Strafbepaling, administratieve geldboete, vervolging, geding · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Hof van beroep Gent 19 oktober 2004

Zoeken

Strafbepaling, administratieve geldboete, vervolging, gedingTaxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/nl/rechtspraak/strafbepaling-administratieve-geldboete-vervolging-geding-hof-van-beroep-gent-2004-10-19-ce84

Rechtscollege
Hof van beroep
Zetel
Gent
Datum
19 oktober 2004

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

63 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Arrêt de la Cour d'Appel de Gand du 19.10.2004

Résumé non fourni

Texte de l’arrêt

Tekst van de beslissing

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

Hof van beroep te Gent - 5e kamer

Nr. 2003/AR/2207

in de zaak van :

D. J. R., wonende te …, …, doch verblijvende in het P.C. te …, …,

appellant,

ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. D. F. E. loco mr. K. P., advocaat te …, …

tegen :

DE BELGISCHE STAAT, FOD Financiën, Administratie van de Belasting over de Toegevoegde Waarde, Registratie en Domeinen, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, Wetstraat 12 te 1000 Brussel, op vervolging en benaarstiging van de Eerstaanwezend Inspecteur a.i. van het BTW­Ontvangkantoor te Roeselare, wiens kantoor gevestigd is te 8800 Roeselare, Rondekomstraat 30,

geïntimeerde,

ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. V. D. P. J., advocaat te …, …

spreekt het Hof het volgend arrest uit :

Bij gerechtsdeurwaardersexploot van 10.8.2001 dagvaardde de appellant de geïntimeerde voor de rechtbank van eerste aanleg te Brugge teneinde uitspraak te horen doen over zijn verzet tegen het dwangbevel (RCIV nr. …) uitgevaardigd door K. N., eerstaanwezend inspecteur a.i. bij een fiscaal bestuur van het BTW-ontvangkantoor te 8800 Roeselare, Rondekomstraat 30, op 8.1.2001, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 10.1.2001 door R. D., directeur bij een fiscaal bestuur, aangewezen door de gewestelijke directeur van de administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen te Brugge.

In dit dwangbevel werd lastens de appellant als verschuldigd aan de Belgische Staat opgenomen een bedrag van … BEF (thans … EUR) aan BTW, een bedrag van … BEF (thans … EUR) als geldboete krachtens artikel 70, § 1 BTW-wetboek, een intrest van 0,80 % per maand vanaf 21.11.1996 op de niet-tijdig betaalde BTW in toepassing van artikel 91, § 1 BTW-wetboek, de moratoire intrest op de nog verschuldigde geldboete in toepassing van artikel 91, § 4 BTW-wetboek, de vervolgingskosten. De volgens de geïntimeerde verschuldigde BTW heeft betrekking op belastbare handelingen verricht in de periode gaande van 19.1.1996 tot 26.10.1996.

De appellant stelde volgende vorderingen voor de eerste rechter :

"

1)·Vooraf de overlegging te bevelen van het strafdossier gekend onder notitienummer …, en minstens van de 46 ontvangstlijsten van prestaties, bedragen en voornamen (genummerd van 1 tem. 46) (zie PV … d.d. 10.09.1996 Gerechtelijke politie) alsook van de bankrekeninguittreksels (Bank van Roeselare, KBC, IPPA, ...)

Eiser (d.i. de appellant) vraagt dat de procedure zou worden opgeschort zolang deze stukken niet overlegd en meegedeeld zijn.

2) Het verzet tegen het dwangbevel van 8 januari 2001 toelaatbaar, en de vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren.

Het dwangbevel te vernietigen, minstens ontoelaatbaar en ongegrond te verklaren en te zeggen voor recht dat de gevolgde procedure door nietigheid is aangetast en de gevorderde bedragen ten titel van BTW, boeten, en intresten niet verschuldigd zijn."

Bij vonnis van 24.6.2003 van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge, vierde kamer, werd de vordering van de appellant ontvankelijk doch ongegrond verklaard.

Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het hof van beroep te Gent op 29.9.2003 heeft de appellant hoger beroep ingesteld tegen het vermelde vonnis.

Het bestreden vonnis werd op verzoek van de geïntimeerde aan de appellant betekend bij gerechtsdeurwaardersexploot van 2.9.2003.

Het hoger beroep is tijdig ingesteld.

Met zijn hoger beroep streeft de appellant de vernietiging van het bestreden vonnis na en de inwilliging van zijn oorspronkelijke vordering die hij herneemt.

Bij als aangetekend aangemerkte brief van 10.3.2004 (procedurestuk nr. 8 van de geïntimeerde) verzocht de geïntimeerde aan de appellant om in toepassing van artikel 92 tweede alinea BTW-wetboek binnen de twee maanden in consignatie te geven het bedrag van … EUR, hetzij … EUR BTW + … EUR geldboete + … EUR wettelijke intrest (21.11.1996 tot 20.3.2004) + … EUR moratoire intresten (21.01.2001 tot 20.03.2004) + … EUR kosten + … EUR rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg.

Er bestaat geen betwisting over dat de appellant niet tot consignatie overging.

Bij verzoek neergelegd ter griffie van het Hof van beroep te Gent op 25.6.2004 verzocht de raadsman van de geïntimeerde toepassing te maken van artikel 92, derde lid BTW-wetboek, luidend als volgt :

"Bij gebreke van het in consignatie geven van de bedragen of het vestigen van een zekerheid binnen de bepaalde termijn, dient de rechtsinstantie waarbij de voorziening aanhangig is gemaakt binnen drie maanden te rekenen vanaf het verstrijken van die termijn, de voorziening niet-ontvankelijk te verklaren, tenzij zij op grond van een met redenen omkleed verzoekschrift ingediend door de schuldenaar binnen de twee maanden vanaf de kennisgeving bedoeld in het eerste lid, besluit, binnen dezelfde termijn van drie maanden, dat het door de met invordering belaste ambtenaar gedane verzoek niet gegrond is."

In zelfde verzoek wordt meegedeeld dat de eerste termijn van twee maanden verstreken is 10.5.2004.

Het blijkt niet dat de appellant een verzoekschrift zoals bedoeld in de aangehaalde tekst van artikel 92 BTW-wetboek heeft ingediend.

De zaak werd vastgesteld op de openbare terechtzitting van het Hof van 7.9.2004 in toepassing van artikel 92 BTW-wetboek.

De geïntimeerde vordert in conclusie dat het hoger beroep onontvankelijk zou worden verklaard omdat de gevraagde sommen niet geconsigneerd werden en er geen verzoekschrift werd ingediend inzake verzet tegen de vraag tot consignatie. In ondergeschikte orde vordert de geïntimeerde dat haar zou worden toegelaten ten gronde te concluderen.

Het verzoek tot consignatie bevat een deel van de tekst van artikel 92 BTW­wetboek in zijn versie tot stand gekomen ingevolge vervanging door artikel 61 van de wet van 15.3.1999. Ter staving van het verzoek tot vaststelling van de zaak wordt op zelfde bepaling gesteund. De bedoelde tekst van artikel 92 BTW­wetboek luidt als volgt :

"

In geval van beroep tegen het vonnis dat de door de schuldenaar ingestelde eis heeft verworpen, kan de ontvanger van de belasting op de toegevoegde waarde, gelet op de concrete gegevens van het dossier, met inbegrip van de financiële toestand van de schuldenaar, deze laatste kennis geven bij een ter post aangetekende brief van een verzoek tot het in consignatie geven van het geheel of een gedeelte van de verschuldigde bedragen. Aan de schuldenaar kan worden toegestaan dat die consignatie wordt vervangen door een zakelijke of persoonlijke zekerheid die wordt aangenomen door de administratie bevoegd voor de belasting over de toegevoegde waarde.

De gevorderde bedragen dienen in consignatie te worden gegeven of de zekerheid dient te worden gevestigd binnen twee maanden vanaf de kennisgeving.

Bij gebreke van het in consignatie geven van de bedragen of het vestigen van de zekerheid binnen de bepaalde termijn, dient de rechtsinstantie waarbij de voorziening aanhangig is gemaakt, binnen drie maanden te rekenen vanaf het verstrijken van die termijn, de voorziening niet­ontvankelijk te verklaren, tenzij zij, op grond van een met redenen omkleed verzoekschrift ingediend door de schuldenaar binnen twee maanden vanaf de kennisgeving bedoeld in het eerste lid, besluit, binnen dezelfde termijn van drie maanden, dat het door de met de invordering belaste ambtenaar gedane verzoek niet gegrond is."

Artikel 97 eerste lid, tweede gedachtestreep, van de wet van 15.3.1999 bepaalt dat voor zover zij de procedureregels wijzigen de artikelen 56 en 58 tot 62 van deze wet van toepassing zijn op de belastingen, interesten en fiscale boeten wanneer de oorzaak van eisbaarheid zich heeft voorgedaan ten vroegste op 1 januari 1999.

Zoals hoger aangehaald heeft de door de geïntimeerde gevorderde schuld betrekking op belastbare handelingen verricht in de periode gaande van 19.1.1996 tot 26.10.1996. De oorzaak van eisbaarheid heeft zich derhalve voorgedaan vóór 1.1.1999.

De versie van artikel 92 BTW-wetboek zoals tot stand gebracht bij artikel 61 van de wet van 15.3.1999 is dan ook niet van toepassing (vergelijk ook met de BTW­handleiding, nr. 649).

Het artikel 92 laatste lid BTW-wetboek, in zijn versie van vóór de vervanging bij artikel 61 van de wet van 15.3.1999, voorzag niet in de bijzondere procedure waarvan de geïntimeerde thans toepassing wenst te maken, maar luidde als volgt:

"

Wanneer het verzet tegen het dwangbevel is afgewezen, kan tegen de rechterlijke beslissing niet op geldige wijze enig rechtsmiddel worden aangewend indien het bedrag van de verschuldigde sommen niet in consignatie is gegeven binnen twee maanden na het verzoek dat de bevoegde ambtenaar bij aangetekende brief tot de belastingschuldige richt.".

Er moet worden vastgesteld dat te dezen geen toepassing kan gemaakt worden van de bijzondere procedure voorzien bij artikel 92 BTW-wetboek in de versie zoals tot stand gebracht bij artikel 61 van de wet van 15.3.1999, teneinde over de ontvankelijkheid van het hoger beroep, bij gebrek aan consignatie, uitspraak te horen doen.

Omtrent de ontvankelijkheid van het hoger beroep zal moeten geoordeeld worden op het ogenblik van de volledige behandeling van de zaak.

Beschikkend gedeelte

OP DIE GRONDEN,

HET HOF, recht doende op tegenspraak,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken.

Stelt vast dat geen toepassing kan gemaakt worden van de bijzondere procedure voorzien bij artikel 92 BTW-wetboek in de versie zoals tot stand gebracht bij artikel 61 van de wet van 15.3.1999.

Verzendt de zaak terug naar de bijzondere rol. Houdt de beslissing over de kosten aan.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, vijfde kamer, op NEGENTlEN OKTOBER TWEEDUIZEND EN VlER.

Aanwezig :

Mevrouw N. V. I., Voorzitter

De Heren A. D. M. en G. T., Raadsheren,

M. V., griffier

N.Van Isterdael, Voorzitter,

A.De Meue en G.Tillekaerts, Raadsheren,

M. Vanderbeeken, griffier.

M. V. G. T. A. D. M. N. V. I.

Aangehaalde teksten

3
WBTW art. 9210 voorkomens
WBTW art. 912 voorkomens
WBTW art. 701 voorkomen

Vergelijkbare beslissingen

8