Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen, 15 december 2000 · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg Antwerpen 15 december 2000

Zoeken

Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen, 15 december 2000Belasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/rechtbank-antwerpen-2000-12-15-722a

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Zetel
Antwerpen
Datum
15 december 2000

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

67 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Antwerpen d.d. 15.12.2000

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het vonnis

Tekst van de beslissing

V O N N I S gewezen en uitgesproken in het gerechtsgebouw te Antwerpen, op vijftien december tweeduizend in openbare zitting van de eerste F kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg van het gerechtelijk arrondissement Antwerpen, al waar zetelden :

P. W., enig rechter,

G. G., griffier.

In zake : A.R. Nr. 97/4543/A

V. V. M. EN O. BVBA.,

Ingeschreven in het handelsregister te … onder het nummer … BTW-nummer …, met maatschappelijke zetel gevestigd te …, …

EISENDE PARTIJ,

- verschijnende bij Meester R. W. loco Meester P D., advocaat, kantoorhoudende te …, ….

tegen :

de BELGISCHE STAAT,

Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, vertegenwoordigd door de heer Minister van Financiën, in de persoon van de Ontvanger van het derde BTW-Ontvangkantoor Antwerpen, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 2000 Antwerpen, Italiëlei 4 bus 4.

VERWERENDE PARTIJ,

- verschijnende bij Meester R. L., advocaat, kantoorhoudende te …, ….

Gezien de stukken in het dossier der rechtspleging, o.m. :

- de akte van verzet betekend door het ambt van plaatsvervangend gerechtsdeurwaarder M. S. in vervanging van gerechtsdeurwaarder P. V. N. te … op augustus 1997;

- de besluiten van partijen.

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken.

Gehoord partijen in hun middelen en gezegden ter zitting van 17 november 2000.


De vordering strekt ertoe het dwangbevel, uitgevaardigd op 24 juli 1997 en geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 25 juli 1997, ongegrond en zonder voorwerp te horen verklaren en verweerder te horen veroordelen tor de kosten van het geding.

In ondergeschikte orde strekt de vordering ertoe een prejudiciële vraag te stellen aan het Arbitragehof, hetzij of artikel 91, § 1 van het Wetboek van BTW al dan niet een schending is van het gelijkheidsbeginsel waar het voorziet dat een intrest die op een BTW-schuld aan de Belgische Staat zou moeten worden betaald, hoger is dan de door de Belgische Staat zou moeten worden betaald, hoger is dan de door de Belgische Staat bepaalde wettelijke verwijlintresten op elke andere schuld, rekening houdend met het feit dat de intrest op een schuld in de inkomstenbelasting reeds werd bepaald op de wettelijke verwijlintresten (artikel 414 WlB 92), terwijl er geen enkele valabele reden is om dergelijk onderscheid te maken russen de BTW en de andere belasting.

Relevante feiten

Eiseres is een veiling waarvan niet wordt betwist dat deze reeds zeer lang bestaat en dit reeds van voor de inwerkingtreding van de BTW op 1 januari 1971.

Ingevolge een BTW-controle met betrekking tot de periode van 1 januari 1990 tot en met 31 december 1995 werd vastgesteld dat de door eiseres opgemaakte aankoopborderellen in verband met de leveringen van goederen door landbouwondernemers niet voldeden aan de wettelijke voorwaarden zodat de aftrek van de forfaitaire terugbetaling dan ook niet mocht gebeuren door eiseres.

Op 26 juni 1997 werd proces-verbaal opgesteld waarin bepaald werd dat eiseres voor de periode van 1 januari 1990 tot en met 31 december 1995 de BTW aan 6 % ten onrechte had afgetrokken in verband met de goederen aangekocht van tuinders zodat eiseres in totaal … BEF BTW diende terug te storten.

Op 24 juli l 997 werd een dwangbevel uitgevaardigd dat bij aangetekende brief van 28 juli 1997 aan eiseres ter kennis werd gebracht en waardoor eiseres de hierna volgende bedragen verschuldigd werd :

- BTW : … BEF

- verminderde geldboete : ... BEF

- interest van 0,80 % per maand over de verschuldigde BTW vanaf 21 januari 1996;

- moratoire intrest over de verschuldigde geldboete vanaf de kennisgeving of betekening van het dwangbevel

- vervolgingskosten

Beoordeling

Betreffende het weren van de conclusies van eisers, neergelegd ter griffie op 29 mei 2000.

Op 27 maart 2000 zond de griffie op grond van artikel 751 Ger. W. een kennisgeving van rechtsdag die vastgesteld werd op 1 september 2000.

Conform artikel 751 § 1 Ger. W. beschikt de verwittigde partij, zijnde eiseres, over een termijn van 2 maanden vanaf de kennisgeving of de betekening van de verwittiging en dienen de conclusies, die na het verstrijken van deze termijn zijn neergelegd, ambtshalve uit de debatten te worden geweerd.

Gezien de kennisgeving van 27 maart 2000 diende eiseres haar conclusies dan ook in principe ten laatste op 27 mei 2000 neer te leggen; 27 mei 2000 was echter een zaterdag zodat conform artikel 52 Ger. W. deze vervaldag werd verplaatst naar de eerstvolgende werkdag zijnde 29 mei.

Bijgevolg heeft eiseres haar conclusies tijdig neergelegd zodat deze dan ook niet uit de debatten dienen te worden geweerd.

Betreffende het vertrouwensbeginsel en het recht op rechtszekerheid

Ingevolge de BTW-controle werd vastgesteld dat eiseres het K.B. nummer 22 van 15 september 1970 met betrekking tot de bijzondere regeling voor landbouwondernemers inzake BTW niet naleefde doordat de door haar opgemaakte aankoopborderellen de hierna vermelde verplichte vermeldingen niet bevatte :

- het volgnummer waaronder het aankoopborderel is ingeschreven in het boek voor inkomende facturen,

- de naam en het adres van de landbouwondernemer,

- vanaf 1 januari 1993 : de vermelding dat de landbouwondernemer onderworpen is aan de forfaitaire regeling voor landbouwproducenten,

- de datum van de levering van het goed

zodat de aftrek van de forfaitaire terugbetaling dan ook niet mocht gebeuren door eiseres.

Anderzijds sluiten de algemene beginselen van een goede rechtsbedeling, die bindende zijn voor het bestuur van financiën, echter het recht op rechtszekerheid in.

Dit recht op rechtszekerheid houdt ondermeer in dat de burger moet kunnen vertrouwen op wat door hem niet anders kan worden opgevat da als een vaste gedrags- of beleidsregen van de overheid zodat de openbare diensten in beginsel de gewettigde verwachtingen die zij bij de burger hebben gewekt dienen in te lossen (Cass. 27 maart 1992, R.W., 1991-92, 1446 en Cass. 13 februari 1997, R.W., 1997, 98, 400).

Uit een proces-verbaal blijkt dat reeds vroger bij eiseres op 6 april 1992 en volgende dagen een beperkte controle van de boekhouding werd uitgevoerd in verband met de toepassing van de wetgeving en reglementering inzake BTW met betrekking tot het jaar 1991.

Niettegenstaande bijgevolg slechts een beperkte controle werd uitgevoerd, blijkt uit dit proces-verbaal dat inzage werd gevraagd “van de boeken en stukken die de vennootschap krachtens de bepalingen van het BTW-wetboek of de ter uitvoering ervan genomen besluiten gehouden, opgemaakt of ontvangen heeft alsmede van de handelsboeken, boekingsstukken, bestelbons , leveringsbons en alle andere documenten met betrekking tot de beroepswerkzaamheid van de vennootschap”, zodat hieruit dan ook geenszins kan afgeleid worden dat deze controle enkel en alleen betrekking had op de uitgaande handelingen.

Bijgevolg blijkt noch uit dit proces-verbaal noch uit enig ander objectief element dat tijdens deze berperkte controle de inkomende handelingen, te weten de aankoopborderellen, niet zouden gecontroleerd zijn.

Zelfs indien tijdens deze controle de aankoopborderellen niet zouden gecontroleerd zijn, is het totaal ongeloofwaardig dat de aankoopborderellen van eiseres sedert 1 januari 1971, de inwerkingtreding van het BTW-stelsel, nooit zouden gecontroleerd zijn.

Niettegenstaande de door eiseres opgemaakte aankoopborderellen niet voldeden aan de wettelijke voorwaarden, is het dan ook bewezen dat de BTW-administratie in het verleden de aftrek van de forfaitaire terugbetaling wel aanvaardde ondanks het ontbreken van de verplichte vermeldingen.

Doordat de BTW-administratie haar houding plots weigert en de aftrek weigert voor aankoopborderellen die in het verleden wel werden aanvaard, werd het bij eiseres opgewekte vertrouwen en haar recht op rechtszekerheid geschonden.

Niettegenstaande de belastingwetten van openbare orde zuijn en hiervan niet kan worden afgeweken zodat er in beginsel geen recht op aftrek bestaat omdat de aankoopborderellen niet voldoen aan de wettelijke voorwaarden, dient in casu de aftrek toch te worden aanvaard omdat de BTW-administratie het vertrouwensbeginsel en het recht op rechtszekerheid heeft geschonden.

Betreffende het horen van de bedrijfsrevisor

In deze omstandigheden is het dan ook niet opportuun om, alvorens recht te doen, de bedrijfsrevisor van eiseres te horen zoals zij had verzocht.

Betreffende de uitvoerbaarverklaring bij voorraad

Conform artikel 92 bis van het Wetboek van BTW schorsen de termijnen van verzet, hoger beroep en cassatie, alsmede het verzet, het hoger beroiep en de voorziening in cassatie de tenuitvoerlegging van de gerechtelijke beslissing zodat huidig vonnis dan ook niet uitvoerbaar bij voorraad kan verklaard worden.

Beschikkend gedeelte

OM DEZE REDENEN,

DE RECHTBANK,

Rechtdoende op tegenspraak.

Alle andere en strijdige conclusies verwerpend.

Verklaart de vordering toelaatbaar en gegrond.

Verklaart het bestreden dwangbevel, uitvoerbaar verklaard op 25 juli 1997, ongegrond en zonder voorwerp.

Veroordeelt verweerder tot de kosten van het geding tot op heden aan de zijde van eiseres begroot op … BEF rechtsplegingsvergoeding en door de rechtbank ambtshalve vereffend op … BEF rechtsplegingsvergoeding.

G. G. P. W.

Aangehaalde teksten

1
WBTW art. 92bis1 voorkomen

Vergelijkbare beslissingen

8