Retroactiviteit · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Hof van beroep Gent 22 oktober 2002

Zoeken

RetroactiviteitBelasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/retroactiviteit-hof-van-beroep-gent-2002-10-22-81bb

Rechtscollege
Hof van beroep
Zetel
Gent
Datum
22 oktober 2002

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

60 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van beroep van Gent d.d. 22.10.2002

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het arrest

Tekst van de beslissing

Hof van beroep te Gent, 5e Kamer - Terechtzitting van 22-10-2002

Verzet dwangbevel BTW

Nr. 1999/AR/686

In de zaak van :

D. T. L., bakker, wonende te …, …; ingeschreven in het handelsregister te Dendermonde onder het nummer …,

appellant,

ter terechtzitting vertegenwoordigd door Mr. D. P. X. loco Mr. D. W. M., advocaat te …, …

tegen :

DE BELGISCHE STAAT, Ministerie van Financiën, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, vertegenwoordigd door de e.a. Inspecteur van het BTW­Ontvangkantoor te Aalst, Graanmarkt 1 te 9300 AALST,

geïntimeerde,

ter terechtzitting vertegenwoordigd door Mr. V. G. loco Mr. V. P., advocaat te …, …

spreekt het Hof het volgend arrest uit :

De appellant heeft tijdig en in rechtsgeldige vorm hoger beroep ingesteld tegen het vonnis uitgesproken door de dertiende kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde van 23 februari 1999 waarbij het verzet van de eiser tegen een door de ontvanger van het BTW-ontvangkantoor te Aalst uitgevaardigd dwangbevel op 28 maart 1991, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 10 april 1991 door de gewestelijke directeur van de BTW te Gent en hem betekend op 16 april 1991 werd afgewezen en waarbij hij werd veroordeeld tot de gerechtskosten.

Het hoger beroep strekt er toe het bestreden vonnis teniet te doen en opnieuw wijzende het verzet tegen het dwangbevel van 6 mei 1991 ontvankelijk en gegrond te verklaren, dit alles met veroordeling van de geïntimeerde in de kosten van de beide aanleggen.

De geïntimeerde vordert de bevestiging var. het bestreden vonnis en de veroordeling van de appellant tot de kosten van de beide aanleggen.

Feitelijke gegevens en retroakten

De appellant was in de periode 1986 tot 1988 zelfstandig bakker en regelmatig afnemer van bloem bij de NV M. A. Hij was geregistreerd als BTW­belastingplichtige en onderworpen aan de forfaitaire BTW-regeling voor bakkers.

Naar aanleiding van een strafonderzoek. ten laste van de NV M. A. werden tijdens een huiszoeking twee zwarte kasboeken in beslag genomen waarin chronologisch werd bijgehouden aan welke klant, op welke datum, welke hoeveelheid bloem en tegen welke eenheidsprijs werd geleverd. Ook de naam van de appellant werd aangetroffen in het zwarte kasboek.

Uit bovenvermelde zwarte kasboeken bleek dat de appellant een aantal leveringen van bloem zou hebben ontvangen die niet het voorwerp hadden uitgemaakt van een factuur. Deze leveringen zonder factuur werden opgenomen in het proces-verbaal van 23 november 1990 met vermelding van de datum van betaling, van levering, het soort bloem, het gewicht in kg., de prijs per 100 kg., en de totale prijs. Deze gegevens werden ter kennis gebracht van de appellant die liet weten daar niet mede akkoord te kunnen gaan.

Bij gebreke aan minnelijke regeling werd een dwangbevel uitgevaardigd waarbij de door appellant verschuldigde sommen bepaald werden op 62.200 BEF (thans 1.541,90 EUR) BTW en 124.400 BEF (thans 3.083,80 EUR) fiscale geldboeten, meer de intresten.

In zijn verzetsakte herhaalde de appellant dat hij nooit één kilogram meel in het zwart bij de NV M. A. had aangekocht.

De eerste rechter wees het verzet van de appellant af en oordeelde dat uit het geheel van feitelijke vermoedens (de vermelding van de naam van de appellant, de verklaringen van de verantwoordelijken van de NV M. A. en het bestaan van regelmatige handelsbetrekkingen) tot de werkelijkheid van de zwarte leveringen van bloem kon worden besloten.

In zijn beroepsakte liet de appellant gelden dat de geïntimeerde over geen toelating tot inzage beschikte om het strafdossier tegen derden aan te wenden. Hij stelde dat de toelating tot inzage gegeven door de Procureur-generaal geïndividualiseerd was en zeer restrictief diende te worden geïnterpreteerd, zodat deze toelating niet ten aanzien van derden kon worden aangewend.

Ten gronde betoogt de appellant dat de administratie zich schuldig maakte aan een opeenstapeling van vermoedens. De appellant blijft erbij dat de zwarte boekhouding slechts kan worden ingeroepen tegen de opsteller doch niet tegen de daarin vermelde derden gelet op de daarin opgenomen éénzijdige vaststellingen. De appellant besluit verder dat de door de administratie ingeroepen gegevens om tal van redenen onvoldoende bewijskracht bezitten om in zijnen hoofde te besluiten tot het bestaan van de zwarte leveringen.

Beoordeling

Tevergeefs voert de appellant aan dat de geïntimeerde over geen uitdrukkelijke toelating zou beschikken om van het strafdossier ten laste van de NV M. A. gebruik te maken t:eneinde de navordering van de BTW in zijnen hoofde te rechtvaardigen.

Een gerechtelijk dossier dat met uitdrukkelijk verlof van de Procureur-generaal in het bezit is van een ambtenaar van een fiscaal staatsbestuur kan worden ingeroepen voor het opsporen van elke som die een andere belastingplichtige verschuldigd is krachtens de belastingwetten (Cass., 8 oktober 1993, Bull. 1995, nr. 747, blz. 853).

Tot bewijs van haar navordering verwijst de geïntimeerde naar de vaststellingen opgenomen in het proces-verbaal van 23 november 1990 en de zwarte kasboeken die werden aangetroffen in het bezit van de gedelegeerde bestuurders van de NV M. A.

Alhoewel de bewijskracht van het proces-verbaal alleen geldt voor de reële effectieve vaststellingen en zich niet uitstrekt tot de afleidingen die uit deze vaststellingen werden gedaan belet dit niet dat de administratie de materialiteit van de leveringen zonder factuur mag bewijzen door vermoedens.

Uit de voorhanden zijnde gegevens is gebleken dat door de NV M. A. een systeem werd opgezet om een deel van haar verkopen niet te factureren. Dit blijkt op afdoende wijze uit het proces-verbaal van 23 november 1990 waarin de bekentenissen van mevrouw L. V., gedelegeerd bestuurster van de NV M. A. werden genoteerd en waarbij deze laatste het fraudesysteem toegaf.

Tevergeefs meent de appellant dat aan dit PV geen bewijskracht kan worden verleend. Deze verklaring werd niet overgenomen uit het strafdossier doch werd persoonlijk door mevrouw L. V. afgelegd ten overstaan van de opsteller van het PV. Krachtens artikel 59, § 1 BTW-Wetboek levert het proces-verbaal bewijs op zolang het tegendeel niet is bewezen. Dit tegenbewijs werd door de appellant niet geleverd.

Ter gelegenheid van een huiszoeking werd een zwart kasboek in beslag genomen waarin de niet officiële leveringen van de NV M. A. werden opgenomen.

In dit zwart kasboek werd op een gedetailleerde wijze vermeld : de namen van de afnemers, de datum van afname, de soort bloem, het gewicht van de afgenomen bloem en de prijs. Ook de naam van de appellant werd herhaaldelijk in het zwart kasboek vermeld.

De omstandigheid dat het om niet-officiële boekhoudkundige documenten gaat belet niet dat het bestaan ervan als een bekend feit moet worden beschouwd. Immers het zwart kasboek bevat tal van gedetailleerde gegevens die zich over een niet onbelangrijke periode uitstrekken. De zwarte boekhouding werd kennelijk volledig bij gehouden met het doel voor eigen gebruik een juist overzicht te hebben van de gang van zaken die in de officiële boekhouding niet kon worden terug gevonden. De door de leverancier gevolgde fraudeleuze handel wij ze diende derhalve nauwgezet te worden gevolgd om fouten te vermijden bij de officiële facturatie en bij de opstelling van de vervoer­ documenten.

De controle op de veelvuldige zwarte leveringen vereist op zichzelf dat het zwart kasboek correct werd bijgehouden. De bewering van de appellant als zouden er gewilde vergissingen zijn gebeurd om de hormonenzwendel te verdoezelen komt niet bewezen voor. Desbetreffend kan verwezen worden naar V. H. J. die alle contante ontvangsten en uitbetalingen noteerde. De verwijzing in zijn verklaring naar dit zwart kasboek is wat dit betreft treffend.

Voorts zijn er geen aanwijzingen dat de naam van de appellant ten onrechte werd vermeld of dat de NV M. A. met fictieve namen zou hebben gewerkt.

De naam "D. T." werd door mevrouw L. V., gedelegeerd bestuurster van de NV M. A. nader geïdentificeerd als de appellant met opgave van zijn adres en BTW-nummer. Deze vaststelling opgenomen in het PV van D. M. van 23 november 1990 geldt tot bewijs van het tegendeel (artikel 59, § 1 en tweede lid van art. 61, § 1 BTW-Wetboek). De overlegging van een lijst met vermelding van alle namen "D. T." in België volstaat daartoe als tegenbewijs niet. Overigens wordt niet betwist door de appellant dat hij regelmatig afnemer was van bloem bij de NV M. A.. Minstens wordt niet aangetoond dat bij de NV M. A. nog een andere persoon zou gekend zijn met dezelfde naam. Ook werd door de appellant geen klacht neergelegd tegen de NV M. A. wegens valsheid in geschriften.

De akkoordverklaring van 26 juni 1991 afgesloten door de NV M. A. met de BBI inzake de bijkomende rechten en boeten op basis van de gevonden zwarte boekhouding versterkt de geloofwaardigheid van het zwarte kasboek.

Voorgaande gegevens dwingen de overtuiging af dat de opgenomen hoeveelheden bloem heeft afgenomen op basis waarvan de geïntimeerde overging tot navordering van de BTW. Uit het bestaan van het zwart kasboek waarin de officieuze leveringen werden opgenomen vermocht te geïntimeerde het bestaan van niet aangegeven inkomsten af te leiden waarop de BTW niet werd voldaan. Van een bewijsvoering door opeenstapeling van vermoedens is er derhalve geen sprake.

Daaraan doet evenmin afbreuk de niet bewezen beweringen van de appellant dat hij de geleverde hoeveelheden niet kon stockeren of dat zijn cliënteel te beperkt is om dergelijke hoeveelheden aan bloem te verwerken.

Uit wat voorgaat volgt dat het hoger beroep als ongegrond moet worden afgewezen.

Beschikkend gedeelte

OP DIE GRONDEN,

HET HOF, recht doende op tegenspraak,

Gelet op artikel 24 van de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken.

Verklaart het hoger beroep toelaatbaar, doch wijst het af als ongegrond.

Bevestigt derhalve het bestreden vonnis.

Veroordeelt de appellant in de kosten van het hoger beroep begroot als volgt :

- aan de zijde van de appellant op :

verzoekschrift hoger beroep € 186,00

rechtsplegingsvergoeding hoger beroep € 446,21

- aan de zijde van de geïntimeerde op rechtsplegingsvergoeding hoger beroep € 446,21

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, vijfde kamer, op TWEEENTWINTIG OKTOBER TWEEDUIZEND EN TWEE.

Aanwezig :

Mevrouw N. v. I., Voorzitter,

De heren A. D. M. en G. T., Raadsheren,

M. V., griffier.

M. V. G. T. A. D. M. N. v. I.

Aangehaalde teksten

2
WBTW art. 591 voorkomen
WBTW art. 611 voorkomen

Vergelijkbare beslissingen

8