Werkingssfeer, dienst, belastbare handeling, recht op aftrek van belasting · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg Brussel 21 september 2009

Zoeken

Werkingssfeer, dienst, belastbare handeling, recht op aftrek van belastingBelasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/werkingssfeer-dienst-belastbare-handeling-recht-rechtbank-brussel-2009-09-21-176e

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Zetel
Brussel
Datum
21 september 2009

Procesverloop

2 stappen · 4 jaar 2 maanden
  1. Weergegeven beslissingRechtbank van eerste aanleg te Brussel21.09.2009
  2. Beslissing in beroepHof van beroep te Brussel11.12.2013

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

141 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Brussel d.d. 21.09.2009

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het vonnis

Tekst van de beslissing

RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE BRUSSEL, 33ste Kamer

AR 2005/5282/A en 2006/1792/A

- Federale belastingen – BTW

- op tegenspraak

- eindvonnis - samenvoeging

In zake van :

De Vereniging Zonder Winstoogmerk V. L., met maatschappelijke zetel te …, …, ingeschreven in het rechtspersonenregister onder het nummer …,

eisende partij,

vertegenwoordigd door Mr. W. D. loco Mr. S. S., advocaat te …, … (ref : /),

tegen :

De BELGISCHE STAAT, Administratie van de BTW, registratie en domeinen op vervolging en benaarstiging van de eerstaanwezend inspecteur van het BTW-ontvangkantoor te Halle, waarvan de burelen gevestigd zijn te 1500 Halle, Zuster Bernardastraat 32,

verwerende partij,

vertegenwoordigd door Mr. J. B. loco Mr. J. H., advocaat te …, … (ref. : 4622),

Na beraad op 22 juni 2009 spreekt de rechtbank het navolgend vonnis uit :

Inzake 2005/5282/A

Gelet op :

• het tegensprekelijk verzoekschrift in toepassing van artikel 1385decies van het Gerechtelijk Wetboek uitgaande van eisende partij en neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 9/2/2006,

• de beschikking tot regeling van conclusietermijnen overeenkomstig artikel 747, § 2 van het Gerechtelijk Wetboek van 22/10/2007,

• de conclusies van verweerder, neergelegd ter griffie op 31/3/2006, 9/8/2006 en 28/6/2006,

• de conclusies van eiseres, neergelegd ter griffie respectievelijk op 2/5/2006 en 18/10/2007.

Inzake 2006/1792/A

Gelet op :

• het tegensprekelijk verzoekschrift in toepassing van artikel 1385decies van het Gerechtelijk Wetboek uitgaande van eisende partij en neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 27/4/2005,

• de beschikking tot regeling van conclusietermijnen overeenkomstig artikel 747, § 2 van het Gerechtelijk Wetboek van 22/10/2007,

• de conclusies van verweerder, neergelegd ter griffie op 26/10/2005,

• de conclusies van eiseres, neergelegd ter griffie respectievelijk op 5/5/2006.

Gehoord de raadslieden van partijen ter openbare zitting van 22 juni 2009, waarna de bundels met de stavingstukken van partijen neergelegd werden en de zaak in beraad genomen werd.

Toepassing is gemaakt van de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.

1. SAMENVOEGING

1. Gelet op de nauwe samenhang die bestaat tussen de zaken gekend onder het nummer 2005/5282/A en 2006/1792/A, past het beide zaken op verzoek van de partijen samen te voegen met het oog op een goede rechtsbedeling.

2. FEITEN

Eiseres is als BTW-belastingplichtige geregistreerd sinds 1 juli 1993.

Er werd door de diensten van verweerder bij eiseres een controle uitgevoerd voor wat betreft de periode 1 januari 2000 tot 31 december 2001.

Er werden door de administratie overtredingen vastgesteld, die werden opgenomen en beschreven in een proces-verbaal van 25/11/2004.

Overeenkomstig het proces-verbaal zou eiseres aan de Belgische Staat verschuldigd zijn :

- Als BTW : € 15.471,15

- Als boete : € 1.540

- Als geldboete € 500

- Als intrest : 0,8% per maand

Verweerder vaardigde op 30/11/2004 een dwangbevel uit lastens eiseres, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 1/12/2004 en op 6/12/2004 betekend aan eiseres.

3. Er werd door de diensten van verweerder bij eiseres opnieuw een controle uitgevoerd voor wat betreft de periode 1 januari 2002 tot 31 december 2002.

Er werden door de administratie overtredingen vastgesteld, die werden opgenomen en beschreven in een proces-verbaal van 6/12/2005.

Overeenkomstig het proces-verbaal zou eiseres aan de Belgische Staat verschuldigd zijn :

- Als BTW : € 10.609,93

- Als boete : € 1.060,00

- Als intrest : 0,8% per maand

Verweerder vaardigde op 9/12/2005 een dwangbevel uit lastens eiseres, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 12/12/2005 en op 15/12/2005 betekend aan eiseres.

4. Op respectievelijk 9/2/2005 en 27/4/2006 legde eiseres een verzoekschrift neer strekkende tot fiscaal verhaal, waarbij voormelde dwangbevelen en de erin vermelde bedragen worden betwist.

3. VOORWERP VAN DE VORDERING

5. De vordering van eiseres strekt ertoe, na samenvoeging van beide zaken,

- Het dwangbevel respectievelijk van 30 november 2004 (in de mate dat zij een bedrag van € 269,78 overstijgen) en 9 december 2005 te vernietigen en voor recht te zeggen dat de bedragen erin vermeld ten titel van BTW, geldboeten en intresten niet verschuldigd zijn

- In ondergeschikte orde, de opgelegde boete geheel of gedeeltelijk kwijt te schelden;

- De Belgische Staat te veroordelen tot-terugbetaling aan eiseres van alle bedragen ten titel van BTW, geldboete en intresten, die reeds door eiseres werden betaald of door de Belgische Staat werden ingehouden ter delging van de beweerde schuld, te verhogen met de wettelijke en gerechtelijke intresten;

- De Belgische Staat te veroordelen tot de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding (ad € 364,41);

- Het vonnis uitvoerbaar te verklaren bij voorraad niettegenstaande elk verhaal, zonder borgstelling en met uitsluiting van elke kantonnering,

Verweerder besluit tot de ongegrondheid van de vordering.

4. BEOORDELING

4.1. Ontvankelijkheid

5. Partijen werpen geen specifieke gronden van niet-ontvankelijkheid van de vordering op. De rechtbank ziet evenmin redenen om ambtshalve te besluiten tot de niet-ontvankelijkheid van de vordering.

De vordering is derhalve ontvankelijk.

4.2. Gegrondheid

4.2.1 Punt 1) a van het proces-verbaal van 25 november 2004

6. De in dit punt vermelde overtreding wordt door eiseres niet betwist. Eiseres stemt er uitdrukkelijk mee in (conclusies eiseres (05/5282/A) p. 2). Het betreft veen bedrag van € 269,78 aan BTW.

4.2.2 Maaltijden voor bezoekers (proces-verbaal van 25 november 2004 (punt 1 b)) en 6 december 2005 (punt 1a))

7. Eiseres stelt "business-seats" ter beschikking tegen vergoeding ter gelegenheid van volleybalwedstrijden en serveert hierbij maaltijden en dranken. Luidens het proces-verbaal van 25 november 2004 en van 6 december 2005 werd de BTW geheven op deze maaltijden en dranken ten onrechte in aftrek gebracht. Volgens verweerder konden deze slechts in aftrek worden genomen in de mate dat wordt aangetoond dat ze door de belastingplichtige effectief onder bezwarende titel werden verstrekt. Eiseres zou de maaltijden echter gratis vertrekken en/of niet door factureren aan haar klanten.

Eiseres betwist dit standpunt en steunt hiervoor op de uitzonderingsbepaling vervat in artikel 45, § 3, 3°, b) BTW-wetboek.

8. Partijen zijn het erover eens dat de door eiseres gedane uitgaven voldoen aan de voorwaarden van artikel 45, § 1 BTW-Wetboek. De betwisting heeft betrekking op de vraag of de uitsluitingsbepaling van artikel 45, § 3, 3° BTW-Wetboek in voorliggend geval kan worden toegepast.

Artikel 45, § 3, 3° BTW-Wetboek luidt :

§ 3. Voor aftrek komt niet in aanmerking de belasting ter zake van :

(...)

3° kosten van logies, spijzen en dranken in de zin van artikel 18, § 1, tweede lid, 10° en 11°, daaronder niet begrepen de kosten die worden gedaan :

(...)

b) door belastingplichtigen die op hun beurt dezelfde diensten onder bezwarende titel verstrekken;”

Het artikel 18, § 1, tweede lid 10° en 11° BTW-Wetboek, waarnaar wordt verwezen, heeft betrekking op de volgende diensten :

"10° het verschaffen van gemeubeld logies alsook de terbeschikkingstelling van plaats om te kamperen;

11° het verschaffen van spijs en drank in restaurants en cafés en, meer algemeen, in omstandigheden voor het verbruik ter plaatse;”

Enkel het onderdeel 11° van artikel 18, § 1, tweede lid BTW-Wetboek is thans van belang.

Om te worden uitgesloten van de aftrekregeling moet derhalve voldaan zijn aan twee voorwaarden :

1.Het moet gaan om spijzen en dranken in de zin vanartikel18, § 1, tweede lid, 11° BTW-Wetboek;

2.Het mag niet gaan om "kosten die worden gedaan door belastingplichtigen die op hun beurt dezelfde diensten onder bezwarende titel verstrekken";

Eerste voorwaarde

9. Tussen partijen bestaat betwisting omtrent de vraag of in casu is voldaan aan de voorwaarde dat de aan eiseres geleverde spijzen en dranken worden geleverd "in omstandigheden voor het verbruik ter plaatse".

Artikel 18, § 1, tweede lid BTW-Wetboek omschrijft wat als dienst moet worden verstaan. Het verschaffen van spijs en drank "in omstandigheden voor verbruik ter plaatse" wordt als dienst aanzien, in tegenstelling tot het verschaffen van spijzen en dranken in omstandigheden niet voor verbruik ter plaatse.

Het Hof van Justitie overwoog in haar arrest van 2 mei 1996 het volgende :

"12. Om te bepalen of handelingen leveringen van goederen dan wel diensten zijn, moeten alle omstandigheden waaronder de betrokken handeling wordt verricht in aanmerking worden genomen om daaruit de kenmerkende elementen naar voren te halen.

13. De verstrekking van toebereide spijzen en dranken voor onmiddellijke consumptie is het resultaat van een serie diensten, die begint bij de toebereiding van de spijzen en eindigt bij de feitelijke opdiening, en waarbij de klant een infrastructuur ter beschikking wordt gesteld, bestaande uit een restauratiezaal met bijbehorende ruimten (garderobe etc.) alsmede meubilair en serviesgoed. In voorkomend ·geval zullen de natuurlijke personen wier beroep dit is, de tafel dekken, de klant adviseren en hem informeren over de aangeboden spijzen of dranken, de gerechten aan tafel opdienen en ten slotte na de maaltijd de tafel afruimen.

14. De restaurantverrichting wordt derhalve gekenmerkt door een reeks van elementen en handelingen, waarvan de levering van voedsel niet meer dan een onderdeel is en waarin het diensten aspect ruimschoots de overhand heeft Zij moet bijgevolg als dienst in de zin van artikel 6, lid 1, van de Zesde richtlijn worden beschouwd. Dit is echter anders, wanneer de verrichting betrekking heeft op "afhaal"-maaltijden en niet gepaard gaat met diensten die de nuttiging ter plaatse in een passend kader moeten veraangenamen." (zaak C231/94, Faaborg-Gelting Linien AS/Finanzamt).

Aldus moet een onderscheid worden gemaakt tussen de levering van spijzen en dranken op zich zonder dat bijkomende diensten met het oog op de nuttiging ervan worden verschaft door de verstrekker, enerzijds, en, het verstrekken van spijzen en dranken gepaard gaande met bijkomende diensten (zoals het ter beschikking stellen van een speciaal daartoe uitgeruste ruimte, een garderobe, personeel voor het opdienen, tafelservies, ...) die aan de handeling in zijn geheel een dienstenkarakter verschaffen, anderzijds. In het eerstgenoemde geval gaat het om de levering van goederen. In het laatstgenoemde geval betreft het de levering van een dienst, waarbij de levering van spijzen en dranken slechts een onderdeel is en waarbij de bijkomende diensten de overhand hebben.

In alle in de BTW-handleiding (randnummer 56) vervatte voorbeelden, die naar mag worden aangenomen het standpunt van de administratie weerspiegelen, waarin de levering van spijzen en dranken als dienst wordt aangemerkt, werden door de leverancier van spijzen en dranken bijkomende diensten verschaft (zie met name het voorbeeld aangaande de spijzen en dranken uit betaalautomaten).

Uit de uitdrukkelijke verwijzing in artikel 45, § 3, 3° naar artikel 18, § 1, tweede lid BTW-Wetboek, dat bepaalt wat als dienst kan worden beschouwd, volgt dat kosten van spijzen en dranken slechts zullen uitgesloten zijn van BTW-aftrek wanneer het verschaffen ervan gebeurt in omstandigheden die aan de handeling in haar geheel het karakter van "dienst" verlenen.

De eenvoudige levering van spijzen en dranken zonder bijkomende diensten is een levering van goederen en is niet begrepen in de diensten bedoeld in artikel 18, § 1, tweede lid, 11° BTW-Wetboek. Bijgevolg is de aftrek van de betaalde BTW hierop niet uitgesloten uit hoofde van artikel 45, § 3, 3° BTW-Wetboek.

De plaats waar de bijkomende diensten worden verleend (al dan niet op de plaats van vestiging van de verstrekker) en de vraag of de bijkomende diensten plaatsvinden in een ruimte die al dan niet eigendom is van de verstrekker van de spijzen en dranken is niet relevant voor de beoordeling van de toepasselijkheid van de uitzonderingsbepaling vervat in artikel 45, § 3, 3° BTW-Wetboek.

De zinsnede "in omstandigheden voor het verbruik ter plaatse" moet derhalve aldus worden uitgelegd dat hiermee wordt bedoeld dat de levering van spijzen en dranken gepaard dient te gaan met bijkomende diensten die aan het geheel van de handeling een dienstkarakter verlenen en waarin de levering van de spijzen en de dranken zelf slechts een onderdeel van uitmaakt en de bijkomende diensten de overhand hebben.

10. In voorliggend geval werden de spijzen en dranken blijkens de respectievelijke processen-verbaal geleverd door een traiteur. Uit geen enkele vaststelling blijkt dat door deze traiteur bijkomende diensten werden verricht in bovenbedoelde zin, die gericht waren op het verbruik ter plaatse.

Aldus kan niet worden besloten dat deze leveringen een dienst zouden uitmaken in de zin van artikel 18, § 1, tweede lid, 11° en 45, § 3, 3° BTW-Wetboek. De aftrek van de BTW op deze leveringen kan dan ook niet worden uitgesloten op deze grond.

Tweede voorwaarde

11. Tussen partijen bestaat tevens betwisting over de vraag of de door eiseres aangekochte maaltijden op haar beurt door haar ten bezwarende titel werden verstrekt aan de gebruikers van de business-seats.

Volgens eiseres vormen de maaltijden een onderdeel van de verhuring van business-seats, die worden gefactureerd als sponsoring. De doorrekening gebeurt aldus ten bezwarende titel en met toepassing van BTW.

Volgens verweerder werden een aantal van de aangekochte maaltijden uitdrukkelijk op de uitgereikte factuur vermeld als gratis verstrekt.

12. In de eerste plaats moet worden opgemerkt dat geen steun voor de stelling van verweerder kan worden gevonden in de door hem geciteerde rechtspraak van het Hof van Justitie. Deze rechtspraak heeft immers betrekking op artikel 26 van de Zesde Richtlijn 77/388/EEG van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lid-Staten, inzake omzetbelasting - Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag. Deze bepaling bevat een afwijkende regeling voor reisbureaus. Deze afwijkende regeling is thans niet aan de orde.

Verder verwijst verweerder naar het feit dat de maaltijden niet werden vermeld op de uitgaande facturen.

In voorliggend geval werd een geheel van diensten verschaft door eiseres aan de huurders van business-seats, waarvan de levering van spijzen en dranken slechts één enkel onderdeel uitmaakt. Het verschaffen van een maaltijd is dermate verbonden met het gebruik van business-seats dat zij als één geheel moeten worden beschouwd - hetgeen door verweerder overigens niet wordt betwist – en dat de betaalde vergoeding geacht moet worden een vergoeding uit te maken voor het geheel van de geleverde prestaties, daarin begrepen de maaltijd en de dranken, zelfs wanneer de levering van de maaltijden en de dranken uit commerciële overwegingen worden voorgesteld als zijnde gratis. De maaltijden en de dranken zijn overigens geen doel op zich voor de huurders van de business-seats, maar slechts een bijkomende dienst.

Aldus moet worden aangenomen dat eiseres de betrokken dienst op haar beurt en· onder bezwarende titel heeft verschaft aan de huurders van business-seats. Eiseres kan niet geacht worden spijzen en dranken kosteloos te verschaffen aan de gebruikers van haar business-seats, nu zij - weliswaar zonder winst na te streven - in staat moet zijn haar kosten te dekken en de werking van de club te financieren door onder meer het verhuur van de business-seats .

Het loutere feit dat de levering van spijzen ,en dranken niet afzonderlijk werd aangerekend op de uitgaande facturen is niet beslissend voor het bepalen van het al dan niet bezwarend karakter van de levering van de maaltijden. Eiseres stelt terecht dat deze voorwaarde van uitdrukkelijke doorfacturering niet wordt gesteld in artikel 45, § 3, 3° BTW-Wetboek, noch in enige andere wettelijke bepaling.

De omschrijving op de uitgaande facturen van eiseres, waarvan voorbeelden werden voorgelegd door verweerder, voldoet kennelijk aan de voorwaarden van artikel 5, § 1 van het KB nr. 1, nu de omschrijving in casu volstaat om de handeling te determineren en het tarief te bepalen.

Wat betreft de toepassing van artikel 22, § 1 KB nr. 1 kan verwezen worden naar de tweede alinea van deze bepaling, die bepaalt dat de belastingplichtige er niet toe gehouden is de rekening of ontvangstbewijs op te maken voor zover hij op het tijdstip waarop de dienst is beëindigd aan de klant een factuur uitreikt waarop de vermeldingen genoemd in artikel 5, § 1 zijn aangebracht. Aan deze voorwaarden werd in casu voldaan.

Eiseres stelt eveneens terecht dat indien de aftrek van de kosten voor spijzen en maaltijden verschaft aan de gebruikers van de business-seats zou worden geweigerd, afbreuk zou worden gedaan aan de neutraliteit van de BTW. Bij weigering van aftrek zou immers eiseres de BTW dragen op de door haar verschafte maaltijden en dranken.

12. Gelet op hetgeen voorafgaat, is het middel van eiseres gegrond.

4.2.3 Maaltijden ter gelegenheid van het jaarlijkse evenement (proces-verbaal van 25 november 2004 (punt 1 c)) en 6 december 2005 (punt 1b))

13. Gelet op hetgeen voorafgaat moet worden aangenomen dat beide bovenvermelde voorwaarden in voorliggend geval werden vervuld.

Gelet op de afwezigheid van bijkomende diensten door de leveranciers of dienstverrichters (I., V. F., D. M.) is niet voldaan aan de voorwaarden van artikel 18, § 1, tweede lid, 11° BTW-Wetboek (eerste voorwaarde).

In voorliggend geval werd door eiseres eveneens een geheel van diensten verschaft aan de deelnemers van het concert, waarvan de levering van spijzen en dranken slechts één enkel onderdeel uitmaakt. Het verschaffen van een maaltijd is dermate verbonden met het bijwonen van het concert dat zij als één geheel moeten worden beschouwd en dat, de betaalde vergoeding geacht moet worden een vergoeding uit te maken voor het geheel van de geleverde prestaties, daarin begrepen de maaltijd en de dranken, zelfs wanneer de levering van de maaltijden en de dranken uit commerciële overwegingen wordt voorgesteld als zijnde gratis. De maaltijden en de dranken zijn overigens geen doel op zich voor de deelnemers van het concertgebeuren, maar slechts een bijkomende dienst (tweede voorwaarde).

Het middel is om de redenen hoger uiteengezet gegrond.

4.2.4. Wat betreft de niet-proportionele geldboete

14. De niet-proportionele boete opgelegd in toepassing van artikel 70, § 4 van het BTW-Wetboek (zie proces-verbaal van 25 november2004) is niet naar recht verantwoord. Alinea 2 van artikel 22, § 1 vormt een uitzondering op de verplichtingen vervat in artikel 22, § 1, alinea 1 KB nr. 1. In casu werd aan de vereisten van artikel 5, § 1 KB nr. 1 voldaan, zodat geen inbreuk op de uitvoeringsbesluiten van het BTW-Wetboek is aangetoond.

Het middel is gegrond.

4.2.5. Wat betreft de proportionele boete

15. Gelet op hetgeen voorafgaat, dient de proportionele, boete herleid te worden naar € 27,00 wat betreft het niet betwiste deel van vervat in het proces-verbaal van 25 november 2004.

Het middel is gegrond.

5. WAARDE VAN DE VORDERING EN DE GEVORDERDE RECHTSPLEGINGSVERGOEDING

16. Aangezien de vordering van eiseres voor het overgrote deel gegrond is, worden de kosten van het geding in overeenstemming met artikel 1017 van het Gerechtelijk Wetboek; ten laste gelegd van verweerder.

De waarde van de vordering situeert zich tussen € 20.000,01 en € 40.000,00.

Op grond van de waarde van het geschil kan deze vergoeding begroot worden op € 2.000. Nu geen der partijen een vordering .instelt tot verhoging of verlaging van dit basisbedrag, kan dit bedrag toegekend worden.

Beschikkend gedeelte

OM DEZE REDENEN,

DE RECHTBANK,

Gelet op de artikelen 4, 37, 41 en 42 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken,

Rechtsprekend in eerste aanleg en op tegenspraak,

Alle andersluidende en meer omvattende besluiten van de hand wijzende als niet ter zake en/of overbodig,

Voegt de zaken gekend onder het nummer2005/5282/A en 2006/1792/A samen.

Verklaart de vordering van eiseres ontvankelijk en gegrond in volgende mate;

Vernietigt het dwangbevel van 30 november 2004 behoudens wat betreft het bedrag van 269,78 euro aan BTW, 27,00 euro aan geldboeten en de hierop verschuldigde moratoire intresten en zegt voor recht dat met dezelfde beperking de hierin vervatte bedragen uit hoofde van BTW, geldboeten en intresten niet zijn verschuldigd.

Vernietigt het dwangbevel van 9 december 2005 en zegt voor recht dat de hierin vervatte bedragen uit hoofde van BTW, geldboeten en intresten niet zijn verschuldigd.

Veroordeelt verweerder tot betaling van de gedingkosten, in hoofde van eiseres begroot op € 2.000 rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de 33ste kamer van de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel, op 21 september 2009.

Waar aanwezig waren en zitting namen :

De heer M. B., toegevoegd rechter

Mevrouw I. D., griffier.

I. D. M. B.

Aangehaalde teksten

7

Vergelijkbare beslissingen

8