Burgerlijke partijstelling, Schadevergoeding -Combinatie met fiscale titel · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg Gent 27 mei 2025

Zoeken

Burgerlijke partijstelling, Schadevergoeding -Combinatie met fiscale titel

https://juriel.be/nl/rechtspraak/burgerlijke-partijstelling-schadevergoeding-combinatie-fiscale-rechtbank-gent-2025-05-27-8a59

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Zetel
Gent
Datum
27 mei 2025

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

99 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Gent d.d. 27.05.2025

WF 5433770201

[ Gunstig vonnis ]

BTW - Burgerlijke partijstelling - Schadevergoeding -Combinatie met fiscale titel

Volledige tekst

Tekst van de beslissing

Vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Gent d.d. 27.05.2025

(21/586/A)

IN DE ZAAK VAN:

X., ON …, met zetel te …,

eiseres, vertegenwoordigd door mr. J.H., advocaat te …,

TEGEN:

De BELGISCHE STAAT, FOD Financiën, ON 0308.357.159, in de persoon van de Minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12,

verweerder, vertegenwoordigd door mr. P.P., advocaat te …,

BESLIST DE RECHTBANK ALS VOLGT:

1.De rechtspleging.

Na het tussenvonnis van 11 mei 2021 hoorde de rechtbank partijen in hun argumenten op de openbare terechtzitting van 22 april 2025. Het debat werd hernomen voor de huidige samenstelling van de zetel. Vervolgens sloot de rechtbank het debat en nam zij de zaak in beraad.

De rechtbank zag het dossier van de rechtspleging en de bewijsstukken in.

De rechtbank heeft de Nederlandse taal gebruikt in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.

2.De relevante feiten van het geschil en de voorafgaande procedure.

Eiseres is sinds 1 januari 1971 als BTW-plichtige geregistreerd onder het BTW-nummer BE … voor een activiteit van onder meer detailhandel in onderdelen en accessoires van motorvoertuigen. De vennootschap had haar haar uitbatingszetel in Lokeren.

De vennootschap werd bestuurd door twee zaakvoerders, D.D. en diens stiefmoeder, M.V..

In het licht van een lopend strafdossier lastens D.D. (not. nr. DE27.CT.14/2O15) heeft eiseres het voorwerp uitgemaakt van een BTW-controle over de periode van 1 januari 2011 tot 30 juni 2015.

Dit resulteerde in een (fiscaal) proces-verbaal van 14 augustus 2020, waarin werd gesteld:

- dat in de boekhouding van eiseres fictieve facturen werden aangetroffen die uitgereikt waren door 'LV B.'; de facturen waren fictief in de mate dat tegenover deze facturen geen werkelijke leveringen stonden; er kon niet aangetoond worden dat de goederen vermeld op de facturen van 'LV B.' werden ontvangen, noch dat ze voor wettelijk voorgeschreven doeleinden werden gebruikt;

- dat de uitreiker van de facturen de erop vermelde BTW nooit had afgedragen;

- dat de BTW inzake deze facturen door eiseres onrechtmatig en met bedrieglijk opzet in aftrek was gebracht;

- dat eiseres 147.647,65 € als onterecht in aftrek gebrachte BTW en 295.290 € (zijnde het dubbel van het bedrag van de verschuldigde BTW) aan de Belgische Staat verschuldigd was.

Bij invorderingsbericht van 29 september 2020 werd een fiscale schuld ten bedrage van 442.937,65 € in hoofdsom uitvoerbaar verklaard in een innings- en invorderingsregister BTW (schuldnummer 500.229.565.529).

Tegen dat innings- en invorderingsbericht heeft eiseres de huidige procedure opgestart.

Bij tussenvonnis d.d. 11 mei 2021 schorste deze rechtbank de behandeling van de zaak tot definitief beslist zal zijn over de strafvordering in de zaak gekend onder notitienummer DE27.CT.14/2O15.

Het strafdossier leidde tot een uitspraak van de correctionele rechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, kamer G31DO, dd.18 februari 2021 waarbij D.D. als (mede)dader o.m. inzake BTW werd veroordeeld (i) voor fiscale valsheid in geschriften en het gebruik van valse stukken (artikel 73bis BTW juncto artikel 73 WBTW), (ii) voor het (laten) opmaken van fictieve facturen voor de periode van 22 mei 2011 tot en met april 2015 (tenlasteleggingen A.10 tot en met A.209 voor een bedrag van 140.828,62 EUR) en (iii) voor het met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden in aftrek brengen van BTW op grond van deze fictieve facturen (tenlasteleggingen C ten belope van het daaraan corresponderend factuurbedrag). Tevens werd D.D. veroordeeld wegens misbruik van vennootschapsgoederen (artikel 492bis Sw.) door in de periode van 1 januari 2013 tot en met 13 januari 2015 voor een totaal bedrag van 545.320,12 € te hebben onttrokken aan het vermogen van eiseres door middel van contante afhalingen.

D.D. stelde tegen dit vonnis hoger beroep in, daarin gevolgd door het openbaar ministerie.

Nadat het hof van beroep te Gent, 3e correctionele kamer, zowel op 20 april 2022 als op 21 december 2022 een tussenarrest velde teneinde door middel van het bevelen van aanvullend onderzoek te kunnen nagaan of er sprake is van een reële goederenstroom, wees het op 27 september 2023 een eindarrest. Daarin bevestigde het hof het beroepen vonnis waarbij D.D., als (mede)dader o.m. inzake BTW werd veroordeeld voor fiscale valsheid in geschriften en het gebruik van valse stukken (artikel 73bis BTW juncto artikel 73 WBTW), voor het (laten) opmaken van fictieve facturen voor de periode van 22 mei 2011 tot en met april 2015 (tenlasteleggingen A.10 tot en met A.209, evenwel voor een bedrag van 140.822,97 €) en het met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden in aftrek brengen van BTW op grond van deze fictieve facturen (tenlasteleggingen C ten belope van het daaraan corresponderend factuurbedrag). De eerdere veroordeling van D.D. wegens misbruik van vennootschapsgoederen (artikel 492bis Sw.) met betrekking tot de periode van 1 januari 2013 tot en met 13 januari 2015 voor het onttrekken aan het ver-mogen van eiseres door middel van contante afhalingen werd qua bedrag beperkt tot 140.822,97 €.

D.D. werd o.m. veroordeeld tot een hoofdgevangenisstraf van twaalf maanden en tot een geldboete van 200.000 € (incl. opdeciemen) of een vervangende gevangenisstraf van drie maanden met uitstel. Aan D.D. werd daarenboven een beroepsverbod van drie jaar opgelegd. Uit hoofde van tenlastelegging E werd D.D. overeenkomstig artikel 42,3° juncto artikel 43bis Sw. tot de bijzondere verbeurdverklaring veroordeeld van een bedrag van 140.822,97 €, waarbij het hof bepaalde dat dit bedrag met toepassing van artikel 43bis, derde lid Sw. dient toegewezen worden aan eiseres.

De burgerlijke vordering van dhr. J.D. (zoon van M.V. en halfbroer van dhr. D.D.) als naakte eigenaar van de helft van de aandelen in eiseres werd in het beroepen vonnis toegekend voor 1 € provisioneel ingevolge de waardevermindering van de aandelen van eiseres. In het arrest werd dit bevestigd, met dien verstande dat de burgerlijke vordering op het ogenblik van de uitspraak van het hof enkel gegrond is op de perken van de tenlasteleggingen zoals door het hof op strafgebied bewezen verklaard. Terwijl de eerste rechter eiseres als burgerlijke partij een bedrag van 545.320,12 € toekende wegens het valselijk onttrekken door D.D. van gelden van eiseres door kasafhalingen in beweerde betaling van de valse facturen op de hoofding van LB B., werd deze door het hof van beroep beperkt tot een bedrag van 140.822,97 €. Inzake de schadevergoeding die eiseres van D.D. vorderde voor toekomstige fiscale schade, oordeelde het hof "Het is hoogst plausibel dat de op strafgebied bewezen verklaarde tenlasteleggingen uit hun (deels fiscale) aard daadwerkelijk fiscale repercussies zullen hebben. De fiscus zal zich daarbij tevens kunnen richten tot de X. zelf voor wie de beklaagde als zaakvoerder optrad. Burgerlijke partij X. kan in die omstandigheden gevolgd worden in haar zienswijze dat deze schade dient begroot te worden in tastbare termen van 1,00 euro provisioneel eerder dan bij wijze van louter voorbehoud". Het beroepen vonnis werd in die zin hervormd.

De burgerlijke vordering van verweerder voor de strafrechter voor 1,00 € symbolisch als schadevergoeding voor de feiten onder de tenlasteleggingen A, B, D en F werd door eerste rechter afgewezen als ongegrond, maar door het hof van beroep gegrond verklaard. De burgerlijke vordering van verweerder als schadevergoeding werd door het hof ven beroep eveneens gegrond verklaard voor een bedrag van 140.822,97 € te vermeerderen met interesten en kosten voor de feiten onder de tenlastelegging C.

De cassatievoorziening van D.D. tegen voornoemd arrest werd door het Hof van Cassatie bij arrest van 9 januari 2024 afgewezen.

3.De vorderingen van de partijen.

Eiseres vraagt in haar laatste besluiten aan de rechtbank om:

- het bestreden innings- en invorderingsbericht van 29.09.2020 nietig te verklaren,

- zeer ondergeschikt en enkel volledigheidshalve de boeten en interesten kwijt te schelden, minstens deze substantieel te verminderen,

- verweerder te veroordelen tot de kosten en deze aan zijde van concluante te begroten op 10.800 € rechtsplegingsvergoeding.

Verweerder vraagt in zijn laatste besluiten aan de rechtbank om:

- De vordering van verzoekster ontvankelijk te verklaren, maar ongegrond in al haar onderdelen.

- Subsidiair, te zeggen voor recht dat de bij KB nr. 41 genomen schalen tot vermindering van de opgelegde geldboeten en bijgevolg de in bijlage begrepen tabel B van dit besluit bepaalde boete van 10 % wegens ten onrechte afgetrokken belasting verschuldigd is,

- Het in het geding inleidend verzoekschrift geformuleerde verzoek tot uitvoerbaarverklaring bij voorraad, niettegenstaande elk rechtsmiddel, zonder borgstelling en met uitsluiting van kantonnement of te wijzen wegens strijdig met artikel 92bis WBTW,

- Eiseres te veroordelen tot de kosten van het geding, m.i.v. de geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding, actueel begroot op 10.500 EUR.

4.De beoordeling door de rechtbank.

4.1. Over de vordering van eiseres in hoofdorde: de vordering tot nietigverklaring van het innings- en invorderingsbericht BTW d.d. 29.09.2020.

Eiseres stelt dat het arrest van het hof van beroep te Gent, 3e correctionele kamer, d.d. 27 september 2023 tot gevolg heeft:

dat het bedrag van de onwettige btw aftrek definitief werd bepaald op 140.822,97 € en niet op 147.647,65 € zoals vermeld in het innings- en invorderingsbericht van 29.09.2020

dat het arrest van 27.09.2023 aan verweerder een vaststaande titel verschaft om de onterechte btw aftrek van 140.822,97 € te verhalen op dhr D.D.; deze titel laat verweerder toe het nadeel dat hij geleden heeft door het door dhr D.D. begane fiscale misdrijf integraal te recupereren,

dat concluante geen enkel fiscaal misdrijf pleegde, integendeel zelf het slachtoffer is van de fiscale misdrijven die door haar bestuurder dhr D.D. werden gepleegd en waarvoor het arrest van 27.09.2023 aan concluante ook schadevergoeding toekende,

dat aan verweerder uiteraard geen tweede titel kan verleend worden om hetzelfde bedrag aan ontdoken btw (een tweede maal) te verhalen ditmaal op concluante, terneer de strafrechtelllke procedure heeft aangetoond dat dhr D.D. de ontdoken btw volledig voor zichzelf heeft behouden en geen enkele euro hiervan terecht is gekomen bij concluante.

De rechtbank volgt de zienwijze van eiseres om de hiernavolgende redenen niet.

1.Dat het bedrag van de onwettige BTW-aftrek door het hof "definitief werd bepaald op 140.822,97 € en niet op 147.647,65 €, zoals vermeld in het innings- en invorderingsbericht van 29.09.2020", betekent niet dat verweerder haar BTW-vordering tot 140.822,97 € dient te beperken.

Uit het arrest van 27 september 2023 blijkt dat het bedrag van 140.822,97 € afkomstig is van 200 facturen die het hof in acht nam nu er voor een aantal facturen onder de tenlastelegging A.1 tot en met A.9 twijfel mogelijk was aangaande het actief en/of strafwaardig mededaderschap van D.D. inzake het systeem van fictieve facturen dat voorheen door diens vader, wijlen Theo De VYLDER, was opgezet. Het is niet omdat D.D. voor een aantal facturen van 'LV BEVINGTON' niet strafrechtelijk werd vervolgd, dat verweerder de BTW-aftrek van deze facturen dient te aanvaarden. Uit artikel 45, §1 WBTW volgt dat de belastingplichtige het bewijs moet leveren dat het door hem uitgeoefende recht op aftrek bestaat. M.a.w. dat de door hem ontvangen leveringen van goederen en dienstverrichtingen gebruikt werden voor het verrichten van handelingen die recht op aftrek verlenen. Het recht op aftrek inzake BTW is bijgevolg niet automatisch verkregen. Zij die een recht op aftrek inroepen, moeten bewijzen dat dit recht in hoofde van hen ook effectief bestaat. Bovendien moet als voorwaarde voor het bestaan van het recht op aftrek de voorbelasting geheven zijn van een uitgave die voor het geheel de tegenprestatie vormt van een werkelijke bestaande handeling. Het leveren van dit dubbele bewijs dat de handelingen werden ontvangen en voor de wettelijk voorgeschreven doeleinden werden gebruikt werd niet geleverd, zoals ook blijkt uit de rechterlijke uitspraken in het strafdossier.

2.Dat het arrest van 27.09.2023 aan verweerder een vaststaande titel verschaft om de onterechte BTW aftrek van 140.822,97 € te verhalen op D.D., betekent niet dat innings- en invorderingsbericht BTW d.d. 29.09.2020 dient te worden vernietigd.

Zoals hiervoor uiteengezet, heeft eiseres de BTW-aftrek voor een bedrag van 147.647,65 € onterecht uitgeoefend. Los van het feit of het fiscaal misdrijf van de frauduleuze BTW-aftrek niet door eiseres, maar door haar toenmalige zaakvoerder, D.D. zou zijn gepleegd, blijft het zo dat eiseres deze BTW heeft teruggevorderd van de Schatkist, hoewel deze daar nooit in gestort werd als verschuldigde BTW. Als BTW-belastingplichtige beging eiseres dus een overtreding en werd de fiscale navordering terecht in haren hoofde gesteld.

De omstandigheid dat het hof van beroep in zijn arrest van 27 september 2023 aan verweerder een titel t.a.v. D.D. verschafte, doet daaraan geen afbreuk.

Het enkele feit dat er lastens een ander rechtssubject (D.D.) een titel werd gecreëerd op een andere rechtsgrond (1382 (oud) BW) kan de fiscale navordering gebaseerd op wetgeving van openbare orde niet ipso facto ongeldig maken of teniet doen. Bovendien stelt eiseres in dit verband onterecht : "dat aan verweerder uiteraard geen tweede titel kan verleend worden". De fiscale titel is immers reeds gecreëerd. De rechtbank verleent aan verweerder geen titel, laat staan een tweede titel.

3. Het staat vast dat de feiten en de fiscale inbreuken die in het fiscaal proces-verbaal van 14.08.2020 worden beschreven door eiseres zijn begaan en dat zij voor de fiscale gevolgen daarvan dient in te staan.

Het gegeven dat haar voormalige zaakvoerder voor deze feiten strafrechtelijk werd veroordeeld, impliceert niet dat eiseres haar (fiscale) verantwoordelijkheid kan ontlopen.

De vordering van eiseres in hoofdorde in ongegrond.

4.2. Over de vordering van eiseres in ondergeschikte orde: de vordering tot kwijtschelding van de boete.

In de strafprocedure vorderde eiseres als burgerlijke partij o.m. 1 € provisioneel ingevolge de toekomstige door te storten BTW en te betalen vennootschapsbelasting, meer intresten en boete, na herberekening door de fiscale instanties. Eiseres kreeg deze vordering toegekend door het hof met de volgende motivatie: "Het is hoogst plausibel dat de op strafgebied bewezen verklaarde tenlasteleggingen uit hun (deels fiscale) aard daadwerkelijk fiscale repercussies zullen hebben. De fiscus zal zich daarbij tevens kunnen richten tot X. zelf voor wie de beklaagde als zaakvoerder optrad. Burgerlijke partij X. kan in die omstandigheden gevolgd worden in haar zienswijze dat deze schade dient begroot in tastbare termen van 1,00 euro provisioneel eerder dan bij wijze van louter voorbehoud. Haar incidenteel hoger beroep is in dusverre gegrond."

Aangezien eiseres niet strafrechtelijk werd vervolgd voor de litigieuze BTW-inbreuken en dat haar burgerlijke partijstelling gegrond werd verklaard (zie hoger), is de rechtbank van oordeel de in hoofde van eiseres opgelegde BTW-boete ad 295.290 € dient te worden vernietigd.

Een burgerlijke partijstelling dient om schadevergoeding te vragen voor het nadeel dat iemand door een strafrechtelijk feit (misdrijf) heeft geleden. Als iemand als mededader of medeplichtige wordt beschouwd, dan is die persoon medeverantwoordelijk voor datzelfde feit, en dus voor de schade die eruit voortvloeit. Je kan niet tegelijkertijd dader en slachtoffer zijn van dezelfde feiten in dezelfde procedure. Doordat het hof van beroep te Gent in zijn arrest van 27 september 2023 de burgerlijke partijstelling van eiseres tegen D.D. gegrond heeft verklaard, heeft het hof impliciet geoordeeld dat de vennootschap niet als mededader of medeplichtige van de op strafgebied bewezen verklaarde tenlasteleggingen kan worden beschouw, en dus ook niet van de BTW-inbreuken waarvoor verweerder een boete van 295.290 € heeft opgelegd. Mocht het hof eiseres wel als mededader of medeplichtige hebben aanzien, dat zou het hof de burgerlijke vordering van eiseres ontvankelijk maar ongegrond hebben verklaard, of onontvankelijk wegens strijdig met het principe van "eigen fout".

De rechtbank vernietigt het betwiste innings- en invorderingsregister BTW (schuldnummer 500.229.565.529) in de mate dat een boete van 295.290 € werd opgelegd.

4.3. Over de vordering van eiseres in ondergeschikte orde: de vordering tot kwijtschelding van de intresten.

M.b.t. de vraag van eiseres om de gevorderde intresten kwijt te schelden, verwijst de rechtbank naar artikel 70 van het wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen (WMGI). Dit artikel luidt als volgt:

In bijzondere gevallen mag de adviseur-generaal van de administratie van de Federale Overheidsdienst Financier) belast met de inning en de invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen of zijn gemachtigde ambtenaar, onder de door hem bepaalde voorwaarden, vrijstelling verlenen voor al de nalatigheidsinteresten of een deel ervan verschuldigd op de fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen.

Dit artikel vervangt vanaf 1 januari 2020 het vroegere artikel 84bis WBTW dat in een gelijkaardige regeling voorzag.

Deze wettelijke regeling houdt in dat er geen subjectief recht is op een kwijtschelding/vrijstelling van nalatigheidsinteresten. Deze mogelijkheid tot vrijstelling is een gunstmaat-regel, die volgens de tekst van de wet enkel kan worden verleend door de bevoegde adviseur-generaal en onder de door hem bepaalde voorwaarden.

In het bijzonder moet de bevoegde adviseur-generaal het wettelijk begrip 'bijzonder geval' eerbiedigen, maar beschikt hij, binnen die grenzen, over een discretionaire beoordelings-bevoegdheid (zie en vergelijk Cass. 10 januari 2014, rolnr. F.12.0081.F). Dit laatste houdt in dat de gewestelijke directeur over een beoordelingsvrijheid beschikt die het hem binnen de perken van de wet mogelijk maakt om zelf de wijze van uitoefening van zijn bevoegdheid te bepalen en de oplossing te kiezen die hem het meest geschikt voorkomt (zie en vergelijk Cass. 26 maart 2009, Pas. 2009, nr. 218).

Waar in de regel wordt aangenomen dat de fiscale rechter, gevat op grond van artikel 569, eerste lid, 32°, Ger.W. en aldus geroepen met volstrekte bevoegdheid om kennis te nemen van geschillen betreffende de toepassing van de belastingwet, is die wetsbepaling nochtans niet relevant om de aard te bepalen van de bevoegdheid die de gewestelijke directeur (nu 'de adviseur-generaal') heeft om vrijstelling van nalatigheidsinterest te verlenen, noch, bijgevolg, om de omvang van het toezicht door de rechter op de uitoefening van die bevoegdheid vast te stellen. In het hoger genoemde arrest van 10 januari 2014 heeft het Hof van Cassatie om die reden het middel verworpen dat inhield dat "de wetgever, die de rechtbank van eerste aanleg de bevoegdheid van voile rechtsmacht heeft verleend om zonder enige uitzondering of beperking te oordelen over de geschillen betreffende de toepassing van de belastingwet, [...] die rechtbank in staat [heeft] willen stellen op de kwijtschelding van de verwijlinterest een toezicht van voile rechtsmacht uit te oefenen dat even uitgebreid is als het toezicht indien de beslissing van de [adviseur-generaal] niet de uitdrukking van een discretionaire bevoegdheid zou zijn".

Het behoort niet aan de rechtbank om zich in de plaats te stellen van de bevoegde administratie en om de opportuniteit van haar beslissing te beoordelen. De rechtbank heeft geen voile rechtsmacht en kan niet in de plaats van de administratie treden om haar beoordelingsmacht uit te oefenen (zie en vergelijk RvSt 24 oktober 1990, FJF 1991, 401).

De bevoegdheid van de rechter is in dat verband beperkt tot een controle op de interne en externe wettigheid van de beslissingen van de administratie.

In zoverre eiseres de rechtbank vordert om "intresten kwijt te schelden, minstens deze substantieel te verminderen", kan de rechtbank daar niet op ingaan. De rechtbank kan immers niets meer doen dan oordelen over de wettigheid van een beslissing van de adviseur-generaal' i.v.m. een verzoek om vrijstelling van nalatigheidsinterest. Dat houdt in dat zelfs na nietigverklaring (wegens gebeurlijke onwettigheid) de rechtbank niets meer zou kunnen dan vast te stellen dat de administratie een nieuwe beslissing moet nemen over het verzoek van eiseres tot kwijtschelding van de nalatigheidsinterest (zie en vergelijk Gent 28 maart 2023, rolnr. 2022/AR/159). In casu heeft eiseres geen dergelijk verzoek ingediend. Dit betekent dat de vordering van eiseres in ondergeschikte orde om de gevorderde intresten kwijt te schelden of substantieel te verminderen, niet kan worden ingegaan.

Dit onderdeel van de vordering van eiseres is ongegrond.

5. De gerechtskosten.

5.1.

De gerechtskosten omvatten (i) de bijdrage aan het Begrotingsfonds voor juridische tweedelijnsbijstand t.b.v. 20 € en (ii) de rechtsplegingsvergoeding. Deze vergoeding is een forfaitaire tegemoetkoming in de kosten en de erelonen van de advocaat van de in het gelijkgestelde partij (artikel 1022, lid 1 van het Gerechtelijk Wetboek).

In toepassing van de artikelen 279 en 162,4° van het Wetboek der registratie-, hypotheek-en griffierechten is geen rolrecht verschuldigd.

5.2.

Wanneer de partijen wederzijds lastens elkaar in het ongelijk worden gesteld, kan de

rechtbank de kosten omslaan, zo zij dit raadzaam acht (art. 1017, eerste lid Ger.W.).

Aangezien eiseres deels in het gelijk wordt gesteld en deels in het ongelijk, komt het passend voor te zeggen voor recht dat elk van de partijen de eventuele kosten, gevallen aan de eigen zijde, definitief voor eigen rekening zal dragen, derwijze dat partijen uit dien hoofde aan elkaar niets meer verschuldigd zullen zijn.

Beschikkend gedeelte

OM DEZE REDENEN

DE RECHTBANK, recht doende OP TEGENSPRAAK,

Verwerpt alle meeromvattende en strijdige conclusies als niet ter zake dienend.

Verklaart de vordering van eiseres ontvankelijk en in de volgende mate gegrond.

Vernietigt het innings- en invorderingsregister BTW met schuldnummer 500.229.565.529 in de mate dat een boete van 295.290 € werd opgelegd.

Verklaart de vordering van eiseres voor het overige ongegrond.

Veroordeelt elk van de partijen tot het betalen van hun eigen kosten van deze aanleg, zodat de rechtbank die kosten niet moet vaststellen.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting door de zesde burgerlijke kamer van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, op dinsdag 27 mei 2025, waar aanwezig waren:

De heer F.J., rechter, voorzitter van deze kamer, bijgestaan door mevrouw A.C., griffier.

F.J., rechter

A.C., griffier

Aangehaalde teksten

4
WBTW art. 732 voorkomens
WBTW art. 451 voorkomen
WBTW art. 84bis1 voorkomen
WBTW art. 92bis1 voorkomen

Vergelijkbare beslissingen

8