De tekst van dit document is in het Frans. De FOD publiceert er geen Nederlandse versie van.
Fiche van de FOD Financiën
Arrest van het Hof van beroep te Brussel d.d. 07.11.2017
WF 706-15-09/067484
[Ongunstig voor de administratie]
Belasting over de toegevoegde waarde – Onroerende verhuur – Vrijstellingen - Ter beschikkingstelling van vakantieverblijven – verschaffen van gemeubeld logies - Gerechtelijke procedure – nieuw verzoekschrift – Ontvankelijkheid van het nieuw verzoekschrift
Wettelijke bepalingen
Artikel 18, § 1, 2de lid, 10° van het Btw-Wetboek
Artikel 44, § 3, 2°, 3de streepje van het Btw-Wetboek
Artikel 807 van het Gerechtelijk Wetboek
Samenvatting
I.Voorafgaande feiten
Een vennootschap naar Nederlands recht heeft een chalet laten bouwen die zij aan toeristen verhuurd als gemeubeld logies. De eerste rechter wees op de diensten die verstrekt worden aan de huurders bovenop de terbeschikkingstelling van de chalet: “check-in” bij de overhandiging van de sleutel; uitleg over het gebruik van de lokalen; terbeschikkingstelling van vuilniszakken; terbeschikkingstelling van lakens mits supplement; verplichte schoonmaak tegen betaling op het einde van het verblijf; gratis terbeschikkingstelling van een parkeerplaats; gratis bijstand ingeval van defecten van een toestel; onderhoud en herstelling van de lokalen.
De vennootschap is van mening dat zij btw-plichtig is aan de Belgische BTW op grond van artikel 18, § 1, 2de lid, 10° van het Btw-Wetboek betreffende het verschaffen van gemeubeld logies en heeft de BTW die werd aangerekend op de bouw en inrichting van de chalet in aftrek gebracht.
De administratie is van oordeel dat de bedoelde handelingen vrijgesteld zijn van de btw overeenkomstig artikel 44, § 3, 2° van het Btw-wetboek en geen recht geven op aftrek van de betaalde btw. Een dwangbevel werd uitgevaardigd op 12 oktober 2004. De vennootschap tekende verzet aan tegen het dwangbevel.
II.Procesrechtelijke achtergrond
1.De rechtbank van eerste aanleg te Aarlen (Burg. Aarlen, 14 juni 2006, R.G.05/39) heeft de stelling van de administratie volgens dewelke de betwiste terbeschikkingstelling van gemeubeld logies moet worden beschouwd als zijnde verhuur van een onroerend goed, verworpen. De Belgische staat heeft beroep aangetekend tegen het vonnis.
2.In haar arrest van 20 november 2010, 2006/RG/1452 (http://www.fiscalnet.be), is het hof van beroep van Luik van mening dat het niet voor ernstige betwisting vatbaar is dat een vennootschap een voornamelijk passieve houding aanneemt, terwijl haar prestaties bijna uitsluitend bestaan in de terbeschikkingstelling van de bedoelde accommodatie.
In onderhavig geval stelde het hof vast dat het belangrijkste kenmerk van het contract wel degelijk de terbeschikkingstelling van het onroerend goed is, de andere diensten van zeer bijkomstige aard zijn en de handeling haar karakter van verhuur van onroerende goed niet ontnemen. Een hotelcontract kenmerkt zich door de belangrijkheid van de geleverde diensten (schoonmaak van de kamers, vervangen van lakens, verstrekken van maaltijden, enz.), wat in onderhavig geval niet van toepassing is.
Volgens dit arrest kan de betwiste verhuur niet beschouwd worden als de terbeschikkingstelling van gemeubeld logies (hoteldienst in de zin van artikel 18, § 1, tweede ld, 10°, van het Btw-Wetboek), maar wel als een vrijgestelde onroerende verhuur.
De vennootschap naar Nederlands recht heeft een voorziening in cassatie ingesteld tegen het arrest van het hof van beroep te Luik.
3.In haar arrest van 22 juni 2012, F.11.0090.F, vernietigt het Hof van Cassatie het arrest en verwijst de zaak naar het hof van beroep te Brussel.
Volgens dit arrest – dat stelt dat de duur van de huur geen bepalend element is om de vrijgestelde handeling te onderscheiden van de handeling die wel behoort tot de werkingssfeer van de belasting en, zelfs indien het een huur van korte duur betreft - is de handeling niet onderworpen aan de belasting tenzij de geleverde diensten van dezelfde aard en even belangrijk zijn als in de hotelsector. Het aangevochten arrest rechtvaardigt derhalve haar beslissing niet wettelijk dat de vennootschap naar Nederlands recht geen activiteit uitoefent die bestaat in het verschaffen van gemeubeld logies in inrichtingen waar aan betalende gasten onderdak wordt verleend in de zin van artikel 44, § 3, 2°, a), 3de streepje van het Btw-Wetboek, gelezen in het licht van artikel 13, B, onder b), punt 1, van de zesde richtlijn, zoals uitgelegd door het EHVJ.
III.Arrest van het hof van verwijzing te Brussel van 7 november 2017
A.Nieuwe vordering. Ontvankelijkheid
1.Voor de rechtbank van eerste aanleg te Aarlen, had de vennootschap verzet aangetekend tegen het dwangbevel dat uitgevaardigd werd door de Belgische Staat op 12 oktober 2004. In beroep, beroept de vennootschap voor de eerste keer op het dwangbevel van 12 december 2008 dat gebaseerd is op het proces-verbaal van 3 december 2008. De twee dwangbevelen hebben betrekking op verschillende periodes. In het proces-verbaal van 3 december 2008, grond van het dwangbevel van 12 december 2008, is de administratie van mening dat de vennootschap voor de facturen die de vennootschap heeft ontvangen van haar leveranciers, zij niet kon genieten van bijzondere regeling van de verlegging van de heffing zoals voorzien in artikel 20 van koninklijk besluit nr. 1.
2.Overeenkomstig artikel 807 van het Gerechtelijk Wetboek mag, zelfs in beroep, een nieuwe vordering ingesteld worden indien de conclusies berusten op een feit of een akte die in de dagvaarding werd aangevoerd.
Het hof stelt vast dat de nieuwe vordering inzake de onwettigheid van het dwangbevel uitgevaardigd op 12 december 2008 niet berust op een feit of een akte die aangevoerd werd in het inleidende verzoekschrift. Het tweede dwangbevel is namelijk de uitvoerende titel tot invordering van de belastingen en toebehoren met betrekking tot andere belastingen dan deze die het voorwerp zijn van het dwangbevel van 12 oktober 2004.
Bijgevolg is de nieuwe vordering betreffende het dwangbevel uitgevaardigd op 12 december 2008 onontvankelijk verklaard.
B.Kwalificatie van de handeling als onroerende verhuur
1.Het hof van beroep te Brussel stelt dat onroerende verhuur een passieve handeling is die verband houdt met het tijdsverloop, terwijl hoteldiensten en diensten van hiermee aanverwante sectoren worden gekenmerkt door het verrichten van diensten die uitgebreider zijn dan de eenvoudige terbeschikkingstelling van een goed (EHvJ, 18 november 2004, Temco Europe, punt 27, C-284/03, Fisconetplus).
In dit geval stelt de rechter van het hof van beroep te Brussel vast dat de vennootschap een gemeubeld logies voor een korte periode als vakantieverblijf ter beschikking stelt en dat zij bijkomende diensten (schoonmaak en elektriciteit) verricht voor de gebruikers die als zodanig gefactureerd worden. Een derde is belast met de overhandiging van de sleutels aan de klant, de schoonmaak en het onderhoud van het vakantieverblijf, de reparatie van de elektrische huishoudtoestellen, de levering van vuilniszakken en het maaien van het gazon.
Volgens het hof, is de handeling meer dan de eenvoudige passieve terbeschikkingstelling van een onroerend goed, gezien de handelingen zich niet beperken tot het laten gebruiken van het goed gedurende een bepaald tijdsverloop.
2.Bijgevolg zijn, volgens de rechter van het hof van beroep te Brussel, de diensten van de vennootschap geen onroerende verhuren die vrijgesteld zijn van de btw, maar zijn zij aan de belasting onderworpen bij wijze van het verschaffen van gemeubeld logies waar aan betalende gasten onderdak wordt verleend (artikel 18, § 1, 2de lid, 10° van het Btw-Wetboek).
Opmerking
De Belgische Staat heeft berust in het arrest.
Tekst van het arrest
Het arrest wordt enkel gepubliceerd in de oorspronkelijke taal
Tekst van de beslissing
Arrêt de la Cour d’appel de Bruxelles du 7 novembre 2017
6ème F chambre affaires civiles
(2014/AF/187)
(Cour de renvoi après cassation)
EN CAUSE DE:
L'Etat belge. SPF Finances, administration de la TVA, de l'enregistrement et de domaines, poursuites et diligences de Monsieur l'Inspecteur du bureau de recettes d la TVA de Marche-en-Famenne, dont les bureaux sont établis à 6900 Marche-en-Famenne, Allée du Monument, 25_;
appelant représenté par son conseil, Maître M. D., avocat, dont le cabinet est établi à …, ….
CONTRE:
La s. d. d. n. ESL-O., dont le siège social est établi aux …, …, à …, inscrite à la Chambre.de commerce de … sous le numéro …, représentée par Maître A. G., en sa qualité de curateur;
intimée, représentée par son conseil, Maître L. D., avocat, dont le cabinet est établi à …, ….
La cour, après délibéré, prononce en audience publique l'arrêt suivant. Vu notamment:
le jugement prononcé contradictoirement le 14 juin 2006 par le tribunal de première instance d'Arlon, décision dont il n'est pas produit d'acte de signification;
la requête d'appel déposée au greffe de la cour d'appel de Liège, le 18 octobre 2006, pour l'Etat belge;
l'arrêt prononcé contradictoirement par la cour d'appel de Liège le 22 septembre 2010;.
l'arrêt prononcé par la Cour de cassation le 22 juin 2012 qui casse l'arrêt récité de la cour d'appel de Liège, sauf en tant qu'il a reçu l'appel de l'Etat belge;·
la signification du 8 juillet 2014 de l'arrêt précité de la Cour de cassation et l'assignation devant la cour de céans en tant que juridiction renvoi ;
les conclusions de synthèse déposées au greffe de la cour, le 30 novembre 2015, pour l'Etat belge;
les conclusions de synthèse déposées au greffe de la cour, le 21 novembre 2016, pour la société ESL-O.;
les conclusions après mise en continuation déposées .au greffe de la tour, la.17 mars 2017, pour l'Etat belge;
les conclusions après mise en continuation déposées au greffe de la cour, le 5 avril 2017, pour la société ESL-O..
1. Faits et antécédents du litige :
La société ESL-O. a déposé, le 21 décembre 2001, une déclaration de commencement d'activité dans laquelle elle indique avoir pour activité la fourniture de logements meublés. Elle est assujettie à la TVA pour cette activité et selon ses déclarations périodiques, une somme de … euros doit lui être remboursée à titre de TVA.
A la suite d'un contrôle, le fonctionnaire-taxateur a décidé, par un procès-verbal du 21 septembre 2004, que la société ESL-O. ne peut être assujettie à la TVA et que la mise à disposition de l'immeuble meublé consiste en une location pure et simple d'un immeuble par nature, exemptée de la TVA.
Une contrainte n° C.T.R.I. té décernée sur la base de ce procès-verbal, le 12 octobre 2004 et notifiée le 18 octobre 2004.
Suivant cette contrainte, la société ESL-O. est redevable des sommes suivantes:
- … euros à titre·de TVA;
- … euros à titre d'amende due sur la base de l'article 70, § 1er, et/ou 70, § 1er, bis, CTVA;
- les intérêts moratoires à calculer sur les sommes dues à partir de la notification de la contrainte ;
- les frais de poursuites.
La société ESL-O. a fait opposition à cette contrainte par u e requête contradictoire déposée au greffe du tribunal de première instance d'Arlon, le 20 janvier 2005.
Il. Le jugement entrepris:
Par le jugement entrepris, le premier juge a :
dit la demande originaire recevable et fondée;
dit que la contrainte litigieuse est illégale;
condamné l'Etat belge à restituer toutes sommes retenues et/ou encaissée en vertu de cette contrainte;
condamné l'Etat belge aux dépens non liquidés.
III. Objet de l'appel :
1. L'Etat belge a relevé appel de ce jugement et par un arrêt du 22 septembre 2010, la cour d'appel de Liège a dit l'appel recevable et fondé, réformé le jugement entrepris, dit pour droit que la contrainte litigieuse est bonne et valable, condamné la société ESL-O. aux dépens de première instance, liquidés à la somme de … euros et aux dépens d'appel, liquidés à la somme de … euros.
La cour d'appel de Liège a décidé que, « en l'espèce, il n'est pas contestable que l’intimée fournit essentiellement à ses clients vacanciers un logement,. accompagné e quelques services accessoires (électricité, gaz, nettoyage en fin de location) facturés en su ; qu'il n'est pas sérieusement contestable qu'elle adopte ainsi un comportement essentiellement passif, sa prestation consistant presque exclusivement en la mise à disposition logement convenu».
Par son arrêt du 22 juin 2012, la Cour de cassation a cassé cet arrêt aux motifs que, « en considérant que la durée de la location n'est pas un élément déterminant permettant de distinguer l’activité exonérée de l’activité rentrant dans le champ d'application·la taxe' et que même lorsque la location est de courte durée, l'activité n'est soumise à la taxe que si les services fournis sont de même nature et de même importance que dans le secteur hôtelier, l'arrêt attaqué ne justifie pas légalement sa décision que la demanderesse n'exerce pas une activité de fourniture de logements meublés dans des établissements où sont hébergés des hôtes payant au sens de article 44, § 3, 2°, a), 3ème tiret, du Code de la taxe sur la valeur ajoutée, lu à la lumière de l’article 13, B sous b), point 1, de la sixième directive, tel qu'il est interprété par la Cour de justice de l'Union européenne ».
2. L'Etat belge demande à la cour de céans de:
dire l'appel recevable et fondé;
mettre à néant le jugement entrepris, prononcé par le tribunal de première instance d'Arlon du 14 juin 2006 ;
dire la contrainte litigieuse bonne et valable;
l'autoriser, pour autant que de besoin, à poursuivre l'exécution de cette contrainte;
-condamner la société ESL-O. aux frais et dépens, liquidés à l'indemnité de procédure de première instance de … euros, l'indemnité de procédure d'appel devant la cour d'appel de liège, de … euros et à l'indemnité de procédure d'appel devant la cour de céans, de … euros.
3. La société ESL-O. demande à la cour de céans de :
dire l'appel recevable mais non fondé ;
dire pour droit que les contraintes n° C.R.T.R.I. … et C.T.R.I. …, décernées les 12 octobre 2004 et 3 décembre 2008 sont illégales;
condamner l'Etat belge à lui rembourser toutes sommes retenues et/ou payées en vertu ou en exécution de ces contraintes;
condamner l'Etat belge aux dépens liquidés à l'indemnité de procédure de … euros pour la première instance, aux indemnités de procédure de … euros pour l'appel devant la cour d'appel de Liège et de … euros pour l'appel devant la cour de céans et aux frais de signification du jugement entrepris de … euros.
IV. Discussion :
1. La société ESL-O. modifie l'objet de sa demande en degré d'appel, dès lors qu'elle invite la cour à dire pour droit que la contrainte décernée le 3 décembre 2008 st illégale, alors que cette contrainte n'était pas visée devant le premier juge.
La contrainte constitue le titre exécutoire de la créance fiscale l'exécution ne peut être Interrompue que par une action en justice (article 89 CTVA).
Conformément à l'article 807 du Code judiciaire, une demande nouvelle peut et formée, y compris en degré d'appel, par des conclusions fondées sur un acte ou un fait invoqué dans l'acte introductif d'instance.
La requête contradictoire déposée par la société ESL-O. devant le tribunal de première instance d'Arlon ne vise par la contrainte décernée le 3 décembre 2008, ni les conclusions qu'elle a prises devant le premier juge.
Cette contrainte est invoquée pour la première fois devant la cour des céans, dès lors que la société ESL-O. n'en a pas fait état devant la cour d'appel de Liège.
La contrainte décernée le 12 octobre 2004 concerne le remboursement de TVA dans les déclarations périodiques des 3ème et 4ème trimestres 2001, des années 2002 et 2003 et des 1er et 2ème trimestre 2004.
La contrainte, décernée en réalité le 12 décembre 2008 (pièce 48 du dossier de la société ESL-O.) concerne la période du 1er janvier au 31 décembre 2005 et se fonde sur un procès-verbal du 3 décembre 2008. D'après ce procès-verbal, l'activité de mise à disposition d'un immeuble constitue une location immobilière exemptée de Ia TVA et en conséquence, les factures reçues par la société ESL-O. de ses fournisseurs avec la mention « taxe à acquitter par le cocontractant » ne peuvent pas bénéficier de ce régime prévu à l'article 20 de l'arrêté royal n° 1. La taxe est en conséquence due en Belgique par le fournisseur et la société ESL-O. est solidairement responsable du montant de cette taxe.
La demande nouvelle relative à l'illégalité de la contrainte décernée le 12 décembre 2008 ne se fonde pas sur un fait ou un acte invoqué dans l'acte introductif d'instance. En effet, cette contrainte constitue le titre exécutoire de taxes en principal et accessoires qui diffèrent des taxes qui ont fait l'objet de la contrainte décernée le 12 octobre 2004.
Ces taxes sont dues à la suite d'opérations différentes qui sont chacune visées par les procès-verbaux sur la base desquels ces deux contraintes ont été décernées. Il ne suffit dès lors pas que la question du bien-fondé des taxes visées par chacune des deux contraintes nécessite de déterminer si la société ESL-O. est assujettie au non à la TVA pour son activité de mise à disposition d'un logement meublé, pour que la demande nouvelle puisse être considérée comme fondée sur un fait ou en acte visé dans l'acte introductif d'instance.
En conséquence, la demande nouvelle relative à la contrainte décernée le 12 décembre 2008 est irrecevable.
2. D'après l'article 18, alinéa 2, 10°, CTVA, la fourniture de logements meublés et la mise à disposition d'emplacements de parking constituent des prestations de services soumises à la TVA.
Toutefois, d'après l'article 44, § 3, 2°, a), 3ème tiret, CTVA, sont exemptés de la TVA, l'affermage, la location et la cession de bail de biens immeubles par nature, à l'exception de la fourniture de logements meublés dans les hôtels, motels et établissements où sont hébergés des hôtes payants.
Il résulte de ces deux dispositions et du principe de droit communautaire suivant lequel les exemptions sont d'interprétation stricte, que l'exemption de la location de biens immeubles par nature doit s'interpréter restrictivement.
La location de biens immeubles par nature, qui est exemptée de la TVA, a pour objet la concession à un tiers du droit d'occuper un immeuble pendant une certaine durée. Cette prestation est, dans le chef du prestataire, passive, dès lors qu'elle consiste seulement à laisser occuper le bien pendant le laps de temps convenu.
Lorsque la prestation excède la mise à disposition d'un bien immeuble et s'accompagne de la fourniture de services au preneur, elle est soumise à la taxe ·(C.J.U.E., 4 octobre 2001, n° C- 326/99; C.J.U.E., 12 février 1998, n° C-346/95).
D'après la jurisprudence de la Cour de justice de l'Union européenne, locations d'immeubles par nature exemptées de la TVA se distinguent des opérations taxables d'hébergement réalisées par le secteur hôtelier et les secteurs ayant une fonction similaire, par la durée de l'hébergement et la nature des prestations.
La fourniture d'un hébergement de courte durée, inférieur à six mois, permet d considérer que les prestataires effectuent une activité semblable à la fonction essentielle du secteur hôtelier, qui est de fournir un hébergement temporaire (C.J.U.E., 12 février 998, n° C- 346/95).
L'activité de location d'immeubles par nature constitue une activité passive lié au simple écoulement du temps, alors que les activités du secteur hôtelier et des secteur ayant une fonction similaire, se caractérisent par l'exécution de prestations qui excèdent la impie mise à disposition d'un bien (C.J.U.E., 18 novembre 2004, n° C-284/03).
3. En l'espèce, l'activité litigieuse consiste en la mise à disposition par la société ESL-O. d'une maison meublée à titre de maison de vacances.
La location s'effectue pour une semaine, une demi-semaine ou un long weekend. Le locataire paie une somme de … euros pour le nettoyage et l'électricité en fonction de sa consommation, en sus du prix de la location du bien (pièce 34 du dossier de la société ESL-O.).
Un tiers se charge de la remise des clés à l'occupant, du nettoyage, de l'entre en et de la réparation de l'électro-ménager (boiler, frigo), de la fourniture de sacs poubelles et de tondre la pelouse (pièces 35 à 37 du dossier de la société ESL-O.).
Ainsi, la société ESL-O. met à disposition un logement meublé à titre e logement de vacances pour une courte période et fournit des services accessoires aux occupants qui payent en outre, l'électricité et le nettoyage du bien après leur départ.
Ces prestations excèdent la simple mise à disposition passive d'un bien Immeuble par nature, dès lors qu'elles ne se limitent pas à laisser occuper le bien pendant un certain laps de temps.
En conséquence, les prestations de la société ESL-O. ne constituent pas des locations d'immeubles par nature exemptées de la TVA, mais sont soumises à la taxe à titre de fourniture de logements meublés où sont hébergés des hôtes payants.
4. En conclusion, l'appel est non fondé.
Beschikkend gedeelte
PAR CES MOTIFS,
LA COUR, statuant contradictoirement,
Vu l'article 24 de la loi du 15 juin 1935 sur l'emploi des langues en matière judiciaire;
Dit irrecevable la demande nouvelle relative à la contrainte n° C.T.R.I. 308/1205/29096, décernée le 12 décembre 2008 ;
Reçoit l'appel, mais le dit non fondé;
Condamne l'Etat belge aux dépens, liquidés à l'indemnité de procédure de … euros pour la première instance et de … euros pour l'appeI, aux dépens de cassation, liquidés à … euros et à … euros, à titre de frais de signification de l'arrêt de la Cour de cassation.
Ainsi jugé et prononcé en audience publique de la chambre fiscale « 6 F » de la Cour d'appel de Bruxelles, le 7 novembre 2017;
Où étaient présents et siégeaient :
Signatures
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.
Aangehaalde teksten
8Rechtspraak
1België
1Rechtbank van eerste aanleg te Luik11.10.2018