Tekst van de beslissing
Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Leuven d.d. 17.11.2000
A.R. 98/2096/A
D. N.V., ingeschreven in het handelsregister te Brussel onder nummer …, met maatschappelijke zetel gevestigd te …, …,
eiseres,
ter zitting vertegenwoordigd door mevrouw D., afgevaardigd bestuurder van de N.V., bijgestaan door haar raadsman, meester L. Y., advocaat, kantoorhoudende te …, …
tegen :
DE BELGISCH E STAAT, MINISTERIE VAN FINANCIËN, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, in de persoon van de Ontvanger van het BTW-ontvangkantoor te Leuven, met burelen gevestigd te 3000 Leuven, Strijdersstraat 63/90,
verweerder,
ter zitting vertegenwoordigd door meester de E. N., advocaat, kantoorhoudende te …, ….
De rechter doet uitspraak in deze zaak die in beraad werd genomen op de zitting van 13.10.2000, op tegenspraak.
Gelet op de artikelen 2-9-34-36-37 en 41 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken.
Gehoord partijen in hun middelen bij monde van hun raadsman op de zitting van 13.10.2000 en gelet op de conclusies neergelegd voor partijen en op de voor partijen neergelegde bewijsstukken.
Gezien de inleidende dagvaarding, dd.17.09.1998, ertoe strekkende :
- te zeggen voor recht dat de bedragen gevorderd in de bestreden dwangbevelen ten titel van BTW, geldboeten, intresten en kosten niet verschuldigd zijn;
- in ondergeschikte orde en voor zover nodig een architect aan te stellen als deskundige met als opdracht : "na partijen behoorlijk te hebben opgeroepen, zich ter plaatse te begeven met het oog op het vaststellen van het gebruik van het onroerend goed gelegen te …, … en het maken van een opsplitsing in de facturen van renovatie, inrichting en onderhoud naar gelang van de bestemming van de lokalen waarop de werkzaamheden betrekking hebben (volledig beroepsmatig, gemengd gebruik, volledig privé), het percentage van gemengd gebruik te ramen en te antwoorden op alle vragen dienaangaande van partijen."
- verweerder te verwijzen in de kosten;
- het te wijzen vonnis uitvoerbaar te verklaren.
I. Feiten
1. De N.V. D. of I. R. A. (hierna D. genoemd) stelt als activiteit te hebben: handel in machines, raadpleging renovatiewerken, de invoer en uitvoer van fruit en groenten. Deze N.V. is geregistreerd als BTW-belastingplichtige onder het BTW-nr. ….
2. Op 27.05.1992 vond een controle plaats door de heren D. M. (verificateur-accountant) en R. C. (adjunct-controleur) inzake de naleving van de BTW reglementering met betrekking tot de periode van 1.01.1990 tot 30.06.1992.
In die periode voerde de N.V. D. aanzienlijke werken van renovatie met gedeeltelijke nieuwbouw uit aan de woning die als maatschappelijke zetel dient voor haar activiteiten.
3. Op 26.10.1992 werd een correctieopgave opgesteld waarin op grond van vastgestelde inbreuken gesteld wordt dat een bedrag van … Bef. BTW in hoofdsom teruggestort dient te worden. Een groot deel van het bedrag (… Bef.) volgt uit het feit dat de N.V. D. de aftrek van de facturen voor de werken in en aan de woonst deed op grond van een aanwending van de woonst voor 75 % voor beroepsdoeleinden, terwijl in de correctieopgave slechts een beroepsaanwending van 13 % werd aanvaard.
4. Voor de bepaling van de beroepsaanwending baseerde de N.V. D. zich op het akkoord dat zij hiervoor bekwamen van de heer M. tijdens een controle van 6.09.1990, tijdens deze controle (die gebeurde op grond van plannen en mondelinge uitleg) werd gesteld dat het gebouw als kijkwoning zou dienen en accessoir als woonst voor de zaakvoerders zou gebruikt worden.
5. Eiseres tekende administratief bezwaar aan tegen de correctieopgave op 14.12.1992; in het bezwaar aanvaardde zij een bedrag van … Bef. Aan BTW terug te storten omwille van rechtzettingen waarin berust werd.
6. In de beslissing E.T.76.861/ADB van 9.05.1994 wordt gesteld dat uit de activiteiten van de N.V. D. is gebleken dat de woning niet als kijkwoning wordt aangewend zodat de aftrek a rato van 75 % wordt verworpen. De administratie stelt dat enkel het bureel op het gelijkvloers voor de beroepsactiviteit wordt aangewend en het overige deel uitsluitend als woonst wordt gebruikt. De aftrekbare BTW dient te worden bepaald aan de hand van een breuk met als teller de oppervlakte van het bureel en als noemer de oppervlakte van het gebouw.
7. Een tweede correctieopgave, die rekening houdt met deze beslissing, wordt opgesteld op 3.08.1994. Op grond van de beslissing wordt het beroepsgedeelte bepaald op 17 % (totale oppervlakte woning 439,454 m2 en oppervlakte bureel 76,865 m2) De terug te storten BTW in hoofdsom wordt herleid tot … Bef.
8. De N.V. D. tekent opnieuw bezwaar aan op 16.08.1994, wat leidt tot de opstelling van een P.V. op 12.10.1995. In dit P.V. wordt de terug te storten BTW in hoofdsom nogmaals herleid tot … Bef. De beslissing over het beroepsgedeelte wordt gehandhaafd.
9. Op 13.10.1995 wordt een dwangbevel uitgevaardigd door de Ontvanger en uitvoerbaar verklaard door de Hoofdcontroleur van de BTW van Overijse; van dit dwangbevel wordt aangetekend kennis gegeven aan N.V. D. op 16.10.1995.
10. Op 30.11.1995 wordt bezwaar ingediend door de N.V. D. bij de gewestelijke Directie van de BTW.
11. In de considerans van 5.11.1996 met betrekking tot de controle voor de periode 1.01.1990 tot en met 30.06.1992 wordt het beroepsgedeelte bepaald op 29 % op grond van berekeningen uitgevoerd door het kantoor Overijse van het Kadaster. De totale nuttige oppervlakte van het gebouw wordt bepaald op 417 m2 en de beroepsoppervlakte op 123 m2.
De terug te storten BTW in hoofdsom wordt herleid tot … Bef.
12. Op 23.12.1996 tekende N.V. D. bezwaar aan tegen de considerans. In het bezwaar wordt opgemerkt dat een bepaling van het aftrekbare gedeelte van de BTW op grond van het criterium oppervlakte niet kan aanvaard worden omdat de werken niet gelijk verdeeld zijn over de woning. Een voorstel werd uitgewerkt dat een opsplitsing van de facturen naar hun aard omvat, op grond van volgende criteria : geen aftrek
- uitsluitend privé : aftrek BTW voor 30 %
- gemengd gebruik : aftrek BTW voor 100 %.
- uitsluitend beroepsgebruik :
In geval van aanvaarding van dit voorstel, aanvaardde de N.V. D. een bedrag van … Bef. BTW terug te storten.
12. Op 26.08.1998 werd een tweede dwangbevel uitgevaardigd door de Ontvanger, uitvoerbaar verklaard door de eerstaanwezend inspecteur op 1.09.1998.
Dit dwangbevel werd betekend met bevel aan eiseres op 3.09.1998.
13. Verzet met dagvaarding werd betekend aan verweerder op 17.09.1998, zodat de betwisting voor onze rechtbank is gebracht.
II. Beoordeling
voorafgaandelijke opmerking
De rechtbank onderzoekt de grieven van eiseres en het verweer van verweerder in de volgorde van het proces verbaal en de considerans die aanleiding gaven tot het betwiste dwangbevel.
II.A. Inbreuken op de aftrekregeling wegens overdreven aftrek ten gevolge van materiële vergissingen
1. Eiseres heeft op grond van de regeling "medecontractant" de op deze facturen verschuldigde BTW voldaan en deze BTW opgenomen in de aangifte als recupereerbare voorbelasting. Zij deed dit op het ogenblik van de ontvangst van de eindafrekening, op het totaal vermelde bedrag, voorschot en saldo daar er geen voorschotfacturen werden uitgereikt. Verweerder verwerpt de aftrek omdat er geen factuur kan voorgelegd worden voor het voorschot op grond van artikel 3, § 1, 1°K.B. nr.3.
2. Artikel 3, § 3 van het K.B. nr. 3 bepaalt dat, wanneer de medecontractant ertoe gehouden is zelf de belasting te voldoen die opeisbaar is voor de aan hem gedane levering of dienst, hij, om zijn recht op aftrek uit te kunnen oefenen, in het bezit moet zijn van een door de leverancier uitgereikte factuur en de belasting moet hebben voldaan.
In casu werden geen voorschotfacturen uitgereikt doch enkel een eindfactuur met inbegrip van het voorschot. Eiseres heeft vervolgens op de totaliteit (voorschot en saldo) de BTW voldaan.
Gezien de administratie de factuur wel als geldig aanvaardt voor het voldoen van de belasting op de totaliteit met inbegrip van het voorschot (er wordt geen rechtzetting in dat verband voorgesteld of aanvaard) dient deze ook aanvaard te worden voor de aftrek.
De N.V. D. argumenteert niet over de verworpen aftrek in verband met de facturen 213/91 en 214/91 zodat kan aangenomen worden dat ze instemt met de verwerping die slaat op deze facturen.
II.B. Inbreuken op de aftrekregeling ten aanzien van goederen en/of diensten die volledig bestemd zijn voor privé- of andere dan beroepsdoeleinden.
1. Teneinde over het privé- of beroepskarakter van de uitgaven te kunnen beoordelen dient nagegaan te worden wat de beroepsactiviteit is van eiseres en meer in het bijzonder in welke de mate beroepsactiviteit zal worden uitgeoefend in de lokalen die dienst doen als woonst van de zaakvoerders. Immers het feit dat de burelen (een oppervlakte van 29 % van het gebouw) voor 100 % als beroepslokalen worden gebruikt wordt niet meer betwist volgens de considerans van 5.11.1996.
2. Uit de briefwisseling tussen partijen blijkt dat de regeling van een aftrek van 75 % van de BTW toegestaan door de heer M. in juni 1990 een voorlopige regeling was op grond van plannen van uitvoering van werken en voorgenomen uitoefening van activiteiten van de vennootschap die nog aan wijziging onderhevig waren en waarvoor de administratie zich een recht van wijziging had voorbehouden.
Het voorlopig karakter van de regeling blijkt uit de brief van N.V. D. van 14.12.1992 aan de administratie (p. 2).
Wat de uitvoering van werken en de bestemming van de lokalen betreft erkent eiseres in haar bezwaar dd. 23.12.1996 dat deze aan wijzigingen onderhevig waren.
Eiseres houdt ten onrechte voor dat het voorlopig akkoord met betrekking tot 75 % aftrekbaarheid als definitief dient bekrachtigd te worden, dat het een voorlopig akkoord betrof blijkt uit de stukken, zodat de mate van aftrekbaarheid dient beoordeeld te worden in concreto, rekening houdend met de criteria van de wet.
3. Eiseres stelt dat naast de burelen en werkplaatsen het volledige gebouw ook nog als volgt wordt aangewend : als model-en testwoning voor energiebesparende projecten en een deel van de woning zou ook dienst doen als ruimte waar tentoonstellingen van schilderijen worden georganiseerd en wijnen worden verkocht. (verwijzing naar krantenartikelen).
Het bestemde beroepsgebruik van de privé gedeelten werd steeds ingeroepen, zelfs indien de invulling licht werd gewijzigd :
- op 14. 12 .1992 wordt gesproken van een modelwoning met nieuwe technieken van renovatiewerken, coördinatie van renovaties, opvolging van werven, consultant, raadgeving in renovatie en decoratie, verkoop van diverse artikelen in verband met voormelde activiteiten,
- op 30.11.1995 wordt verwezen naar het bedrijfsmatig gebruik van ogenschijnlijk voor privé gebruik bestemde lokalen (verhuur voor filmopnamen - tentoonstellingen - opendeurdagen enz ...)
4. Artikel 45, § 1 BTW.W. bepaalt: "Op de belasting die hij verschuldigd is, mag elke belastingplichtige in aftrek brengen de belasting geheven van de aan hem geleverde goederen en verleende diensten, van de door hem ingevoerde goederen (...), in de mate dat hij die goederen en diensten gebruikt voor het verrichten van : 1° belaste handelingen (...)"
5. In zoverre de betwiste facturen betrekking hebben op goederen die enkel voor privégebruik bestemd zijn en niet kaderen in de activiteiten die de N.V. D. stelde te ontwikkelen dient de aftrek volledig verworpen te worden. Zo bracht de N.V. D. BTW in aftrek op zaken die duidelijk niets te maken hadden met de ingeroepen activiteiten (bij wijze van voorbeeld worden aangehaald: ligbed en matras; kookpot, tv-distributie tv-kast enz.)
6. Teneinde de bestemming van het voorwerp van elk van de facturen na te kunnen gaan dient de rechtbank inzage te hebben in deze facturen. Beide partijen leggen een uitgebreid dossier neer, doch de betwiste facturen blijken daar geen deel van uit te maken.
Het is dus noodzakelijk om deze stukken voor te leggen, bij die gelegenheid kan eventueel uitleg gegeven worden aangaande de bestemming indien deze niet uit de facturen zelf zou blijken.
ll.C. Inbreuken op de aftrekregeling ten aanzien van de verplichting in het bezit te zijn van een regelmatige factuur of een regelmatig invoerdocument
1. Bij gebreke aan voorlegging van een regelmatige factuur werd de aftrek met betrekking tot een aantal facturen geweigerd.
Eiseres erkent dat vier kleine facturen voor een bedrag van … Bef. aan BTW nooit heeft kunnen voorleggen zodat hierover heden een akkoord bestaat.
2. Eiseres heeft echter steeds voor de facturen van de C. V. S. A. bevestigd dat de voorgelegde facturen originelen waren die nogmaals ter bevestiging voor echt werden verklaard door de zaakvoerder van deze vennootschap. (zie brief 14.12.1992).
3. ln de considerans werd gesteld "Omwille van de door de belastingplichtige voorgelegde voor echt verklaarde afschriften van verschillende ingaande facturen wordt deze rubriek verminderd van … tot het bedrag van … Bef"
Her betreft de facturen die reeds eerder werden meegedeeld, zoals nogmaals door eiseres bevestigd werd in haar schrijven van 30.11.1995.
4. Niettegenstaande het eerder principieel akkoord (zie o.a. brief van 9.05.1994) werd er geen rechtzetting doorgevoerd in het P.V. van 12.10.1995 en werd een uitdrukkelijk akkoord pas gegeven in de considerans van 5.11.1996, nadat een eerste dwangbevel werd betekend op 16.10.1995.
II.D. Vervalt volledig (zie considerans waarin afstand wordt gedaan van deze navordering)
II.E. Inbreuken op de aftrekregeling ten aanzien van goederen en diensten die gedeeltelijk bestemd zijn voor andere dan beroepswerkzaamheden, zijnde het beheer van een onroerend goed
1. In hoofdorde vraagt eiseres toepassing van het oorspronkelijk overeengekomen voorlopig percentage beroepsgebruik van 75 %. Zij beroept zich op een afspraak dienaangaande, waarop de administratie, op grond van de beginselen van behoorlijk bestuur niet meer kan terugkomen.
2. Zoals hierboven gesteld onder II.B.2. was het akkoord van de administratie voorlopig en dus onderhevig aan wijziging indien de uitvoering zelf en de bestemming niet beantwoordden aan de uitleg gegeven aan de hand van de toenmalige plannen. Uit de stukken blijkt dat de plannen wijzigden en de bestemming evolueerde. Eiseres kan zich dus niet beroepen op een akkoord en daar de administratie zich impliciet maar zeker het recht voorbehouden had het beroepsgebruik opnieuw te evalueren is er ook geen schending van de beginselen van behoorlijk bestuur.
3. Ondergeschikt betwist eiseres de wijze van bepaling van het beroepsgebruik, namelijk op grond van het criterium oppervlakte en dan nog enkel van de burelen. Eiseres handhaaft haar stelling dat het woongedeelte ook wordt gebruikt voor beroepsdoeleinden. Het criterium oppervlakte (beperkt tot de burelen) wordt niet aanvaard door eiseres omdat de uitgevoerde werken ongelijkmatig verdeeld zijn over de totale oppervlakte van het gebouw en dat het belang van de werken verschilt van lokaal tot lokaal. Het merendeel van de investeringen zou betrekking hebben op de burelen die aan het gebouw werden aangebouwd en die volledig voor beroepsdoeleinden zijn bestemd. Voor de facturen die betrekking hebben op de burelen vordert eiseres 100 % aftrek van de BTW. Eiseres werkte in haar bezwaar van 23.12.1996 (antwoord op de considerans) een voorstel uit waarin zij de facturen opsplitste in :
- facturen voor werken met betrekking 101 de burelen aftrek 100 %
- facturen voor het woongedeelte gemengd gebruik aftrek 30 %
- facturen voor het privégedeelte zonder gemengd gebruik aftrek 0 %
4. Dit voorstel werd kennelijk niet onderzocht en zeker niet aanvaard aangezien hierop nooit enig antwoord kwam van de administratie, die integendeel na bijna twee jaar stilzwijgen een dwangbevel liet betekenen op 3.09.1998 op grond van het P.V. van 12.10.1995 en de considerans van 5.11.1996.
5. Het beweerd beroepsgebruik van het woongedeelte.
Er is recht op aftrek vanaf het moment dat de onderneming gestart wordt, indien er een werkelijke bedoeling is de BTW activiteiten te ontwikkelen. Het zal dan ook niet relevant zijn of men er werkelijk in slaagt deze bedoeling onmiddellijk te verwezenlijken. ("Het BTW handboek 1999, H. Vandebergh, nr. 390). De vraag die zich stelt is te weten of de bedoeling oprecht was, dan wel werd gewijzigd. Niet oprechte bedoelingen moeten uiteraard niet worden ingewilligd. In casu heeft eiseres van in het eerste bezwaarschrift gesteld dat het woongedeelte tevens een gedeeltelijk professioneel karakter had omwille van de voorgenomen activiteiten :
- op 14.12.1992 wordt gesproken van een modelwoning met nieuwe technieken van renovatiewerken, coördinatie van renovaties, opvolging van werven, consultant, raadgeving in renovatie en decoratie, verkoop van diverse artikelen in verband met voormelde activiteiten tonen van ideeën inzake stijl en decoratie
- op 30.11.1995 wordt verwezen naar het bedrijfsmatig gebruik van ogenschijnlijk voor privégebruik bestemde lokalen (verhuur voor filmopnamen - tentoonstellingen - opendeurdagen enz...)
6. Eiseres brengt bewijzen voor dat het woongedeelte inderdaad gedeeltelijk werd aangewend voor professionele doeleinden en dat daar inkomsten uit voortvloeiden :
- Aanwending van living en keuken voor publicitaire doeleinden (verband houdend met decoratie) : foto Sofa Line; publicitaire film Tefal Seb die inkomsten genereerden voor de vennootschap. (stukken 41 en 42)
- Aanvaard wordt dat de activiteiten in verband met decoratie, inrichting en consultancy in verband met bouw enkel kunnen dankzij het openstellen van het woongedeelte voor bezichtiging door toekomstige klanten. Op grond van het curriculum blijkt dat …… actief is in de textielsector en in de binnenhuisdecoratie. Verschillende facturen hebben betrekking op inkomsten uit deze activiteiten. (stukken 43, 44, 45, 46, 47, 48, 49, 50)
- Coördinatie van projecten voor de CD-Rom door de Europese Commissie gesteund in het kader van het programma Thermie (stukken 30, 31 en 32)
- Verkoop van wijnen (stuk 33)
- Tentoonstellingen met het oog op de verkoop van de schilderijen van Gian Luca Ferrero (krantenartikelen in Le Soir, Het Volk. De Serrist. Het Nieuwsblad eind 1994); de verkoop van de schilderijen wordt gefactureerd door eiseres (stukken 22 t/m 29). Het feit dat de eerste tentoonstelling slechts eind 1994 plaats vond en vervolgens inkomsten genereerde is niet relevant daar deze bijkomende activiteit te kaderen is in de "raadgeving in decoratie en verkoop van artikelen in verband met decoratie" ingeroepen in de brief van 14.12.1994.
- Bovendien moet aangenomen worden dat de keuken en het sanitair mede door het personeel, dat tewerkgesteld wordt in de burelen, gebruikt worden. (Tevens vermeld in het P.V. van gerechtsdeurwaarder P.)
7. De rechtbank acht de bedoeling van een gedeeltelijk beroepsgebruik van het woongedeelte sereen en bewezen; noch het feit dat deze activiteit niet onmiddellijk inkomsten genereerde (pas vanaf 1991, 1992) noch het feit dat deze ontvangsten minder bedragen dan verhoopt zijn relevant. De woning werd pas afgewerkt einde 1991 begin 1992 zoals blijkt uit de inkomende facturen, zodat het normaal is dat de activiteiten pas in 1992 en de daarop volgende jaren van de grond konden komen. Uit het overzicht van de uitgaande facturen van verweerden blijkt dat deze stegen van 1.005.216 in 1991 tot 3.477.068 in 1992. Het feit dat de woning luxueus ingericht zou zijn is niet relevant (daar dit een opportuniteitskwestie is) en overigens ook verklaarbaar door de doelstellingen hierboven omschreven; het feit dat de schilderijen, die in de woning worden tentoongesteld en verkocht, geschilderd worden door de partner van de zaakvoerder van eiseres is niet relevant nu vaststaat dat de inkomsten naar de vennootschap gaan.
8. Rekening houdend met het bovenstaande wordt een gedeeltelijk beroepsgebruik van het woongedeelte aanvaard, doch met uitsluiting van de slaapkamers, de twee badkamers, de dressing mezzanine die enkel voor privé-gebruik worden aangewend. Voor de rest van het woongedeelte wordt voor 10 % beroepsgebruik aanvaard.
9. De aftrek van de BTW met betrekking tot het gedeelte van het huis uitsluitend bestemd voor beroepsdoeleinden. Dit professioneel gedeelte wordt door verweerder in haar considerans van 5.11.1996 bepaald op 123 m2 toegewezen aan de bureelruimten volgens het kadaster. De stelling van verweerder om de aftrek vervolgens volgens oppervlakte om te delen kan niet gevolgd worden daar eiseres terecht opmerkt dat de kosten van de burelen per m2 veel hoger geweest zijn dan de kosten van renovatie van bijvoorbeeld de slaapkamers in het bestaand gedeelte van het gebouw. Aftrek dient toegestaan voor de werkelijke investeringen in de burelen met een oppervlakte van 123 m2 zoals deze aanvaard werden door verweerder en berekend door het kadaster. lndien vaststaat dat een factuur volledig kan toegewezen worden aan werken in de burelen dient hiervoor in principe 100 % aftrek aanvaard te worden. Enkel waar de toewijzing van de facturen per onderdeel van het gebouw niet mogelijk is omdat het om een globale kost gaat dienstig voor het gehele huis (bijvoorbeeld factuur voor het dak), dient een omrekening naar percentages van het totaal te gebeuren. Deze opsplitsing houdt rekening met 29 % van het geheel van de woning voor beroepsgebruik + (10 % van het beperkte: woongedeelte voor beroepsgebruik) (zie nr. 8 supra). Het is aan een deskundige om te berekenen hoeveel percent van het totaal dit beroepsgedeelte van het woongedeelte uitmaakt De door eiseres voorgestelde opsplitsing van facturen werd door verweerder noch. aanvaard noch betwist zodat deze niet zonder meer kan toegepast worden. De aanstelling van een deskundige architect, gezien het om een bouwtechnische aangelegenheid gaat, is aangewezen om de rechtbank advies te geven aangaande deze opsplitsing. Zijn opdracht wordt omschreven in het dispositief.
10. De rechtbank besluit samengevat tot volgende principiële aftrekregeling :
- uitsluitend privé gebruik aftrek 0 %
- uitsluitend beroepsgebruik aftrek 100 %
- gemengd gebruik woongedeelte aftrek 10 %
11. Verweerder stelt dat de aftrek van 100 % niet meer mogelijk is op grond van artikel 4, § 2 van het K.B. nr. 3. Eiseres heeft op dit argument in besluiten nog niet geantwoord, doch dit probleem is op dit ogenblik nog niet aan de orde gezien het deskundig onderzoek afgewacht moet worden om over de opsplitsing te beslissen.
12. Wat de ingeroepen verjaring betreft van de navorderingen met betrekking tot de facturen die oorspronkelijk werden verworpen in het dwangbevel van 13.10.1995 (onder C Inbreuken op de aftrekregeling ten aanzien van de verplichting in het bezit te zijn van een regelmatige factuur of een regelmatig invoerdocument artikel 3, § 1 van het K.B. nr. 3) en die vervolgens in de considerans van 5.11.1996 worden opgenomen onder E. Inbreuken op de aftrekregeling ten aanzien van de goederen of diensten die gedeeltelijk bestemd zijn voor andere dan beroepsdoeleinden, zijnde het beheer van een onroerend goed artikel 45, § 1 BTW.W.
13. Op basis van de considerans van 5.11.1996 werd een nieuw dwangbevel opgesteld op 26.08.1998.
Volgens eiseres is deze navordering niet meer mogelijk doordat verjaring was ingetreden alvorens het tweede dwangbevel. met de nieuwe rechtsgrond, uitgevaardigd werd.
14. Verweerder betwist dat er verjaring is ingetreden omdat eiseres haar akkoord gaf met de opname van de betwiste facturen in de rubriek E, door deze handelwijze ook in haar bezwaarschrift van 23.12.1996 op te nemen en uitdrukkelijk te bevestigen "De facturen die oorspronkelijk waren opgenomen in rubriek C en die als regelmatig werden weerhouden zijn verwerkt in de bovenstaande berekening”. Eiseres aanziet dit als een vrijwillige schulderkentenis die een akte van stuiting vormt die eveneens de verjaringstermijn van vijf jaar, bepaald in artikel 83 BTW.W doet lopen.
15. Onderzocht dient te worden of er stuiting was van de verjaring overeenkomstig artikelen 2244 e.v. B.W. (waarnaar verwezen wordt in artikel 83 BTW.W) of. er een afstand van de verlopen tijd van verjaring tussenkwam.
16. Er vond geen burgerlijke stuiting plaats zoals voorzien in artikel 2244 B.W. Het eerste dwangbevel kan niet als stuitend gekwalificeerd worden voor· de navordering op grond van artikel 45 BTW.W daar dit dwangbevel de facturen, waarvoor verjaring wordt ingeroepen, verwierp op grond van een andere rechtsgrond. (H. Vandebergh, "Taxatie en verweer inzake BTW” in Fiscale Praktijkstudies, nr. 3, Antwerpen Kluwer Rechtswetenschappen, 1986, p. 116)
17. Op de vraag of het voorstel van 23.12.1996 kan beschouwd worden als een afstand van de verlopen tijd van verjaring door eiseres moet ontkennend geantwoord worden.
Een afstand van verjaring wordt niet vermoed, deze moet uitdrukkelijk gebeuren.
In het voorstel wordt niet gesproken over verjaring noch over enige afstand. Het is een impliciete afleiding die verweerder interpreteert uit de toegeving van eiseres in haar voorstel om de betwiste facturen, waarvoor nu verjaring wordt ingeroepen, op te nemen in het voorstel. Een minnelijk voorstel wordt echter gedaan met het oog op een regeling; het dient dus als één geheel te worden aanzien daar dergelijk voorstel in principe voor elk van de partijen gunstige en ongunstige onderdelen omvat.
In huidige zaak werd het voorstel nooit onderzocht, noch aanvaard.
Gezien er geen akkoord tussenkwam tussen partijen vervalt het volledige voorstel zodat elk van de partijen zijn rechten herneemt.
18. Behoudens de vier facturen vermeld onder rubriek C van de considerans van 5.11.1996, is de navordering met betrekking tot de facturen vermeld rubriek C van het P.V. van 12.10.1995 verjaard.
19. Het inroepen van verjaring getuigt niet van kwade trouw; het gaat om een juridisch technisch argument dat in onze rechtsorde algemeen toegepast wordt en waaraan verweerster zich moet en kan verwachten in procedures die, zoals huidige procedure, zeer lang aanslepen. De betwiste facturen waren in het bezit van verweerder sedert 14.12.1992 (brief zaakvoerder van eiseres).
20. Het onderzoek van de deskundige dient aldus beperkt te worden tot die facturen die het voorwerp geweest zijn van de correctie-opgaven, het P.V. van 12.10.1995 en de considerans van 5.11.1996, met uitsluiting van de facturen die verjaard zijn en die onder 18. supra zijn omschreven.
II.F en G.
Deze inbreuken zijn niet meer betwist door eiseres die aanvaardt respectievelijk … Bef. en … Bef. terug te storten. (zie antwoord 14.12.1992 en gebrek aan betwisting in de dagvaarding en besluiten.
II.I. Inbreuken op de bepalingen in verband met het opnemen in de BTW-aangifte van de verschuldigde aftrekbare BTW ter zake van invoeren die op grond van artikel 7 van het K.B. nr. 7 van 27.12.1977, met verlegging van de heffing plaats vonden.
1. Gezien er een akkoord is om de compensatie toe te laten in de mate van het beroepsgebruik is dit punt enkel nog betwist wat de mate van het beroepsgebruik betreft, behandeld onder E supra.
2. Voor zover het parket ook geplaatst werd in het woongedeelte dat gedeeltelijk voor beroepsgebruik werd aanvaard dient de verschuldigde BTW aangepast te worden in functie van het aanvaarde percentage.
II.J. Inbreuken op het K.B. nr. 20 van 20.07.1970 tot vaststelling van de tarieven van de BTW en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven.
1. Verweerder gaat ervan uit dat het onderhoud van de ramen niet direct toewijsbaar is aan het beroeps- of woninggedeelte en handhaaft haar vordering die gegrond is op een beroepsgebruik van 29 % (in functie van oppervlakte).
2. Eiseres stelt dat, gezien de burelen gevestigd zijn in de verandagedeelten, er wel toewijzing kan gebeuren. Volgens eiseres bevinden 75 % van de te onderhouden ramen zich in de burelen. Zij vraagt aldus een handhaving van de aftrek van 75 %. Het tarief van 17 % wordt kennelijk niet betwist.
3. Op grond van de foto's en plannen blijkt dat de burelen inderdaad in het verandagedeelte gelegen zijn.
4. De rechtbank vraagt de deskundige advies te geven over het percentage.
II.K. Inbreuken op artikel 50, § 1, 30 en 40 van het BTW.W. en artikel 16 van het K.B. nr. 1 van 23.07.1969 in verband met de aangifte van de door een belastingplichtige in de uitoefening van zijn beroepswerkzaamheid als BTW-plichtige verstrekte belastbare voordelen van alle aard en in verband met de voldoening van de BTW dienaangaande verschuldigd is geworden.
1. Voor de Auto Citroën BX9 werd een voordeel van alle aard aangenomen van … Bef. op jaarbasis.
2. Eiseres betwist dat er een voordeel van alle aard is en verwijst naar het feit dat voor privégebruik de persoonlijke wagen van ………… gebruikt wordt.
3. Uit het P.V. van 12.10.1995 blijkt niet dat de zaakvoerder verklaringen zou afgelegd hebben in verband met het gebruik van de auto. Zij heeft integendeel steeds betwist dat er enig privégebruik zou zijn. Ook in het kader van de inkomstenbelastingen werd er geen voordeel in natura belast. Het bewijs dat er een voordeel van alle aard werd verstrekt is dus niet geleverd voor wat de auto betreft.
De navordering met betrekking tot de wagen is niet gegrond.
4. Er wordt niet ontkend dat de zaakvoerder en …………. wonen in het huis en dat er effectief een voordeel verstrekt wordt door eiseres dat bestaat in het gebruik van de telefoon. De hoeveelheid wordt betwist.
Verweerder deed een navordering van (… + … + … + … =) … Bef.
Eisers stellen voor … Bef. BTW terug te betalen.
Eisers motiveren hun tegenvoorstel op geen enkele wijze, terwijl een jaarlijks telefoonverbruik voor 2 personen bescheiden is te noemen.
Het standpunt van verweerder wordt bevestigd zodat terecht … Bef. wordt nagevorderd.
5. Het voordeel in verband met het waterverbruik wordt niet betwist zodat de navordering van … Bef. gegrond is.
6. Voor de voordelen van alle aard is de navordering gegrond voor … Bef. + … Bef. hetzij … Bef.
Beschikkend gedeelte
OM DEZE REDENEN,
DE RECHTER,
Beslissend in eerste aanleg en op tegenspraak;
Verklaart de vordering ontvankelijk;
Vooraleer verder recht te doen ten gronde :
- Zegt voor recht dat alle betwiste facturen voorgelegd dienen te worden aan de rechtbank, eventueel met uitleg in verband met de bestemming indien deze niet uit de factuur zelf zou blijken;
- Stelt aan als deskundige :
DE HEER L. D., … te …, met als opdracht :
"Na behoorlijke oproeping van alle partijen en hun eventuele raadslieden en na kennisname van alle inlichtingen verstrekt door de partijen, meer in het bijzonder de facturen die het voorwerp zijn van huidige betwisting, zich te begeven naar de woning … te … en de rechtbank advies te verstrekken omtrent :
- de bestemming van het voorwerp van de betwiste facturen;
- deze volgens de bestemming op te splitsen als betrekking hebbende op het zuiver privégedeelte (zie nr. 8 supra); het woongedeelte waarvoor gemengd gebruik aanvaard is (zie nr. 8 supra) en het zuiver beroepsgedeelte;
- de facturen die betrekking hebben op werken die het geheel van het gebouw betreffen om te delen volgens te bepalen percentages ten opzichte van het geheel rekening houden met huidige beslissing.
- alle dienstige vragen van partijen te beantwoorden;
na afloop van de verrichtingen aan partijen kennis te geven van zijn bevindingen en in zijn verslag de opmerkingen van partijen op te tekenen en te beantwoorden; de minuut van zijn gemotiveerd en schriftelijk onder eed bevestigd verslag samen met de nota’s van partijen ter griffie van deze rechtbank neer te leggen binnen de twee maanden na het aanvaarden van zijn opdracht;
dit alles met naleving van de artikelen 962 en volgende van het gerechtelijk wetboek.
Houdt de beslissing over de gerechtskosten aan.
Aldus gedaan en uitgesproken in de openbare terechtzitting van de twaalfde kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven, op vrijdag, 17 november tweeduizend, waar zitting namen·:
- mevrouw K. D., alleensprekend rechter,
- mevrouw M. C., griffier.
M. C. K. D.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.