Prejudicieel geschil, Verplichting voor het Hof van Cassatie, Schade · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Hof van Cassatie C.04.0110.F 2 juni 2005

Zoeken

Prejudicieel geschil, Verplichting voor het Hof van Cassatie, Schade

https://juriel.be/nl/rechtspraak/prejudicieel-geschil-verplichting-hof-schade-cassatie-brussel-2005-06-02-ade9

Rechtscollege
Hof van Cassatie
Rolnummer
C.04.0110.F
Datum
2 juni 2005

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands
Strekking volgens de FOD
gunstig voor de Belgische Staat

Tekst

94 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van Cassatie dd. 02.06.2005 (C.04.0110.F)

Prejudicieel geschil - Verplichting voor het Hof van Cassatie - Schade

Wettelijke bepalingen

Art. 44, ,§ 3, 2°, W.BTW

Artt. 1382 en 1383, Burgerlijk Wetboek

Samenvatting

De beslissing tot verwerping van de vordering tot terugbetaling van de door de administratie ingehouden B.T.W. die door een belastingplichtige was ingesteld op grond van art. 44, ,§ 3, 2°, b, W.B.T.W. dat bepaalde vastgoedverhuringen aan de B.T.W. onderwerpt, is naar recht verantwoord ingeval de belastingplichtige vooruitgelopen is op een wetsbepaling die nog niet van toepassing was, aangezien het besluit dat de voorwaarden voor die aftrek zou vastleggen, nog niet was uitgevaardigd en de wetsbepaling op zich hem geen enkel subjectief recht op de aftrek verleende.

Het Hof van cassatie is niet verplicht het Arbitragehof een prejudiciële vraag te stellen wanneer de schade die zou zijn veroorzaakt door de retroactieve afschaffing van de mogelijkheid om vastgoedverhuringen aan de B.T.W. te onderwerpen en die een schending zou opleveren van de artt. 10 en 11 Gw., voortvloeit uit het gedrag zelf van een partij doordat zij is vooruitgelopen op een wetsbepaling die nog niet van toepassing was.

Tekst van het arrest

Tekst van de beslissing

Arrest van het Hof van Cassatie

dd. 02.06.2005

(C.04.0110.F)

B., naamloze vennootschap, Mr. John Kirkpatrick, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

BELGISCHE STAAT, Minister van Financiën, Mr. François T'Kint, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. Bestreden beslissing

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 8 mei 2002 gewezen door het Hof van Beroep te Brussel.

II. Rechtspleging voor het Hof

Afdelingsvoorzitter Claude Parmentier heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal André Henkes heeft geconcludeerd.

III. Middel

Eiseres voert in haar verzoekschrift twee middelen aan.

1. Eerste middel

Geschonden wetsbepalingen

- de algemene rechtsbeginselen van de Europese Unie die de bescherming van de rechtszekerheid en van het gewettigd vertrouwen opleggen ;

- het algemeen rechtsbeginsel van de Europese Unie volgens hetwelk elke Lidstaat die een bepaling van gemeenschapsrecht schendt, de schade die door de schending is veroorzaakt, dient te vergoeden ;

- de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek.

Aangevochten beslissingen

Het arrest stelt, in hoofdzaak, eerst de volgende feiten vast : (1) " op 16 maart 1990, koopt (eiseres), in onverdeeldheid met de vennootschappen Servim en Hurtebise, een vastgoedcomplex ... om er handelszaken en kantoren te vestigen" ; (2) "bij overeenkomsten van 19 februari en 23 februari 1993, verhuren (eiseres) en haar mede-onverdeelden, die lokalen aan verschillende vennootschappen ; het artikel betreffende de huurprijs bepaalt met name: 'luidens de BTW-wetgeving, zal de verhuurder de BTW-regeling op die verhuur kunnen toepassen ; de huurprijzen worden dus met BTW verhoogd" ; (3) "(eiseres) wil toepassing maken van artikel 44, ,§ 3, 2°, c, van het BTW-wetboek, zoals het gewijzigd is bij de wet van 28 december 1992, dat luidde als volgt: 'van de belasting zijn nog vrijgesteld ... de verpachting, de verhuur en de overdracht van ... onroerende goederen ... met uitzondering van ... de verhuur van andere gebouwen dan degene die het voorwerp uitmaken van een in artikel 44, ,§ 3, 2, b, bedoeld contract aan een belastingplichtige voor de behoeften van zijn economische activiteit, wanneer de verhuurder kennis heeft gegeven van zijn bedoeling het onroerend goed met voldoening van de belasting te verhuren ; de Koning bepaalt de vorm van de keuze, de wijze waarop ze moet worden uitgeoefend, evenals de voorwaarden waaraan het verhuurcontract moet voldoen'" ; (4) " op 6 juli 1994 heft de wetgever die bepaling op met terugwerkende kracht tot 1 januari 1993" ; (5) " op 19 mei 1995, regulariseert de bijzondere belastinginspectie te Bergen de door (eiseres) gedane aftrekken ... op grond dat laatstgenoemde die belasting op goederen en diensten met betrekking tot de onroerende goederen slechts mocht aftrekken in zoverre zij die persoonlijk gebruikte om aan de BTW onderworpen handelingen te verrichten ; bij brief van 28 juin 1995 deelt (eiseres) mee dat zij het niet eens is met die regularisatie ; zij is van oordeel dat die aftrekken in overeenstemming met de wet van 28 december 1992 zijn gedaan, dat de uitvoeringsbesluiten van die wet niet binnen een redelijke termijn zijn genomen, waardoor de aansprakelijkheid van de Staat op grond van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek in het gedrang komt, en dat de wet ... van 6 juli 1994 in strijd is met de desbetreffende Europese richtlijnen ; de administratie blijft bij haar standpunt en maakt op 19 februari 1996 proces-verbaal op waarbij zij de door (eiseres) verschuldigde bedragen compenseert met de BTW die zij nog tegoed had",

vervolgens beschikt het arrest afwijzend op de rechtsvordering van eiseres die ertoe strekt voor recht te laten zeggen dat verweerder niet naar recht de aftrek van de BTW op de verbouwingskosten van het vastgoedcomplex waarvan zij mede-eigenaar is, kon verwerpen, en verweerder te laten veroordelen tot terugbetaling van de bedragen die onterecht zijn ingehouden, vermeerderd met de wettelijke interest.

Het arrest grondt die beslissing op de volgende redenen:

"(1) (Eiseres) houdt staande dat de wet van 28 december 1992, die een keuzemogelijkheid invoert om de verhuur van onroerende goederen aan de BTW te onderwerpen, en, dus ook de mogelijkheid om de BTW af te trekken die naar aanleiding van de levering van goederen en diensten met betrekking tot die onroerende goederen is betaald, haar, hoewel er geen uitvoeringsbesluit was uitgevaardigd, een subjectief recht had verleend.

Artikel 44, ,§ 3, 2°, c, van het BTW-wetboek verleende de Koning de bevoegdheid om de vorm van de keuze van de belastingplichtige te bepalen, de wijze waarop ze moet worden uitgeoefend, alsook de voorwaarden waaraan het verhuurcontract moet voldoen. Aldus werd het recht om de verhuur van onroerende goederen voor beroepsdoeleinden aan het BTW- stelsel te onderwerpen, opgeschort tot er een koninklijk besluit zou worden uitgevaardigd. Dat koninklijk besluit is er nooit gekomen en de door de wetsbepaling ingevoerde keuzemogelijkheid kon geen uitwerking hebben.

In tegenstelling tot wat (eiseres) staande houdt, strekte die bepaling niet ertoe de Koning in staat te stellen de draagwijdte van het keuzerecht aanzienlijk te beperken, noch de Koning toe te staan een wet op te schorten of op te heffen. Het BTW-wetboek bevat verscheidene bepalingen die de Koning de bevoegdheid verlenen om de uitoefeningsvoorwaarden van keuzemogelijkheden, aftrekken of vrijstellingen te bepalen (...). De bepaling van de voorwaarden waaraan het verhuurcontract had moeten voldoen, had, in de ogen van de wetgever, een doorslaggevende factor moeten zijn om de uitoefening van de keuze mogelijk te maken ; mogelijke voorwaarden zouden kunnen zijn: de datum waarop het contract gesloten is, zijn geschreven vorm en zijn registratie, de minimum huurprijs, de duur van het contract, de mogelijkheid tot herziening of tot terugbetaling van de afgetrokken belasting in geval van bestemmingswijziging binnen een bepaalde termijn, enz. (...).

Door de BTW op de verbouwingswerken in een te verhuren pand af te trekken, is (eiseres) vooruitgelopen op een wetsbepaling die nog niet van toepassing was, aangezien het uitvoeringsbesluit waarin de voorwaarden voor die aftrek bepaald moesten worden, nog niet uitgevaardigd was. De wetsbepaling op zich verleende haar geen enkel subjectief recht op de aftrek.

(2) (Eiseres) vraagt dat het hof (van beroep) een prejudiciële vraag zou stellen ... in verband met de eventuele discriminatie tussen de eigenaars die, vóór de inwerkingtreding van de wetten van 28 december 1992 en van 6 juli 1994, bij het bepalen van de huurprijs ermee rekening gehouden hebben dat de BTW op hun investeringen niet aftrekbaar was en degene die, zoals (eiseres), dat niet gedaan hebben, aangezien zij meenden dat de wet hun een recht op aftrek gaf.

Geen enkele eigenaar die zijn pand verhuurt, heeft ooit kunnen genieten van belastingaftrek op zijn investeringen.

Indien (eiseres) zich in een andere situatie bevond, was dit niet krachtens de wet, maar wel door haar eigen toedoen, aangezien zij was vooruitgelopen op de goedkeuring van een koninklijk besluit dat uiteindelijk nooit is uitgevaardigd.

In die omstandigheden is er dus geen reden om de prejudiciële vraag te stellen aangezien de wet geen belastingplichtigen in verschillende en discriminerende toestanden heeft geplaatst.

(3) (Eiseres) houdt staande dat de Belgische Staat een fout zou hebben begaan. Het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen heeft voor recht gezegd dat een Lidstaat die aan zijn belastingplichtigen het recht heeft verleend om voor belastingheffing over bepaalde vormen van verhuur van onroerende goederen te kiezen, het bij een wet van latere datum mag afschaffen. Er is reeds uitgemaakt dat dit keuzerecht pas ontstaat na aanneming van een koninklijk besluit dat met name de voorwaarden bepaalt waaraan het verhuurcontract moet voldoen. Dat keuzerecht werd opgeheven toen er nog geen enkel uitvoeringsbesluit was uitgevaardigd.

De Belgische Staat heeft dus geen enkele fout begaan. Er kan hem trouwens niet verweten worden dat hij 18 maanden heeft gewacht om de zogenaamde 'herstel'wet aan te nemen. De Belgische Staat verduidelijkt dat de Koning wachtte op de resultaten van een allesomvattende studie van de Europese Commissie voordat hij de uitoefeningsvoorwaarden van de keuze zou bepalen. Gelet op de resultaten van die studie en op de omstandigheden van de zaak, heeft de Belgische Staat heeft wel degelijk binnen een redelijke termijn beslist die bepaling op te heffen".

Grieven

De Lidstaten van de Europese Unie zijn, krachtens artikel 13, C, tweede lid, van de zesde richtlijn van de Raad, bevoegd om, via een keuzerecht, opnieuw de belasting in te voeren op de verhuur van onroerende goederen die in beginsel vrijgesteld zijn. De Lidstaten van de Unie mogen beoordelen of zij dat keuzerecht al dan niet invoeren. Zij kunnen eveneens, in de context van hun nationale bevoegdheid, het keuzerecht opnieuw intrekken nadat ze het hadden ingevoerd en opnieuw de basisregel hanteren, namelijk de vrijstelling van de belasting op verpachting en verhuur van onroerende goederen.

Niettemin maakt het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel deel uit van de communautaire rechtsorde en moet het door de Lidstaten in de uitoefening van de hun door de gemeenschapsrichtlijnen verleende bevoegdheden worden nageleefd.

Dat beginsel staat eraan in de weg dat een latere wetswijziging de belastingplichtige, met terugwerkende kracht, de mogelijkheid ontneemt om de verhuur van onroerende goederen aan de belasting te onderwerpen.

In casu stelt het arrest vast dat eiseres het litigieuze onroerend goed, in februari 1993, verhuurd heeft met huurovereenkomsten waarin zij vermeldde dat zij de verhuur aan de BTW zou onderwerpen, overeenkomstig de mogelijkheid die haar werd geboden door artikel 44, ,§ 3, 2°, c, van het BTW-wetboek, ingevoegd in dat Wetboek bij een wet van 28 december 1992 en in werking getreden op 1 januari 1993, en dat de huurders BTW-plichtigen waren wanneer zij handelden voor de behoeften van hun economische activiteit.

De wetgever had de Koning weliswaar de bevoegdheid verleend om "de vorm van de keuze, de wijze waarop ze moeten worden uitgeoefend, evenals de voorwaarden waaraan het huurcontract moet voldoen" te bepalen, maar gelet op de inwerkingtreding van de wet van 1 januari 1993, konden de belastingplichtigen terecht ervan uitgaan dat dit koninklijk besluit vlug zou worden aangenomen. De omstandigheid dat er geen enkel koninklijk besluit is uitgevaardigd stelt dus het recht van eiseres dat haar gewettigd vertrouwen en de rechtszekerheid worden nageleefd, niet opnieuw ter discussie.

De wet van 6 juli 1994 die, met terugwerkende kracht tot 1 januari 1993, de mogelijkheid voor eisers opheft om verhuur van onroerende goederen aan de BTW te onderwerpen, miskent bijgevolg de algemene rechtsbeginselen van de Europese Unie die de bescherming van de rechtszekerheid en van het gewettigd vertrouwen opleggen.

Welnu, het recht van de Europese Unie en de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek verplichten iedere Lidstaat die een bepaling van het recht van de Europese Unie schendt, de schade die door die schending is veroorzaakt, te vergoeden.

Bijgevolg heeft het arrest niet naar recht afwijzend kunnen beschikken op de vordering tot vergoeding van eiseres als herstel voor de schade die zij heeft geleden door de retroactieve opschorting van de mogelijkheid om verhuur van onroerende goederen aan de BTW te onderwerpen.

2. Tweede middel

Geschonden wetsbepalingen

- de artikelen 10 en 11 van de Grondwet ;

- de artikelen 2, 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek.

Aangevochten beslissingen

Nadat het bestreden arrest de feiten heeft vastgesteld die in het eerste onderdeel zijn weergegeven, beschikt het afwijzend op de rechtsvordering van eiseres die ertoe strekt verweerder te laten veroordelen tot terugbetaling van de bedragen die onterecht zijn ingehouden, vermeerderd met de wettelijke interest.

Het arrest grondt die beslissing op de volgende redenen:

"(1) (Eiseres) houdt staande dat de wet van 28 december 1992, die een keuzemogelijkheid invoert om de verhuur van onroerende goederen aan de BTW te onderwerpen, en, dus ook de mogelijkheid om de BTW af te trekken die naar aanleiding van de levering van goederen en diensten met betrekking tot die onroerende goederen is betaald, haar, hoewel er geen uitvoeringsbesluit was uitgevaardigd, een subjectief recht had verleend.

Artikel 44, ,§ 3, 2°, c, van het BTW-wetboek verleende de Koning de bevoegdheid om de vorm van de keuze van de belastingplichtige te bepalen, de wijze waarop ze moet worden uitgeoefend, alsook de voorwaarden waaraan het verhuurcontract moet voldoen. Aldus werd het recht om de verhuur van onroerende goederen voor beroepsdoeleinden aan het BTW- stelsel te onderwerpen, opgeschort tot er een koninklijk besluit zou worden uitgevaardigd. Dat koninklijk besluit is er nooit gekomen en de door de wetsbepaling ingevoerde keuzemogelijkheid kon geen uitwerking hebben.

In tegenstelling tot wat (eiseres) staande houdt, strekte die bepaling niet ertoe de Koning in staat te stellen de draagwijdte van het keuzerecht aanzienlijk te beperken, noch de Koning toe te staan een wet op te schorten of op te heffen. Het BTW-wetboek bevat verscheidene bepalingen die de Koning de bevoegdheid verlenen om de uitoefeningsvoorwaarden van keuzemogelijkheden, aftrekken of vrijstellingen te bepalen (...). De bepaling van de voorwaarden waaraan het verhuurcontract had moeten voldoen, had, in de ogen van de wetgever, een doorslaggevende factor moeten zijn om de uitoefening van de keuze mogelijk te maken ; mogelijke voorwaarden zouden kunnen zijn: de datum waarop het contract gesloten is, zijn geschreven vorm en zijn registratie, de minimum huurprijs, de duur van het contract, de mogelijkheid tot herziening of tot terugbetaling van de afgetrokken belasting in geval van bestemmingswijziging binnen een bepaalde termijn, enz. (...).

Door de BTW op de verbouwingswerken in een te verhuren pand af te trekken is (eiseres) vooruitgelopen op een wetsbepaling die nog niet van toepassing was, aangezien het uitvoeringsbesluit waarin de voorwaarden voor die aftrek bepaald moesten worden, nog niet uitgevaardigd was. De wetsbepaling op zich verleende haar geen enkel subjectief recht op de aftrek.

(2) (Eiseres) vraagt dat het hof (van beroep) een prejudiciële vraag zou stellen ... in verband met de eventuele discriminatie tussen de eigenaars die, vóór de inwerkingtreding van de wetten van 28 december 1992 en van 6 juli 1994, bij het bepalen van de huurprijs ermee rekening gehouden hebben dat de BTW op hun investeringen niet aftrekbaar was en degene die, zoals (eiseres), dat niet gedaan hebben, aangezien zij meenden dat de wet hun een recht op aftrek gaf.

Geen enkele eigenaar die zijn pand verhuurt, heeft ooit kunnen genieten van belastingaftrek op zijn investeringen.

Indien (eiseres) zich in een andere situatie bevond, was dit niet krachtens de wet, maar wel door haar eigen toedoen, aangezien zij was vooruitgelopen op de goedkeuring van een koninklijk besluit dat uiteindelijk nooit is uitgevaardigd.

In die omstandigheden is er dus geen reden om de prejudiciële vraag te stellen aangezien de wet geen belastingplichtigen in verschillende en discriminerende toestanden heeft geplaatst.

(3) (Eiseres) houdt staande dat de Belgische Staat een fout zou hebben begaan. Het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen heeft voor recht gezegd dat een Lidstaat die aan zijn belastingplichtigen het recht heeft verleend om voor belastingheffing over bepaalde vormen van verhuur van onroerende goederen te kiezen, het bij een wet van latere datum mag afschaffen. Er is reeds uitgemaakt dat dit keuzerecht pas ontstaat na aanneming van een koninklijk besluit dat met name de voorwaarden bepaalt waaraan het verhuurcontract moet voldoen. Dat keuzerecht werd opgeheven toen er nog geen enkel uitvoeringsbesluit was uitgevaardigd.

De Belgische Staat heeft dus geen enkele fout begaan. Er kan hem trouwens niet verweten worden dat hij 18 maanden heeft gewacht om de zogenaamde 'herstel'wet aan te nemen. De Belgische Staat verduidelijkt dat de Koning wachtte op de resultaten van een allesomvattende studie van de Europese Commissie voordat hij de uitoefeningsvoorwaarden van de keuze zou bepalen. Gelet op de resultaten van die studie en op de omstandigheden van de zaak, heeft de Belgische Staat heeft wel degelijk binnen een redelijke termijn beslist die bepaling op te heffen".

Grieven

Krachtens artikel 2 van het Burgerlijk Wetboek, beschikt de wet alleen voor het toekomende en heeft zij geen terugwerkende kracht. Die bepaling waarborgt de rechtszekerheid, volgens welke de inhoud van het recht voorzienbaar en toegankelijk moet zijn, zodat de rechtzoekende in redelijke mate de gevolgen van een bepaalde handeling kan voorzien op het tijdstip dat die handeling wordt verricht.

De belastingplichtigen die ofwel vóór de inwerkingtreding van de wet van 28 december 1992, ofwel na de wet van 6 juli 1994, onroerende goederen hebben verhuurd, konden de huurprijs die zij aan hun huurders vroegen berekenen met in aanmerkingneming van niet aftrekbare BTW. De belastingplichtigen daarentegen, die zoals eiseres, dergelijke huurverrichtingen hebben gedaan na de inwerkingtreding van de wet van 28 december 1992 en vóór de bekendmaking van die van 6 juli 1994 en die terecht rekenden op de snelle goedkeuring van een koninklijk besluit, gelet op de datum van inwerkingtreding van de wet, hebben bij de bepaling van de huurprijs geen rekening kunnen houden met die niet aftrekbare last.

2.1. Eerste onderdeel

Door de belastingplichtigen die tussen 1 januari 1993 en 6 juli 1994 onroerende goederen hebben verhuurd, zonder redelijke verantwoording het recht op rechtszekerheid te ontzeggen dat gewaarborgd is door artikel 2 van het Burgerlijk Wetboek, doet artikel 89 van de wet van 6 juli 1994 ten nadele van die burgers een discriminatie ontstaan die in strijd is met de beginselen van gelijkheid en non-discriminatie die gewaarborgd zijn door de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

Bijgevolg heeft het arrest die wet niet naar recht kunnen toepassen (schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en 2 van het Burgerlijk Wetboek).

2.2. Tweede onderdeel

Door met terugwerkende kracht tot 1 januari 1993, eiseres de mogelijkheid te ontzeggen de verhuur van onroerende goederen aan de BTW te onderwerpen, schendt de wet van 6 juli 1994 de beginselen van gelijkheid en non-discriminatie die gewaarborgd zijn door de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. De schending van die grondwettelijke regels door de wetgever levert een fout op waardoor verweerders aansprakelijkheid in het gedrang komt.

Het arrest heeft bijgevolg niet naar recht afwijzend kunnen beschikken op de vordering tot vergoeding van eiseres als herstel voor de schade die zij heeft geleden door de retroactieve opschorting van de mogelijkheid om verhuur van onroerende goederen aan de BTW te onderwerpen (schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek).

IV. Beslissing van het Hof

1. Eerste middel

Overwegende dat het middel berust op de grief die afgeleid is uit de opheffing met terugwerkende kracht tot 1 januari 1993 van de mogelijkheid geboden door artikel 44, ,§ 3, 2°, c, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, ingevoegd bij een wet van 28 december 1992 en in werking getreden op 1 januari 1993, om bepaalde vormen van verhuur van onroerende goederen aan de belasting te onderwerpen ;

Overwegende dat die wetsbepaling stelde dat van de belasting zijn vrijgesteld de verpachting, de verhuur en de overdracht van huur van uit hun aard onroerende goederen, met uitzondering van de verhuur van andere gebouwen dan degene die het voorwerp uitmaken van een in artikel 44, ,§ 3, 2, b, bedoeld contract aan een belastingplichtige voor de behoeften van zijn economische activiteit, wanneer de verhuurder kennis heeft gegeven van zijn bedoeling het onroerend goed met voldoening van de belasting te verhuren ; de Koning bepaalt de vorm van de keuze, de wijze waarop ze moet worden uitgeoefend, evenals de voorwaarden waaraan het verhuurcontract moet voldoen ;

Overwegende dat het arrest oordeelt dat "het recht om voor professioneel gebruik bestemde onroerende goederen aan de B.T.W.-regeling te onderwerpen, werd opgeschort tot er een koninklijk besluit zou worden uitgevaardigd ; dat dit koninklijk besluit er nooit gekomen is, zodat de door de wetsbepaling geboden keuzemogelijkheid nooit uitwerking heeft gehad" en "dat (eiseres), door gebruik te maken van de aftrek van de B.T.W. op de verbouwingswerken in een pand dat zou worden verhuurd, vooruitgelopen is op een wetsbepaling die nog niet van toepassing was, aangezien het besluit dat de voorwaarden voor die aftrek zou vastleggen, nog niet uitgevaardigd was ; dat de wetsbepaling op zich haar geen enkel subjectief recht op de aftrek verleende" ;

Dat die overwegingen, die uitsluiten dat het recht van eiseres op het gewettigd vertrouwen en op rechtszekerheid, die worden erkend als algemene rechtsbeginselen van het communautaire recht, miskend is, de beslissing van het arrest om de vordering tot terugbetaling van de door de administratie ingehouden belasting af te wijzen, naar recht verantwoordt ;

Dat het middel niet kan worden aangenomen ;

2. Tweede middel

Overwegende dat uit het antwoord op het eerste middel blijkt dat eiseres het recht op rechtszekerheid en gewettigd vertrouwen niet werd ontzegd en dat de schade die zij beweert geleden te hebben voortvloeit uit haar eigen gedrag doordat zij is vooruitgelopen op een wetsbepaling die nog niet van toepassing was ;

Dat er bijgevolg geen grond bestaat om het Arbitragehof een prejudiciële vraag te stellen.

En overwegende dat de grief betreffende de schending van de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek volledig afgeleid is uit de, tevergeefs aangevoerde, schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

Beschikkend gedeelte

OM DIE REDENEN,

HET HOF,

Verwerpt het cassatieberoep ;

Veroordeelt eiseres in de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter Claude Parmentier, afdelingsvoorzitter Philippe Echement, de raadsheren Christian Storck, Didier Batselé en Christine Matray, en in openbare terechtzitting van twee juni tweeduizend en vijf uitgesproken door afdelingsvoorzitter …

Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter …

Ondertekeningen

Aangehaalde teksten

1

Vergelijkbare beslissingen

8