Recht op aftrek, Onroerend goed, Privégebruik -Visitatierecht, ¬ Bewijslast · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Hof van beroep Gent 28 april 2026

Zoeken

Recht op aftrek, Onroerend goed, Privégebruik -Visitatierecht, ¬ Bewijslast

https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-onroerend-goed-privegebruik-hof-van-beroep-gent-2026-04-28-efb5

Rechtscollege
Hof van beroep
Zetel
Gent
Datum
28 april 2026

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

183 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van Beroep te Gent d.d. 28.04.2026 - 2024/AR/1574

WF 714-15-21/005913 - Finaliti 55343737/01

[ Gunstig arrest ]

Belasting over de toegevoegde waarde – Recht op aftrek – Onroerend goed – Privégebruik –Visitatierecht – ¬ Bewijslast

Wettelijke bepalingen

Artikelen 45, § 1, 63, 70 § 1bis WBTW

Samenvatting van het arrest

1. Feiten en vonnis in eerste aanleg

Eiseres in hoger beroep is als btw-belastingplichtige geregistreerd voor de activiteiten van hoofdkantoren, de ontwikkeling van residentiële bouwprojecten alsook de bemiddeling bij de aankoop, verkoop en verhuur van onroerend goed.

De administratie heeft een fiscale controle uitgevoerd voor de periode van 1 januari 2017 tot en met 30 juni 2019.

Eiseres in hoger beroep huurt sinds januari 2018, voor een periode van 10 jaar, een casco woning van haar bedrijfsleider en diens echtgenote. In dat onroerend goed heeft zij haar maatschappelijke zetel gevestigd. Er is betwisting ontstaan omtrent de aftrek van btw over de kosten met betrekking tot het onroerend goed.

Er werden twee processen-verbaal van regularisatie opgesteld waarbij de in aftrek gebrachte btw werd verworpen en waarbij een proportionele geldboete van 10% alsook nalatigheidsinteresten werden opgelegd.

Op 28 juni 2022 heeft eiseres in hoger beroep de administratie verzocht haar btw-situatie te herzien. Bij beslissing van 5 augustus 2022 heeft de administratie dit verzoek afgewezen.

Op 8 september 2022 heeft eiseres in hoger beroep de zaak aanhangig gemaakt bij de rechtbank.

De eerste rechter verklaarde de vordering ontvankelijk doch ongegrond.

Op 21 oktober 2024 heeft eiseres in hoger beroep verzet aangetekend tegen dit vonnis.

2. Het arrest in hoger beroep

Eiseres in hoger beroep vordert onder meer dat de gesloten akkoorden inzake vennootschapsbelasting hun doorwerking hebben op het vlak van de btw-navordering en voert daartoe verschillende middelen aan.

Hef hof oordeelt dat eiseres in hoger beroep niet kan worden gevolgd in haar stelling en stelt dat het onmogelijk is om de gevolgen van de akkoorden uit te breiden naar een onafhankelijk en op zich staand belastingregime met een volkomen andere dynamiek en andere finesses, waarvoor de akkoorden bovendien niet bedoeld zijn.

Wat betreft de vermeende schending van het visitatierecht oordeelt het hof dat eiseres in hoger beroep niet kan gevolgd worden in haar argumentatie. Zelfs indien het plaatsbezoek niet volledig overeenkomstig de bepalingen van artikel 63 WBTW is verlopen, vormt dit op zich geen grond om de aldus verkregen gegevens als bewijs voor de navordering van de btw uit te sluiten.

Rekening houdend met de concrete gegevens van onderhavige zaak heeft de aangevoerde onwettigheid van het verkregen bewijs niet tot gevolg dat de bedoelde stukken niet konden aangewend worden door de administratie.

Wat de toepassing van artikel 45, §1 WBTW betreft, oordeelt het hof dat eiseres in hoger beroep niet aantoont dat de gemaakte kosten een rechtstreeks en onmiddellijk verband vertonen met het verkrijgen van opbrengsten uit het geheel van haar economische activiteiten. Evenmin levert zij enig bewijs dat deze kosten deel uitmaken van haar algemene kosten en als zodanig zijn opgenomen in de prijs van de door haar geleverde goederen of verstrekte diensten.

Het hof verklaart het hoger beroep ontvankelijk, doch ongegrond en bevestigd het bestreden vonnis.

Volledige tekst:

Tekst van de beslissing

Arrest hof van beroep Gent dd. 28/04/2026 - 2024/AR/1574

2024/AR/1574 - In de zaak van:

cie1, ON ...,

met zetel te ... ..., ...,

appellante,

hebbende als raadsman mr. HUBER Willy, advocaat te 2000 ANTWERPEN, Léon Stynenstraat 63

tegen

De BELGISCHE STAAT/FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIËN, ON 0308.357.159,

Minister van Financiën, met kabinet te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, vertegenwoordigd door de Adviseur-generaal-Centrumdirecteur KMO Kortrijk, met kantoor te 8500 KORTRIJK, Hoveniersstraat 31 en met correspondentieadres te 9050 LEDEBERG, Gaston Crommenlaan 6 bus 762,

geïntimeerde,

hebbende als raadsman mr. DECORDIER Carmenta en mr. BRICOUT Tine, beiden advocaat te 9041 OOSTAKKER, Orchideestraat 61 bus A

wijst het hof het volgend arrest:

1. De procedure voor het hof

Bij verzoekschrift van 21 oktober 2024 heeft de appellante hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat door de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, tiende kamer, op 10 juni 2024 werd uitgesproken in de zaak met rolnummer 22/2686/A, waarvan niet blijkt dat het zou zijn betekend.

De partijen hebben hun middelen en besluiten voorgedragen in de openbare terechtzitting van 13 januari 2025, waarna het debat werd gesloten. Het hof nam vervolgens de zaak in beraad.

Het hof heeft de Nederlandse taal gebruikt in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.

2. De relevante feiten en de voorafgaande procedure

2.1. De appellante werd opgericht op 21 december 2016, met maatschappelijke zetel aan de ... in ... en met een maatschappelijk doel in de vastgoedsector. De heer J.H., medeoprichter, werd benoemd tot statutair zaakvoerder voor onbepaalde duur. De appellante is sinds 23 december 2016 geregistreerd als btw-plichtige, voor 'activiteiten van hoofdkantoren', de ontwikkeling van residentiële bouwprojecten, alsook de bemiddeling bij de aankoop, verkoop en verhuur van onroerend goed. De administratie stelt en de appellante betwist niet dat haar activiteit bestaat uit het uitoefenen van bestuursmandaten en de coördinatie van vastgoedprojecten.

De appellante huurt (minstens) sinds januari 2018, voor een periode van 10 jaar, een casco woning aan de ... in ... vanwege haar bedrijfsleider en diens echtgenote, de heer en mevrouw H.S.. In dat onroerend goed heeft zij haar maatschappelijke zetel gevestigd. Zij stelt het ook integraal beroepsmatig aan te wenden als kantoor.

Tussen de partijen is, voor de periode van 1 januari 2017 tot en met 30 juni 2019, betwisting ontstaan omtrent de aftrek van btw over de kosten die de appellante heeft gemaakt met betrekking tot het onroerend goed aan de ... in ....

2.2. In de loop van 2020 werd een belastingcontrole aangevat bij de appellante. In het kader daarvan bezocht de belastingadministratie op 7 september 2020 de maatschappelijke zetel van de appellante, met als doel nazicht te doen van "beroepsmatigheid gebruik woning ..., ... ...". In een proces-verbaal van vaststelling van 11 september 2020 werd vastgesteld dat het onroerend goed gebouwd en ingericht was als een luxueuze gezinswoning, alsook dat het daadwerkelijk bewoond werd. Verklaard werd dat de dochter van de bedrijfsleider sinds juli 2020 tijdelijk haar intrek had genomen in enkele lokalen van het onroerend goed, in afwachting van het beëindigen van de verbouwingen aan haar eigen woning in Kortrijk.

Naar aanleiding van deze vaststellingen werd op 17 december 2020 een proces-verbaal opgemaakt voor de periode van 1 januari 2017 tot 31 december 2017. Daarin werd vastgesteld dat het beroepsmatige gebruik van de woning onvoldoende was aangetoond, ten gevolge waarvan niet voldaan was aan de bepalingen van artikel 45, §1 WBTW om het recht op aftrek van de btw met betrekking tot deze investeringen en kosten uit te oefenen. Op grond van deze vaststellingen werd een bedrag van 112.855,42 EUR aan btw verworpen, werd een geldboete van 11.280,00 EUR (10%, afgerond) verschuldigd gesteld en werden nalatigheidsinteresten verschuldigd gesteld vanaf 21 januari 2018. Deze bedragen werden opgenomen in een innings- en invorderingsregister onder schuldnummer 500235530827, dat werd opgemaakt op 22 december 2020, uitvoerbaar verklaard op 23 december 2020 en ter kennis gebracht van de appellante op 4 januari 2021.

Op 19 januari 2021 stelde de appellante bezwaar in tegen deze vordering. Voorwerp van betwisting betrof het beroepsmatige karakter van de woning aan de ... in .... Dit bezwaar werd afgewezen bij administratieve beslissing van 13 juli 2021, waarbij geen beroepsmatig gebruik aanvaard werd bij gebrek aan onderbouwing met aantoonbare gegevens.

2.3. Begin 2021 werd een opvolgcontrole aangevat voor wat betreft de periode van 1 januari 2018 tot 30 juni 2019. Deze controle resulteerde in een regularisatieopgave van 21 oktober 2021. Daarin werd vastgesteld dat voor een lijst van ontvangen goederen en diensten/ investeringen en kosten die verband hielden met het onroerend goed, niet kon worden aangetoond dat deze werden gebruikt voor het verrichten belastbare handelingen. Opnieuw werd vastgesteld dat het beroepsmatige gebruik van de woning onvoldoende was aangetoond.

De appellante ging in beperkte mate akkoord met de regularisatieopgave, waarna op 8 november 2021 een proces-verbaal betreffende de periode van 1 januari 2018 tot 30 juni 2019 werd opgemaakt en aan de appellante toegestuurd. De vaststellingen gedaan in de regularisatieopgave van 21 oktober 2021 werden bevestigd en genoteerd werd dat de beweringen van de appellante dat het onroerend goed 100% beroepsmatig wordt gebruikt, nog steeds niet onderbouwd werden met aantoonbare gegevens. Er werd besloten dat geen beroepsmatig gebruik in aanmerking kon komen, ten gevolge waarvan een bedrag van 13.690,76 EUR aan btw verworpen werd, een geldboete van 1.360,00 EUR (10%, afgerond) verschuldigd werd gesteld en nalatigheidsinteresten verschuldigd werden gesteld vanaf 21 juli 2019.

2.4. Bij schrijven van 28 juni 2022 verzocht de appellante om haar btw-situatie te herzien, voor de volledige periode van 1 januari 2017 tot 30 juni 2019. Zij wees erop dat de navorderingen inzake de inkomstenbelastingen de basis hadden gevormd voor de navorderingen inzake btw, maar dat op het vlak van de inkomstenbelastingen een akkoord werd gevonden, ten gevolge waarvan de gevestigde aanslagen gedeeltelijk waren ontheven. De appellant verzocht om de navorderingen inzake btw op dezelfde wijze te bepalen. In bijlage bij haar schrijven voegde de appellante de akkoordverklaringen voor de aanslagjaren 2018, 2019, 2020 en 2021 inzake de vennootschapsbelasting.

In een antwoord van 5 augustus 2022 op dit schrijven liet de administratie weten dat de bewijslast omtrent het recht van aftrek op de belastingplichtige rustte en dat de appellante het vereiste bewijs noch in de taxatiefase noch in de bezwaarfase had bijgebracht.

2.5. De appellante kon zich niet vinden in deze beslissing. Bij dagvaarding van 8 september 2022 heeft de appellante haar vordering aanhangig gemaakt bij de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge.

In het vonnis van 10 juni 2024 heeft de tiende kamer van deze rechtbank als volgt uitspraak

gedaan:

Verklaart de eis toelaatbaar doch wijst ze af als ongegrond;

Veroordeelt eiseres tot de gedingkosten, aan haar zijde niet te begroten aangezien ze

haar ten laste blijven en aan de zijde van verweerders begroot op 00,00 EUR.

Het is tegen dat vonnis dat de appellante hoger beroep heeft ingesteld.

3. De vorderingen van de partijen

3.1. De vorderingen van de appellante

De appellante vraagt in hoger beroep aan het hof om:

Het hoger beroep van concluante ontvankelijk en gegrond te verklaren;

Het bestreden vonnis in de gevorderde mate te hervormen;

De vordering van concluante ontvankelijk en gegrond te verklaren;

Te zeggen voor recht dat concluante de bedragen die geïntimeerden van concluante navorderen, enerzijds middels het proces-verbaal van 17 december 2020 opgesteld door de heer F.B., adviseur, de opname in het invorderingsregister nummer … onder artikelnummer …, opgemaakt op 22 december 2020 en uitvoerbaar verklaard op 23 december 2020, de brief van 13 juli 2021 / 19 augustus 2021 van mevrouw M.V. en de e-mail van 5 augustus 2022 van mevrouw M.V. en anderzijds middels het proces-verbaal van 8 november 2021 opgesteld door mevrouw A.D. en de e-mail van 5 augustus 2022 van mevrouw M.V., niet verschuldigd zijn in de mate dat zij meer bedragen dan 16.363,28 euro btw, 1.840,00 euro geldboete en nalatigheidsinteresten over de verschuldigde btw vanaf 21 juli 2019;

In ondergeschikte orde en alvorens recht te doen, het getuigenbewijs toe te staan en te bevelen wat concluante heeft gevorderd onder randnummer 39. van huidige syntheseconclusie;

Geïntimeerden te veroordelen om de onterecht door concluante betaalde bedragen, terug te betalen meer de moratoire interesten sinds 28 juni 2022;

Geïntimeerden te veroordelen tot de kosten van het geding, in elk geval tot betaling van de kosten van dagvaarding ten bedrage van 662,75 euro, de bijdrage begrotingsfonds tweedelijnsbijstand van 24,00 euro en de rechtsplegingsvergoedingen aan de zijde van concluante begroot op 7.500,00 euro in eerste aanleg en 7.848,84 euro in hoger beroep, samen 16.035,59 euro.

3.2. De vordering_van de_geïntimeerde

De geïntimeerde vraagt in hoger beroep aan het hof om:

Het hoger beroep ontvankelijk, doch ongegrond te verklaren.

Dienvolgens het bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge van 10 juni 2024 (rolnummer 2022/2686/A), alsook het betwiste betaalbericht inzake BTW, integraal te bevestigen;

Appellante te veroordelen tot de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding, aan de zijde van geïntimeerde in graad van hoger beroep begroot op een basisbedrag van 7.848,84 euro.

Gezien geïntimeerde in eerste aanleg zonder advocaat optrad, kan hij in graad van eerste aanleg geen recht laten gelden op een rechtsplegingsvergoeding.

4. De betwistingen en de beoordeling ervan

4.1. Over de draagwijdte van de akkoorden afgesloten inzake de vennootschapsbelasting

4.1.1. Uit de stukken van het dossier blijkt en het is tussen de partijen onbetwist dat de huidige btw-navordering gevolgd is uit een controle inzake vennootschapsbelasting betreffende de aanslagjaren 2018 en 2019 (balans 30/6). Zowel inzake de vennootschapsbelasting als inzake btw stond controle van de kosten die de appellante had gemaakt met betrekking tot het onroerend goed aan de ... in ..., centraal. De beide administratieve procedures kenden na het aangekondigde plaatsbezoek van het onroerend goed op 7 september 2020 in de ... evenwel hun eigen verloop.

Inzake btw werd, zoals hogerop werd uiteengezet, de aftrek van btw over de kosten gemaakt met betrekking tot het onroerend goed voor de periode van 1 januari 2017 tot 31 december 2017 integraal verworpen in een proces-verbaal van 17 december 2020, omdat volgens de administratie niet was voldaan aan de aftrekvoorwaarden van artikel 45 WBTW. Het bezwaar van de appellante tegen die btw-navordering werd afgewezen bij administratieve beslissing van 13 juli 2021. Gesteld werd dat het beroepsmatige gebruik van de woning onvoldoende was aangetoond. Vervolgens werd voor de navolgende periode van 1 januari 2018 tot 30 juni 2019 op 8 november 2021 een proces-verbaal opgemaakt dat op dezelfde leest was geschoeid: ook voor die periode werd de btw over de kosten met betrekking tot het onroerend goed integraal verworpen.

Inzake de vennootschapsbelasting werden in een aanvullende taxatie van 10 maart 2021 betreffende de aanslagjaren 2018 en 2019, de kosten die verband hielden met de inrichting en afwerking van het onroerend goed toegevoegd aan de verworpen uitgaven, omdat volgens de administratie niet was voldaan aan de aftrekvoorwaarden van artikel 49 WIB92.

Het bezwaarschrift dat de appellante tijdig tegen deze aanvullende taxatie indiende, werd behandeld vanaf 30 november 2021. Na twee plaatsbezoeken en herhaalde besprekingen ondertekende de appellante voor elk van de betrokken aanslagjaren een akkoordverklaring (op 1 maart 2022 resp. 4 mei 2022), waarna door de administratie gedeeltelijke ontheffingsbeslissingen genomen werden (op 8 maart 2022 resp. 17 mei 2022). In het akkoord werd genoteerd: "Partijen hebben zich hierbij laten inspireren door het gegeven dat [...] telkens in meer of mindere mate, kon vastgesteld worden dat — dan voor welbepaalde door reclamante gedragen onkosten (gashaard, badkamer, keuken, ...) betreft — deze ofwel eerder als kosten voor onthaal en/of receptie dienden te worden gecatalogeerd ofwel (gelet op een bepaalde graad van afwerking) een eerder exuberant karakter hebben (en derhalve te verhalen zijn jegens haar zaakvoerder(s))".Met betrekking tot het onroerend goed werd in de akkoordverklaringen en ontheffingsbeslissingen bepaald dat voor het aanslagjaar 2018:

de kosten betreffende de keuken werden verworpen ten belope van 35%;

de kosten betreffende de badkamer werden verworpen ten belope van 60%;

de kosten betreffende de gashaard werden verworpen ten belope van 50%;

de overige kosten voor 100% als beroepsmatig werden aangemerkt.

Voor het aanslagjaar 2018 werd in dat licht een bedrag van 56.455,30 EUR aan kosten met betrekking tot het onroerend goed toegevoegd aan de belastbare reserves van de appellante (via de rekening-courant van de zaakvoerder) wegens het 'eerder exuberante karakter' ervan.

Voor het aanslagjaar 2019 werden de onderhoudskosten aan het zwembad (dat de appellante niet huurt) ten bedrage van 4.183,98 EUR eveneens verrekend via de rekening-courant van de appellante. Voor de beide aanslagjaren werden daarnaast ook op forfaitaire wijze receptiekosten ten bedrage van 5.000,00 EUR toegevoegd aan de verworpen uitgaven. Andere elementen van het akkoord zijn beperkt en niet relevant voor het voorliggende geschil.

4.1.2. De appellante vordert in essentie dat deze akkoorden inzake vennootschapsbelasting doorwerken op het vlak van de navordering inzake btw en dat de verwerping van de btw wordt beperkt op analoge wijze als de verwerping van de kostenaftrek in de vennootschapsbelasting. Zij voert in dat verband verschillende middelen aan. Zo stelt zij dat het, gelet op deze akkoorden waarbij het beroepsmatige gebruik van het onroerend goed in zekere mate aanvaard werd, voor de geïntimeerde niet meer toegelaten is om het beroepsmatige gebruik van het onroerend goed of het bewijs daarvan te betwisten. Zij wijst op het onherroepelijke karakter van de administratieve ontheffingsbeslissingen van 8 maart 2022 en 17 mei 2022 (artikel 375 WIB92) en voert aan de akkoorden de administratie tot wet strekken. Bijgevolg zou het bewijs van het beroepsmatig gebruik van het onroerend goed vaststaan (in de mate dat het werd aanvaard voor de vennootschapsbelasting) en zou de administratie dat bewijs niet rechtsgeldig kunnen verwerpen. Ook meent de appellante dat het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel de administratie ertoe nopen de akkoorden inzake de vennootschapsbelasting te honoreren voor de toepassing van de btw. De appellante wijst er nog op dat de btw-administratie geen eigen onderzoek heeft gevoerd, maar louter is voortgegaan op de initiële beoordeling inzake vennootschapsbelasting die inmiddels definitief verlaten is. Ook benadrukt zij dat het criterium inzake het beroepsmatige gebruik gemeenschappelijk is aan de regeling inzake btw (artikel 45 WBTW) en de vennootschapsbelasting (artikel 49 WIB92) en dat de discussie met betrekking tot deze kosten in wezen identiek is.

De appellante kan echter niet in haar stelling gevolgd worden, dit om verschillende redenen.

4.1.3. De geïntimeerde wijst terecht op het onderscheid tussen artikel 45, §1 WBTW dat het recht op aftrek van de voorbelasting van een belastingplichtige regelt enerzijds en artikel 49 WIB92 dat de aftrek van kosten in de vennootschapsbelasting betreft anderzijds. Beide stelsels hebben hun eigen dynamiek en finaliteit, en zijn, zoals de geïntimeerde terecht aanvoert, wederzijds volkomen onafhankelijk van elkaar. De beoordeling van de rechtsvraag of een belastingplichtige een kost wel of niet gemaakt heeft om belastbare inkomsten te verkrijgen of te behouden in de zin van artikel 49 WIB92 is niet dezelfde als de beoordeling van de rechtsvraag of een btw-belastingplichtige de goederen en diensten die aan hem werden geleerd gebruikt voor het verrichten van belast handelingen ten gevolge waarvan hij deze in aftrek mag brengen van de door hem verschuldigde belasting.

Uit het loutere feit dat het beroepsmatige karakter van een kost in een bepaalde mate aanvaard werd door de administratie met het oog op de toepassing van artikel 49 WIB92, kan de appellante niet afleiden dat een analyse werd gemaakt van de voorwaarden waaraan moet voldaan zijn voor de toepassing van artikel 45 WBTW (zoals die nader worden omschreven onder randnummer 4.4.1. e.v.).

Dat het beroepsmatige gebruik van het onroerend goed als feitelijk element een plaats heeft in de juridische beoordeling voor de toepassing van de beide genoemde wetsbepalingen, doet aan het bovenstaande geen afbreuk en kan niet doen besluiten dat de administratie inzake btw moet afzien van de wettigheidstoets die haar toekomt en waartoe zij verplicht is. Het al dan niet aanvaarden van beroepskosten op grond van artikel 49 WIB92 blijft in principe zonder gevolgen voor de beoordeling van de btw-aftrek op grond van artikel 45 WBTW.

4.1.4. Door het tegendeel voor te houden en aan te voeren dat de akkoorden inzake vennootschapsbelasting zich aan de administratie opdringen voor de toepassing van de btw, geeft de appellante aan de door haar ondertekende akkoordverklaringen (en de administratieve beslissingen waarin ze werden geavaleerd) bovendien een draagwijdte die deze niet hebben en die deze nooit geroepen waren te hebben.

Uit het akkoord betreffende het aanslagjaar 2018 (stuk 24 van de appellante) blijkt dat het ertoe strekt een regeling te treffen over het in kost nemen lastens het fiscale resultaat van bepaalde uitgaven en/of investeringen betreffende het onroerend goed. Daartoe werd enerzijds een aantal exuberante (investerings)kosten doorgerekend aan de zaakvoerder(s) van de appellante en verbond de appellante zich er anderzijds toe om jaarlijks een bedrag van 10.000,00 EUR als 'receptiekost' te beschouwen en deze voor 50% toe te voegen aan de verworpen uitgaven (met toepassing van artikel 53, 8° WIB92).

Noch het kwalificeren van kosten als exuberant, noch een akkoord over het voor de toekomst forfaitair kwalificeren van kosten als receptiekosten voor de toepassing van de vennootschapsbelasting, hebben betekenis (minstens niet op dezelfde manier) voor de toepassing van de btw. De stelling van de appellante dat receptiekosten in de zin van artikel 53, 8° WIB92 inzake btw kwalificeren als 'kost van onthaal' in de zin van artikel 45, §3, 4° WBTW waarvan de btw niet aftrekbaar is, is bijzonder kort door de bocht (zie bvb. Gent 27 april 2021, 2020/AR/804, vrij beschikbaar op expert.taxwin.be) en miskent alleen al dat het evidente feit dat de begrippen voor toepassingen van de btw binnen de EU uniform moeten worden uitgelegd, ongeacht wat daarover in de Belgische inkomstenbelasting zou bepaald worden. Waar de appellante eventuele twistpunten op het vlak van de btw inzake receptiekosten uit de weg gaat door de niet-aftrekbaarheid van deze btw voor elke periode a priori te aanvaarden, blijkt daaruit vooral dat de akkoorden geen betekenis hebben voor de toepassing van de btw en — zeker vanuit het oogpunt van de administratie — nooit bedoeld waren dat wel te hebben.

Uit het proces naar en de bewoordingen van het akkoord blijkt dat het tot stand is gekomen op grond van een geven en nemen tussen de appellante en de betrokken belastingadministratie binnen het wettelijke kader van artikel 49 WIB92 (de eerste rechter wijst in dat verband met reden op een zekere terughoudendheid in de bewoordingen, zoals 'partijen hebben zich laten inspireren', 'in meer of mindere mate', 'eerder als kosten van onthaal of/receptie', 'een eerder exuberant karakter' en 'bij wijze van regeling omtrent voorliggend administratief contentieux').

Uit het voorgaande vloeit voort dat het onmogelijk is om de gevolgen van de akkoorden uit te breiden naar een onafhankelijk en op zich staand belastingregime met volkomen andere dynamiek en andere finesses, waarvoor de akkoorden bovendien niet bedoeld zijn.

Het bewijs van beroepsmatig gebruik van het onroerend goed dat de appellante afleidt uit de afgesloten akkoorden inzake de vennootschapsbelasting, dringt zich voor de beoordeling van de aftrekbaarheid van de btw over de kosten gemaakt met betrekking tot het onroerend goed, dan ook niet op aan de administratie, welke wetsbepalingen en principes de appellante in dat verband ook aanvoert.

4.1.5. De appellante voert ook aan dat zij erop moet kunnen vertrouwen dat de (onherroepelijke) toezeggingen van de administratie ook effectief worden nagekomen en dat geen met die toezegging tegenstrijdige houding wordt aangenomen voor de toepassing van de btw. Volgens haar zijn het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel geschonden door voor de toepassing van de vennootschapsbelasting akkoorden af te sluiten inzake het beroepsmatig gebruik van het onroerend goed en daarover vervolgens voor de toepassing van de btw een andere houding aan te nemen.

Echter, de appellante kan bezwaarlijk verschalkt zijn in haar vertrouwen dat ze zou gehaald hebben uit een akkoord inzake de vennootschapsbelasting dat werd bereikt in maart 2022, terwijl de kosten werden gemaakt en de btw in aftrek werd gebracht in 2017, 2018 en 2019. Op het moment dat zij de kosten maakte en de btw in aftrek bracht, kon de appellante onmogelijk haar gedrag afstemmen op de toekomstige houding van de administratie.

Bovendien miskent de appellante in haar argumentatie de chronologie van het dossier. In het kader van de belastingcontrole die een aanvang nam in de zomer van 2020, nam de btw-administratie als eerste een definitief standpunt in over de aftrekbaarheid van de btw over de kosten gemaakt met betrekking tot het onroerend goed door te oordelen dat de toepassingsvoorwaarden van artikel 45 WBTW niet vervuld waren, in de administratieve beslissing van 13 juli 2021. Op dat ogenblik was de aanslag in de vennootschapsbelasting over het aanslagjaar 2018 gevestigd waarbij de kosten met betrekking tot het onroerend goed waren toegevoegd aan de verworpen uitgaven en had de appellante daartegen bezwaar ingesteld. Pas in het najaar van 2021 heeft de appellante onderhandelingen aangeknoopt met de administratie belast met de controle van de vennootschapsbelasting, waarna zij in het voorjaar 2022 met de betrokken belastingambtenaar tot een akkoord gekomen is.

Gelet op dit tijdsverloop en op de bewoordingen van het akkoord — waaruit blijkt dat het kennelijk enkel voor de toepassing van de vennootschapsbelasting bedoeld was, zie hoger — heeft de appellante nooit enige redelijke verwachting kunnen koesteren dat de administratie, na het tot stand komen van het akkoord inzake vennootschapsbelasting in maart 2022, nog zou terugkomen op haar definitief standpunt inzake btw, dat zij al had ingenomen in juli 2021, en dat standpunt zou bijsturen (voor de periode van 1 januari 2017 tot 31 december 2017) of een van dat standpunt afwijkende beslissing zou nemen (voor de periode van 1 januari 2018 tot 31 december 2019).

Dat de btw-administratie geen eigen onderzoek gevoerd zou hebben, zoals door de appellante aangevoerd, wordt overigens weersproken door de administratieve beslissing van 13 juli 2021 enerzijds en het proces-verbaal van 8 november 2021 anderzijds. Uit de administratieve beslissing van 13 juli 2021 over het bezwaarschrift betreffende de periode van 1 januari 2017 tot 31 december 2017 blijkt dat een hoorzitting heeft plaatsgevonden en dat de appellante in functie van hetgeen daar besproken werd nog bijkomende informatie aan de administratie heeft overgemaakt. Klaarblijkelijk heeft de appellante daarbij niet kunnen overtuigen. In het proces-verbaal van 8 november 2021 wordt het verloop van de fiscale controle voor de periode van 1 januari 2018 tot 30 juni 2019 (met herhaald e-mailverkeer over en weer) nauwkeurig omschreven. Dit procedureverloop zou door de appellante niet ontkend kunnen worden, gelet op de bewijskracht die kleeft aan de feitelijke vaststellingen in het proces-verbaal op grond van artikel 59 WBTW. Uit de omstandigheid dat de onderliggende stukken van die controle niet voorliggen, kan niet worden afgeleid dat die controle niet of niet met de vereiste zorgvuldigheid plaatsgevonden heeft.

4.1.6. Alle verdere argumentatie van de appellante ten spijt, is het besluit dat de administratie noch de akkoorden of de draagwijdte ervan, noch de ontheffingsbeslissingen van 8 maart 2022 en 17 mei 2022 (waarvan de appellante het onherroepelijke karakter benadrukt), noch enige burgerrechtelijke principes of wetsbepalingen inzake het afsluiten van overeenkomsten, noch het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel, noch het bestemmingsbeginsel of het neutraliteitsbeginsel inzake btw schendt, door van de appellante te verwachten en te vorderen dat zij in concreto bewijst dat voldaan is aan de voorwaarden van btw-aftrek bepaald in artikel 45 WBTW. Het is in die context ook niet dienstig om in te gaan op de ondergeschikte vordering van de appellante om de belastingambtenaar met wie de akkoorden inzake vennootschapsbelasting werden onderhandeld, op te roepen als getuige. Hij kan niets bijbrengen dat werkelijk nuttig is voor het voorliggende debat.

Het derde en vierde middel van de appellante worden afgewezen.

4.2. Over de schending van de motiveringsplicht

De appellante voert aan dat de geïntimeerde, indien hij zijn vordering wil steunen op een andere grond dan de afwezigheid van beroepsmatig gebruik van het onroerend goed, zijn initiële vordering niet heeft gemotiveerd, ten gevolge waarvan deze moet vernietigd worden wegens schending van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen.

Dit middel van de appellante is niet dienstig. Immers, naast de vaststelling dat de appellante niet concretiseert welke bestuursakten dan wel door de vermeende nietigheid zouden zijn aangetast, is het zo dat een tekortkoming inzake de motivering ervan niet zou kunnen leiden tot het definitief afwijzen van de btw-navordering. Immers moet de rechter, gelet op het openbare orde karakter van de belasting, ongeacht de eventuele nietigheid van de administratieve akte die de vordering van de administratie schraagt, hoe dan ook zelf in feite en in rechte beslissen over het bestaan van de btw-schuld als hij daartoe, zoals ten deze, wordt uitgenodigd door de vorderingen die door de partijen worden gesteld. De gebeurlijke nietigheid van de bestuursakte impliceert immers niet dat de belasting onverschuldigd werd betaald. Waar de appellante de terugbetaling van de door haar voldane btw vordert, kan de rechter deze niet bevelen zonder te hebben nagegaan of de belasting al den niet verschuldigd was.

Het middel van de appellante wordt afgewezen.

4.3. Over de schending van de artikel 319 WIB92 en 63 WBTW

4.3.1. De appellante voert aan dat tijdens de controle van 7 september 2020 artikel 319 WIB92 en artikel 63 WBTW met de voeten zouden zijn getreden, doordat de visitatie die gebeurde zonder machtiging van de rechter in de politierechtbank, niet werd afgebroken van zodra werd vastgesteld dat de lokalen duidelijk bewoond waren en doordat toestemming vanwege de bewoners ontbrak.

De geïntimeerde heeft de tijdens de openbare terechtzitting van 13 januari 2026 de kans genomen om haar standpunt hierover uiteen te zetten. Hij is van oordeel dat de administratie geen onregelmatigheid heeft begaan tijdens het plaatsbezoek. En zelfs mocht er sprake zijn van een onregelmatigheid, dient dit volgens de geïntimeerde niet te leiden tot het weren van het bewijs, gelet op de Antigoon-toets.

4.3.2. De appellante kan niet in haar argumentatie gevolgd worden.

Krachtens artikel 63 WBTW moet eenieder die een economische activiteit uitoefent aan de ambtenaren die bevoegd zijn om de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde te controleren, vrije toegang verlenen tot de ruimten waar de activiteit wordt uitgeoefend. Met hetzelfde doel mogen die ambtenaren eveneens op elk tijdstip zonder voorafgaande verwittiging, vrij binnentreden in alle gebouwen, werkplaatsen, inrichtingen, lokalen of andere plaatsen die niet in het vorige lid zijn bedoeld en waar in dit Wetboek bedoelde handelingen verricht of vermoedelijk worden verricht. Tot particuliere woningen of bewoonde lokalen hebben zij evenwel slechts toegang tussen vijf uur 's morgens en negen uur 's avonds en uitsluitend met de machtiging van de politierechter.

Artikel 319 WIB92 voorziet in een vergelijkbare bepaling kent aan de ambtenaren belast met het verrichten van een controle of een onderzoek betreffende de toepassing van de inkomstenbelastingen een gelijkaardige onderzoeksbevoegdheid toe.

De bepalingen strekken er onder meer toe om de controlerende administratie toe te laten te controleren op welke wijze een belastingplichtige zijn activiteit organiseert op de plaats waar de werkzaamheid wordt uitgeoefend.

4.3.3. Uit de stukken van het dossier blijkt dat de appellante voorafgaand aan het aangekondigde plaatsbezoek aan de ... in ... ten aanzien van de administratie het standpunt innam dat het onroerend goed voor 100% gebruikt werd voor haar economische activiteit. Voorafgaand aan de visitatie wist de controlerende ambtenaar niet, noch kon hij weten, dat een dochter van de heer J.H. met haar partner (een gedeelte van) het onroerend goed bewoonde. Dat had de appellante immers niet gemeld en evenmin was iemand op het betrokken adres ingeschreven in het rijksregister. Bijgevolg kon de controlerende ambtenaar ervan uitgaan dat hij, overeenkomstig artikel 319 WIB92 en artikel 63, eerste lid WIB92, vrije toegang zou verkrijgen tot een onroerend goed dat voor 100% bestemd werd voor een economische activiteit.

Uit het proces-verbaal van 11 september 2020 blijkt dat de controlerende ambtenaar vanwege de appellante zonder meer vrije toegang kreeg tot het onroerend goed en dat de gegeven toestemming gedurende de gehele visitatie bleef bestaan. Bij aankomst lichtte geen van de vertegenwoordigers van de appellante de betrokken ambtenaar in van de toestand van feitelijke bewoning binnen. Bij het betreden van het onroerend goed handelde de betrokken ambtenaar dan ook in overeenstemming met de bepalingen van artikel 63 WBTW en artikel 319 WIB92, minstens verkeerde hij rechtmatig in die overtuiging.

Eenmaal toegang werd verleend, mocht de betrokken ambtenaar het onroerend goed in beginsel vrij doorzoeken, zo ook afgesloten ruimtes. Het verzoek van de ambtenaar om tijdens de visitatie een afgesloten deur te openen was rechtmatig.

Uit het proces-verbaal (zoals dat wordt geciteerd onder randnummer 4.4.4.) blijkt vervolgens dat, toen de ambtenaar verzocht om de afgesloten deur open te maken waarachter de bewoonde slaapkamer en badkamer lagen, de appellante nog steeds verdoezelde wat zich daar bevond. De ambtenaar kon vervolgens, bij het openmaken van de betrokken deur, niet anders dan vaststellen wat hij zag, klaarblijkelijk "een duidelijk bewoonde slaapkamer annex badkamer met een beslapen bed, kleerkasten vol met kledij, en een gebruikte badkamer met allerhande badkamerspullen". Pas op dat ogenblik kon de controlerende ambtenaar voor het eerst concreet bedenken dat er mogelijks sprake was van een particuliere woning of van bewoonde lokalen in het pand. Gelet op het feitelijke verloop van de visitatie was het voor de betrokken ambtenaar onmogelijk om voorafgaand aan deze vaststelling te begrijpen dat een machtiging van de politierechter en toestemming van de bewoners vereist was of kon zijn voor de (verdere) visitatie van het onroerend goed.

Uit de opbouw van het proces-verbaal van 11 september 2020 blijkt dat de ambtenaar de visitatie niet meteen heeft afgebroken na de vaststellingen die hij - tegen de verklaringen van de appellante in - deed achter de afgesloten deur. Er werd nadien namelijk nog een vaststelling gedaan in de kelderruimte.

4.3.4. Zo het voortzetten van de visitatie zonder de vereiste machtiging van de politierechtbank of toestemming van de bewoners, gebeurde in strijd met artikel 63 WBTW en artikel 319 WIB92 zoals de appellante voorhoudt, zou hieruit niet besloten kunnen worden dat de navordering inzake btw moet worden vernietigd. De voorschriften van artikel 63 WBTW en artikel 319 WIB92 zijn immers niet voorgeschreven op straffe van nietigheid van de aanslag. Evenmin zou eruit besloten kunnen worden dat de administratie geen wettig gebruik zou (kunnen) maken van de vaststellingen zoals die werden opgenomen in het proces-verbaal van 11 september 2020. De gebeurlijke inbreuk weerstaat immers de Antigoon-toets zoals die voor fiscale zaken moet worden uitgevoerd, zoals de geïntimeerde met reden aanvoerde tijdens de openbare terechtzitting van 13 januari 2026.

De bewijsmiddelen zijn immers niet verkregen op een wijze die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht dat dit gebruik onder alle omstandigheden als ontoelaatbaar moet worden geacht, noch brengt dit gebruik het recht van de appellante op een eerlijk proces in het gedrang.

De administratie heeft niet gehandeld in strijd met wat van een behoorlijk handelende overheid kan worden verwacht, nadat zij vaststelde dat in het onroerend goed een actief gebruikte slaap- en badkamer aanwezig waren. De betrokken belastingambtenaar werd, in het kader van een aangekondigde controle betreffende het beroepsmatige gebruik van een pand, niet vooraf door de belastingplichtige geïnformeerd dat er sprake was van feitelijke bewoning in het onroerend goed. Zoals hogerop uiteengezet, kon niets kon hem vooraf doen vermoeden dat er sprake was van bewoonde lokalen. Nietsvermoedend deed de ambtenaar dus de deur open van een kamer waarvan de vertegenwoordigers van de appellante op uitdrukkelijke vraag aangaven dat ze leeg stond, om er voor het voldongen feit geplaatst te worden van de feitelijke bewoning. Het is niet zo dat de ambtenaar doelbewust of uit onachtzaamheid een onroerend goed zou betreden hebben dat bestemd was voor bewoning (of waarvan hij een dergelijke bestemming kon vermoeden), in strijd met de voorschriften van artikel 319 WIB92 of 63 WBTW. Het blijkt ook niet dat hij de slaapkamer of de badkamer aan een nader onderzoek zou hebben onderworpen. Dat hij de slaap- of badkamer zou hebben betreden kan uit het proces-verbaal niet afgeleid worden. Hij heeft slechts vastgesteld wat relevant was voor het onderzoek dat hij voerde, met name dat elementen in dit deel van het onroerend goed wezen op de afwezigheid van een beroepsmatig gebruik.

Zoals hogerop uiteengezet, heeft de appellante blijvend haar toestemming gegeven voor de visitatie van een onroerend goed dat 'volgens herhaalde verklaringen beroepsmatig werd gebruikt' (zie proces-verbaal van 11 september 2020, zoals geciteerd onder randnummer 4.4.4.). Ook de vaststelling die naderhand in de kelderruimte gebeurde (opslag van verhuisdozen en een wasmachine vol met was) kon door de ambtenaar vooraf niet worden ingeschat en ging precies in tegen wat de appellante voorhield, met name dat het onroerend goed integraal beroepsmatig gebruikt werd. Een actief onderzoek van (gekende) bewoonde ruimtes werd niet gedaan. De ambtenaar stelde slechts een paar feitelijke elementen vast die wezen op bewoning.

Uit de concrete omstandigheden van het dossier blijkt dat de onregelmatigheid die de administratie verweten wordt, haar aldus als het ware opgedrongen werd. De houding van de appellante is in deze moeilijk te begrijpen. De belastingcontrole was gericht op het vaststellen van het beroepsmatige gebruik van het onroerend goed, gegeven waarvan de appellante niet onkundig kon zijn. Deze controle betreft een volkomen legitieme onderzoeksopdracht binnen de kerntaak van de belastingadministratie om de juiste heffing van de belasting na te gaan. De appellante gaf uitdrukkelijk de toestemming voor het plaatsbezoek. Zij kon niet onkundig zijn van de bewoning van het pand, en toch maakte zij daarvan vooraf geen melding aan de administratie en trachtte zij die tot op het laatste ogenblik te verdoezelen. Daarbij verraste zij de belastingambtenaar. In het geheel van die omstandigheden en gelet op de beperkte vaststellingen die nadien nog gebeurden, kan de administratie niet verweten worden een onregelmatigheid te hebben begaan (nl. het plaatsbezoek onmiddellijk afbreken) die het gebruik van de vastgestelde feitelijkheden in de woning verbiedt.

De gegevens die de administratie vergaarde tijdens het plaatsbezoek zijn betrouwbaar. Over deze stukken kon tegenspraak gevoerd worden door de belastingplichtige zodat haar

rechten van verdediging niet geschonden zijn. Ze heeft de kans gekregen zich te verdedigen op alle bewijselementen waarop de belastingadministratie zich in casu steunt.

Bijgevolg, zelfs zo het plaatsbezoek niet geheel verliep overeenkomstig het bepaalde in artikel 319 WIB92 en 63 WBTW, is er nog geen reden om de bekomen gegevens als bewijs voor de navordering van de btw uit te sluiten. Rekening houdend met de concrete gegevens van onderhavige zaak heeft de aangevoerde onwettigheid van het verkregen bewijs niet tot gevolg dat de bedoelde stukken niet konden aangewend worden door de administratie.

Ook dit middel van de appellante is ongegrond.

4.4. Over de toepassing van artikel 45 WBTW

4.4.1. Krachtens artikel 45, §1, 1° WBTW mag elke belastingplichtige op de belasting die hij verschuldigd is, de belasting geheven van de aan hem geleverde goederen en verleende diensten in aftrek brengen, in de mate dat hij die goederen en diensten gebruikt voor het verrichten van belaste handelingen. Het recht op btw-aftrek vormt een fundamenteel beginsel van het gemeenschappelijke btw-stelsel en is een integrerend deel van de btw-regeling dat in beginsel niet kan worden beperkt (zie o.m. HvJ 18 oktober 2018, Volkswagen, C-153/17, r.o. 39).

Opdat de belastingplichtige recht op aftrek van de voorbelasting kan hebben en de omvang van dat recht kan worden bepaald, dient er volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie in beginsel een rechtstreeks en onmiddellijk verband te bestaan tussen een bepaalde handeling in een eerder stadium en een of meer handelingen in een later stadium waarvoor recht op aftrek bestaat. Het recht op aftrek van de btw over in een eerder stadium verworven goederen en diensten vooronderstelt immers dat de voor de verwerving gedane uitgaven zijn opgenomen in de prijs van de belaste handelingen in een later stadium waarvoor recht op aftrek bestaat (zie o.m. HvJ 24 januari 2019, Morgan Stanley, C-165/17, r.o. 30). De belastingplichtige heeft niettemin eveneens recht op aftrek, ook al bestaat er geen rechtstreeks en onmiddellijk verband tussen een bepaalde handeling in een eerder stadium en een of meer handelingen in een later stadium waarvoor recht op aftrek bestaat, wanneer de kosten voor de betrokken diensten deel uitmaken van diens algemene kosten en als zodanig zijn opgenomen in de prijs van de door hem geleverde goederen of verrichte diensten. Tussen dergelijke kosten en het geheel van alle economische activiteiten van de belastingplichtige bestaat er immers een rechtstreeks en onmiddellijk verband (zie o.m. HvJ 14 september 2017, Iberdrola, C-132/16, r.o. 29; zie ook Cass. 26 april 2019, F.18.0046.N, via https://juportal.be).

In de mate dat de goederen en diensten worden gebruikt voor privédoeleinden of voor andere doeleinden dan deze van zijn economische activiteit, is het recht op aftrek uitgesloten. De bewijslast dat de goederen en diensten worden gebruikt voor het verrichten van belaste handelingen rust op de belastingplichtige.

4.4.2. De administratie voert aan dat de appellante onvoldoende bewijst dat de goederen en diensten die aan haar werden geleverd met betrekking tot het onroerend goed aan de ... in ..., gebruikt worden voor het verrichten van de economische activiteit van de appellante.

Het is alvast niet zo dat de appellante, louter door te verwijzen naar de akkoorden, afdoende aantoont dat zij de goederen en diensten die haar werden geleverd voor de inrichting van het onroerend goed, gebruikt voor het verrichten van belaste handelingen. Zoals hogerop al omstandig werd toegelicht, verbinden deze akkoorden de administratie niet voor wat betreft de toepassing van de btw. De appellante moet aan de hand van de concrete elementen van het dossier aantonen dat het door middel van het inrichten van het onroerend goed belastbare handelingen worden verricht. Dat akkoorden werden bekomen inzake de vennootschapsbelasting, waarbij een bepaald beroepsmatig gebruik van het onroerend goed aanvaard werd, zijn feitelijke element die bij die beoordeling in aanmerking worden genomen.

4.4.3. Uit de conclusies en stukken van het dossier blijkt dat de uitgaande btw-handelingen betrekking hebben op bestuurdersinkomsten, commissies en erelonen. De geïntimeerde stelt en de appellante betwist niet dat zij:

in het kalenderjaar 2017:

•maandelijks bestuurdersvergoedingen aanrekende aan cie2 en

•een factuur opmaakte voor 'commissie PPS Deinze' aan cie3. voor de periode van 1 januari 2018 tot 30 juni 2019:

•bestuurdersvergoedingen aanrekende aan cie2 en cie4;

•een commissie factureerde aan cie5 voor 'project Waregem'

•en ereloon factureerde voor coördinatie aan cie3.

Er kan aangenomen worden dat ook in de navolgende periode de uitgaande btw-handelingen van de appellante betrekking hebben op bestuurdersinkomsten, commissies en erelonen.

4.4.4. De appellante huurt het betrokken onroerend goed casco vanaf januari 2018 voor een periode van 10 jaar. Blijkens deze huurovereenkomst (zoals deze wordt aangehaald in het proces-verbaal van 11 september 2020) wordt het onroerend goed door de huurder bestemd voor een gebruik als kantoor- of vergaderruimte in het kader van haar beroepsactiviteit en wordt het onroerend goed dienovereenkomstig ingericht en bemeubeld (artikel 3). Volgens de huurovereenkomst kan het onroerend goed worden onderverhuurd mits voorafgaande toestemming van de verhuurder. In geval van onderverhuur zal het goed in geen enkele omstandigheid dienst mogen doen als hoofverblijfplaats van de onderhuurder.

Het is niet betwist dat het onroerend goed minstens tot september 2018 niet klaar was om gebruikt te worden in het kader van de economische activiteit van de appellante, omdat het tot dan door haar opgebouwd, ingericht en bemeubeld werd in overeenstemming met de bepalingen van de huurovereenkomst. De appellante zelf maakt melding van een eerste vergadering in het pand op 26 september 2018.

Tijdens het plaatsbezoek van 7 september 2020 deed de betrokken belastingambtenaar volgende vaststellingen:

Het onroerend goed is gebouwd en ingericht als een luxueuze gezinswoning;

Op het gelijkvloers bevindt zich een inkomhal, een gastentoilet, een ruime woonkamer, vervolgens een aparte zithoek met tv en open haard annex een uitgebreide keuken, een apart bureau en een slaapkamer met badkamer. Alle kamers zijn voorzien van inbouwmeubilair van een hoge afwerkingskwaliteit. In de woonkamer is een inbouwhaard die in verbinding staat met de zithoek. Het losstaande meubilair (tafels, stoelen, bijzettafels, salontafel, zetels, canapé, poef, tapijten) stemt qua kleuren en materialen overeen met die van de kasten, vloeren en de raamdecoratie.

Buiten zijn terrassen met een zwembad en een uitgestrekt grasveld f... j

In de kelderverdieping bevindt zich de wasruimte, de berging en een ruime koelcel

Het viel me op dat ik wat kinderstoelen zag staan in de zithoek en de keuken wat rommelig was.

Tijdens de rondleiding passeerden we verder een deur in de hal. Toen ik vroeg wat zich daarachter bevond, kreeg ik als antwoord dat die kamer leeg stond. Ik merkte op dat, gezien gans het gebouw volgens herhaalde verklaringen beroepsmatig werd gebruikt, er geen bezwaar kon zijn als ik een kijkje nam. Er werd geen bezwaar gemaakt en ik deed de deur open naar een duidelijk bewoonde slaapkamer annex badkamer een beslapen bed, kleerkasten vol met kledij, en een gebruikte badkamer met allerhande badkamerspullen.

Op de vraag wat dit te betekenen had, kreeg ik als antwoord dat de dochter van de heer J.H. sinds juli 2020 tijdelijk haar intrek had genomen in enkele lokalen van dit gebouw, en dit tot de verbouwingen aan haar huis in Kortrijk later dit jaar zouden zijn afgerond. Er zou hier een huurovereenkomst van bestaan.

In de kelderverdieping stonden heel wat spullen en (verhuis)dozen opgeslagen. In de wasruimte zat de wasmachine vol met was.

Mede gelet op bijkomende, gestaafde toelichting van de appellante staat vast dat het onroerend goed in de periode van 1 juli 2020 tot midden juni 2021 (minstens gedeeltelijk) ter beschikking stond van een dochter van de heer J.H. die er tijdelijk haar hoofdverblijfplaats had met haar partner, in afwachting van verbouwingswerken aan een nieuw aangekochte woning. Voor de (minstens gedeeltelijke) terbeschikkingstelling van het onroerend goed verkreeg de appellante een maandelijkse huurprijs van 500,00 EUR. De eerste betaling van drie maanden huur gebeurde eind september 2020. De appellante paste na september 2020 ook een herziening van de btw-aftrek voor één jaar toe met betrekking tot een bewoning van 113,72 m2 'op een totaal van 622,94 m2). De bewoning van het onroerend goed door personen die er hun feitelijke hoofdverblijfplaats hadden, lijkt niet in overeenstemming te zijn met de contractuele verplichtingen die de appellante aanvaardde bij het huren van het onroerend goed.

De appellante legt een lijst voor van vergaderingen betreffende de periode van 28 september 2018 tot 26 juni 2019. Met de geïntimeerde moet evenwel vastgesteld worden dat het een eenzijdige, niet controleerbare lijst van vermeende afspraken betreft, die om het even wanneer en door om het even wie kan zijn opgesteld. Dit document mist iedere bewijskracht. Voor de periode van 1 januari 2020 tot 24 februari 2022 legt de appellante een stapel afdrukken voor van digitaal aanvaarde vergaderingen die plaatsgevonden zouden hebben in het onroerend goed. Ook dat betreft eenzijdige en oncontroleerbare documenten. Zonder bijkomende onderbouwing laten deze afdrukken niet toe vast te stellen dat er een daadwerkelijke economische activiteit in het onroerend goed werd uitgeoefend. Hoe het onroerend goed bijdroeg tot de economische activiteit van de appellante vanaf september 2018 blijkt niet concreet. Evenmin blijkt welke impact de (gedeeltelijke) onbeschikbaarheid van het onroerend goed in de periode van 1 juli 2020 tot midden juni 2021 had op de (werk)organisatie van de appellante. Over de wijze waarop de appellante haar activiteiten in of met betrekking tot het onroerend goed organiseerde nadat zij het weer helemaal ter beschikking had, ontbreekt iedere verdere concrete informatie.

Bij het plaatsbezoek op 7 september 2020 was in het onroerend goed een persoon aanwezig die economische diensten voor de appellante zou verrichten, maar de appellante toont niet dat de betrokkene zijn plaats van tewerkstelling aan de ... in ... had, noch dat er een verband bestaat tussen dienstenprestaties van de betrokkene en haar eigen belastbare handelingen. Of en welke diensten de betrokkene voor de appellante verricht(te), is onbekend. Evenmin blijkt dat anderen hun plaats van tewerkstelling hadden in het pand.

Tevergeefs tracht de appellante de draagwijdte van de vaststellingen die werden gedaan op 7 september 2020 te minimaliseren. Het is correct dat noch de controle ter plaatse op 7 september 2020 noch de onderhuur aan de dochter van de heer J.H. gebeurden tijdens het tijdvak waarop de btw-navordering betrekking heeft. Dit neemt echter niet weg dat het privématige gebruik van het onroerend goed kort na het afwerken ervan, manifest buiten het kader van de huurovereenkomst afgesloten met het echtpaar H.S., doet betwijfelen of de appellante het onroerend goed heeft opgebouwd, ingericht en bemeubeld om op enig ogenblik te worden gebruikt voor haar economische activiteit. Deze twijfel wordt niet weggenomen door de appellante, bij ontstentenis van dragend bewijs dat het onroerend goed in de periode voorafgaand aan de privématige terbeschikkingstelling aan de dochter, tijdens deze terbeschikkingstelling of nadien, wel bestemd werd voor de economische activiteit van de appellante.

De appellante voert aan dat zij bestuurder is van vennootschappen met een activiteit van kwalitatief hoogstaande projectontwikkeling. Het onroerend goed zou zo zijn ingericht dat er kan worden vergaderd met derden in een sfeer van vertrouwelijkheid en gemoedelijkheid en dat uitdrukking gegeven wordt aan de hoogwaardige afwerking en klasse waar zij voor staat. Er zou geen 'woonkamer' zijn, maar een vergaderruimte met een professionele kastenwand en een zithoek; ook alle andere elementen in het gebouw zouden ingericht zijn met het oog op en ten dienste van de economische activiteit van de appellante. De appellante bewijst deze aanspraak echter niet afdoende. Het blijft hoofdzakelijk bij beweringen. Dat de appellante voor de vennootschapsbelasting tot een akkoord is gekomen waarbij het gebouw gedeeltelijk als beroepsmatig werd beschouwd, is een feitelijk element dat niet van aard is het oordeel van het hof te wijzigen.

Dat de investeringshandelingen waarvoor de appellante de btw in aftrek heeft gebracht in de periode van 1 januari 2017 tot 30 juni 2019, heeft gesteld om in een later stadium te worden gebruikt voor belaste handelingen te eigen behoeve, blijkt tegen het geheel van de door de partijen aangebrachte bewijselementen, niet afdoende. Een rechtstreeks en onmiddellijk verband tussen de kwestieuze uitgaven en de economische activiteiten van de appellante wordt niet aangetoond. Dat de uitgaven dienstig zijn voor de bestuursactiviteiten die de appellante ontwikkelt, wordt niet aangevoerd. Dat het onroerend goed wordt aangewend ter ondersteuning van de vastgoedprojecten die de appellante coördineert of uitvoert, wordt aangevoerd maar niet in concreto bewezen. Dat de gemaakte kosten rechtstreeks en onmiddellijk zouden geleid hebben tot het behalen van opbrengsten uit het geheel van de economische activiteiten gevoerd door de appellante wordt evenmin aangetoond. Het blijkt niet dat de uitgaven daadwerkelijk en volledig erop gericht waren om het de appellante mogelijk te maken belastbare handelingen te stellen. Ook enig bewijs dat de gemaakte kosten deel uitmaken van de algemene kosten van de appellante en als zodanig zijn opgenomen in de prijs van de door haar geleverde goederen of verrichte diensten, ontbreekt.

Anders dan de appellante voorhoudt, heeft de administratie, door de aftrek van de btw in de gegeven omstandigheden te verwerpen voor de betrokken periode, geen verboden

opportuniteitsbeoordeling gemaakt, maar slechts vastgesteld dat de

toepassingsvoorwaarden van artikel 45 WBTW niet vervuld zijn. Van een onrechtmatige inmenging in het beleid van de appellante is geen sprake.

Dat de appellante, zoals zij benadrukt, geen gemengde btw-belastingplichtige is, maar in principe recht heeft op een volledige btw-aftrek, is verder niet relevant.

Tegen die algehele achtergrond en ongeacht de overige argumentatie van de appellante, moet besloten worden dat de administratie de betwiste btw terecht heeft nagevorderd. De vordering van de appellante is ongegrond. Haar hoger beroep wordt afgewezen. Het bestreden vonnis wordt bevestigd.

5. De gerechtskosten

De appellante wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de gerechtskosten van het hoger beroep dragen.

Wat de rechtsplegingsvergoeding betreft, stelt het hof vast dat de vordering in hoger beroep in geld waardeerbaar is. De rechtsplegingsvergoeding wordt geïndexeerd op datum van de uitspraak (vandaag). De waarde van de vordering bevindt zich in de schijf van 100.000,01 tot 250.000,00 EUR.

Na indexatie is het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding gelijk aan 7.848,84 EUR. Er is geen reden om af te wijken van het basisbedrag. De appellante is voor de procedure in hoger beroep aan de geïntimeerde een rechtsplegingsvergoeding verschuldigd van 7.848,84 EUR.

Beschikkend gedeelte

BESLISSING VAN HET HOF

Het hof doet recht op tegenspraak;

Het hof beslist als volgt:

 het hoger beroep is ontvankelijk maar ongegrond;

 het bestreden vonnis wordt bevestigd.

 het hof veroordeelt de appellante tot het betalen van de gerechtskosten van het hoger beroep, vastgesteld als volgt:

 aan de kant van de appellante (maar te haren laste blijvend):

 bijdrage begrotingsfonds hoger beroep: 24,00 EUR aan de kant van de geïntimeerde:

 rechtsplegingsvergoeding hoger beroep: 7.848,84 EUR

Aldus gewezen en uitgesproken in de openbare terechtzitting van het hof van beroep Gent, de VIJFDE KAMER, recht doende in fiscale zaken, op 28 april 2026.

Aanwezig:

Sylvie Van Herreweghe, raadsheer, wn. voorzitter, alleenrechtsprekend An Van Wijnsberge, griffier

Nota van de FOD Financiën

Referentie WF

WF 714-15-21/005913 - Finaliti 55343737/01

Aangehaalde teksten

7

Vergelijkbare beslissingen

8