Proportionele fiscale geldboete · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Hof van beroep Antwerpen 19 mei 2026

Zoeken

Proportionele fiscale geldboete

https://juriel.be/nl/rechtspraak/proportionele-fiscale-geldboete-hof-van-beroep-antwerpen-2026-05-19-d1a4

Rechtscollege
Hof van beroep
Zetel
Antwerpen
Datum
19 mei 2026

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

80 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen d.d. 19.05.2026 - 2023/AR/1752

FIN 55294224-01

BTW – Proportionele fiscale geldboete

Volledige tekst:

Tekst van de beslissing

Arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen d.d. 19.05.2026 - 2023/AR/1752

cie1, ON ..., met zetel te 2660 HOBOKEN, Antwerpsesteenweg 109,

Eiseres in hoger beroep,

vertegenwoordigd door mr. VAN HIMBEECK Dirk, advocaat te 2660 HOBOKEN,

Antwerpsesteenweg 109

tegen het vonnis van de AFi4 kamer van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling

Antwerpen van 09 oktober 2023, gekend onder rolnummer 22/4440/A

tegen

BELGISCHE STAAT - FOD FINANCIËN, ON ..., in de persoon van de minister van Financiën, met kabinet te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, handelend ten verzoeke van de ADVISEUR-GENERAAL VAN HET CENTRUM KMO ANTWERPEN EXPERTISE 1, met diensten te 2000 ANTWERPEN, Italiëlei 4 bus 2, en de ADVISEUR-INVORDERING - ONTVANGER VAN HET TEAM RECHTSPERSONEN ANTWERPEN 1, met diensten te 2000 ANTWERPEN, ltaliëlei 4 bus 1,

Verweerder in hoger beroep, voor wie verschenen is mevrouw N.D., fiscaal ambtenaar,

Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd waaronder het bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen van 9 oktober 2023, waarvan geen akte van betekening wordt voorgelegd, alsmede het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het hof van beroep te Antwerpen op 13 november 2023, waarbij een naar vorm en termijn regelmatig en ontvankelijk hoger beroep wordt ingesteld.

Gelet op het tussenarrest van het hof van beroep te Antwerpen van 20 mei 2025. 1. Voorafgaande feiten en procedure

Bij tussenarrest van het hof van beroep te Antwerpen van 20 mei 2025 werd een uiteenzetting gegeven van de feiten en voorgaanden die voor zoveel als nodig als herhaald dienen te worden beschouwd.

Het hof verklaarde bij tussenarrest van 20 mei 2025 het hoger beroep van eiseres in hoger beroep toelaatbaar doch ongegrond en het hof verklaarde het incidenteel beroep toelaatbaar doch alvorens verder recht te doen werd een heropening der debatten bevolen. De heropening der debatten werd bevolen teneinde partijen toe te laten standpunt in te nemen betreffende het arrest van het Hof van Cassatie van 25 april 2025 in de zaken F.22.0162.N-F.22.0166.N. De uitspraak over de kosten werd aangehouden.

Na voormeld tussenarrest werd er enkel een conclusie neergelegd door de Belgische Staat.

De Belgische Staat vordert:

•het incidenteel beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren;

•het bestreden vonnis te hervormen in de mate dat het vonnis nog geen rekening hield met de door de verweerder in hoger beroep ontwikkelde grieven in het incidenteel beroep en in de mate dat het oordeelde dat de proportionele boete niet diende te worden opgelegd en dat de kosten van het geding proportioneel dienden te worden verdeeld over beide in het ongelijk gestelde partijen;

•bijgevolg de bestreden vordering opgenomen in het innings- en invorderingsregister onder het nummer 5002.5788.9832 integraal te bevestigen;

•eiseres in hoger beroep te veroordelen tot de kosten van beide aanleggen.

Eiseres in hoger beroep vraagt om het incidenteel beroep van verweerder in hoger beroep ongegrond te verklaren.

Ter zitting van 21/04/2026 vordert eiseres in hoger beroep de betaalde bijdrage voor het begrotingsfonds per aanleg ten laste van de Belgische Staat te leggen, zijnde 24 euro in eerste aanleg en 24 euro in hoger beroep.

Ter zitting van 21/04/2026 zijn partijen het eens dat de rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep dient begroot te worden op 1.412,79 euro, met dien verstande dat de Belgische Staat niet vertegenwoordigd noch bijgestaan wordt door een advocaat.

Ter zitting van 21/04/2026 nemen partijen ook standpunt in over het arrest van het Hof van Cassatie van 12 februari 2026, F.24.0026.N..

2. Bespreking

2.1 Rechtsmacht van het hof

Het hof merkt vooreerst op dat in het tussenarrest van 20 mei 2025 het incidenteel beroep reeds ontvankelijk verklaard werd zodat haar rechtsmacht desbetreffend reeds is uitgeput.

Ook stelt het hof vast dat zij zonder rechtsmacht is wat betreft de vordering van eiseres in hoger beroep die strekt tot vermindering van de nalatigheidsinteresten. De adviseur- generaal van de invordering is de enige die bevoegd is om een dergelijke vrijstelling/vermindering te verlenen en de voorwaarden daarvoor vast te stellen. Er werd geen dergelijk verzoek gericht aan de adviseur-generaal. Bijgevolg kan de rechter niet in zijn plaats treden op grond van het beginsel van de scheiding der machten.

2.2 De proportionele boete

Krachtens artikel 70, § 1, BTW-wetboek wordt voor iedere overtreding van de verplichting de belasting te voldoen, een geldboete opgelegd gelijk aan het dubbele van de ontdoken of niet tijdig betaalde belasting. Krachtens artikel 84, derde lid, BTW-wetboek wordt, binnen de door de wet gestelde grenzen, het bedrag van de proportionele fiscale boeten bepaald volgens een schaal waarvan de trappen door de Koning worden vastgesteld.

De belastingplichtige kan een beroep doen op het zogenaamde 'genaderecht' om een kwijtschelding of vermindering van de opgelegde BTW-boete te bekomen (art. 9 Regentbesluit van 8 maart 1831).

De rechter aan wie gevraagd wordt een administratieve geldboete opgelegd op grond van artikel 70, § 1, Btw-wetboek, die een repressief karakter heeft in de zin van artikel 6.1 EVRM, te toetsen, moet de wettigheid van die sanctie onderzoeken en mag in het bijzonder nagaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen.

Het bij artikel 6.1 EVRM gewaarborgde recht op toegang tot de rechter en het daaruit voortvloeiend beginsel dat een administratieve sanctie met een repressief karakter in de zin van artikel 6.1 EVRM ter controle moet kunnen worden voorgelegd aan een rechter met volle rechtsmacht, houdt niet in dat de rechter de administratieve geldboete kan verminderen tot beneden het wettelijk minimum of tot beneden het door de wet opgelegde vaste boetetarief.

Aan het vereiste dat de rechter de administratieve boete moet kunnen toetsen met volle rechtsmacht is immers voldaan indien alles wat onder de beoordelingsbevoegdheid van het bestuur valt, door de rechter kan worden getoetst (vgl. Cass. 25 april 2025, F.22.0162.N-F.22.0166.N, juportal.be).

Het Hof van Cassatie heeft in het arrest van 12 februari 2026, F.24.0026.N (www.juportal.be) bevestigd dat een vermindering van een BTW-boete tot onder het door het KB nr. 41 vastgestelde tarief mogelijk is op grond van het Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel.

Het Hof van Cassatie oordeelde in het arrest van 12 februari 2026 dat uit de rechtspraak van het Hof van Justitie volgt dat:

 met belastingboeten inzake de btw uitvoering wordt gegeven aan het recht van de Unie in de zin van artikel 51, lid 1, van het Handvest (HvJ 23 februari 2013, C-617/10, Ákerberg Fransson, punt 27);

 een nationale rechterlijke instantie die moet onderzoeken of een nationale bepaling of een maatregel waarmee in een situatie waarin het optreden van de lidstaten niet volledig door het Unierecht wordt bepaald, het Unierecht ten uitvoer wordt gebracht in de zin van artikel 51, lid 1, van het Handvest, in overeenstemming is met de grondrechten, daarbij nog steeds nationale maatstaven voor de bescherming van de grondrechten kan toepassen, op voorwaarde dat deze toepassing niet afdoet aan het door het Handvest geboden beschermingsniveau, zoals uitgelegd door het Hof, noch aan de voorrang, eenheid en doeltreffendheid van het Unierecht (HvJ 26 februari 2013, C 399/11, Melloni, punt 60 en HvJ 23 februari 2013, C-617/10, Ákerberg Fransson, punt 29);

 bij ontbreken van harmonisatie van de Uniewetgeving op het gebied van de toepasselijke sancties in geval van niet-naleving van de voorwaarden van een bij deze wettelijke regeling ingesteld stelsel, de lidstaten bevoegd zijn de sancties te kiezen die hun passend voorkomen. Zij moeten hun bevoegdheid echter uitoefenen met eerbiediging van het Unierecht en de algemene beginselen daarvan, en dus ook met eerbiediging van het evenredigheidsbeginsel (HvJ 7 december 2000, C 213/99, de Andrade, punt 20 en HvJ 6 februari 2014, C 424/12, Fatorie, punt 50);

- dergelijke sancties derhalve niet verder mogen gaan dan noodzakelijk is ter waarborging van de juiste heffing van de belasting en ter voorkoming van fraude (HvJ 26 april 2017, C­564/15, Farkas, punt 60; HvJ 8 mei 2008, C-95/07 en C-96/07, Ecotrade, punten 65-67; HvJ 20 juni 2013, C-259/12, Rodopi-M 91, punt 38);

 bij de beoordeling of een sanctie in overeenstemming is met het evenredigheidsbeginsel met name rekening moet worden gehouden met de aard en de ernst van de inbreuk waarvoor die sanctie wordt opgelegd en met de wijze waarop de hoogte ervan wordt bepaald (HvJ 26 april 2017, C-564/15, Farkas, punt 60; HvJ 8 mei 2008, C-95/07 en C-96/07, Ecotrade, punten 65-67; HvJ 20 juni 2013, C-259/12, Rodopi-M 91, punt 38);

 de rechter tevens rekening mag houden met de concrete omstandigheden van de zaak om te beoordelen of de op basis van de bepalingen van nationaal recht aan de belastingplichtige opgelegde sanctie in overeenstemming is met het Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel (HvJ 26 april 2017, C-564/15, Farkas, punt 61).

Hieruit volgt dat de nationale rechter een overeenkomstig voormeld KB nr. 41 van 30 januari 1987 opgelegde administratieve geldboete in toepassing van het Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel kan verminderen tot beneden de in dit koninklijk besluit bepaalde vaste boetetarieven, rekening houdend met de aard en de ernst van de inbreuk en de concrete omstandigheden van de zaak.

Er werd te dezen een proportionele geldboete van 20% opgelegd in toepassing van artikel 70 §1 WBTW en verminderd overeenkomstig tabel G, rubriek V van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale boeten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde en afgerond zoals bepaald in artikel 4 van het koninklijk besluit nr. 41.

Het betreft hier geen fraudegeval en de administratie heeft te dezen toepassing gemaakt van haar wettelijke matigingsbevoegdheid.

Het hof acht de opgelegde boete evenwel onevenredig met de inbreuk, rekening houdend met alle omstandigheden van de zaak.

Het gaat hier duidelijk om een niet-intentioneel begane fout, te goeder trouw.

Het opleggen van een BTW-boete van 20% gaat in de gegeven concrete omstandigheden verder dan noodzakelijk is ter waarborging van de juiste heffing van de belasting en ter voorkoming van fraude.

Het hof stelt vast dat eiseres in hoger beroep in alle openheid contact heeft opgenomen met de belastingadministratie, naar aanleiding van een schrijven van de administratie i.v.m een bijzondere BTW-aangifte van een factuur vanuit een andere lidstaat. In dit schrijven van 18/12/2020 meende eiseres in hoger beroep dat het hier ging om activiteiten die vielen onder art. 44 WBTW en verzocht ze de belastingadministratie om dit even na te kijken. Bovendien heeft verweerder in hoger beroep in zijn e-mail van 08/01/2021 zelf aangegeven "Hierboven vermelde alinea's zijn standaardvermeldingen. Uw verzoek aangaande de diensten van voetbalclub cie2 lijkt me iets aparts. Indien de diensten die werden aangekocht vrijgesteld zijn obv art. 44 WBTW en er dus geen btw moet betaald worden, is logischerwijs ook geen btw verschuldigd aan de Schatkist." Het is dan ook aannemelijk dat het voor eiseres in hoger beroep niet helemaal duidelijk was of zij al dan niet in aanmerking kwam voor een vrijstelling in toepassing van artikel 44 WBTW.

Uit het voorgelegde mailverkeer is gebleken dat eiseres in hoger beroep steeds in overleg gebleven is met de belastingadministratie, ondanks het gegeven dat dit uiteindelijk niet tot een akkoord heeft geleid. Eiseres in hoger beroep heeft de BTW-schuld ook voldaan, weliswaar onder voorbehoud en zonder enige nadelige erkentenis.

Dat zij zich voor het bekomen van een BTW-vrijstelling verkeerdelijk beriep op aanvankelijk artikel 44 §2, 3° en nadien op artikel 44 §2, 8° WBTW, doet geen afbreuk aan haar goede trouw en overtuiging dat de prestaties aan haar geleverd vrijgesteld waren van BTW. Dit is duidelijk het gevolg van de complexiteit van de wettelijke bepalingen die verkeerd werden begrepen.

Op grond van deze elementen kan worden uitgesloten dat eiseres in hoger beroep willens en wetens een onwettige situatie in stand wou houden, wat een zekere mildheid mogelijk moet maken naast de reeds op grond van het koninklijk besluit nr. 41 van 30 januari 1987 toegekende vermindering van geldboeten.

Het zou in de gegeven omstandigheden kennelijk onredelijk zijn om aan eiseres in hoger beroep een boete op te leggen. Het opleggen van een boete van 20 % is in deze zaak onverantwoord en niet evenredig met de aard en de ernst van de inbreuk. Er zijn te dezen voldoende redenen om de opgelegde boete volledig kwijt te schelden.

Het incidenteel beroep is derhalve ongegrond.

Gelet op voorgaande wijst het hof de overige aanvoeringen van partijen af als niet ter zake dienend en/of overbodig.

2.3 De rechtsplegingsvergoeding

Wat betreft de kosten van de procedure dient er rekening gehouden te worden met de wet van 21.04.2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten van een advocaat (B.S. 31.05.2007).

Nu partijen zowel in eerste aanleg als in hoger beroep onderscheidenlijk omtrent enig punt van het geschil in het ongelijk werden gesteld, bevestigt het hof het vonnis van de eerste rechter wat betreft de verdeling en veroordeling tot de kosten en slaat het hof de kosten van het hoger beroep tevens om overeenkomstig art. 1017 Ger.W. in de mate zoals bepaald in het beschikkend gedeelte van onderhavig arrest.

Ter zitting van 21/04/2026 zijn partijen het eens dat de rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep dient begroot te worden op 1.412,79 euro, met dien verstande dat de Belgische Staat niet vertegenwoordigd noch bijgestaan wordt door een advocaat.

Het hof stelt vast dat onderhavige zaak vrij is van rolrecht overeenkomstig art. 2791, 1°, juncto 162, 4° W.Reg..

* *

Beschikkend gedeelte

3. Beslissing

Het hof beslist bij arrest op tegenspraak.

De rechtspleging verliep in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de taal in gerechtszaken.

Het hof werkt het tussenarrest van 20 mei 2025 verder uit.

Het hof verklaart het incidenteel beroep van verweerder in hoger beroep ongegrond. Het hof bevestigt het bestreden vonnis in al zijn beschikkingen.

Het hof veroordeelt eiseres in hoger beroep tot 4/5de en verweerder in hoger beroep tot 1/5de van de kosten in hoger beroep, begroot:

- in hoofde van eiseres in hoger beroep op 1.412,79 euro RPV hoger beroep en 24 euro bijdrage begrotingsfonds voor juridische tweedelijnsbijstand (Wet 19/03/2017) betaald in hoger beroep.

- in hoofde van verweerder in hoger beroep op 0 euro rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep.

Het hof stelt vast dat onderhavige zaak vrij is van rolrecht overeenkomstig art. 2791, juncto 162, 4° W.Reg.

Het hof wijst al het overige en/of anders gevorderde af.

Dit arrest werd uitgesproken in de openbare zitting van 19 mei 2026 door

C. PRINCEN

E. DE BRAUWER

K. LEYSEN

E. CLEYMANS

Aangehaalde teksten

8

Vergelijkbare beslissingen

8