Recht op aftrek, Verhoudingsgetal, recht op aftrek van Btw · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Hof van Cassatie Brussel F.18.0046.N 21 mei 2021

Zoeken

Recht op aftrek, Verhoudingsgetal, recht op aftrek van Btw

https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-verhoudingsgetal-btw-gemengde-cassatie-brussel-2021-05-21-a623

Rechtscollege
Hof van Cassatie
Zetel
Brussel
Rolnummer
F.18.0046.N
Datum
21 mei 2021

Procesverloop

2 stappen · 3 jaar 5 maanden
  1. Bestreden beslissingHof van beroep te Gent28.11.2017
  2. Weergegeven beslissingHof van Cassatie van België21.05.2021

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands
Strekking volgens de FOD
gunstig voor de Belgische Staat

Tekst

69 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van Cassatie d.d. 21.05.2021 (F.18.0046.N)

WF 710-15-09/088651

[Gunstig voor de Belgische Staat]

Belasting over de toegevoegde waarde – Recht op aftrek - Verhoudingsgetal

Wettelijke bepalingen

Art. 45 WBTW - art. 51 WBTW - artikel 17 tweede lid, onder a) van de zesde richtlijn

Samenvatting

1) Feiten en voorgaande procedure

Belastingplichtige heeft als economische activiteit het oprichten en het verkopen van appartementsgebouwen. In het kader van deze economische activiteit bouwt de belastingplichtige appartementsgebouwen op gronden die eigendom zijn van derden. Deze appartementsgebouwen worden naderhand door de belastingplichtige verkocht en in dit verband maakt zij publiciteits- en administratiekosten en betaalt zij commissielonen uit aan tussenpersonen die de gebouwen promoten. De btw die drukt op deze kosten brengt de belastingplichtige op grond van artikel 45 WBTW integraal in aftrek.

Naar aanleiding van een controle heeft de administratie - met betrekking tot de periode van 1 januari 1999 tot 30 september 2001 - het standpunt - ingenomen dat het recht op aftrek van de btw met betrekking tot de vermelde kosten in hoofde van de belastingplichtige moet beperkt worden. Volgens de, administratie hebben de kosten immers niet alleen betrekking op de verkoop van de appartementsgebouwen, doch ook op de verkoop van de gronden (die, zoals vermeld, geen eigendom zijn van belastingplichtige). De btw is volgens de administratie enkel aftrekbaar in de mate dat ze betrekking heeft op de verkoop van de gebouwen. Belastingplichtige gaat niet akkoord met het standpunt van de administratie en gaat in verzet tegen het door de administratie betekende dwangbevel.

Bij vonnis van 21 maart 2016 werd de vordering van belastingplichtige gegrond verklaard. De administratie gaat op 16 juni 2016 in beroep tegen het tussengekomen vonnis. Met een arrest van 28 november 2017 hervormt het hof van beroep het vonnis van de eerste rechter en verklaart het hoger beroep van de administratie bijgevolg gegrond. Belastingplichtige tekent op 16 april 2018 cassatieberoep aan tegen het tussengekomen arrest. Bij tussenarrest van 26 april 2019 stelt het Hof van Cassatie alvorens te beslissen een prejudiciële vraag aan het Europees Hof van Justitie. Bij arrest van 1 oktober 2020 heeft het Hof van Justitie geantwoord op de prejudiciële vraag die gesteld werd het Hof van Cassatie.

2) Samenvatting geschil voor het Hof van Cassatie

Enig middel: schending van artikel 149 van de Grondwet, artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek artikelen 19, eerste en tweede lid, 1068, eerste lid, en 1138.3" van het Gerechtelijk Wetboek, artikel 45, 51, van WBTW artikel 17 van de zesde Richtlijn 77/388/EEG

Het Hof van Cassatie verwerpt het enig middel aangewend door belastingplichtige op grond van volgende overwegingen.

Het Hof van Cassatie stelt dat in zo verre de belastingplichtige de miskenning aanvoert van de motiveringsverplichting, het onderdeel feitelijk grondslag mist.

In zijn arrest van 1 oktober 2020 gewezen in de huidige zaak heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie geoordeeld dat artikel 17, tweede lid, onder a) van de zesde richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat wanneer een derde voordeel haalt uit de door de belastingplichtige gedane uitgaven, de omstandigheid dat laatstgenoemde een deel van de uitgaven kan doorrekenen aan die derde, een van de elementen vormt — naast alle andere omstandigheden waarin de betrokken handelingen hebben plaatsgevonden — die de rechter in aanmerking dient te nemen om de omvang van het recht op btw-aftrek van de belastingplichtige te bepalen.

De appelrechter die aldus, rekening houdend met alle omstandigheden waarin de betrokken handelingen hebben plaatsgevonden, oordeelt dat een gedeelte van de diensten waarvoor de uitgaven werden gedaan werden gebruikt voor handelingen van derden, namelijk voor de verkoop van de gronden door de grondeigenaren, en dat er voor dat gedeelte van de uitgaven geen rechtstreeks en noodzakelijk verband bestaat met de verkoop van de gebouwen door de belastingplichtige, verantwoordt zijn beslissing naar recht. In zoverre het onderdeel schending aanvoert van artikel 45, § 1 WBTW, artikel 1, § 2, van het KB nr. 3 van 10 december 1969 en artikel 17 van de zesde richtlijn, kan het niet worden aangenomen.

Anders dan wat belastingplichtige aanvoert, verwerpt de appelrechter de aftrek van de volledige voorbelasting niet omdat het gaat om kosten gemaakt voor verkopen van specifieke gebouwen en gronden, maar oordeelt hij dat de kosten ook niet aftrekbaar zijn als algemene kosten van alle economische activiteiten van de belastingplichtige aangezien het gaat om kosten gemaakt voor verkopen van specifieke gebouwen en gronden, Het onderdeel berust op een onjuiste lezing van het arrest en mist bijgevolg feitelijke grondslag.

In tegenstelling tot wat de belastingplichtige stelt verwerpt en beantwoordt het hof van beroep het door de belastingplichtige aangevoerde verweer dat het toe te passen verhoudingsgetal moet worden berekend in verhouding tot de waarde van de gratis diensten die zij, door de publiciteits- en makelaarskosten integraal voor haar rekening te nemen, verricht ten behoeve van de grondeigenaar. De door belastingplichtige aangehaalde stelling mist feitelijke grondslag.

De stelling van belastingplichtige met name dat de appelrechter heeft nagelaten te oordelen over de vordering tot terugbetaling van de boete en de gerechtelijke rente erop, mist feitelijke grondslag.

Het Hof verwerpt het cassatieberoep en veroordeelt de belastingplichtige tot de kosten.

Tekst van het arrest

Tekst van de beslissing

Arrest van het Hof van Cassatie van 21.05.2021 Nr. F.18.0046.N

V.A. bv, met zetel te 9000 Gent, Franklin Rooseveltlaan 349, bus W, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0436...044, eiseres, vertegenwoordigd door mr. ..., advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te ..., waar de eiseres woonplaats kiest,

tegen

BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt het BTW-ontvangkantoor Gent 1, met kantoor te 9050 Gent (Ledeberg), Gaston Crommenlaan 6, bus 107, verweerder, vertegenwoordigd door mr. ..., advocaat bij het Hof van Cassatie, en bijgestaan door mr. ..., advocaat bij de balie Brussel, beiden met kantoor te ..., waar de verweerder woonplaats kiest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 28 november 2017.

Met een arrest van 26 april 2019 heef het Hof aan het Hof van Justitie van de Europese Unie een prejudiciële vraag gesteld.

Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft geantwoord in het arrest C-405/19 van 1 oktober 2020.

Raadsheer Bart Wylleman heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste onderdeel

Eerste subonderdeel

(...)

Tweede subonderdeel

1. Met de redenen dat de bedoelde kosten betrekking hebben op zowel het gebouw als de grond, dat de eiseres een deel van deze kosten zou kunnen laten aanrekenen aan de grondeigenaar en de kosten voor de verkoop van de grond normaal worden gedragen door de grondeigenaar, geeft de appelrechter te kennen dat het door de grondeigenaar genoten voordeel niet ondergeschikt is aan de behoeften van het bedrijf van de eiseres en verwerpt en beantwoordt hij het in het subonderdeel bedoelde verweer.

In zoverre het miskenning aanvoert van de motiveringsverplichting, mist het subonderdeel feitelijke grondslag.

2. In zijn arrest van 1 oktober 2020 gewezen in de huidige zaak heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie geoordeeld dat:

- in de hypothese dat de kosten voor de in een eerder stadium verleende diensten toewijsbaar zijn aan welbepaalde handelingen in een later stadium, de belastingplichtige de btw op die kosten slechts mag aftrekken van de door hem verschuldigde belasting indien die diensten worden gebruikt voor zijn eigen belaste handelingen (ro 37);

- het gedeelte van de uitgaven dat geen verband houdt met de handelingen van de belastingplichtige maar met die van een derde, zoals in het hoofdgeding de verkoop van grond, niet een dergelijk recht doet ontstaan (ro 38);

- om de omvang van het recht op aftrek te bepalen moet worden uitgemaakt in welke mate de betrokken diensten daadwerkelijk zijn verleend om het de belastingplichtige mogelijk te maken zijn belaste handelingen te verrichten; het immers slechts in die mate is dat de voorbelasting zal worden gezien als drukkend op aan de belastingplichtige verleende diensten, zoals artikel 17, tweede lid, onder a), van de Zesde Richtlijn vereist (ro 40);

- daarvoor moet worden uitgegaan van de objectieve inhoud van de door de belastingplichtige verworven diensten en moet rekening worden gehouden met alle omstandigheden waarin de betrokken handelingen hebben plaatsgevonden (ro 41);

- in omstandigheden als die van het hoofdgeding met name de dienstverleningscontracten van belang zijn alsook de economische en commerciële realiteit, die volgens vaste rechtspraak een fundamenteel criterium vormt voor de toepassing van het gemeenschappelijk btw-stelsel (ro 42);

- de omstandigheid dat de belastingplichtige een deel van de voor de diensten gedane uitgaven kan doorrekenen aan derden, voorzeker een aanwijzing is voor de conclusie dat dit deel van de uitgaven geen verband houdt met de door de belastingplichtige in een later stadium verrichte handeling maar met de door de derde verrichte handeling (ro 46);

- dit gegeven op zich echter onvoldoende is om de omvang te bepalen van het recht op btw-aftrek van de belastingplichtige; bij de toepassing van het criterium van het rechtstreeks verband immers rekening moet worden gehouden met alle omstandigheden waarin de betrokken handelingen hebben plaatsgevonden, welke beoordeling aan de rechter staat (ro 47);

- artikel 17, tweede lid, onder a) van de Zesde richtlijn bijgevolg aldus moet worden uitgelegd dat wanneer een derde voordeel haalt uit de door de belastingplichtige gedane uitgaven, de omstandigheid dat laatstgenoemde een deel van de uitgaven kan doorrekenen aan die derde, een van de elementen vormt - naast alle andere omstandigheden waarin de betrokken handelingen hebben plaatsgevonden - die de rechter in aanmerking dient te nemen om de omvang van het recht op btw-aftrek van de belastingplichtige te bepalen (ro 48).

3. De appelrechter stelt vast en oordeelt dat:

- het niet ter betwisting staat dat de kosten waarvan de aftrek voor een deel door de administratie werden verworpen betrekking hebben zowel op de verkoop van de grond van een derde/eigenaar als op de verkoop van de aan de eiseres toebehorende gebouwen;

- in zoverre de eiseres aanvoert dat het voor de aftrek van de btw volstaat dat er een rechtstreeks en onmiddellijk verband is met de belaste handelingen van de eiseres, onder verwijzing naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 februari 2007 (C-435/05 - Investrand bv), zij niet kan worden gevolgd;

- de eiseres hierbij het gegeven miskent dat het juridisch mogelijk is de grond van een derde en het gebouw van de eiseres afzonderlijk te verkopen, wat trouwens gebeurt bij de hier aan de orde zijnde verkoopoperaties;

- zo er te dezen wel een zeker verband is tussen de verkoop van de gebouwen en de verkoop van de grond, dit niet het bedoelde rechtstreeks en onmiddellijk verband is;

- er ook moet overwogen worden dat, zo publiciteits- en administratiekosten en commissielonen voor de verkoop van de appartementsgebouwen betrekking hebben zowel op het gebouw als de grond, de eiseres een deel van deze kosten zou kunnen of zou kunnen laten doorrekenen aan de grondeigenaar aangezien de kosten gemaakt worden met het oog op verkoop van de grond;

- het ook niet enkel zo is dat de eigenaar van de grond enkel "voordeel" haalt uit het ten laste nemen van de publiciteits- en administratiekosten en commissielonen voor de verkoop van de appartementsgebouwen door de eiseres, maar het kosten zijn gemaakt voor de verkoop van gronden die normaal door de derde/eigenaar zouden moeten gedragen worden.

4. De appelrechter die aldus, rekening houdend met alle omstandigheden waarin de betrokken handelingen hebben plaatsgevonden, oordeelt dat een gedeelte van de diensten waarvoor de uitgaven werden gedaan werden gebruikt voor handelingen van derden, namelijk voor de verkoop van de gronden door de grondeigenaren, en dat er voor dat gedeelte van de uitgaven geen rechtstreeks en noodzakelijk verband bestaat met de verkoop van de gebouwen door de eiseres, verantwoordt zijn beslissing naar recht.

In zoverre het onderdeel schending aanvoert van artikel 45, § 1, Btw-wetboek, artikel 1, § 2, van het KB nr. 3 van 10 december 1969 en artikel 17 van de Zesde Richtlijn, kan het niet worden aangenomen.

Derde subonderdeel

(...)

Beschikkend gedeelte

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiseres tot de kosten.

Bepaalt de kosten voor de eiseres op 420,77 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Koen Mestdagh, als voorzitter, en de raadsheren Bart Wylleman, Koenraad Moens, François Stévenart Meeûs en Sven Mosselmans, en in openbare rechtszitting van 21 mei 2021 uitgesproken door sectievoorzitter Koen Mestdagh, in aanwezigheid van advocaat-generaal Johan Van der Fraenen, met bijstand van griffier Vanity Vanden Hende.

Ondertekeningn

Aangehaalde teksten

6

Vergelijkbare beslissingen

8