Fiche van de FOD Financiën
Arrest van het Hof van beroep te Brussel d.d. 25.06.2003
Samenvatting niet beschikbaar
Tekst van het arrest
Tekst van de beslissing
HOF VAN BEROEP BRUSSEL - Toegevoegde kamer "F" (wet van 9 juli 1997)
Nr. van de zaak : 1997/AR/3209
Openbare terechtzitting van 25.06.2003
INZAKE VAN :
appellante,
vertegenwoordigd door Meester P. loco A. V., advocaat (…, …)
tegen :
DE BELGISCHE STAAT, Ministerie van Financiën, in de persoon van het hoofd van het Centraal BTW-Controlekantoor voor buitenlandse belastingplichtigen, met burelen gevestigd te 1000 Brussel, Van Orleystraat, 15,
geïntimeerde,
vertegenwoordigd door Meester D. S. loco J. H., advocaat, (…, …)
Het hof, na beraad, spreekt m openbare terechtzitting volgend arrest uit :
Procedure
R. 2003/4334 EINDDARREST - Hervormd
Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het Hof op 26 september 1997 heeft appellante hoger beroep aangetekend tegen een vonnis op tegenspraak geweten door de 22ste burgerlijke kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 9 juni 1997, waarbij haar vordering in terugbetaling van een administratieve verhoging ten bedrage van … BF (… Euro) te vermeerderen met gerechtelijke intresten vanaf de dagvaarding, ontvankelijk doch ongegrond werd verklaard.
Van het vonnis wordt geen betekening voorgelegd.
Het hoger beroep werd tijdig ingesteld en is ontvankelijk.
De Feiten
Appellante is een buitenlands BTW-belastingplichtige die hier te lande periodieke aangiften indient via een in België erkend aansprakelijk vertegenwoordiger.
Op 29 januari 1990 wordt een factuur (zonder BTW) gericht aan een in België gevestigde afnemer ten bedrage van … BF.
De aansprakelijke vertegenwoordiger maakt een BTW document op voor een bedrag van … BF verschuldigde BTW, dat echter blijkens de regularisatieopgave niet naar de afnemer wordt verzonden.
Op 13 februari 1990 wordt deze factuur gecrediteerd ten bedrage van … BF.
Het “verbeterende stuk" dat in der gelijk geval ingevolge art. 4, 1° van het KB nr. 4 van 29 december 1969 moet worden opgemaakt, wordt evenmin de afnemer uitgereikt.
In de aangifte van maart 1990 wordt dit als volgt verwerkt :
- vak: 03 : belastbaar aan 19 % … BF
- vak 09 : creditnota van : … BEF
- vak 32 : herziening van de verschuldigde BTW … BEF
Het saldo van de aan de Staat verschuldigde belasting bedroeg daardoor … BF
Op 25 mei 1990 wordt door de hoofdcontroleur van het Centraal BTW-kantoor voor buitenlandse belastingplichtigen een "inregelstelling" opgesteld.
Hij stelt vast dat een bedrag van … BF aan BTW wordt teruggevraagd ingevolge een creditnota die ingeschreven werd in het uitgaand factuurboek.
Hij gaat verder :
"Dit bedrag kon niet gestaafd worden door een geldig BTW-document dat dient uitgereikt te worden door de aansprakelijke vertegenwoordiger. Uit geraadpleegde briefwisseling en uit telefonisch contact met de klant (A. E. E. NV) d.d. 22. 05.90 blijkt dat deze slechts de factuur zonder BTW document ontvangen heeft.
Terug te storten BTW is dus : … BF"
Op dit bedrag aan "terug te storten BTW” wordt een proportionele geldboete berekend van in beginsel tweemaal de verschuldigde BTW ingevolge art. 70, § 1 BTW-wetboek maar verminderd naar·10 % op grond van het KB nr. 41, art. 1, rubriek II.
Het KB nr. 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde (B.S. 7 februari 1987) in de toen geldende versie voorzag in de bijlage, Tabel A, Sectie 1, rubriek V :
"Terug te storten belasting wegens het niet overleggen van het teruggaafregister of het niet inschrijven in dat register van een verbeterend stuk : 10 % van de terug te storten belasting."
In zijn reactie van 25 mei 1990, wijst de aansprakelijke vertegenwoordiger er op dat de BTW op oorspronkelijke uitgaande factuur ten bedrage van … BF door de afnemer niet werd geboekt en dus ook nooit in aftrek werd gebracht, zodat de ratio legis van het verbeterende stuk, op te maken samen met de creditnota, namelijk beletten dat de BTW toch door de afnemer in aftrek zou gebracht worden, niet aanwezig is. Dit was blijkbaar reeds tussen partijen overeengekomen in afwachting van een goedkeuring vanuit de V.S. voor het opmaken van dit verbeterende stuk.
Uiteindelijk wordt op 20 juli 1990 de gehele BTW toestand geregulariseerd en ontvangt de afnemer het verbeterende stuk voorzien in art 4, 1° van het KB nr. 4 .van 29 december 1969.
Op 6 november 1990 ontvangt de aansprakelijk vertegenwoordiger een brief van het Centraal BTW-kantoor voor buitenlandse belastingplichtigen met de volgende inhoud :
"Naar aanleiding van uw brieven van 13 juni 1990, 20 juli 1990 en 30 augustus 1990 heeft de Gewestelijke Directeur van de BTW Brussel II, in zijn beslissing van 5 november 1990, de opgelopen boete, wegens het niet uitreiken van het verbeterend stuk zoals voorzien in artikel 4, 1° van KB nr. 4, verminderd tot 5 % of … frank".
Dit bedrag wordt betaald, doch er wordt op 3 januari 1991 een “willig beroep" ingesteld bij de Gewestelijke Directeur, dat op 17 april 1991 wordt afgewezen.
Op 28 april 1991 wordt de zaak bij dagvaarding aanhangig gemaakt bij de rechtbank van eerste aanleg.
Beoordeling
De eerste rechter verklaart de vordering van appellante ongegrond omdat deze “vrijwillig”, zou hebben betaald, zodat de vordering in terugbetaling ongegrond is (vonnis pag.6).
Dit is niet in overeenstemming met de stukken uit het dossier. Na de beslissing van 6 november waarbij de belastingverhoging bepaald wordt op … BF tekent de aansprakelijke vertegenwoordiger een administratief beroep aan bij de Gewestelijke Directeur die de beslissing heeft getroffen, waarbij duidelijk te kennen wordt gegeven dat de belastingplichtige het niet eens is met de toepassing van deze administratieve verhoging.
De belastingplichtige heeft, onder de toen van toepassing zijnde procedure, de betekening van een dwangbevel en de daarmee gepaard gaande kosten alsmede de automatische verhoging van de boete met 50 % (art. 2 KB nr. 41 van 30 januari 1987) willen vermijden, door het betwiste bedrag te betalen en onmiddellijk daarna een vordering in terugbetaling in te stellen.
Met betrekking tot de administratieve sanctie kan de rechtsspraak van het Hof van Cassatie als volgt worden samengevat.
De rechter moet kunnen nagaan of voldaan is aan alle wettelijke vereisten van de sanctie en hij moet hiervoor de elementen in rechte en in feite kunnen beoordelen. Hij dient ook de mogelijkheid te hebben te beoordelen of de sanctie niet indruist tegen specifieke wettelijke bepalingen of tegen algemene rechtsbeginselen, en zij niet in strijd is met de zorgvuldigheidsplicht van het bestuur.
De uitoefening van dit toetsingsrecht houdt evenwel niet in dat de rechter om louter reden van opportuniteit of billijkheid de belastingplichtige zou kunnen bevrijden van de verplichtingen die hem wettelijk zijn opgelegd door de overheid. (cfr. L Huybrechts. Fiscaal Strafrecht. APR Story 2002, nr.30).
De wettelijke grondslag voor de vaststelling van de proportionele geldboete is art. 70, § 1 BTW-wetboek :
"Voor iedere overtreding van de verplichting de belasting te voldoen, wordt een geldboete opgelegd gelijk aan het dubbele van de ontdoken of niet tijdig betaalde belasting (...).
De wet heeft aldus over een administratieve sanctie die in verhouding staat tot het bedrag van de "ontdoken of niet tijdig betaalde belasting (…).
In uitvoering van art 84, 3de lid BTW-wetboek, ingevoerd door art. 73 van de wet van 4 augustus 1986 worden de proportionele geldboeten bepaald volgens een schaal waarvan de trappen door de Koning worden vastgelegd.
De situatie waarbij BTW moet worden teruggestort wegens het niet overleggen van het teruggaafregister of het niet inschrijven in dat register van het verbeterend stuk, werd uitdrukkelijk voorzien in de bijlage van dit KB, Tabel A, Afdeling 1, rubriek V (en niet "rubriek II van Tabel A," zoals vermeld in de inregelstelling van 25 mei 1990).
(momenteel Tabel G rubriek VI).
In de inregelstelling van 25 mei 1990.wordt overeenkomstig de libellering van deze rubriek V als grondslag voor de administratieve sanctie aangegeven : "Terug te storten BTW : … BF".
Op grond van het art. 1 van KB nr. 41 wordt de boete verminderd tot 10 % van de verschuldigde BTW : … BF = … BF, afgerond op … BF.
De administratie gaat evenwel niet over tot het uitvaardigen van een dwangbevel om deze bedragen, nl. de BTW voor een bedrag van … BF en de boete van … BF in te vorderen en deze bedragen worden door de belastingplichtige ook niet betaald.
Op 6 november 1990 wordt aan de belastingplichtige een brief verstuurd waarin er helemaal geen sprake meer is van enige “terug te storten BTW”.
Uit de brief van 6 november kan ondubbelzinnig worden afgeleid dat door de belastingplichtige geen BTW meer verschuldigd is, boven het bedrag dat hij in de aangifte van maart 1990 heeft vermeld.
Evenwel zeggen de ondertekenende ambtenaren, respectievelijk Hoofdcontroleur en Controleur, dat de Gewestelijke Directeur in zijn beslissing van 5 november (daags voordien) de opgelopen boete “wegens het niet uitreiken van het verbeterende stuk zoals voorzien in art. 4, § 1 van KB nr. 4” heeft verminderd tot 5 % of … BF.
Deze beslissing van de Gewestelijke Directeur van 5 november 1990 maakt echter geen deel uit van het dossier zoals het door de Belgische Staat aan het Hof wordt voorgelegd.
Op grond van art. 84, tweede lid van het BTW-wetboek, in de toenmalige versie, had enkel de Minister van Financiën de bevoegdheid om, op uitdrukkelijk verzoek van de belastingplichtige, te beslissen over de vermindering van de fiscale geldboeten.
De belastingplichtige heeft nooit een dergelijk verzoek geformuleerd.
De Gewestelijk Directeur is enkel bevoegd om kwijtschelding van intresten te verlenen op grond van art. 84bis van het BTW-wetboek.
Het KB nr. 41, Tabel A, rubriek V voorziet enkel een proportionele geldboete ingeval er BTW moet worden "teruggestort” ingevolge het niet overleggen van het teruggaafregister of het niet inschrijven in dat register van het verbeterende stuk.
Zo er geen BTW moet worden “teruggestort” kan er verhoudingsgewijs ook geen geldboete verschuldigd zijn, wat ook overeenstemt met de tekst van art. 70, § 1 BTW-wetboek dat in het algemeen spreekt van een sanctie die in verhouding staat tot "ontdoken of niet tijdig betaalde belasting."
Ook in dit laatste geval van “niet tijdig betaalde belasting" moet de BTW die niet tijdig werd betaald, uiteindelijk ook blijken verschuldigd te zijn. Een proportionele geldboete kan niet worden toegepast op de BTW die uiteindelijk blijkt niet verschuldigd te zijn.
De motivering in de brief van 6 november 1990 is niet correct. Het KB nr. 4 van 29 december 1969 dat de voorschriften bevat voor het opmaken van het verbeterende stuk nodig voor de uitoefening van het recht op teruggaaf bevat niet de sanctie die de Gewestelijke Directeur aangeeft.
Ook KB nr. 41 tot vastlegging van de schalen van belastingverhoging bevat geen enkele sanctie voor het niet uitreiken van het verbeterend stuk, ook niet een vast bedrag vastgesteld in uitvoering van art. 70, § 4 BTW-wetboek. De sanctie kan enkel worden toegepast wanneer BTW moet worden “teruggestort" wegens het niet overleggen van het teruggaafregister of het niet inschrijven in dat register van het verbeterende stuk.
Bijgevolg is niet voldaan aan de wettelijke vereiste voor het opleggen van een proportionele administratieve sanctie namelijk dat een hoofdbedrag aan BTW dient verschuldigd te zijn alvorens een boete die in verhouding staat tot de verschuldigde belasting kan opgelegd worden.
De Gewestelijke Directeur heeft met zijn beslissing van 5 november 1990 aldus het wettelijk kader waarin de proportionele administratieve sancties kan opgelegd worden overschreden, door een proportionele geldboete vast te stellen op 5 % van de verschuldigde belasting op het ogenblik dat geen belasting verschuldigd was, waarvoor hij geen bevoegdheid had, en voor een overtreding en een aan een schaal die niet voorzien worden in het KB nr. 41 van 30 januari 1987.
Beschikkend gedeelte
OM DEZE REDENEN,
HET HOF, rechtsprekend na tegenspraak,
Gelet op art 24 van de wet van 15 juni 193 5 op het gebruik der talen in gerechtszaken;
Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond;
Wijzigt het bestreden vonnis en opnieuw recht doende;
Veroordeelt de Belgische Staat tot terugbetaling van het bedrag van … Euro, vermeerderd met de intresten tegen de rentevoet in burgerlijke zaken te rekenen vanaf de dagvaarding.
Veroordeelt de Belgische Staat tot de kosten begroot in graad van hoger beroep op € … voor appellante en op € … voor geïntimeerde.
Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van de toegevoegde kamer "F" van het hof van beroep te Brussel, op 25.06.2003.
alwaar aanwezig waren en zitting namen :
K. V. H., voorzitter,
R. T., plaatsvervangend raadsheer,
Cl. V., plaatsvervangend raadsheer,
C. D. N., griffier.
C. D. N. Cl. V. R. T. K. V. H.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.