Recht op aftrek, kosten van logies, spijzen en dranken · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Hof van beroep Brussel 2009/AR/3393 11 december 2013

Zoeken

Recht op aftrek, kosten van logies, spijzen en drankenRecht op aftrek - kosten van logies, spijzen en dranken – sponsoring - mecenaat - doorfacturatie

https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-kosten-logies-spijzen-hof-van-beroep-brussel-2013-12-11-5519

Rechtscollege
Hof van beroep
Zetel
Brussel
Rolnummer
2009/AR/3393
Datum
11 december 2013

Procesverloop

2 stappen · 4 jaar 2 maanden
  1. Bestreden beslissingRechtbank van eerste aanleg te Brussel21.09.2009
  2. Weergegeven beslissingHof van beroep te Brussel11.12.2013

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands
Strekking volgens de FOD
gunstig voor de Belgische Staat

Tekst

62 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van Beroep van Brussel dd. 11.12.2013 (2009/AR/3393)

Trefwoorden

Belasting over de toegevoegde waarde - recht op aftrek - kosten van logies, spijzen en dranken – sponsoring - mecenaat - doorfacturatie

Wetgeving

Art. 18, § 1,tweede lid, 10°, art. 45, §1, art. 45 § 3, 3° en 4° btw Wetboek

Samenvatting

In de periode 1 januari 2000 tot 31 december 2002 stelde de administratie vast dat de belastingplichtige (sportclub) ten onrechte voorbelasting in aftrek heeft genomen op uitgaven van logies, spijzen en dranken, verschaft aan haar leden, gasten bij sponsorevenementen en toeschouwers van sportwedstrijden in business seats. De eerste rechter verklaarde, na te hebben overwogen dat de uitsluitbepaling van art. 45, § 3, 3° Btw Wetboek niet kan worden toegepast, het verzet van belastingplichtige grotendeels gegrond, en vernietigde het dwangbevel. In hoger beroep vordert de administratie enkel de voorbelasting die verband houdt met maaltijden tijdens het jaarlijkse sponsorevenement. De belastingplichtige tekent in ondergeschikte orde incidenteel beroep aan nl. indien het hof de administratie zou bijtreden, de gefactureerde diensten als mecenaathandelingen te beschouwen, die buiten het toepassingsgebied van de btw vallen. Belastingplichtige vordert in dat geval de terugbetaling van de btw op uitgaande facturen.

De belastingplichtige vermeldt op haar factuur aan de deelnemers aan het sponsorevenement niet dat er spijzen en dranken zijn inbegrepen. Dergelijke factuur bewijst geenszins, dat de belastingplichtige op haar beurt de spijzen en dranken onder bezwarende titel verstrekte aan de deelnemers. De navordering van de administratie is gesteund op de uitsluitingsbepaling van art. 45, § 3, 3° en 4° Btw Wetboek. Het hoofdberoep is gegrond, het incidenteel beroep is ongegrond.

Volledige tekst

Tekst van de beslissing

Arrest van het HOF van Beroep te BRUSSEL, Fiscale kamer ”6 E"

dd. 11 december 2013

2009/AR/3393

IN ZAKE VAN:

DE BELGISCHE STAAT,. FOD Financiën, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, op vervolging en benaarstiging van de eerstaanwezend inspecteur van het BTW-Ontvangkantoor te Halle, waarvan de burelen gevestigd zijn te 1500 Halle, appellant,

vertegenwoordigd door Meester B. loco J.H., advocaat te ….

TEGEN:

De V.Z.W. V. L., in vereffening, met maatschappelijke zetel gevestigd te … hebbende als vereffenaar Meester.J.V., met kantoor gevestigd te … geïntimeerde, vertegenwoordigd door haar vereffenaar Meester J.V., advocaat te …

Het hof, na beraad, spreekt in openbare terechtzitting volgend arrest uit:

PROCEDURE

Gelet op de procedurestukken, inzonderheid het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 21 september 2009, betekend op 2 december 2009, waartegen hoger beroep werd aangetekend bij verzoekschrift op de griffie van het hof neergelegd op 24 december 2009.

Meester J.V. legde op de pleitzitting een akte van gedinghervatting neer, waarin hij verklaart het geding te hervatten in zijn hoedanigheid van geïntimeerde in vereffening.

De invereffeningstelling van een vennootschap onderbreekt evenwel het geding niet, zodat een hervatting van geding niet vereist is (vgl. Brussel 14 april 2000, Rev.prat.soc. 2000, 362; Brussel 24 februari 2000, lT. 2000, 468).

FEITEN EN BESTREDEN VONNIS

De eerste rechter werd door geïntimeerde geadieerd met een verzet tegen een dwangbevel van 30 november 2004, dat een BTW-bedrag in hoofdsom van 15.471,15 EUR en een geldboete van 2.040,00 EUR tot voorwerp had, en tegen een dwangbevel van 9 december 2005, dat een BTW-bedrag in hoofdsom van 10.609,93 EUR en een geldboete van 1.060,00 EUR tot voorwerp had.

De dwangbevelen volgden op controles betreffende de periodes van 1 januari 2000 tot 31 december 2001 en van 1 januari 2002 tot 31 december 2002, waarbij werd vastgesteld dat geïntimeerde ten onrechte de voorbelasting geheven op de uitgaven voor logies,

spijzen en dranken die zij verschafte aan haar leden, de voorbelasting geheven op de uitgaven voor spijzen en dranken die zij verschafte aan de toeschouwers van wedstrijden in business-seats, evenals de voorbelasting geheven op de uitgaven voor spijzen en dranken die zij verschafte aan de gasten op het jaarlijkse sponsorevenement (concert met diner) in aftrek bracht. Er werd in voormelde processen-verbaal nog vastgesteld dat geïntimeerde niet voldeed aan de verplichting tot uitreiking van rekeningen en ontvangstbewijzen, voorzien in artikel 22, § 1, 2° van het koninklijk besluit nr. 1 van 29 december 1992 met betrekking tot de regeling van de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde.

De eerste rechter, na te hebben vastgesteld dat geïntimeerde de verwerping van de aftrek van de voorbelasting geheven op de uitgaven voor logies, spijzen en dranken die zij verschafte aan haar leden niet betwistte, en na te hebben overwogen dat de uitsluitingbepaling van artikel 45, § 3, 3° WBTW niet kan worden toegepast, noch op de maaltijden en dranken die in de business seats worden geserveerd tijdens de volleybalwedstrijden, noch op de maaltijden en dranken die worden geserveerd op het jaarlijkse sponsorevenement, verklaarde het verzet grotendeels gegrond.

Hij vernietigde het dwangbevel van 30 november 2004, behoudens wat betreft het BTW-bedrag ten belope van 269,81 EUR, de geldboete ten belope van 27,00 EUR en de hierop verschuldigde moratoire interesten, en zegde voor recht dat met dezelfde beperking de hierin vervatte bedragen uit hoofde van BTW, geldboete en interesten niet verschuldigd zijn.

Hij vernietigde het dwangbevel van 9 december 2005 en zegde voor recht dat de hierin vervatte bedragen uit hoofde van BTW, geldboete en interesten niet verschuldigd zijn.

Hij verwees appellant in de gedingkosten.

GRIEVEN

Appellant beperkt zijn hoger beroep tot de betwisting betreffende de aftrek van de voorbelasting die verband houdt met de maaltijden ter gelegenheid van het jaarlijkse sponsorevenement.

Hij vordert de vordering van geïntimeerde volledig ongegrond te verklaren en haar te veroordelen in de kosten van beide aanleggen.

Geïntimeerde tekent in ondergeschikte orde incidenteel beroep aan, nl. ingeval het hof de stelling die appellaat thans verdedigt zou bijtreden, naar luid waarvan de gefactureerde diensten betrekking hebben op mecenaathandelingen die buiten het toepassingsgebied van de BTW vallen.

Zij vordert in dat geval de terugbetaling van de afgedragen BTW op de uitgaande facturen i.v.m. het jaarlijkse sponsorevenement, met de wettelijke en gerechtelijke interesten, te kapitaliseren overeenkomstig artikel 1154 B.W.

Zij vordert tevens appellant te veroordelen in de kosten.

BEOORDELING

1. In het proces-verbaal van 25 november 2004, dat de redengeving vormt van het betwiste dwangbevel van 30 november 2004, en in het proces-verbaal van 6 december 2005, dat de redengeving vormt van het betwiste dwangbevel van 9 december 2005, en nog voor de eerste rechter, steunde de administratie de navordering van de BTW op de uitsluitingbepaling van artikel 45, § 3, 3° en 4° WBTW, naar luid waarvan niet voor aftrek in aanmerking komt de BTW op kosten van logies, spijzen en dranken in de zin van artikel 18, § 1 , tweede lid, 10°, daaronder niet begrepen de kosten die moeten worden gedaan door belastingplichtigen die op hun beurt dezelfde diensten onder bezwarende titel verstrekken (3Q,b) en de BTW op kosten van onthaal (4°).

De processen-verbaal vermelden m.b.t. de spijzen en dranken verschaft ter gelegenheid van het jaarlijkse sponsorevenement dat "De belastingplichtige organiseert jaarlijks een diner. Aan de deelnemers wordt een factuur uitgereikt met als omschrijving 'sponsoring' of 'concert in De Montil’. Op de facturen wordt niet vermeld dat er spijzen en dranken daarin inbegrepen zijn. De BTW op de inkomende facturen met betrekking tot die spijzen en dranken kon slechts in aftrek worden gebracht in de mate dat werd aangetoond dat ze effectief onder bezwarende titel werden verstrekt. In strijd met de hiervoor aangehaalde regels werd de BTW geheven van de in onderstaande tabel opgenomen facturen ten onrechte in aftrek gebracht".

Volgens geïntimeerde, neemt appellant in hoger beroep een ander standpunt in om het recht op aftrek te weigeren. Met name stelt appellant thans dat de geviseerde uitgaven niet kaderen in een sponsorovereenkomst dan wel in een mecenaat en dat mecenaathandelingen buiten de werkingssfeer van het BTW-stelsel vallen en dat de mecenaatkosten derhalve niet voor aftrek in aanmerking komen.

Zonder de nietigheid van de betwiste dwangbevelen wegens motiveringsgebrek in te roepen, stelt geïntimeerde dat de actuele stellingname van appellaat geen steun vindt in de voormelde processen-verbaal, die de enige juridische grondslag vormen van de navordering. Volgens geïntimeerde kan een proces-verbaal weliswaar nadien worden aangevuld, maar het aanvullend proces-verbaal kan enkel dienstig zijn als bewijsinstrument doch niet als motivering van de navordering. Geïntimeerde acht de werkwijze van de administratie bovendien strijdig met de wet van 29 juli 1991 betreffende de motivering van bestuurshandelingen. aangezien de vordering thans niet meer wordt gedragen door de motieven van de processen-verbaal.

Geïntimeerde tekent in deze context in ondergeschikte orde incidenteel beroep aan op grond dat indien de stelling dat de gefactureerde diensten betrekking zouden hebben op mecenaathandelingen die buiten het toepassingsgebied van de BTW zouden vallen, appellant de BTW moet terugstorten die geïntimeerde heeft aangerekend op de uitgaande facturatie i.v.m het jaarlijkse sponsorevenement. Zij vordert de teruggaaf van de BTW i.v.m, de uitgaande facturatie over de jaren 2000, 2001 en 2002.

Geïntimeerde verliest uit het oog dat appellant voor het hof de navordering nog altijd steunt op de uitsluitingbepaling van artikel 45, § 3, 3° en 4° "VBTW ("Voor de volledigheid wordt in ondergeschikte orde nogmaals herinnerd aan het zoeven genoemde vonnis van 19 september 1997 van de rechtbank van Antwerpen, waarin gelijkaardige handelingen onder de categorie 'kosten van onthaal’ zijn geplaatst. Het jaarlijks evenement kan immers aanzien worden als een dankbetuiging aan de sponsors en de mecenassen ( ... ) Artikel 45, § 1 van het BTW-wetboek vereist dat een belastingplichtige voor iedere aftrek bewijst dat de goederen en de diensten waarvoor hij zijn aanspraak op aftrek laat gelden in werkelijkheid bestaan en effectief voor het verrichten van de onder 1° tot 3° van dat artikel opgesomde handelingen gebruikt worden" (beroepsakte blz. 4-5; conclusie blz. 7 in gelijkaardige bewoordingen) .

2. Geïntimeerde reikte aan de deelnemers van het jaarlijkse sponsorevenement facturen uit met als omschrijving "Concert in de Montil op 16/05/2001 10 Vip arrangementen" (stuk 6 van het administratief dossier).

Een factuur met dergelijke omschrijving van de verrichte handeling bewijst geenszins dat geïntimeerde de spijzen en dranken onder bezwarende titel verstrekte aan de deelnemers.

De eerste rechter deed impliciet beroep op het bewijs door vermoedens waar hij overwoog dat "Het verschaffen van een maaltijd is dermate verbonden met het bijwonen van het concert dat zij als één geheel moet worden beschouwd en dat de betaalde vergoeding geacht moet worden een vergoeding uit te maken voor het geheel van de geleverde prestaties, daarin begrepen de maaltijd en de dranken, zelfs wanneer de levering van de maaltijden en de dranken uit commerciële overwegingen wordt voorgesteld als zijnde gratis. De maaltijden en de dranken zijn overigens geen doel op zichzelf voor de deelnemers van het concertgebeuren, maar slechts een bijkomende dienst".

De eerste rechter kon echter redelijkerwijze niet besluiten dat geïntimeerde de kosten van de maaltijd en de dranken doorfactureerde aan de deelnemers van het evenement, wanneer geïntimeerde zelf op haar facturen de verrichte handeling, overeenkomstig artikel 5, 6° van het voormeld koninklijk besluit nr. 1, omschreef als "Concert in de Montil op 16/05/2001 10 Vip arrangementen" .

Het hoofdberoep is gegrond. Het incidenteel beroep is ongegrond.

Geïntimeerde betwist nog de opgelegde boete van 10 %, gelet op het principieel karakter van de discussie.

De discussie betreft evenwel geen principes dan wel het bewijs van het recht op aftrek van de BTW, dat geïntimeerde niet levert.

Beschikkend gedeelte

OM DEZE REDENEN,

HET HOF, rechtsprekend na tegenspraak,

Gelet op art 24 van de wet van 15juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken;

Verklaart het hoofd- en incidenteel beroep beide ontvankelijk doch enkel het hoofdberoep gegrond,

Hervormt het bestreden vonnis inzoverre het de betwiste dwangbevelen vernietigde wat betreft de BTW geheven op de uitgaven voor spijzen en dranken die geïntimeerde verschafte aan de gasten op het jaarlijks sponsorevenement, de daarop verschuldigde geldboete en moratoire interesten, en de op de geldboete verschuldigde moratoire interesten, en inzoverre het appellant verwees in het geheel der gedingkosten,

Veroordeelt appellant en geïntimeerde ieder in de helft van de kosten van eerste aanleg, vereffend aan de zijde van ieder partij op de rechtsplegingvergoeding van 2.000,00 EUR,

Veroordeelt geïntimeerde in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van appellant begroot op de rechtsplegingvergoeding van 2.200,00 EUR.

Stelt de ontstentenis van de te begroten kosten hoger beroep in hoofde van geïntimeerde vast.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van de fiscale kamer "6E" van het hof van beroep te Brussel, op 11 december 2013

alwaar aanwezig waren en zitting namen :

P. V.,alleenzetelend raadsheer

C. D.N. griffier

Aangehaalde teksten

3
WBTW art. 456 voorkomens
KB nr. 1 art. 221 voorkomen
KB nr. 1 art. 51 voorkomen

Vergelijkbare beslissingen

8