Fiche van de FOD Financiën
Arrest van het Hof van beroep te Gent d.d. 22.11.2011
Samenvatting niet beschikbaar
Tekst van het arrest
Tekst van de beslissing
Hof van beroep te Gent, 5e kamer - terechtzitting van 22-11-2011
BELASTINGEN
Nr. 2010/AR/2420
in de zaak van :
G. G., wonende te …, …,
appellant,
hebbende als raadsman mr. G. B., advocaat te …, …
tegen :
DE BELGISCHE STAAT, in de persoon van de Minister van Financiën, vertegenwoordigd door de Gewestelijke Directeur van het AOIF - Directie BTW te Brugge, wiens kantoren gevestigd zijn te 8000 BRUGGE, Katelijnestraat 7,
geïntimeerde,
hebbende als raadsman mr. D. S. L., advocaat te …, …
spreekt het Hof het volgend arrest uit :
1. Bij fiscaal verzoekschrift neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge op 8.4.2009 stelde de appellant verzet in tegen het dwangbevel (RCN nr. …), uitgevaardigd door M. C., eerstaanwezend inspecteur a.i. van het ontvangkantoor BTW Kortrijk 2, op 26.2.2009, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 18.3.2009 door P. L., waarnemend directeur, aangewezen door de gewestelijk directeur van de belasting over de toegevoegde waarde te Brugge.
In dit dwangbevel werd opgenomen als schuld ten laste van de appellant: een bedrag van … EUR aan BTW een geldboete van … EUR krachtens artikel 70, § 1 BTW-wetboek, samen … EUR, vermeerderd met de moratoire intrest over de nog verschuldigde bedragen die loopt vanaf de kennisgeving of betekening van dit dwangbevel ingevolge artikel 91, § 4 BTWwetboek, en de vervolgingskosten.
Voor de eerste rechter vorderde de appellant dat het dwangbevel zou worden vernietigd, en dat voor recht zou worden gezegd dat de appellant met betrekking tot de verbouwingen aan een onroerend goed gelegen te … (…), …, toepassing kan maken van het verlaagd BTWtarief van 6 %, in toepassing van artikel 1, tweede lid van het KB nr. 20 van 20.7.1970 in samenhang met rubriek XXXI, § 1, 1° van tabel A van de bijlage bij het KB nr. 20 van 20.7.1970. Verder vorderde de appellant dat de geïntimeerde zou worden veroordeeld om de teveel betaalde belasting terug te betalen op de door de wet bepaalde wijze.
Bij vonnis van 8.3.2010 van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge, vierde kamer, werd de vordering van de appellant toelaatbaar doch ongegrond verklaard en werd de appellant veroordeeld tot de kosten.
Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het hof van beroep te Gent op 10.9.2010 heeft de appellant hoger beroep ingesteld tegen het vermelde vonnis. Het blijkt niet dat dit vonnis werd betekend of dat de appellant erin zou hebben berust.
Het hoger beroep is tijdig en regelmatig.
Het hoger beroep strekt ertoe het bestreden vonnis te horen tenietdoen en de oorspronkelijke vordering van de appellant te horen toewijzen.
De geïntimeerde van zijn kant vordert dat het hoger beroep ongegrond zou worden verklaard.
2. Tussen de partijen bestaat betwisting over de vraag of de bouwwerken door de appellant uitgevoerd ter plaatse van het pand gelegen te …, … te beschouwen zijn als handelingen bepaald in cijfer XXXI, § 1 van Tabel A, bijlage bij het KB nr. 20 d.d. 20.7.1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en diensten bij die tarieven, namelijk handelingen die de omvorming, renovatie, rehabilitatie, verbetering, herstelling, met uitsluiting van de reiniging, geheel of ten dele tot voorwerp hebben (BTW-tarief 6 %; stelling van de appellant) of niet (BTW-tarief 21 %; stelling van de geïntimeerde).
De wetgever heeft de vermelde handelingen niet nader gedefinieerd, zodat men hun de gebruikelijke betekenis dient te geven, gezien niet blijkt dat de wetgever van deze gebruikelijke betekenis heeft willen afwijken. Dit stemt niet noodzakelijk overeen met de criteria gehanteerd in de administratieve circulaire nr. 6 d.d. 22.8.1986.
De door het· KB gehanteerde begrippen "omvorming, renovatie, rehabilitatie, verbetering, herstelling met uitsluiting van de reiniging, geheel of ten dele" onderstellen een ingrijpen dat niet zover gaat dat met de werken in wezen tot nieuwbouw werd overgegaan.
De administratie heeft het BTW-tarief van 21 % toegepast op de facturen voor de bouwwerken, waarop slechts een BTW van 6 % was gefactureerd. Deze facturen bestrijken een periode die gaat van 15.7.2006 tot 27.1.2008 (zie het stuk 1 van de geïntimeerde).
Voor zover het gaat om belastbare feiten :
• van vóór 7.12007 ligt de bewijslast bij de geïntimeerde. Waar de geïntimeerde het tarief van 21 % wil toegepast zien voorzien bij artikel 1, 3° van het KB nr. 20 d.d. 20.7.1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven, en krachtens artikel 59, § 1, eerste lid BTW-wetboek de administratie de bewijslast draagt van de feiten die de verschuldigdheid van de belasting aantonen, behoort het de geïntimeerde aan te tonen dat de bouwwerken waarvan sprake niet vallen onder het tarief van 6 % en 12 % voorzien bij artikel 1, 1° en 2° van het KB nr. 20;
• vanaf 7.1.2007 ligt de bewijslast bij de appellant. Bij artikel 52 van de programmawet van 27.12.2006 werd artikel 1 van het KB nr. 20 (in werking getreden op 7.1.2007) gewijzigd als volgt :
"
Het normale tarief van de belasting over de toegevoegde waarde voor goederen en diensten bedoeld in het Wetboek bedraagt 21 %.
In afwijking van het eerste lid wordt de belasting geheven tegen het verlaagd tarief van :
a) 6 %. voor de goederen en diensten opgenomen in tabel A van de bijlage bij dit besluit. Dit verlaagd tarief mag evenwel niet toegepast worden als de diensten bedoeld in tabel A bijkomstig deel uitmaken van een complexe overeenkomst die hoofdzakelijk andere diensten tot voorwerp heeft;
b) 12 % voor de goederen en diensten opgenomen in tabel B van de bijlage bij dit besluit. "
Dit houdt in dat het tarief in beginsel 21 % bedraagt, tenzij de belastingplichtige aantoont dat de voorwaarden vervuld zijn voor het verlaagd tarief van 6 % of 12 %.
Er moet worden vastgesteld dat, vóór bouwwerken, de oorspronkelijke woning een oppervlakte besloeg van (zonder het WC buiten) 24,32 m lengte (gevels) en 6,30 m breedte (zie het stuk 10 van de geïntimeerde). Op de foto's (stukken 14 van de geïntimeerde) is te zien dat een deel van het gebouw lager is dan de rest van het gebouw, zo qua gevels als qua dakhoogte. Het gelijkvloers was ingericht voor bewoning en hiertoe onderverdeeld door muren, terwijl de zolder boven het grootste deel van de woning één ruimte was.
Vergelijking tussen de oude toestand (vóór bouwwerken) brengt het volgende aan het licht :
• de zolder werd vervangen door een verdieping in het dak met volwaardige leefruimten, nl. een overloop, drie kamers, een badkamer en een WC. Waar de vroegere zolder volledig dicht was, zijn aan elke gevel aan weerszijden van de woning dakkapellen aangebracht (in totaal zes) ter verlichting van elk van de kamers, de badkamer, de overloop en de trap (zie het stuk 12 van de geïntimeerde en het stuk 2 van de appellant);
• het dak werd niet verhoogd, maar het dakgebinte van de oorspronkelijke zolder werd vervangen, en bovenop de bestaande roostering (zoldervloer) werden staltongewelven aangebracht (zie de conclusie door de appellant neergelegd ter griffie van het hof van beroep te Gent op 28.2.2011, p. 7);
• de oorspronkelijke dakpannen werden hergebruikt voor de dakbedekking (zie dezelfde conclusie, dezelfde blz.);
• van de gevelmuren werden de binnenmuren voor een groot deel behouden, waartegen isolatie werd aangebracht, vervolgens een spouw werd gelaten en parementsmetselwerk werd geplaatst (zie de aangehaalde conclusie van de appellant, blz. 8, en het stuk; 2 van de appellant);
• op het gelijkvloers werden de gevelmuren van wat de woonkamer is geworden (met erboven een open ruimte) volledig vervangen (over een lengte van (6 m x 2) + 6 m, en over nog eens 2 x 3,16 m); ook de muur rond het WC werd volledig vervangen om tot een nieuw buitentoilet te komen (2,50 m + (2 x 1,50 m)) (zie het stuk 12 van de geïntimeerde);
• van de binnenmuren op het gelijkvloers zijn drie binnenmuren vervangen, over een totale lengte van ongeveer 9 m (op een totaal van 8 binnenmuren) (zie het stuk 12 van de administratie);
• voor de garage werd een deel van een bestaande binnenmuur verwijderd (zie het stuk 12 van de geïntimeerde);
• ook voor de keuken werden vijf bestaande binnenmuren verwijderd (zie hetzelfde stuk);
• de trap naar de zolder (die de trap naar de eerste verdieping is geworden) werd verplaatst (vergelijk het stuk 12 van de geïntimeerde met het stuk 10 van de geïntimeerde); op de plaats waar de vroegere trap stond is een deel van de keuken gekomen.
Deze gegevens leiden tot het besluit dat de bouwwerken niet meer kunnen beschouwd worden als een handeling die de omvorming, renovatie, rehabilitatie, verbetering, herstelling, met uitsluiting van de reiniging, geheel of ten dele tot voorwerp heeft, maar dat zij een nieuwbouw tot stand brengen.
De zolder werd omgezet in een volledige bewoonbare en voor bewoning ingerichte en ingedeelde bovenverdieping, en werd uiteindelijk quasi volledig heropgericht. Hieraan doet geen afbreuk het feit dat de oorspronkelijke dakpannen werden hergebruikt, het dak niet hoger werd gebouwd dan vroeger, evenmin de bewering van de appellant dat de staltongewelven werden aangebracht bovenop de bestaande oude roostering in plaats van alleenstaand te worden geplaatst (waarbij deze gewelven hoe dan ook een draagvloer tot stand brengen).
Zo men begrip kan opbrengen voor de stelling van de appellant dat ernstige veroudering noodgedwongen met zich brengt dat veel werk moet gebeuren om aan de moderne normen van comfort en salubriteit te voldoen, dan neemt dit niet weg dat dergelijke vetste toestand tot gevolg kan hebben dat omvorming, renovatie, enz ... niet meer kunnen gebeuren en tot nieuwbouw moet worden overgegaan.
Ook het gelijkvloers werd in niet geringe mate gewijzigd: van de gevelmuren werden enkel (het grootste deel van) de binnenmuren behouden, de hoger vermelde binnenmuren werden afgebroken, nieuwe binnenmuren werden opgericht, de trap werd verplaatst.
Uiteindelijk werd slechts een beperkt gedeelte van de oude woning in zijn vroegere toestand behouden.
Dat de appellant ernaar gestreefd heeft het uitzicht en de vorm van het bestaande gebouw zoveel mogelijk te behouden, en hij hierin ook is geslaagd (met dien verstande dat de woning van vervallen toestand tot een mooie villa geworden is, zie de foto's stuk 14 van de geïntimeerde), is te dezen (in acht genomen de hoger aangehaalde gegevens) niet van aard om de kwalificatie in nieuwbouw te verhinderen.
Beschikkend gedeelte
OP DEZE GRONDEN,
HET HOF, rechtdoende op tegenspraak,
Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken;
Ontvangt het hoger beroep doch verklaart het ongegrond;
Bevestigt het bestreden vonnis;
Veroordeelt de appellant tot de kosten van het hoger beroep en begroot deze in hun geheel als volgt :
• aan de zijde van de appellant : op … EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep;
• aan de zijde van de geïntimeerde : op … EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep.
Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, vijfde kamer, recht doende in fiscale zaken, op TWEEËNTWINTIG NOVEMBER TWEEDUIZEND EN ELF.
Aanwezig de Heren :
A. D. M., Kamervoorzitter, Voorzitter,
G. T. en D. V., Raadsheren,
M. V., griffier.
M. V. D. V. G. T. A. D. M.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.