Procesverloop
2 stappen · 4 jaar 1 maand- Bestreden beslissingRechtbank van eerste aanleg te Antwerpen26.02.2002
- Weergegeven beslissingHof van beroep te Antwerpen04.04.2006
Fiche van de FOD Financiën
Arrest van het Hof van beroep te Antwerpen d.d. 04.04.2006
Samenvatting niet beschikbaar
Tekst van het arrest
Tekst van de beslissing
Het HOF VAN BEROEP, zitting houdend te ANTWERPEN, 6e bis KAMER, recht doende in burgerlijke zaken, heeft volgend arrest gewezen :
Inzake : 2002/AR/1472
BVBA D. F., met maatschappelijke zetel gevestigd te …, …, ingeschreven in het handelsregister te Antwerpen onder nr. …, thans ingeschreven in de kruispuntbank der ondernemingen onder nr. …;
appellante,
tegen een vonnis gewezen door de 4e F kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen d.d. 26 februari 2002, aldaar gekend onder nr. AR 95/4700/A;
niet verschenen, noch iemand voor haar;
tegen :
DE BELGISCHE STAAT, administratie van de BTW, registratie en domeinen, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, wiens burelen gevestigd zijn te Brussel, op vervolging en benaarstiging van de gewestelijk directeur van de BTW, registratie en domeinen te Antwerpen, in de persoon van de rekenplichtige ontvanger van het 3de BTW-ontvangkantoor te Antwerpen, met burelen te 2000 Antwerpen, Italiëlei 4 bus 4;
geïntimeerde,
vertegenwoordigd door Mr. I. V. loco Mr. M. V. H., advocaat, kantoorhoudende te …, … (ref. : …);
Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd waaronder een eensluidend afschrift van het bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen van 26 februari 2002, waarvan geen akte van betekening wordt voorgelegd, alsmede het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het Hof van beroep te Antwerpen op 17 juni 2002.
Appellante, alhoewel behoorlijk opgeroepen, is niet verschenen ter zitting van het Hof noch iemand voor haar.
Geïntimeerde heeft toepassing gevorderd van de artikelen 751-753 van het Gerechtelijk Wetboek.
Het Hof stelt vast dat aan de voorwaarden voor toepassing van deze bepalingen is voldaan en willigt derhalve het verzoek van geïntimeerde in.
1. Voorafgaande feiten en procedure
1.1.
Appellante, die een horecazaak uitbaat in …, is geregistreerd als BTW-belastingplichtige onder het BTW-nummer ….
Op 9 juni 1994 vond een nazicht plaats van de boekhouding van appellante met betrekking tot de periode van 1 januari 1990 tot en met 31 december 1992.
Tijdens deze controle werden inbreuken vastgesteld op de BTW-wetgeving, die werden opgenomen in het proces-verbaal van 10 april 1995.
In dit proces-verbaal wordt verwezen naar een proces-verbaal van 13 september 1993 opgesteld ten laste van de NV A., waaruit blijkt dat deze in de periode 1990-1991 aan appellante goederen leverde voor een bedrag van … BEF (1990) en … BEF (1991). In de boekhouding van appellante werden slechts facturen ingeschreven voor een bedrag van respectievelijk … BEF (1990) en … BEF (1991), zodat de niet ingeschreven aankopen bij de NV A., namelijk … BEF in 1990 en … BEF in·1991 nog dienen belast te worden.
De verschuldigde BTW bedraagt aldus … BEF (thans € …).
1.2.
Op 13 april 1995 wordt een dwangbevel uitgevaardigd, dat op 14 april 1995 wordt geviseerd en uitvoerbaar verklaard en waarin betaling wordt gevorderd van een bedrag van … BEF BTW en … BEF boete krachtens artikel 70, § 1 en 70, § 1bis van het BTW-wetboek, te vermeerderen met de intresten aan 0,80 % per maand vertraging te rekenen over de verschuldigde BTW vanaf 21 januari 1993, de moratoire intresten over de nog verschuldigde geldboete die loopt vanaf de betekening of kennisgeving van dit dwangbevel ingevolge artikel 91, § 4 van het BTW-wetboek en de vervolgingskosten.
Dit dwangbevel wordt bij aangetekend schrijven van 18 april 1995 aan appellante ter kennis gebracht.
1.3.
Bij akte van verzet van 21 juni 1995 vordert appellante te horen zeggen voor recht dat zij geen BTW en toebehoren verschuldigd is en bijgevolg het dwangbevel nietig minstens onwettig te horen verklaren en aldus te horen verbieden over te gaan tot uitvoering van het dwangbevel; geïntimeerde te horen veroordelen tot de kosten; het vonnis uitvoerbaar te horen verklaren bij voorraad niettegenstaande elke voorziening, zonder borgstelling en met uitsluiting van het vermogen tot kantonnement.
Appellante betwist de gevorderde sommen verschuldigd te zijn, omdat vaststellingen bij derden, waarop geïntimeerde zich baseert, op zich niet het bewijs vormen van onregelmatigheden bij appellante, daar de afwezigheid van uitgaande facturen bij een leverancier niet het bewijs levert van inkopen door de afnemer op grond van afwezigheid van inkomende facturen bij de afnemer.
1.4.
Het bestreden vonnis verklaart de vordering toelaatbaar doch ongegrond, veroordeelt appellante tot de kosten van het geding en wijst het meer en anders gevorderde af.
1.5.
Het hoger beroep van appellante strekt ertoe het bestreden vonnis te hervormen en te zeggen voor recht dat de vordering van geïntimeerde onontvankelijk, minstens ongegrond is en geïntimeerde ervan af te wijzen; het dwangbevel van 13 april 1995 te vernietigen; geïntimeerde te veroordelen tot de kosten van het hoger beroep.
1.6.
Bij aangetekend schrijven van 5 augustus 2004 heeft de met invordering belaste ambtenaar van het 30e BTW-ontvangkantoor Antwerpen appellante verzocht tot het in consignatie geven van de verschuldigde bedragen overeenkomstig artikel 92 van het BTW-wetboek.
1.7.
Geïntimeerde concludeert tot de niet ontvankelijkheid van het hoger beroep, de bevestiging van het bestreden vonnis en de veroordeling van appellante tot de kosten van het hoger beroep.
2. De ontvankelijkheid van het hoger beroep
2.1.
Artikel 92 van het BTW-wetboek, zoals gewijzigd door artikel 61 van de wet van 15 maart 1999, bepaalt :
"In geval van beroep tegen het vonnis dat de door de schuldenaar ingestelde eis heeft verworpen, kan de ontvanger van de belasting over de toegevoegde waarde, gelet op de concrete gegevens van het dossier, met inbegrip van de financiële toestand van de schuldenaar, deze laatste kennis geven bij een ter post aangetekende brief van een verzoek tot het in consignatie geven van het geheel of van een gedeelte van de verschuldigde bedragen. Aan de schuldenaar kan worden toegestaan dat die consignatie wordt vervangen door een zakelijke of persoonlijke zekerheid die wordt aangenomen door de administratie bevoegd voor de belasting over de toegevoegde waarde.
De gevorderde bedragen dienen in consignatie te worden gegeven of de zekerheid dient te worden gevestigd binnen twee maanden vanaf de kennisgeving.
Bij gebreke van het in consignatie geven van de bedragen of het vestigen van de zekerheid binnen de bepaalde termijn, dient de rechtsinstantie waarbij de voorziening aanhangig is gemaakt, binnen drie maanden te rekenen vanaf het verstrijken van die termijn, de voorziening niet-ontvankelijk te verklaren, tenzij zij, op grond van een met redenen omkleed verzoekschrift ingediend door de schuldenaar binnen de twee maanden vanaf de kennisgeving bedoeld in het eerste lid, besluit, binnen dezelfde termijn van drie maanden, dat het door de met de invordering belaste ambtenaar gedane verzoek niet gegrond is."
2.2.
Te dezen heeft de met de invordering belaste ambtenaar appellante bij aangetekend schrijven van 5 augustus 2004 verzocht om binnen de twee maanden het geheel van de nog verschuldigde bedragen die het voorwerp uitmaken van onderhavig geding te consigneren op de rekening van de Deposito- en Consignatiekas.
Appellante heeft de gevraagde sommen niet betaalden/of geconsigneerd noch een zakelijke of persoonlijke zekerheid gesteld die door de administratie werd aangenomen.
Appellante heeft evenmin een met redenen omkleed verzoekschrift ingediend binnen een termijn van twee maanden vanaf de kennisgeving van 5 augustus 2004.
Derhalve dient het hoger beroep van appellante niet-ontvankelijk verklaard te worden.
Beschikkend gedeelte
OM DIE REDENEN,
HET HOF,
Recht doende bij arrest dat geacht wordt op tegenspraak te zijn gewezen ten aanzien van appellante;
Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935;
Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Veroordeelt appellante tot de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van geïntimeerde begroot op € … rechtsplegingsvergoeding, volgens opgave in conclusie.
Aldus gedaan en uitgesproken in openbare terechtzitting van VIER APRIL TWEEDUIZEND EN ZES, waar aanwezig waren :
D. W., raadsheer, wnd. voorzitter
G. V., griffier
G. V. D. W.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.