Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen, 11 maart 2005 · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg Antwerpen 11 maart 2005

Zoeken

Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen, 11 maart 2005Belasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/rechtbank-antwerpen-2005-03-11-1714

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Zetel
Antwerpen
Datum
11 maart 2005

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

80 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Antwerpen d.d. 11.03.2005

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het vonnis

Tekst van de beslissing

V O N N I S gewezen en uitgesproken in het gerechtsgebouw te Antwerpen, op elf maart tweeduizend en vijf in openbare zitting van de 1F kamer van de rechtbank van eerste aanleg van het gerechtelijk arrondissement Antwerpen, al waar zetelden :

L. B., enig rechter,

N. D., adjunct-griffier.

In zake : AR Nr. 04/2683/A

1. G. K. R., zelfstandige, geboren te … op …,

2. P. E. L., bediende, geboren te … op …, beiden wonende te …, ….

eisende partijen,

verschijnende bij meester R. D. K., advocaat, kantoorhoudende te …, ….

tegen :

DE BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, Administratie van de BTW, registratie en domeinen, in de persoon van de rekenplichtige van het derde BTW-ontvangkantoor te Antwerpen, waarvan de burelen gevestigd zijn te 2000 Antwerpen, Italiëlei 4 bus 4.

verwerende partij,

verschijnende bij meester D. V. loco meester R. L., advocaat, kantoorhoudende te …, ….

Gezien de stukken in het dossier der rechtspleging, onder meer :

- het verzoekschrift neergelegd ter griffie op 27 april 2004,

- de beschikking verleend overeenkomstig artikel 747, § 2 van het Gerechtelijk wetboek op 5 augustus 2004,

- de besluiten van partijen.

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken.

Gelet op de verordeningen van de Raad van de ministers nummer 974/98 van 03 mei 1998 en nummer 1103/97 van 17 juni 1997 en de wetten van 26 juni 2000 en 30 juni 2000 ter invoering van de euro.

Gehoord de partijen in hun middelen en gezegden ter zitting van 4 maart 2005.


Eerste eiser is kasseilegger en tweede eiseres is bediende.

Ter belastingdienst heeft tweede eiseres op 13 juni 2003 een schriftelijke verklaring afgelegd ter zake werk in onroerende staat dat was doorgevoerd ter echtelijke woonst van eisers.

De belastingdienst heeft op 4 september 2003 naar eisers een correctieopgave verstuurd onder verwijzing naar die verklaring, met melding dat de werkzaamheden werden beoordeeld als nieuwbouw in plaats van verbouwing, en ontzegde om die reden aan de werken het verlaagde tarief, vorderde daarom het verschil na tussen de toegepaste 6 % en het normaal tarief van 21 %.

Omdat eisers de correctieopgave niet onderschreven werd ze op 14 oktober 2003 vervangen door een proces-verbaal met gelijkaardige inhoud, met ook melding dat op 28 februari 2000 een bouwvergunning was uitgereikt en dat op 10 juni 2003 aan eisers een nieuw kadastraal inkomen was betekend met motief "herschatting, aanzienlijke wijziging".

Blijkbaar is dat proces-verbaal zonder minnelijk betalingsverzoek gevolgd door dwangbevel van 30 oktober 2003, uitvoerbaar verklaard op 3 november 2003 en met aangetekende brief van 4 november 2003 ter kennis gebracht van eerste eiser.

Het dwangbevel vordert naast de rechten ook een herleide boete gelijk aan 10 % der rechten, en intrest op de rechten en op de boete.

Eerst op 27 april 2004 is in betwisting van het dwangbevel een verzoekschrift op tegenspraak met aangehecht afschrift van vermeld dwangbevel neergelegd.

Ter zake toelaatbaarheid van de vordering loopt er geen betwisting, ook niet zo nodig van ambtswege aan te voeren.

Ten gronde moet, binnen het kader van het door eisers aangebrachte geschil, voorafgaandelijk de vraag worden gesteld in welke hoedanigheid eisers met het vermelde dwangbevel (kunnen) worden aangesproken voor BTW-schulden, nu geen van hen beiden namelijk blijkt te worden aangesproken in hoedanigheid van BTW-belastingplichtige, en voorts partijen op mondelinge vraag van de rechtbank hebben uitgesloten dat het hier gaat om toepassing van 'bouwaangifte' onder artikel 64, § 4 wetboek BTW.

OM DIE REDENEN,

DE RECHTBANK,

Rechtdoende op tegenspraak

Alle andere en strijdige conclusies verwerpend.

Alvorens recht te doen,

Beveelt in toepassing van artikel 774, eerste lid van het Gerechtelijk Wetboek ambtshalve de heropening der debatten teneinde partijen zich te laten uitspreken over hogerop vermeld vraagpunt.

Zegt dat partijen overeenkomstig artikel 775 van het Gerechtelijk Wetboek zullen verschijnen voor deze kamer van de rechtbank, zetelend in het Gerechtsgebouw te 2000 Antwerpen, Britselei 57, op de zitting van vrijdag, acht april tweeduizend en vijf om 12.00 uur tot 12.15 uur (zaal 12).

Houdt de beslissing over de kosten aan.

N. D. L. B.

V O N N I S gewezen en uitgesproken in het gerechtsgebouw te Antwerpen, op tien juni tweeduizend en vijf in openbare zitting van de 1F kamer van de rechtbank van eerste aanleg van het gerechtelijk arrondissement Antwerpen, al waar zetelden :

L. B., enig rechter,

H. B., griffier.

In zake : AR Nr. 04/2683/A

1. G. K. R., zelfstandige, geboren te … op …,

2. P .E. L., bediende, geboren te … op …, beiden wonende te …, ….

eisende partijen,

verschijnende bij meester J. P. loco meester R. D. K., advocaat, kantoorhoudende te …, ….

tegen :

DE BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, Administratie van de BTW, registratie en domeinen in de persoon van de rekenplichtige van het derde BTW-ontvangkantoor te Antwerpen waarvan de burelen gevestigd zijn te 2000 Antwerpen, Italiëlei 4 bus 4.

verwerende partij,

verschijnende bij meester D. V. loco meester R. L., advocaat, kantoorhoudende te …, ….

Gezien de stukken in het dossier der rechtspleging, onder meer :

- het verzoekschrift neergelegd ter griffie op 27 april 2004,

- de beschikking verleend overeenkomstig artikel 747, § 2 van het Gerechtelijk Wetboek op 5 augustus 2004,

- het eensluidend verklaard afschrift van het tussenvonnis, uitgesproken door deze kamer dezer rechtbank op 11 maart 2005;

- de besluiten van partijen.

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken.

Gelet op de verordeningen van de Raad van de ministers nummer 974/98 van 03 mei 1998 en nummer 1103/97 van 17 juni 1997 en de wetten van 26 juni 2000 en 30 juni 2000 ter invoering van de euro.

Gehoord de partijen in hun middelen en gezegden ter zitting van 27 mei 2005.


In het tussenvonnis van elf maart 2005 werd reeds vastgesteld dat er ter zake toelaatbaarheid geen betwisting loopt, ook niet zo nodig van ambtswege aan te voeren.

In vermeld tussenvonnis werd vastgesteld dat geen van beide huidig eisers middels het door de ontvanger uitgevaardigde dwangbevel wordt aangesproken in hoedanigheid van BTW-belastingplichtige.

Verweerder doet nu gelden dat zijn rechtsgrond artikel 51bis, § 1, 3° Wetboek BTW is, wat de belastingdienst reeds had aangestipt in de correctieopgave die het proces-verbaal voorafging (deze correctieopgave als zijn stuk 4).

Waarom de belastingdienst deze rechtsgrond dan niet opnam in het latere proces-verbaal (zijn stuk 1), blijft dan zeer de vraag, terwijl hij toch precies dit proces-verbaal heeft aangewend ter onderbouwing van het door de ontvanger uitgevaardigde dwangbevel.

Dit proces-verbaal verwijst alvast in genen dele naar de voorafgaande correctieopgave, en in die zin is het proces-verbaal niet afdoende gemotiveerd in de zin van de wet van 29 juli 1991, zoals door eisers aangevoerd in verzoekschrift en in latere conclusie van 11 oktober 2004.

In dit verband behelst het door verweerder in conclusie van 14 juli 2004 aangevoerde art. 861 Gerechtelijk Wetboek bepaaldelijk proceshandelingen, en noch het proces-verbaal, noch het dwangbevel waaraan het proces-verbaal is gehecht, vormen proceshandelingen.

Zo artikel 51bis, § 1, 3° Wetboek BTW toelaat eisers aan te spreken in hoedanigheid van zelfs niet-BTW-belastingplichtige medecontractanten, waarover de rechtbank zich te dezen ut sic niet uitspreekt, en zo daarop aansluitend art. 85 Wetboek BTW dan toelaat te hunnen laste als hoofdelijke belastingschuldigen de fiscale vordering te stellen middels uitvaardiging van een dwangbevel, blijkt alleszins voorliggend dwangbevel onwettig om reden van overtreding van vermelde wet van 29 juli 1991, en kan het geen rechtsgevolgen teweegbrengen.

Een dwangbevel moet immers gebouwd zijn op eigenstandige afdoende motieven, nu de wet van 29 juli 1991 bepaaldelijk als pijler heeft dat het "afdoende" is gemotiveerd en eisers aldus in het dwangbevel zelf (hier in het eraan aangehechte en aldus deel ervan uitmakende proces-verbaal) over alle elementen en informatie moesten beschikken om de precieze onderbouwing van de fiscale vordering te kunnen beoordelen, en daarop dan zo nodig desgewenst verweer te kunnen bouwen en voeren (vgl. Gent 4 maart 2003, TFR 2004/5).

Onderzoek van verdere grieven van eisers en van verdere argumenten van partijen wordt door het bovenstaande zonder nuttig voorwerp.

Beschikkend gedeelte

OM DEZE REDENEN,

DE RECHTBANK,

Rechtdoende op tegenspraak.

Alle andere en strijdige conclusies verwerpend.

Verklaart de vordering toelaatbaar en als volgt gegrond,

Verklaard het dwangbevel van de ontvanger der BTW Antwerpen 3 van 30 oktober 2003 (RCIV …, Reg. …), uitvoerbaar verklaard op 3 november 2003, waarvan kennisgeving aan eisers met aangetekende brief van 4 november 2003, onwettig, verbiedt er bijgevolg de uitvoering van,

Veroordeelt verweerder tot terugbetaling aan eisers ondeelbaar van alles wat uit hoofde van vermeld dwangbevel reeds is betaald op welke wijze dan ook, meer intrest conform art. 91, § 4 Wetboek BTW,

Veroordeelt verweerder tot de kosten, deze aan elke zijde begroot in respectieve conclusies, en door de rechtbank in hoofde van eisers vereffend op ambtshalve 178,48 EUR bij wijze van geactualiseerde rechtsplegingvergoeding,

Stelt vast dat artikel 92bis Wetboek BTW de rechtbank beoordelingsrecht ontzegt ter zake de door eisers gevorderde uitvoerbaarverklaring bij voorraad van het vonnis,

Wijst eisers af van het meer gevorderde en van het anders gevorderde.

H. B. L. B.

Aangehaalde teksten

5
WBTW art. 51bis2 voorkomens
WBTW art. 641 voorkomen
WBTW art. 851 voorkomen
WBTW art. 911 voorkomen
WBTW art. 92bis1 voorkomen

Vergelijkbare beslissingen

8