Fiche van de FOD Financiën
Arrest van het Hof van Cassatie d.d. 23.10.2025
WF 503-15-17/010368
[ Gunstig vonnis ]
BTW - Recht op aftrek - Motivatie
Samenvatting
Het Hof van Cassatie verwerpt het cassatieberoep van de eiseres. Het oordeelt dat het recht van verdediging werd gerespecteerd en dat de motieven van het dwangbevel voldoende kenbaar waren. De middelen die schending van de motiveringsplicht aanvoeren, zijn niet ontvankelijk omdat ze niet opkomen tegen de zelfstandige motieven van het arrest. De appelrechters stelden terecht dat er geen recht op btw-aftrek was wegens het indienen van nihil-aangiften en het ontbreken van bewijs voor inkomende facturen of invoer. Ook de verjaring verhindert nog aftrek. Andere middelen missen feitelijke grondslag of relevantie. Het Hof bevestigt het arrest van het hof van beroep en legt de kosten ten laste van de eiseres.
Volledige tekst
Tekst van de beslissing
Arrest van het Hof van Cassatie d.d. 23.10.2025
Nr. F.24.0015.N
X., met zetel …, ingeschreven bij de KBO onder nummer …,
eiseres,
met als raadsman mr. Leo De Broeck, advocaat bij de balie Brussel, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 209A, bus 1,
tegen
BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet gevestigd te 1000 Brussel, Wetstraat 12, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0308.357.159, voor wie optreedt het Team Invordering Rechtspersonen Kortrijk Cel Geschillen AABBI, Gewestelijke Directie, met kantoor te 9050 Gent (Lede erg), Gaston Crommenlaan 6 bus 803,
verweerder,
vertegenwoordigd door mr. Stefan De Vleeschuwer, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67, waar de verweerder woonplaats kiest.
I.RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest v het hof van beroep te Gent van 5 september 2023.
Raadsheer Myriam Ghyselen heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal Stijn Ravyse heeft geconcludeerd.
II.CASSATIEMIDDELEN
De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan it arrest is gehecht, vier middelen aan.
III.BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling
Eerste middel
Eerste onderdeel
1.De appelrechters oordelen dat:
- in elk geval uit het verzoekschrift van 2 december 2016 bleek dat de eiseres aan de hand van de kennisname van het dwangbevel en het bijgevoegde proces-verbaal van 21 maart 2015 een zodanig nazicht had in de motieven van de verweerder dat zij met kennis van zaken kan uitmaken of het zinvol was het dwangbevel te bestrijden;
- het recht van verdediging van de eiseres wel degelijk is gerespecteerd.
2.Zij geven aldus te kennen dat de eiseres kennis had van de motieven die ten grondslag liggen aan het dwangbevel en daardoor haar verweer kon uitoefenen aan het doel van de formele motiveringsplicht is bereikt en er bijgevolg ook om die reden geen schending is van de Wet Motivering Bestuurshandelingen.
3.Het onderdeel komt niet op tegen die zelfstandige reden. In zoverre het onderdeel schending aanvoert van de artikelen 2 en 3 Wet Motivering Bestuurshandelingen kan het niet tot cassatie leiden en is het mitsdien niet ontvankelijk.
4.De aangevoerde schending van artikel 85, §1 Btw-wetboek is afgeleid uit de vergeefs aangevoerde schending van de artikelen 2 en 3 Wet Motivering Bestuurshandelingen en is mitsdien niet ontvankelijk.
Tweede en derde onderdeel
5.De appelrechters oordelen niet alleen dat de naleving van de motiveringsplicht evenmin kan beoordeeld worden door rekening te houden met stukken die de eiseres pas in de loop van het huidige fiscaal geschil heeft voorgelegd en ingeroepen, meer bepaald de inkomende facturen, maar gaan tevens in het raam van hun onderzoek naar de vereiste motivering na of de door het dwangbevel vastgestelde belastingschuld kon verminderd worden met de aftrek van de belasting over de toegevoegde waarde die door de eiseres zou zijn betaald op de inkomende facturen.
6.De appelrechters oordelen in dit verband dat er geen recht op aftrek is omdat:
- De eiseres in de betreffende periodes geen recht op aftrek heeft uitgeoefend op basis van de ingediende facturen, nu ze enkel nihil-aangiften indiende;
- De verweerder met reden laat gelden dat niet is aangetoond dat de corrigerende aangiften die later werden ingediend, betrekking hadden op zwarte omzet die het voorwerp uitmaakt van het dwangbevel.
7.De onderdelen komen niet op tegen die zelfstandige reden.
In zoverre de onderdelen schending aanvoeren van de artikelen 2 en 3 Wet Motivering Bestuurshandelingen kunnen ze bij gebrek aan belang niet tot cassatie leiden en zijn ze niet ontvankelijk.
8.De aangevoerde schending van de overige wetsbepalingen en algemene rechtsbeginselen is afgeleid uit de vergeefs aangevoerde schending van de artikelen 2 en 3 Wet Motivering Bestuurshandelingen.
In zoverre zijn de onderdelen evenmin ontvankelijk.
Tweede middel
Eerste onderdeel
9.De appelrechters oordelen dat:
- Het recht op aftrek van de btw hoe dan ook vereist dat er regelmatige facturen werden voorgelegd en dat binnen de wettelijke termijn van 3 jaar;
- De eiseres niet ontkent dat ze slechts nihil-aangiften indiende en wist dat ze daarmee niet in overeenstemming met de btw-wetgeving en btw-reglementering handelde;
- Zij niet kunnen vaststellen dat de correctieaangifte toelaat aan te nemen dat de berekeningen die in het dwangbevel zijn aangenomen en die op minimumberekeningen gesteund zijn, daardoor onjuist zouden zijn;
- De eiseres daarvan geen afdoende bewijs voorlegt;
- Onverminderd de invloed van het gezag van gewijsde van de uitspraak van de strafrechter in de gegeven omstandigheden niet is aangetoond dat het willekeurig was om bij de berekeningen geen recht op aftrek in rekening te brengen;
- De eiseres op geen enkel manier toelicht hoe de controleagent dat concreet had moeten doen, gelet op het feit dat de eiseres geen inkomende facturen voorlegde, zelfs niet in de strafzaak;
- In zoverre de eiseres nog inroept dat de verweerder minstens willekeurig tewerk ging door de voorbelasting op ingevoegde goederen niet in aftrek te nemen, zij slechts kunnen vaststellen dat in het dossier van de partijen nergens enig bewijs van invoer door de eiseres voorligt.
10.De appelrechters oordelen derhalve niet alleen dat een aantal argumenten van de eiseres betrekking hebben op de inhoud van het dwangbevel en van het proces-verbaal van 21 maart 2015 en dat ze geen verband houden met de motiveringsplicht, maar onderzoeken daarnaast in het raam van een onderzoek naar de naleving van de materiële motiveringsplicht of er al dan niet sprake is van willekeur, misbruik, schending van de beginselen van behoorlijk bestuur of van een onjuistheid van de berekening.
Het onderdeel dat niet opkomt tegen de zelfstandige redenen vermeld onder r.o. 9 kan niet tot cassatie leiden en is bijgevolg niet ontvankelijk.
Tweede en derde onderdeel
11.Beide onderdelen voeren aan dat er inkomende btw-handelingen voorhanden zijn, waarmee rekening moet worden gehouden bij de berekening van de verschuldigde belasting over de toegevoegde waarde.
12.De appelrechters oordelen dat, afgezien van het bewijs, de verjaring hoe dan ook belet dat er nog aftrekbare belasting over de toegevoegde waarde in rekening zou worden gebracht.
De onderdelen die niet opkomen tegen die zelfstandige reden kunnen niet tot cassatie leiden en zijn bijgevolg niet ontvankelijk bij gebrek aan belang.
Derde middel
13.Het middel voert miskenning van de bewijskracht van akten aan, maar vermeldt enkel artikel 59, §1 en §2, BTW-wetboek en artikel 61,§2, Btw-wetboek als geschonden wetsbepalingen die geen verband houden met deze grief.
Het middel is niet ontvankelijk.
Vierde middel
14.Het middel gaat ervan uit dat de appelrechters aan de eiseres het recht ontzeggen om stukken bij te brengen met betrekking tot de inkomende handelingen. De appelrechters oordelen niet dat eiseres geen stukken met betrekking tot inkomende handelingen mag voorleggen die een alternatieve behandeling van de belasting over de toegevoegde waarde mogelijk aken, maar oordelen met de redenen onder r.o. 9 dat er geen bewijs voorligt v inkomende handelingen die een recht op aftrek geven.
Het middel berust op een onjuiste lezing van de beslissing van de appelrechters en mist bijgevolg feitelijke grondslag.
Beschikkend gedeelte
Dictum
Het Hof,
Verwerpt het cassatieberoep.
Veroordeelt de eiseres tot de kosten.
Bepaalt de kosten voor de eiseres op 542,32 euro.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof v n Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Bart Wylleman, als voorzitter, en de raadsheren Ilse Couwenberg, Sven Mosselmans, Myriam Ghyselen en Eva Van Hoorde, en in openbare rechtszitting van 23 oktober 2025 'toegesproken door sectievoorzitter Bart Wylleman, in aanwezigheid van advocaat -generaal Stijn Ravyse, met bijstand van griffier Elien Van Isterdael.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.