Fiche van de FOD Financiën
Arrest van het Hof van beroep te Gent d.d. 12.05.2009
Samenvatting niet beschikbaar
Tekst van het arrest
Tekst van de beslissing
Hof van beroep te Gent d.d. 12.05.2009
2007/AR/1858
in de zaak van :
V. J., advocaat te …, …,
In diens hoedanigheid van vereffenaar van M. BVBA, met zetel te …, … ingeschreven met KBO-nummer …,
appellant q.q.,
hebbende als raadsman mr. G. K., advocaat te …, …
tegen :
BELGISCHE STAAT - FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIEN, in de persoon van de Ontvanger van het 1e BTW-Ontvangkantoor KORTRIJK, met kantoren te 8500 KORTRIJK, Hoveniersstraat 31,
geïntimeerde,
hebbende als raadsman mr. W. F., advocaat te …, …
Wijst het hof het volgend arrest :
Het Hof nam kennis van de op 16 april 2007 door de beslagrechter in de rechtbank van eerste aanleg te Kortrijk verleende beschikking, waartegen appellant, met zijn op 19 juli 2007 ter griffie neergelegd verzoekschrift, tijdig en op regelmatige wijze hoger beroep heeft ingesteld.
Partijen werden gehoord in openbare terechtzitting van 14 april 2009 en de neergelegde conclusies en stukken werden ingezien.
Artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werd in acht genomen.
I. VOORGAANDEN
1. Met de geding inleidende akte van 16 juni 2005 tekende appellant q.q. verzet aan tegen vier aan haar betekende dwangbevelen, die werden uitgevaardigd door geïntimeerde en heeft hij geïntimeerde gedagvaard voor de beslagrechter in de rechtbank van eerste aanleg te Brugge.
2. Appellant q.q. is de vereffenaar van de PVBA M., die bij vonnis van de rechtbank van Koophandel te Kortrijk van 19 januari 1978 onder gerechtelijk akkoord werd geplaatst.
Door de PVBA M. werd voor de periode van november 1976 tot maart 1978 de door haar verschuldigde BTW niet of niet tijdig betaald. Voor deze verschuldigde BTW, voor de krachtens artikel 91 van het BTW-Wetboek verschuldigde intresten, alsook voor de krachtens artikel 70, § 1 van het BTW-Wetboek verschuldigde boetes werden door geïntimeerde overeenkomstig artikel 85 BTW-Wetboek respectievelijk vier uitvoerbaar verklaarde dwangbevelen uitgevaardigd :
- dwangbevel van 13 september 1977, uitvoerbaar verklaard op 23 september 1977 voor de belastingschuld over de periode maart tot en met mei 1977, en gekend onder nr. …, (oud Leg. 28, deel 114, art. 221) voor een bedrag van … Bef in hoofdsom en … Bef aan verschuldigde boetes.
- dwangbevel van 20 juni 1977, uitvoerbaar verklaard op 27 juni 1977 voor de belastingschuld over de periode november en december 1976 en januari 1977, en gekend onder nr. … (oud Leg. 28, deel 114, art. 40) voor een bedrag van … Bef in hoofdsom en … Bef aan verschuldigde boetes.
- dwangbevel van 15 april 1993, uitvoerbaar verklaard op 16 april 1993 voor de belastingschuld over de periode van september tot en met november 1977, en gekend onder nr. … (oud Leg. 28, deel 124, art. 138) voor een bedrag van … Bef in hoofdsom, … Bef intrest en …. Bef aan verschuldigde boetes. Dit dwangbevel werd ter kennis gebracht op 22 april 1993.
- dwangbevel van 15 april 1993, uitvoerbaar verklaard op 16 april 1993 voor de belastingschuld over de periode van januari tot en met maart 1978, en gekend onder nr. … (oud Leg. 28, deel 130, art. 199) voor een bedrag van … Bef in hoofdsom, … Bef intrest en … Bef aan verschuldigde boetes. Dit dwangbevel werd ter kennis gebracht op 22 april 1993.
3.1. Door één der vereffenaars van de PVBA M. werd op 18 mei 1979 en op 3 juli 1979 een akte ondertekend waarbij hij, in zijn hoedanigheid van vereffenaar van de PVBA M., vrijwillig en eenvoudig afstand van de verlopen tijd van de verjaring heeft gedaan. Ingevolge de bepalingen van artikel 83, 2e lid BTW-Wetboek wordt deze afstand ten aanzien van haar gevolgen gelijkgesteld met een stuiting van de verjaring. De verjaringstermijn bedroeg volgens de toen vigerende wetgeving twee jaar.
3.2. Met exploot van 7 augustus 1981 werd geïntimeerde gedagvaard door de vereffenaars van de PVBA M. voor de rechtbank van eerste aanleg te Kortrijk. Met deze procedure vorderden de vereffenaars de doorhaling van een aantal hypothecaire inschrijvingen die waren genomen door geïntimeerde tot zekerheid van de belastingschulden gekend onder nr. … (oud Leg. 28, deel 114, art. 40) en onder nr. … (oud Leg. 28, deel 114, art. 221). In essentie voerden zij daartoe aan dat de invordering· van de belastingschuld verjaard was, dat de afstand onwettig gedaan was, gezien deze slechts ondertekend was· door één der vereffenaars, en deze de andere vereffenaars niet kon binden.
3.3. Bij vonnis van 12 januari 1988 van de rechtbank van eerste aanleg te Kortrijk werd de vordering van de vereffenaars afgewezen als ontvankelijk doch ongegrond. Het vonnis werd betekend op 9 juni 1988, zodat het thans kracht van gewijsde kent.
4. In de loop van deze procedure werd door appellant q.q. de verschuldigde BTW meer de verschuldigde intrest voldaan, zodat thans enkel nog de invordering van de geldboetes voorligt.
5.1. Voor de belastingschuld gekend onder nr. … (oud Leg. 28, deel 114; art. 221) werd door geïntimeerde respectievelijk op 22 april 1993, op 29 september 1997 en op 5 maart 2002 kennis gegeven aan appellante van het dwangbevel van 13 september 1977 conform artikel 85, § 1 van het BTW-Wetboek.
5.2. Voor de belastingschuld gekend onder nr. … (oud Leg. 28, deel 114, art. 40) werd door geïntimeerde respectievelijk op 11 juni 1991, op 24 april 1996, op 26 januari 2001 en op 3 maart 2005 kennis gegeven aan appellante van het dwangbevel van 20 juni 1977 conform artikel 85, § 1 van het BTW-Wetboek.
5.3. Voor de belastingschuld gekend onder nr. … (oud Leg. 28, deel 124, art. 138) werd door geïntimeerde op 15 april 199·3 een dwangbevel uitgevaardigd, dat uitvoerbaar verklaard werd op 16 april 1993 en ter kennis werd gebracht aan appellante conform artikel 85, § 1 van het BTW-Wetboek respectievelijk op 22 april 1993, op 29 september 1997 en op 5 maart 2002.
5.4. Voor de belastingschuld gekend onder nr. … (oud Leg. 28, deel 130, art. 199) werd door geïntimeerde op 15 april 1993 een dwangbevel uitgevaardigd, dat uitvoerbaar verklaard werd op 16 april 1993 en ter kennis werd gebracht aan appellante conform artikel 85, § 1 van het BTW-Wetboek respectievelijk op 22 april 1993, op 29 september 1997 en op 5 maart 2002.
6.1. Met de geding inleidende akte van 16 juni 2005 tekende appellant q.q. verzet aan tegen vier dwangbevelen, dagvaardt hij geïntimeerde voor de rechtbank van eerste aanleg te Brugge en vordert :
"Huidig verzet ontvankelijk en gegrond te verklaren.
De dwangbevelen waartegen verzet te zien en horen vernietigen en mijn verzoeker qualitate qua te horen ontlasten van alle veroordelingen tegen hem erin uitgesproken;
Gedaagde zich te horen veroordelen tot terugbetaling aan mijn verzoeker van alle sommen die hij op basis van deze vernietigde dwangbevelen zou hebben ingevorderd of ingehouden of anderzijds onder zich zou houden."
Appellant q.q. voert daartoe in essentie aan dat de boetes voor de belastingschuld gekend onder nr. … (oud Leg. 28, deel 114, art. 221) en gekend onder nr. … (oud Leg. 28, deel 114, art. 40) werden kwijtgescholden door de administratie, minstens dat de invordering daarvan verjaard is. Ondergeschikt stelt appellant dat het gevorderde bedrag te hoog is, en de boetes moeten worden kwijtgescholden, minstens herleid moeten worden.
Met betrekking tot de boetes voor de belastingschulden gekend onder nr. … (oud Leg. 28, deel 124, art. 138) en onder nr. … (oud Leg. 28, deel 130, art. 199) staat appellant q.q. voor dat deze verjaard zijn, zodat deze niet langer kunnen worden ingevorderd.
6.2. Geïntimeerde besluit tot de ongegrondheid van het verzet en vordert te horen zeggen voor recht dat geen verjaring is ingetreden voor haar schuldvorderingen op de PVBA M..
6.3. Nadat de rechtbank van eerste aanleg te Brugge de zaak bij vonnis van 18 december 2006 verzonden heeft' naar de beslagrechter in de rechtbank van eerste aanleg te Kortrijk, wordt door de eerste rechter bij beschikking van 16 april 2007 als volgt beslist : .
"Verklaren het verzet van eiser q.q. ontvankelijk en slechts gegrond in die mate dat voor recht wordt gezegd dat de boeteverhoging met 50 % aangerekend ingevolge de kennisgeving van het dwangbevel conform artikel 2 van het KB nr. 41 niet is verschuldigd en de vordering van verweerder aldus dient herleid;
Wijzen het verzet voor het overige af als ongegrond;"
7.1. Met zijn hoger beroep beoogt appellant q.q. de vernietiging van de bestreden beschikking en vordert hij, opnieuw recht doende, zijn oorspronkelijke verzet gegrond te verklaren, te zeggen voor recht dat de invordering van de vier dwangbevelen vervallen is, hetzij wegens betaling, hetzij wegens verjaring en geïntimeerde te veroordelen tot terugbetaling van al hetgeen op grond van de verjaarde dwangbevelen werd ingevorderd. Appellant q.q. vordert tevens geïntimeerde te verwijzen in de aan zijn zijde begrote kosten van het geding.
7.2. Geïntimeerde besluit tot de afwijzing als ongegrond van het hoger beroep. Zij vordert tevens appellant q.q. te veroordelen tot de kosten van het geding.
8. De feiten en de overige voorgaanden, de argumenten, middelen en grieven van partijen en de motiveringen van de eerste rechter worden - in zoverre ze dienend zijn - verder uiteengezet en ontmoet bij de beoordeling.
II. BEOORDELING
1.1. Appellant q.q. staat voor dat de boetes voor de belastingschulden gekend onder nr. … (oud Leg. 28, deel 114, art. 221) en gekend onder nr. … (oud Leg. 28, deel 114, art. 40) werden kwijtgescholden door de administratie, minstens dat de invordering daarvan verjaard is, zodat de respectievelijk op 5 maart 2002 en op 3 maart 2005 betekende dwangbevelen dan ook nietig zijn.
Appellant q.q. voert daartoe in essentie aan dat de zij met de akte van 3 juli 1978 enkel had verzaakt aan de verjaring van de verschuldigde BTW en de intresten, doch geenszins aan de opgelegde boetes, zodat aan deze akte - wat de boetes betreft - geen verjaringsstuitende werking kan worden verleend in de zin van artikel 83, § 2 van het BTW-Wetboek.
Ondergeschikt stelt appellant q.q. dat - indien aan de akte van 3 juli 1978 een verjaringsstuitende werking dient te worden toegeschreven - de verjaring van de invordering van de boetes niet geschorst werd door de procedure gevoerd voor de rechtbank van eerste aanleg te Kortrijk, ingeleid bij dagvaarding van 7 augustus 1981, en beëindigd bij vonnis van 12 januari 1988, nu deze procedure uitging van appellant q.q. en deze procedure enkel de doorhaling beoogde van de hypothecaire inschrijving, zodat de invordering van deze boetes ten laatste op 3 juli 1984 verjaard was.
Nog aangenomen dat de procedure voor de rechtbank van eerste aanleg schorsend werkt, dan nog is de invordering van de boetes verjaard volgens appellant q.q., gezien de schorsende werking hoe dan ook een einde nam met het vonnis van 12 januari 1988, en het eerste daaropvolgende dwangbevel dateert van 26 april 1993, dit is meer dan vijf jaar later, zodat minstens op grond daarvan tot de verjaring dient te worden besloten.
1.2. Met betrekking tot de boetes voorde belastingschulden gekend onder nr. … (oud Leg. 28, deel 124, art. 138) en onder nr. … (oud Leg. 28, deel 130, art. 199), houdt appellant q.q. voor dat deze hoe dan ook verjaard zijn, nu de procedure voor de rechtbank van eerste aanleg te Kortrijk, geen betrekking had op deze belastingschulden of de op grond daarvan verschuldigde boetes, zodat aan deze procedure geen enkele verjaringsstuitende of schorsende werking kan worden toegekend, en, nog aangenomen dat de boetes rechtsgeldig werden gestuit met de akte van afstand van 3 juli 1978, dateert de eerst daaropvolgende stuitingsdaad die door geïntimeerde werd gesteld van 15 april 1993, zodat de boetes manifest verjaard zijn.
2. Geïntimeerde van haar kant stelt dat de verjaring van de invordering van de belastingschuld en de boetes rechtsgeldig gestuit werd door de door appellant q.q. gedane afstand van verjaring van 3 juli 1983, dat deze verjaring bovendien geschorst werd door en tijdens de procedure voor de rechtbank van eerste aanleg·te Kortrijk en dit vanaf 7 augustus 1981 tot 12 januari 1988, en nadien rechtsgeldig gestuit werd door enerzijds de betekening van het vonnis van 12 januari 1988 op 9 juni 1988, en anderzijds door de opvolgende betekening van de dwangbevelen, die telkenmale geschiedde alvorens de termijn van vijf jaar bereikt was, zodat haar vordering geenszins verjaard is.
3.1. Waar appellant q.q. voorhoudt dat de boetes werden kwijtgescholden door geïntimeerde en dat met de akte van 3 juli 1978 enkel verzaakt werd aan de verjaring van de verschuldigde BTW en de intresten, maar niet aan de opgelegde boetes, treedt het hof dit standpunt niet bij.
3.2. Weliswaar betwist geïntimeerde niet dat bij directorale beslissing van 26 juni 1979, die zich echter niet in het dossier bevindt, de boetes voor de vier betwiste belastingschulden zouden worden kwijtgescholden, doch dit enkel op voorwaarde dat het bevoorrecht gedeelte van de schuldvordering, te weten de eigenlijke belastingschuld meer de intresten en kosten spontaan betaald werden en onder voorwaarde dat appellant q.q. een akte ondertekende waarbij afstand werd gedaan van de verlopen tijd der verjaring. Hoewel appellant q.q. met de akte van 3 juli 1979 had verzaakt aan de verlopen termijn van verjaring, werd de schuldvordering slechts betaald in september 1985, hetzij meer dan zes jaar na de beslissing van de gewestelijk directeur, zodat dit onmogelijk als een spontane betaling kan beschouwd worden; en het bijgevolg niet naar genoegen van recht bewezen is dat de boetes werden kwijtgescholden.
Evenmin kan appellant q.q. bijgetreden worden waar deze stelt dat enkel verzaakt werd aan de verjaring van de BTW-schuld en de intresten, doch niet aan de boetes. De afstand van de verlopen tijd van de verjaring als bedoeld in artikel 83, § 2 van het BTW-Wetboek is ten aanzien van zijn gevolgen gelijkgesteld met de in artikel 83, § 1 van het BTW-Wetboek bedoelde stuiting. Art. 83, § 1 van het BTW-Wetboek bepaalt dat de verjaring gestuit wordt op de wijze en onder de voorwaarden bepaald bij artikel 2244 van het Burgerlijk Wetboek. De stuiting van de lopende verjaring als bedoeld in artikel 2244 van het Burgerlijk Wetboek strekt zich niet enkel uit ten aanzien van de hoofdverbintenis maar ook ten aanzien van de bijkomende verbintenissen en aanhorigheden, zoals de verschuldigde boetes (Cass. 36 november 1990, R.W 1990-1991, 1302; Cass. 24 april 1992, R. W 1992-1993,236).
Aan de akte van 3 juli 1979 moet bijgevolg een verjaringsstuitende werking worden verleend in de zin van artikel 83, § 2 van het BTW-Wetboek voor de vier boetes, voorwerp van huidig geschil.
4. Ten onrechte wordt door geïntimeerde - daarin in subsidiaire orde gedeeltelijk bijgetreden door appellant q.q. - een schorsende werking ten overstaan van de vier boetes toegekend aan de procedure voor de rechtbank van eerste aanleg te Kortrijk en dit vanaf de inleiding op 7 augustus 1981 tot 12 januari 1988, datum waarop eindvonnis werd verleend.
Artikel 83, § 1, 2e lid van het BTW-Wetboek bepaalt dat elk rechtsgeding met betrekking tot de toepassing of de invordering van de belasting dat wordt ingesteld door de Belgische Staat, door de schuldenaar van deze belasting of door ieder ander persoon die gehouden is tot de betaling van de schuld op grond van dit Wetboek, van de besluiten genomen ter uitvoering ervan of van het gemeen recht, de verjaring schorst en dat deze schorsing aanvangt met de akte van rechtsingang en eindigt wanneer de rechterlijke beslissing in kracht van gewijsde is gegaan.
Deze bepaling werd ingevoerd bij artikel 56 van de Wet van 15 maart 1999 (B.S., 27 maart 1999), doch is blijkens artikel 97 van dezelfde wet slechts van toepassing op de belastingen, interesten en fiscale boeten wanneer de oorzaak van eisbaarheid zich heeft voorgedaan ten vroegste op 1 januari 1999.
Aangezien de oorzaak van de eisbaarheid zich situeert in de periode van november 1976 tot en met maart 1978, kan deze procedure geen verjaring schorsende werking hebben, zoals door geïntimeerde voorgestaan.
5.1. In de mate dat geïntimeerde voorstaat dat deze procedure stuitende werking kent, treed het hof dit standpunt in de volgende mate en om de hiernavolgende redenen bij.
5.2. Artikel 83, § 1 van het BTW-Wetboek bepaalt dat zowel ten aanzien van de voldoening als ten aanzien van de teruggaaf van de belasting, de interesten en de administratieve geldboeten, de verjaring wordt gestuit op de wijze en onder de voorwaarden bepaald bij de artikelen 2244 en volgende van het Burgerlijk Wetboek. Artikel 2244 van het Burgerlijk Wetboek stelt dat een dagvaarding voor het gerecht, een bevel tot betaling, of een beslag, betekend aan hem die men wil beletten de verjaring te verkrijgen, een burgerlijke stuiting vormen. Een dagvaarding voor het gerecht stuit bovendien de verjaring tot het tijdstip waarop een definitieve beslissing wordt uitgesproken.
Met het geding inleidend exploot van 7 augustus 1981 werd geïntimeerde gedagvaard door appellant q.q. voor de rechtbank van eerste aanleg te Kortrijk. Met deze procedure vorderde appellant q.q. de doorhaling van een aantal hypothecaire inschrijvingen die waren genomen door geïntimeerde tot zekerheid van de belastingschulden gekend onder nr. … (oud Leg. 28, deel 114, art. 40) en onder nr. … (oud Leg. 28, deel 114, art. 221).
5.3. Ten onrechte tracht appellant q.q. staande te houden dat deze procedure enkel betrekking had op de hypothecaire inschrijvingen, en de belasting en de daarbij horende boetes geen voorwerp waren van het geschil. Uit de door appellant q.q. meegedeelde stukken komt vast te staan dat met deze procedure niet enkel de rechtsgeldigheid van deze hypothecaire inschrijving werd betwist maar dat de invorderbaarheid van de belastingschulden en boetes eveneens werd betwist, en aldus tot het voorwerp van deze procedure behoorde, minstens daarin virtueel begrepen zijn, zodat deze procedure bijgevolg het karakter kent van een betwisting over de voldoening van de boetes, zoals bedoeld in artikel 83, § 1 van het BTW-Wetboek, en aldus verjaringsstuitend werking kent in de zin van artikel 2244 van het Burgerlijk Wetboek (Cass. 17 maart 2003, R.W., 2003-2004,895).
5.4. Appellant q.q. kan evenmin bijgetreden worden waar hij voorhoudt dat aan de dagvaarding geen stuitende werking kan worden verleend, nu zij uitging van de belastingplichtige, en aldus niet zou voldoen aan de voorwaarden, als bepaald in artikel 2244 van het Burgerlijk Wetboek.
Dit artikel bepaalt dat de dagvaarding, betekend aan hem die men wil beletten de verjaring te verkrijgen, een burgerlijke stuiting vormt, waaruit volgt dat de dagvaarding moet uitgaan van de degene die de verjaring wil beletten, te weten de schuldeiser, in casu geïntimeerde en deze stuiting bijgevolg enkel strekt ten voordele van degene die de stuitingsdaad heeft verricht (Cass., 3 maart 2003, R.W., 2004-2005, 466).
Artikel 83, § 1 van het BTW-Wetboek bepaalt echter dat de verjaring wordt verkregen vijf jaar na de laatste stuiting van de vorige verjaring, indien geen rechtsgeding hangend is. Het geding, gevoerd voor de rechtbank van eerste aanleg te Kortrijk is een geding in de zin van voormelde wetsbepaling, waarbij het niet noodzakelijk is - anders dan voor de toepassing van artikel 2244 van het Burgerlijk Wetboek - dat dit geding uitgaat van schuldeiser. Het geding, ingeleid door de belastingplichtige, heeft eveneens voor gevolg dat de verjaring gestuit word, en dit voor de loop van de duurtijd, zodat de verjaring gedurende de loop van het geding niet kan verkregen worden (Cass., 16 oktober 2008, www.cass.be).
5.5. Bovendien werd in het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Kortrijk uitdrukkelijk gesteld dat de vordering. van geïntimeerde niet verjaard is. Het hof is ten deze gebonden door het gezag van gewijsde waarmee dit vonnis bekleed is.
Het gezag van het rechterlijk gewijsde geldt :
- voor hetgeen de rechter heeft beslist over een geschilpunt dat hem door partijen expliciet of impliciet ter beslissing was onderworpen en waarover zij tegenspraak hebben kunnen voeren ongeacht of die beslissing voorkomt in het beschikkend gedeelte dan wel in het overwegend gedeelte (Cass., 28 april 1994, Arr. Cass., 1994, 384; B., MAES, Inleiding tot het gerechtelijk privaatrecht, Brugge, Die Keure, ed. 2001, pag. 190);
- voor de redenen waarop de beslissing noodzakelijk steunt (Cass., 15 maart 1991, Arr. Cass., 1990-91, 739);
- bij toepassing van artikel 24 van het Gerechtelijk Wetboek, uitsluitend voor eindbeslissingen: dit zijn vonnissen waarmee de rechtsmacht van de rechter over een geschilpunt uitgeput is (artikel 19, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek).
Het gezag van het rechterlijk gewijsde heeft een zogenaamd “negatief” gevolg, wat betekent dat de vordering niet meer opnieuw kan worden ingesteld en dat zij kan stuiten op de bij artikel 25 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalde (en op te werpen) exceptie van gewijsde.
Het gezag van het rechterlijk gewijsde heeft ook een zogenaamd gevolg van materiële en 'positieve' aard, wat betekent dat de beslissing, waardoor over een geschil uitspraak wordt gedaan, constateert dat een partij al dan niet over een recht beschikt en al dan niet een recht of een geformuleerde aanspraak toekent. De partijen kunnen zich voortaan op de rechterlijke toekenning of afwijzing van deze rechten beroepen. Artikel 24 van het Gerechtelijk Wetboek maakt de verwoording uit van het vermoeden van de rechterlijke waarheid.
Het gezag van het rechterlijk gewijsde blijft, bij toepassing van artikel 26 van het Gerechtelijk Wetboek, bestaan zolang de beslissing niet ongedaan is gemaakt.
5.6. Op grond van voorgaande overwegingen dient te worden besloten dat de procedure gevoerd voor de rechtbank van eerste aanleg te Kortrijk stuitende werking heeft voor de belastingschulden gekend onder nr. … (oud Leg. 28, deel 114, art. 40) en onder nr. … (oud Leg. 28, deel 114, art. 221), en dit tot aan de datum van het eindvonnis van 12 januari 1988.
5.7. Anders dan de eerste rechter is het hof echter van oordeel dat deze procedure geen stuitende werking heeft voor de belastingschulden gekend onder nr. … (oud Leg. 28, deel 124, art. 138) en gekend onder nr. … (oud Leg. 28, deel 130, art. 199).
Met deze procedure vorderde appellant q.q. immers enkel de doorhaling van de hypothecaire inschrijvingen die waren genomen door geïntimeerde tot zekerheid van de belastingschulden gekend onder nr. … (oud Leg. 28, deel 114, art. 40) en onder nr. … (oud Leg. 28, deel 114, art. 221).
De belastingschulden gekend onder nr. … (oud Leg. 28, deel 124, art. 138) en gekend onder nr. … (oud Leg. 28, deel 130, art. 199) maakten bijgevolg nooit het voorwerp uit van de betwisting gevoerd voor de rechtbank van eerste aanleg te Kortrijk, en zijn evenmin als aanhorigheden van de andere belastingschulden te beschouwen. Het betrof onderscheiden belastingschulden, zodat geïntimeerde niet kan bijgetreden worden waar zij voorhoudt dat deze procedure verjaringsstuitende werking heeft ten overstaan van deze belastingschulden.
5.8. Aangezien de akte van 3 juli 1979 de laatste stuitingsdaad is en de verjaringstermijn terzake vijf jaar bedraagt (artikel 81 BTW-Wetboek), is de invordering van de belastingschulden, intresten en boetes gekend onder nr. … (oud Leg. 28, deel 124, art. 138) en gekend onder nr. … (oud Leg. 28, deel 130, art. 199) bijgevolg verjaard sedert 4 juli 1984.
6.1. Met betrekking tot de belastingschulden gekend onder nr. … (oud Leg. 28, deel 114, art. 40) en onder nr. … (oud Leg. 28, deel 114, art. 221) kan aan de akte van betekening van 9 juni 1988 van het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Kortrijk van 12 januari 1988 geen stuitende werking worden verleend. Met voormeld exploot werd het vonnis door geïntimeerde betekend aan appellant q.q.. Blijkens de vermeldingen in het exploot werd enkel kennis gegeven van het tussengekomen vonnis, doch werd met dit exploot geen bevel tot betalen gedaan, of enige andere daad gesteld, als bedoeld in artikel 2244 van het Burgerlijk Wetboek, zodat daaraan geen stuitende werking kan worden verleend.
Anders dan in geval van schorsing van de verjaring, zoals voorzien in artikel 83, § 1, 2e lid van het BTW-Wetboek, waarbij de schorsing eindigt wanneer de rechterlijke beslissing in kracht van gewijsde is gegaan, duurt de stuiting der verjaring overeenkomstig artikel 83, § 1, 1e lid BTW Wetboek, dat artikel 2244 van het Burgerlijk Wetboek van toepassing verklaart, tot op de dag van de uitspraak van het vonnis dat een einde maakt aan het geding (Cass. 30 juni 1997, R.W. 1993-1994, 751), in casu 12 januari 1988, zodat ook om deze reden geen verjaringsstuitende werking aan de betekening kan verleend worden.
6.2. Blijkens de door geïntimeerde meegedeelde stukken werd door geïntimeerde voor de belastingschuld gekend onder nr. … (oud Leg. 28, deel 114, art. 40) respectievelijk op11 juni 1991, op 24 april 1996, op 26 januari 2001 .en op 3 maart 2005 kennis gegeven aan appellante van het dwangbevel van 20 juni 1977 conform artikel 85, § 1 van het BTW-Wetboek.
De verjaring die gestuit werd door de procedure voor de rechtbank van eerste aanleg te Kortrijk, en vanaf de datum van het tussengekomen vonnis van 12 januari 1988 opnieuw begon te lopen werd, aldus regelmatig en tijdig - binnen een termijn van vijf jaar- gestuit, zodat de invordering daarvan niet verjaard is.
6.3. Het hof neemt er akte van dat geïntimeerde, blijkens haar synthesebesluiten, neergelegd ter griffie op 8 februari 2008, niet langer aandringt op een boeteverhoging van 50 % en dat zij akkoord kan gaan met de handhaving van een boete van 10 %. Door appellant q.q. worden daaromtrent in zijn syntheseconclusie geen middelen of verweer aangevoerd, zodat de omvang van deze boete dan ook kan bepaald worden op 10 %.
6.4. Voor de belastingschuld gekend onder nr. … (oud Leg. 28, deel 114, art. 221) werd sedert het tussengekomen vonnis van 12 januari 1998 respectievelijk, op 22 april 1993, op 29 september 1997 en op 5 maart 2002 kennis gegeven aan appellante van het dwangbevel van 13 september 1977 conform artikel 85, § 1 van het BTW-Wetboek.
Gezien de eerst volgende kennisgeving van het dwangbevel sedert het tussengekomen vonnis van 12 januari 1988 dateert van 22 april 1993, is een termijn verlopen van meer dan vijf jaar tussen de beide stuitingsdaden, zodat de invordering van de belastingschuld conform artikel 81 van het BTW-Wetboek verjaard is.
7.1. Blijkens zijn conclusie, neergelegd ter griffie op 21 december 2007, vordert appellant q.q. :
"Geïntimeerde te veroordelen tot terugbetaling aan appellant van alle sommen die hij op basis van deze vernietigde dwangbevelen zou hebben ingevorderd of ingehouden of anderzijds onder zich zou houden."
Door geïntimeerde worden daartegen geen middelen of argumenten aangevoerd.
Aangezien het fiscaal recht van openbare orde is (Cass. 13 maart 1891, Pas., 1891, I, 94; Cass. 13 februari 1922, Pas., 1922, I, 165), en dus ook de verjaring van de vorderingen tot terugbetaling of teruggave, dient het hof zich ambtshalve de vraag te stellen of deze vordering tot terugbetaling van appellant q.q. niet eveneens verjaard is.
Teneinde de eventuele verjaring te kunnen beoordelen, is het eveneens noodzakelijk dat het hof wordt geïnformeerd omtrent de exacte datum van betaling. Daaromtrent wordt door geïntimeerde enkel vaag gesteld dat in "september 1985" betaald werd.
Partijen nemen evenmin standpunt omtrent de vraag of de verjaring inhoudt dat door deze verjaring, de belastingschuld zelf verdwijnt, dan wel of deze verjaring enkel tot gevolg heeft dat het vorderingsrecht in hoofde van geïntimeerde verdwijnt.
Het hof dient in deze omstandigheden, alvorens over de vordering tot terugbetaling te oordelen, de debatten te heropenen, teneinde partijen toe te laten de door het hof opgeworpen vragen met betrekking tot de verjaring van de vordering appellant q.q.. zo in rechte als in feite te onderbouwen, teneinde beide partijen toe te laten de verjaring te toetsen aan de gegevens van de zaak en de in de debatten ingebrachte stukken.
De zaak wordt daartoe verwezen naar de hierna bepaalde zitting teneinde de partijen te horen omtrent het onderwerp van de heropening en aan de partijen worden de hierna gezegde termijnen, als bepaald bij artikel 775, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, opgelegd voor het nemen van besluiten, mochten zij dit nuttig of nodig achten.
7.2. Alvorens verder te oordelen wordt de beslissing over de kosten aangehouden.
Beschikkend gedeelte
OM DEZE REDENEN;
HET HOF, Recht doende op tegenspraak;
Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond in volgende mate;
Vernietigt de bestreden beschikking;
En opnieuw recht doende;
Stelt vast dat het recht op invordering van de boetes voor de belastingschuld gekend onder nr. … (oud Leg. 28, deel 114, art. 221) verjaard is sedert 13 januari 1993. Verklaart de na die datum gedane kennisgevingen van het dwangbevel van 13 september 1977 nietig en van generlei waarde.
Stelt vast dat het recht op invordering van de boetes voor de belastingschuld gekend onder nr. … (oud Leg. 28, deel 114, art. 40) niet van aard is en de op 11 juni 1991, op 24 april 1996, op 26 januari 2001 en op 3 maart 2005 gedane kennisgevingen van het dwangbevel van 20 juni 1977 rechtsgeldig zijn.
Zegt voor recht dat de verhoging van de geldboete, zoals voorzien in artikel 2 van het KB nr. 41 van 30 januari 1987, dient bepaald te worden op 10 %.
Stelt vast dat het recht op invordering van de boetes voor de belastingschuld gekend onder nr. … (oud Leg. 28, deel 124, art. 138) verjaard is sinds 4 juli 1984. Verklaart de na die datum gedane kennisgevingen van het dwangbevel van 15 april 1993 nietig en van generlei waarde.
Stelt vast dat het recht op invordering van de boetes voor de belastingschuld gekend onder nr. … (oud Leg. 28, deel 130, art. 199) verjaard is sinds 4 juli 1984. Verklaart de na die datum gedane kennisgevingen van het dwangbevel van 15 april 1993 nietig en van generlei waarde.
Heropent alvorens verder te oordelen over de door appellant q.q. gestelde vordering tot terugbetaling, ambtshalve de debatten, teneinde partijen toe te laten te handelen zoals hen voorgaand sub II, 7.2. werd opgedragen;
Bepaalt als volgt de termijnen voor het uitwisselen en overhandigen van de schriftelijke opmerkingen en besluiten van partijen, die uiterlijk op volgende data ter griffie dienen te worden neergelegd :
- voor appellant q.q. : uiterlijk op 30.09.2009
- voor geïntimeerde : uiterlijk op 31.12.2009
- voor appellant q.q. : uiterlijk op 31.03.2010
- voor geïntimeerde : uiterlijk op 30.06.2010
Verwijst de zaak naar de zitting van 14.09.2010 om 9u50 bepaalt de pleitduur op 20 minuten;
En alvorens verder te oordelen, houdt de beslissing nopens de kosten aan.
Aldus gewezen door de VEERTIENDE KAMER van het hof van beroep te Gent, zetelende in burgerlijke zaken, samengesteld uit :
H. V., kamervoorzitter,
L. T., raadsheer
K. B., raadsheer,
en uitgesproken door, de voorzitter van de kamer in openbare terechtzitting op 12 MEI TWEEDUIZEND EN NEGEN,
bijgestaan door C. S., griffier.
C. S. K. B. L. T. H. V.
Voor eensluidend afschrift afgeleverd ingevolge art. 775 Ger.W. aan:
- V. J.
- BELGISCHE STAAT FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIEN
De Griffier,
C. S.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.