Dwangbevel, Verzet, Rechtsgeding · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Hof van Cassatie C.06.0433.F 16 oktober 2008

Zoeken

Dwangbevel, Verzet, Rechtsgeding

https://juriel.be/nl/rechtspraak/dwangbevel-verzet-rechtsgeding-geding-cassatie-brussel-2008-10-16-257e

Rechtscollege
Hof van Cassatie
Rolnummer
C.06.0433.F
Datum
16 oktober 2008

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands
Strekking volgens de FOD
gunstig voor de Belgische Staat

Tekst

63 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van Cassatie dd. 16.10.2008 (C.06.0433.F)

Dwangbevel - Verzet - Rechtsgeding

Wettelijke bepalingen

Artt. 85, § 2 en 89, tweede lid, W.BTW

Samenvatting

Uit de combinatie van de artikelen 81, eerste lid, 83, eerste lid, 85, § 2, 89, tweede lid, W.B.T.W., en van artikel 2251 B.W. kan worden afgeleid dat het dwangbevel enerzijds een taxatietitel is waarin de belastingschuld geconcretiseerd wordt bij gebrek aan spontane en onvoorwaardelijke betaling van de verschuldigde belasting, en anderzijds een akte die geldt als uitvoerbare titel met het oog op de invordering van die belastingschuld; het dwangbevel dat ter kennis wordt gebracht van degene die men wil beletten de verjaring te verkrijgen, is één van de wijzen waarop de verjaring kan worden gestuit in de zin van artikel 2244 B.W.

Het verzet van de belastingplichtige, dat ertoe strekt de uitvoerbare kracht van het dwangbevel te schorsen en waaruit volgt dat de verjaring, tijdens de hele duur ervan, niet tegen de Staat is verkregen, kan een rechtsgeding zijn in de zin van artikel 83, eerste lid, W.B.T.W.

Tekst van het arrest

Tekst van de beslissing

Arrest van het Hof van Cassatie

dd. 16.10.2008

(C.06.0433.F)

BELGISCHE STAAT, Minister van Financiën, Mr. F.K., advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

V. T. T., Mr. J.K., advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. rechtspleging voor het hof

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 9 maart 2006 gewezen door het Hof van Beroep te Bergen.

I. cassatiemiddelen

De eiser voert volgend middel aan.

Geschonden wettelijke bepalingen

de artikelen 2242, 2244, 2246, 2247 en 2251 van het Burgerlijk Wetboek;

de artikelen 81, 83, 84, eerste lid, 85, inzonderheid §2, 1° en 3°, 89, inzonderheid tweede lid, van de wet van 3 juli 1969 tot invoering van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, vóór de wijziging ervan bij de wetten van 28 december 1992 wat betreft artikel 85 en van 15 maart 1999 wat betreft alle andere bepalingen;

algemene beginselen van publiek recht, die van toepassing zijn op de belasting over de toegevoegde waarde, met name het zogenaamde voorrecht van de dwingende kracht van de administratieve rechtshandeling en van de tenuitvoerlegging van ambtswege.

Aangevochten beslissing

Het bestreden arrest, dat het beroepen vonnis wijzigt en vernietigt, zegt voor recht dat de invordering van de bedragen die het voorwerp uitmaken van het dwangbevel dat de eiser op 28 juni 1991 heeft uitgevaardigd en dat op 2 juli 2001 uitvoerbaar is verklaard, is verjaard, wijst bijgevolg het verzet van de verweerster toe en veroordeelt de eiser in verweersters kosten van beide instanties, met name een bedrag van 780,87 euro, op de volgende gronden : "krachtens het vroegere artikel 81 van het B.T.W.-Wetboek, verjaart de vordering tot voldoening van de belasting, van de interesten en van de administratieve geldboeten door verloop van vijf jaar te rekenen vanaf de dag waarop zij is ontstaan ; het vroegere artikel 83 van hetzelfde wetboek bepaalt met name het volgende :

‘Zowel ten aanzien van de voldoening als ten aanzien van de teruggaaf van de belasting, de interesten en de administratieve geldboeten, wordt de verjaring gestuit op de wijze en onder de voorwaarden bepaald bij de artikelen 2244 en volgende van het Burgerlijk Wetboek. Een nieuwe verjaring, die op dezelfde wijze kan worden gestuit, wordt in dat geval verkregen vijf jaar na de laatste stuiting van de vorige verjaring, indien geen rechtsgeding hangend is. Afstand van de verlopen tijd der verjaring en de kennisgeving van het dwangbevel (...) worden ten aanzien van hun gevolgen gelijkgesteld met de in het vorige lid bedoelde stuiting' ; (...) krachtens artikel 2244 van het Burgerlijk Wetboek, vormen een dagvaarding voor het gerecht, een bevel tot betaling of een beslag, betekend aan hem die men wil beletten de verjaring te verkrijgen, burgerlijke stuiting ; (...) het inleidend exploot van het geding in eerste aanleg is, op verzoek van (de verweerster), (aan de eiser) betekend ; (...) dat exploot heeft de verjaring dus niet gestuit, aangezien het geen dagvaarding voor het gerecht vormt die is betekend aan hem die men wil beletten de verjaring te verkrijgen ; (...) de verjaring is gestuit door een afstand van de verlopen tijd van de verjaring, gedagtekend van 12 augustus 1987 en ondertekend door (de verweerster) ; (...) de verjaring kon zijn gestuit door de mogelijke kennisgeving van het litigieuze dwangbevel, op een door (de eiser) niet aangegeven datum ; (...) het staat vast dat de verjaring opnieuw is gestuit door een bevel tot betaling dat op 2 september 1991 is betekend (door een exploot dat eveneens strekt tot betekening van het proces-verbaal [...] en van het litigieuze dwangbevel) ; (...) uit de voormelde bepaling van het vroegere artikel 83 van het B.T.W.-Wetboek volgt dat de stuitende werking van de verjaring, die artikel 2244 van het Burgerlijk Wetboek toekent aan de dagvaarding voor het gerecht (die betekend wordt aan hem die men wil beletten de verjaring te verkrijgen), in beginsel blijft voortduren tijdens het gehele geding dat door die dagvaarding is ingeleid (Cass., 19 juni 1969, A.C. 1969, 1, 1042) ; (...) het is veelbetekenend dat het voormelde arrest van het Hof van Cassatie een bepaling inzake directe belastingen toepast, die in dezelfde bewoordingen is gesteld als het voormelde vroegere artikel 83 en die ook de woorden ‘indien geen rechtsgeding hangend is' bevat ; (...) dat arrest heeft betrekking op twee procedures die door de feitenrechter zijn samengevoegd en waarvan de ene is ingeleid door de belastingplichtige, de andere door (de eiser) ; (...) het is ook veelbetekenend dat het Hof van Cassatie, om te erkennen dat de stuiting van de verjaring blijft voortduren tijdens het hele rechtsgeding, alleen rekening heeft gehouden met de dagvaarding tot voldoening van de directe belastingen, die op verzoek (van de eiser) was betekend ; (...) niets doet vermoeden dat het vroegere artikel 83 van het B.T.W.-Wetboek enige andere uitwerking heeft dan een bekrachtiging van het gemeen recht, krachtens hetwelk de stuiting van de verjaring van een rechtsvordering, die door een dagvaarding voor het gerecht is verkregen, in beginsel voortduurt tijdens het gehele geding (Cass., 13 september 1993, J.T. 1993, p. 84) ; (...) in dat vroegere artikel 83 en in artikel 2244 van het Burgerlijk Wetboek is er daarenboven geenszins sprake van een opschorting van de verjaringstermijn ; (...) er kan hier dus alleen sprake zijn van een verlenging van de gevolgen van een verjaringsstuitende daad tijdens het rechtsgeding ; (...) uit (die) overwegingen volgt (...) dat de woorden ‘indien geen rechtsgeding hangend is' niet slaan op gelijk welk rechtsgeding, maar alleen op het rechtsgeding dat is ingeleid door een dagvaarding die zelf de verjaring heeft gestuit en waarvan de werking bijgevolg tijdens het gehele geding is blijven voortduren ; (...) de dagvaarding voor het gerecht heeft de verjaring te dezen niet gestuit, aangezien het een exploot betreft dat (aan de eiser) is betekend en niet aan hem die men wil beletten de verjaring te verkrijgen ; (...) de laatste daad die de verjaring heeft gestuit, is het op 2 september 1991 betekende bevel tot betaling ; (...) uit de in het debat gebrachte gegevens blijkt niet dat dit bevel is herhaald, (...) zodat de verjaring is ingegaan, aangezien er meer dan vijf jaar is verlopen sinds de laatste verjaringstuitende daad".

Grieven

Inzake belasting over de toegevoegde waarde voeren de artikelen 84, eerste lid, 85, § 2, 1° en 3° en 89, tweede lid, van het B.T.W.-Wetboek, zoals ze van toepassing waren vóór de wet van 15 maart 1999, een bijzondere rechtspleging in tot vervolging en invordering van de belasting. Artikel 84, eerste lid, luidens hetwelk "moeilijkheden inzake de heffing van de belasting die vóór het inleiden van een rechtsgeding ontstaan, door de Minister van Financiën worden opgelost", voert een administratieve fase in die aan de gerechtelijke fase voorafgaat. Indien de belastingplichtige de belasting blijft aanvechten, bepaalt artikel 85 in de eerste paragraaf dat de eerste daad van vervolging met het oog op de voldoening van de belasting, interesten, administratieve geldboeten en toebehoren, in een uitvoerbaar verklaard dwangbevel bestaat dat aan de belastingplichtige wordt betekend, en in de tweede paragraaf, dat "die kennisgeving : 1° de verjaring van de vordering tot voldoening van de belasting, van de interesten, van de administratieve geldboeten en van het toebehoren stuit", en, vooral, "3° de belastingschuldige in staat stelt verzet aan te tekenen tegen de tenuitvoerlegging van het dwangbevel, op de wijze bepaald in artikel 89". Dat artikel 89 bepaalt op zijn beurt dat "onder voorbehoud van wat bepaald is in de artikelen 85, §§ 1 en 2, en 85bis, de tenuitvoerlegging van het dwangbevel geschiedt met inachtneming van de bepalingen van het vijfde deel, titel III, van het Gerechtelijk Wetboek inzake gedwongen tenuitvoerlegging. De tenuitvoerlegging van het dwangbevel kan slechts worden gestuit bij door de belastingschuldige gedaan en met redenen omkleed verzet met dagvaarding. Dat verzet wordt bij exploot betekend aan de Staat, meer bepaald aan de ambtenaar die het dwangbevel heeft uitgevaardigd. De vordering wordt aanhangig gemaakt bij de rechtbank waaronder het kantoor van die ambtenaar ressorteert".

Die bepalingen, en meer bepaald de artikelen 85 en 89 van het B.T.W.-Wetboek, hebben betrekking op twee grondbeginselen van het publiek recht : het voorrecht van de dwingende kracht van de administratieve rechtshandeling, op grond waarvan de administratie een wettelijke titel van heffing van de belasting kan uitvaardigen, en het voorrecht van de tenuitvoerlegging van ambtswege, dat de administratie in staat stelt de gedwongen tenuitvoerlegging van het dwangbevel te vervolgen of bewarende maatregelen te treffen, zonder eerst op de rechter een beroep te hoeven doen.

Indien de belastingplichtige de vorderingen wil betwisten van de administratie, die zichzelf een uitvoerbare titel heeft toegekend, moet hij bij de bevoegde rechtbank verzet doen en hij is uiteraard de enige die dat kan doen, aangezien de administratie geen ontvankelijke rechtsvordering kan instellen voor de rechtbank, tenzij, in het uitzonderlijke geval, wanneer de niet-betaling een misdrijf vormt.

Voor het overige heeft de fiscus, inzake B.T.W., geen keuze om al dan niet een dwangbevel uit te vaardigen, wat tot gevolg heeft dat alleen de belastingplichtige, in geval van betwisting van de belasting, zich tot de rechter kan wenden : de administratie moet een dwangbevel uitvaardigen tot invordering van de belasting wanneer de belastingplichtige, met name in de administratieve fase van de procedure, de belasting blijft betwisten die is vastgesteld in het door de bevoegde ambtenaar opgemaakte proces-verbaal ; dit stelt de belastingplichtige in de gelegenheid deze betwisting door het bevoegde gerecht te laten beslechten door verzet te doen tegen de tenuitvoerlegging van het dwangbevel.

Dat dwangbevel in B.T.W.-zaken is dus niet alleen een taxatietitel waarin de belastingschuld geconcretiseerd wordt bij gebrek aan spontane en onvoorwaardelijke betaling van de verschuldigde belasting, maar is ook een akte die geldt als uitvoerbare titel die noodzakelijk is voor de invordering van die belastingschuld.

De administratie moet dus een dwangbevel uitvaardigen dat uitvoerbaar is verklaard en dat, samen met het proces-verbaal, ter kennis wordt gebracht aan de belastingplichtige, die vanaf dat ogenblik het recht heeft hiertegen voor de bevoegde rechter verzet te doen, wat de mogelijke maatregelen tot tenuitvoerlegging van de fiscus stuit.

Dit dwangbevel verschilt van het dwangbevel inzake directe belastingen, omdat het niet alleen de schuld vestigt, maar ook de wettelijke titel tot heffing van de belasting vormt, op grond waarvan de administratie tot de gedwongen tenuitvoerlegging kan overgaan, zonder vooraf een beroep op de burgerlijke gerechten te moeten doen, zodat alleen de belastingplichtige zich, na kennisgeving of betekening van dat dwangbevel, in geval van blijvende betwisting tot die gerechten kan wenden.

Het is dus het verzet van de belastingplichtige, en alleen dat verzet, dat het rechtsgeding overeenkomstig artikel 89 van het B.T.W.-Wetboek kan inleiden. De procedure in B.T.W.-zaken verschilt op dat punt volledig van die in inkomstenbelastingen.

Daarenboven bepaalt artikel 81 W.B.T.W., eerste lid, dat "de vordering tot voldoening van de belasting, van de interesten en van de administratieve geldboeten verjaart door verloop van vijf jaar, te rekenen van de dag waarop zij is ontstaan". Artikel 83 van datzelfde wetboek bepaalt vervolgens dat "de verjaring, zowel ten aanzien van de voldoening als ten aanzien van de teruggaaf van de belasting, de interesten en de administratieve geldboeten, gestuit wordt op de wijze en onder de voorwaarden bepaald bij de artikelen 2244 en volgende van het Burgerlijk Wetboek. Een nieuwe verjaring, die op dezelfde wijze kan worden gestuit, wordt in dat geval verkregen vijf jaar na de laatste stuiting van de vorige verjaring, indien geen rechtsgeding hangend is. Afstand van de verlopen tijd der verjaring en de kennisgeving van het dwangbevel op de wijze als bedoeld in artikel 85, § 1, worden ten aanzien van hun gevolgen gelijkgesteld met de in het vorige lid van dit artikel, bedoelde stuiting".

Uit het onderling verband tussen laatstgenoemde bepaling en de artikelen 85 en 89 W.B.T.W. volgt dat de verjaring niet kan zijn verkregen wanneer er een "rechtsgeding" minder dan vijf jaar is ingeleid na de laatste stuiting van de verjaring door één van de daden die bedoeld worden in artikel 2244 van het Burgerlijk Wetboek of in artikel 83, tweede lid, W.B.T.W.

De bij artikel 83 W.B.T.W. ingevoerde verjaringsregeling wijkt van het gemeen recht af en vult het aan, gelet op de bijzondere kenmerken van deze materie, meer bepaald de verplichting voor de administratie om een dwangbevel uit te vaardigen waartegen alleen de belastingplichtige voor de gewone gerechten verzet kan doen, en voor zover het rechtsgeding alleen op zijn initiatief kan worden ingeleid, ongeacht of het de invordering van belasting dan wel de teruggave ervan betreft. Wanneer de fiscale wetgever in B.T.W.-aangelegenheden gebruik maakt van de uitdrukking "indien geen rechtsgeding hangend is", dan maakt hij geen enkel onderscheid, wie de eiser ook is. Zodra er een rechtsgeding hangende is, blijft de stuiting van de verjaring, die verkregen werd doordat minder dan vijf jaar vóór de inleiding van dat geding een van de in artikel 2244 van het Burgerlijk Wetboek of artikel 83, tweede lid, W.B.T.W. bedoelde daden werd gesteld, voortduren zolang dat geding niet definitief is beëindigd, waarbij het niet ter zake doet dat het werd ingeleid door de belastingplichtige, d.w.z. door de partij die op het voordeel van de verjaring aanspraak zou kunnen maken.

Door het verzet van de belastingplichtige tegen het dwangbevel neemt de bevoegde rechtbank daarenboven kennis van alle vragen met betrekking tot de belastingheffing en heeft de rechter volheid van rechtsmacht, zodat het verzet de administratie verbiedt enig nieuw initiatief te nemen zolang de rechter geen einduitspraak heeft gedaan over het verzet. Het verzet belet de administratie om te handelen en maakt het onmogelijk om een nieuwe verjaringsstuitende daad in de zin van de artikelen 2244 van het Burgerlijk Wetboek en 83, tweede lid, W.B.T.W., te stellen. De administratie kan de rechter niet verzoeken om een uitvoerbare titel uit te vaardigen via het verzoek om de belastingplichtige te veroordelen, aangezien het dwangbevel dat zij in elk geval moet uitvaardigen, reeds een titel is die haar schuldvordering vastlegt en die geldig blijft zolang de rechtbank die van het geschil kennisgenomen heeft, dat dwangbevel niet eventueel nietig heeft verklaard. Alleen de onmiddellijke tenuitvoerlegging van die titel wordt door het verzet opgeschort. Wanneer de administratie een dwangbevel heeft uitgevaardigd, het heeft doen betekenen of ter kennis doen brengen en eventueel bevel tot betaling gegeven heeft, dan kan ze, zodra de belastingplichtige daartegen verzet heeft aangetekend, die daden niet opnieuw stellen, aangezien de rechterlijke macht kennisneemt van het geheel van die vragen met betrekking tot die belastingheffing. Bijgevolg moet tevens worden aangenomen dat, zodra de belastingplichtige overeenkomstig artikel 89 W.B.T.W. verzet heeft gedaan en het geschil bij de bevoegde rechter aanhangig heeft gemaakt, de administratie in de zin van artikel 2251 van het Burgerlijk Wetboek in de onmogelijkheid verkeert nog enige verjaringstuitende daad te stellen, zodat de verjaring tijdens de gehele duur van het door het verzet ingeleide rechtsgeding is opgeschort.

Het verzet tegen het dwangbevel in B.T.W.-zaken moet in alle gevallen omschreven worden als een "rechtsgeding" in de zin van het vroegere artikel 83, eerste lid, W.B.T.W. De procedure die de belastingplichtige inleidt om te voorkomen dat hij onmiddellijk vervolgd zou worden op grond van een dwangbevel dat de administratie moet uitvaardigen, en die de fiscus belet om nog enig initiatief te nemen zolang het burgerlijk rechtscollege geen uitspraak heeft gedaan die het geding definitief beëindigt, kan niet wettig worden uitgelegd als een procedure waardoor de rechten van de Schatkist vervallen, aangezien die rechten beschermd moeten worden zolang er geen eindbeslissing is gewezen die het geding beëindigt, zelfs al kan het vroegere artikel 83, eerste lid, van het B.T.W.-Wetboek niet in die zin worden begrepen dat het een echte grond tot schorsing van de verjaring in de zin van de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek invoert.

Het bestreden arrest, dat uitspraak doet over het verzet dat de verweerster bij dagvaarding van 18 september 1991 heeft gedaan tegen het dwangbevel inzake belastingen over de toegevoegde waarde dat de eiser op 28 juni 1991 had uitgevaardigd en op 2 juli uitvoerbaar had verklaard, dat bovendien erkent dat dit dwangbevel de verjaringstermijn van vijf jaar van de rechtsvordering tot invordering, waarover de eiser beschikt, rechtsgeldig heeft gestuit, en voorts erkent dat de eiser op 2 september 1991 een bevel tot betaling heeft doen betekenen, dat eveneens de verjaring heeft gestuit, maar dat niettemin beslist dat het verzet gegrond is omdat eisers rechtsvordering tot invordering is verjaard, aangezien, enerzijds, het verzet dat het rechtsgeding heeft ingeleid, niet is ingeleid door de eiser maar door de verweerster, d.i. de partij die de verjaring wilde verkrijgen, zodat dit geding niet tot gevolg heeft gehad dat de stuiting van de verjaring is verlengd totdat ze volledig was uitgewerkt of dat deze was geschorst, en aangezien, anderzijds, de eiser noch tijdens dat geding noch ten laatste binnen de vijf jaar na de betekening, op zijn verzoek, van het bevel tot betaling van 2 september 1991, een nieuwe verjaringstuitende daad heeft gesteld, zoals bepaald in artikel 2244 van het Burgerlijk Wetboek of in het vroegere artikel 83, tweede lid, W.B.T.W. :

- miskent de wettelijke draagwijdte van de vroegere artikelen 84, eerste lid, 85, en 89 W.B.T.W., alsook de beginselen van administratief recht, namelijk het voorrecht van de dwingende kracht van de administratieve rechtshandeling en van de tenuitvoerlegging van ambtswege, miskent het begrip dwangbevel in B.T.W.-zaken, miskent de verplichting van de administratie om een dergelijk dwangbevel uit te vaardigen alsook het recht, waarover alleen de belastingplichtige die de belastingschuld aanvecht, beschikt, om verzet te doen tegen dat dwangbevel en tegen de maatregelen van tenuitvoerlegging die de administratie bijgevolg van ambtswege kan nemen, door het geschil voor het burgerlijk gerecht te brengen en aldus het rechtsgeding in te leiden ;

- schendt de vroegere artikelen 83, 85 en 89 W.B.T.W., waaruit af te leiden valt dat het verzet dat de belastingplichtige voor het bevoegde gerecht doet tegen het ter kennis gebrachte of betekende dwangbevel, "het rechtsgeding" in de zin van voormeld artikel 83 inleidt, zodat de stuiting van de verjaring, die minder dan vijf jaar vóór de betekening van dat verzet is verkregen, blijft voortduren zolang er over dat verzet geen einduitspraak is gedaan die het geschil in zijn geheel beslecht, terwijl de belastingadministratie, voor het overige, in de zin van artikel 2251 van het Burgerlijk Wetboek, in de onmogelijkheid verkeert een nieuwe verjaringstuitende daad te stellen in de zin van artikel 2244 van dat wetboek en van het vroegere artikel 83, tweede lid, W.B.T.W. ;

- schendt de artikelen 2242, 2244 en 2251 van het Burgerlijk Wetboek alsook de vroegere artikelen 81, 83, 85 en 89 van het B.T.W.-Wetboek, in zoverre het stelt dat alleen de op verzoek van de fiscus betekende dagvaarding de stuiting van de verjaring van de rechtsvordering tot invordering van de schuld van de belasting over de toegevoegde waarde tijdens het gehele geding heeft doen voortduren, terwijl het dwangbevel dat de administratie verplicht moet uitvaardigen, geldt als titel van schuldvordering en als recht tot tenuitvoerlegging, de belastingplichtige in staat stelt zijn geschil voor het burgerlijk gerecht te brengen, hij de enige is die dat initiatief kan nemen en het inleiden van dat geding de eiser belet gelijk welke nieuwe verjaringstuitende daad te stellen.

II. beslissing van het hof

Beoordeling

Luidens artikel 81, eerste lid, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, zoals het op het geschil van toepassing is, verjaart de rechtsvordering tot voldoening van de belasting, van de interesten en van de administratieve geldboeten, door verloop van vijf jaar te rekenen vanaf de dag waarop zij is ontstaan.

Artikel 83, eerste lid, van datzelfde wetboek, zoals het van toepassing is, bepaalt dat zowel ten aanzien van de voldoening als ten aanzien van de teruggave van de belasting, de interesten en de administratieve geldboeten, de verjaring gestuit wordt op de wijze en onder de voorwaarden bepaald bij de artikelen 2244 en volgende van het Burgerlijk Wetboek. Een nieuwe verjaring, die op dezelfde wijze kan worden gestuit, wordt in dat geval verkregen vijf jaar na de laatste stuiting van de vorige verjaring, indien geen rechtsgeding hangend is.

Artikel 85, §2, van dat wetboek, bepaalt met name dat de kennisgeving van het dwangbevel, dat uitgevaardigd wordt door de met invordering belaste ambtenaar, de verjaring stuit van de invordering van de belasting en van zijn toebehoren en de belastingplichtige in staat stelt verzet te doen tegen de tenuitvoerlegging van het dwangbevel, op de wijze bepaald in artikel 89.

Krachtens artikel 89, tweede lid, kan de tenuitvoerlegging van het dwangbevel slechts worden gestuit bij door de belastingplichtige gedaan en met redenen omkleed verzet met dagvaarding.

Luidens artikel 2251 van het Burgerlijk Wetboek loopt de verjaring tegen alle personen, behalve tegen hen voor wie de wet uitzondering maakt.

Uit die bepalingen, die samen gelezen moeten worden om de verjaringsregeling inzake belasting over de toegevoegde waarde te bepalen, kan worden afgeleid dat het dwangbevel, enerzijds, de titel van belastingheffing is waarin de belastingschuld geconcretiseerd wordt bij gebrek aan spontane en onvoorwaardelijke betaling van de verschuldigde belasting, en, anderzijds, de akte is die geldt als uitvoerbare titel, die nodig is voor de invordering van die belastingschuld ; dat het dwangbevel, dat ter kennis wordt gebracht van degene die men wil beletten de verjaring te verkrijgen, een van de wijzen is waarop de verjaring in de zin van artikel 2244 van het Burgerlijk Wetboek kan worden gestuit ; dat de verjaring, behoudens een nieuwe stuiting van de verjaring, tegen de Staat is verkregen vijf jaar na de kennisgeving van het dwangbevel, tenzij een rechtsgeding hangend is ; dat dit rechtsgeding kan bestaan in het verzet van de belastingplichtige, dat de opschorting van de uitvoerbare kracht van het dwangbevel tot gevolg heeft, en waaruit volgt dat de verjaring tijdens de gehele duur ervan, tegen de Staat niet is verkregen.

Het arrest beslist dat de verjaring in het voordeel van de verweerster was verkregen, aangezien er meer dan vijf jaar verstreken waren sinds de laatste stuiting van de verjaring door de kennisgeving van het dwangbevel, op grond dat het verzet tegen het dwangbevel niet werd betekend aan de persoon die men wil beletten de verjaring te verkrijgen, en dat de eiser, na kennisgeving van het dwangbevel, geen nieuwe verjaringstuitende daad heeft gesteld.

Het schendt aldus de in het middel bedoelde wettelijke bepalingen.

Het middel is gegrond.

Beschikkend gedeelte

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest, behalve in zoverre het het hoger beroep ontvankelijk verklaart en uitspraak doet over verweersters vordering tot schadevergoeding.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Hof van Beroep te Brussel.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter …

Vertaling opgemaakt onder toezicht van voorzitter …

Ondertekeningen

Aangehaalde teksten

2
WBTW art. 811 voorkomen
WBTW art. 831 voorkomen

Rechtspraak

15

België

15

Bekijk alle 15

Bekijk de 15 documenten

Vergelijkbare beslissingen

8