op een rechtsplegingsvergoeding. Aangezien de appellant niet was vertegenwoordigd door een advocaat voor de procedure in eerste aanleg is hij niet gerechtigd op een rechtsplegingsvergoeding voor deze aanleg.

Voor de vaststelling van die rechtsplegingsvergoeding overeenkomstig artikel 1022 Ger. W., uitgevoerd bij KB van 26 oktober 2007, moet, bij gebrek aan redenen tot afwijking ervan, het basisbedrag gehanteerd worden. Vermits de waarde van de vordering, bepaald zoals voorzien in de artikelen 557 tot 562 en artikel 618 Ger. W., zich in de schijf tussen 100.000,01 en 250.000,00 euro bevindt, bedraagt het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding 7.848,84 euro voor de procedure in hoger beroep.

BESLISSING VAN HET HOF

Het hof doet recht op tegenspraak;

Het hof beslist ais volgt:

 het hoger beroep van de appellant is ontvankelijk en gegrond ais volgt;

 het bestreden vonnis wordt vernietigd, behoudens waar het de oorspronkelijke vordering van de geïntimeerde ontvankelijk verklaart;

 het hof doet opnieuw recht ten gronde en verklaart de vorderingen van de geïntimeerde ongegrond;

 het hof veroordeelt de geïntimeerde tot het betalen van de gerechtskosten van de

beide instanties, vastgesteld ais volgt:

- aan de kant van de appellant:

 bijdrage begrotingsfonds hoger beroep: 24,00 euro

 rechtsplegingsvergoeding hoger beroep: 7.848,84 euro

- aan de kant van de geïntimeerde (doch te haren laste blijvend):

 bijdrage begrotingsfonds eerste aanleg: 22,00 euro

Aldus gewezen en uitgesproken in de openbare terechtzitting van het hof van beroep te Gent, VIJFDE KAMER, recht doende in fiscale zaken, op 1 april 2025.

Aanwezig:

F.C., raadsheer, wn. voorzitter, alleenrechtsprekend

J.D., griffier

Referentie WF

Finaliti 55242089/01 en 55290689/01

Aangehaalde teksten

6
WBTW art. 2120 voorkomens
WBTW art. 517 voorkomens
WBTW art. 594 voorkomens
WBTW art. 53sexies2 voorkomens
WBTW art. 912 voorkomens

Vergelijkbare beslissingen

8