Nieuw gebouw, Renovatie, Werk in onroerende staat, Privéwoning · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Hof van Cassatie Brussel 25 juni 2021

Zoeken

Nieuw gebouw, Renovatie, Werk in onroerende staat, Privéwoning

https://juriel.be/nl/rechtspraak/nieuw-gebouw-renovatie-werk-in-cassatie-brussel-2021-06-25-b63a

Rechtscollege
Hof van Cassatie
Zetel
Brussel
Datum
25 juni 2021

Procesverloop

2 stappen · 1 jaar 7 maanden
  1. Bestreden beslissingHof van beroep te Gent29.10.2019
  2. Weergegeven beslissingHof van Cassatie van België25.06.2021

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands
Strekking volgens de FOD
ongunstig voor de Belgische Staat

Tekst

71 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van Cassatie d.d. 25.06.2021 (Nr. F.20.0032.N)

[Ongunstig voor de Belgische Staat]

Belasting over de toegevoegde waarde - Nieuw gebouw - Renovatie - Werk in onroerende staat - Privéwoning - Tarief van de Btw

Wettelijke bepalingen

Artikelen 22 en 37, Btw-wetboek

KB nr. 20 van 20 juli 1970, Artikel 1, 1° en tabel A, rubriek XXXI, § 1, van de bijlage

Samenvatting

Niet beschikbaar

Tekst van het arrest

Tekst van de beslissing

Arrest van het Hof van Cassatie d.d. 25.06.2021 (Nr. F.20.0032.N)

Nr. F.20.0032.N

BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de adviseur-generaal van het Centrum KMO Brugge, met kantoor te 8000 Brugge, G. Vincke Dujardinstraat 4, eiser, vertegenwoordigd door mr. …, advocaat bij het Hof van Cassatie, en bijgestaan door mr. …, advocaat bij de balie Brussel, beiden met kantoor te …, waar de eiser woonplaats kiest,

tegen

B.D.B., wonende te …, ingeschreven in het rijksregister onder het nummer …, verweerder, bijgestaan door mr. …, advocaat bij de balie Gent, met kantoor te …, waar de verweerder woonplaats kiest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 29 oktober 2019.

Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft op 17 mei 2021 een schriftelijke conclusie neergelegd.

Raadsheer Koenraad Moens heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Eerste onderdeel

1. Met het oordeel dat het hof van beroep niet anders kan dan vaststellen dat de controleagent de juiste analyse heeft gemaakt en de correcte conclusie heeft getrokken, bevestigt de appelrechter dat de theoretische analyse van de controleagent correct is volgens dewelke de verweerder recht heeft op het verlaagd btw-tarief van 6 pct. op voorwaarde dat zijn renovatie in die zin beperkt blijft dat de oppervlakte van het oude gedeelte nog betekenisvol is ten aanzien van het nieuwe gedeelte en het nieuwe gedeelte het oude gedeelte aanvult. De appelrechter oordeelt aldus niet dat de beoordeling door de controleagent van de concrete situatie voorhanden in het bodemgeschil en van de door de verweerder uitgevoerde werken, op basis van de overgemaakte plannen en de vaststellingen ter plaatse, volgens dewelke het verlaagde btw-tarief van 6 pct. door de verweerder niet kon worden toegepast, correct is.

2. Het onderdeel berust op een onjuiste lezing van het arrest en mist mitsdien feitelijke grondslag.

Tweede onderdeel

3. Krachtens artikel 37, § 1, eerste lid, Btw-wetboek bepaalt de Koning bij in Ministerraad overlegd besluit de tarieven en geeft Hij de indeling van de goederen en diensten bij die tarieven, rekening houdend met de door de Europese Gemeenschappen ter zake uitgevaardigde reglementering.

Krachtens artikel 1, 1°, KB nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en diensten bij die tarieven wordt de belasting over de toegevoegde waarde geheven tegen een tarief van 6 pct. voor de goederen en diensten aangewezen in tabel A van de bijlage bij dit besluit.

Krachtens tabel A, rubriek XXXI, § 1, van de bijlage bij dit besluit worden het werk in onroerende staat en de andere handelingen bedoeld in § 3 onderworpen aan het verlaagd tarief, voor zover de volgende voorwaarden vervuld zijn:

- de handelingen moeten de omvorming, renovatie, rehabilitatie, verbetering, herstelling of het onderhoud, met uitsluiting van de reiniging, geheel of ten de­le van een woning tot voorwerp hebben;

- de handelingen moeten betrekking hebben op een woning die, na de uitvoering ervan, hetzij uitsluitend, hetzij hoofdzakelijk als privé-woning wordt gebruikt;

- de handelingen moeten worden verricht aan een woning, waarvan de eerste ingebruikneming ten minste vijftien jaar voorafgaat aan het eerste tijdstip van het verschuldigd zijn van de btw dat zich voordoet overeenkomstig artikel 22 van het wetboek;

- de handelingen moeten worden verstrekt en gefactureerd aan een eindverbruiker door een persoon die, op het tijdstip van het sluiten van het aannemingscontract, geregistreerd is als zelfstandig aannemer overeenkomstig de artikelen 400 en 401 WIB92;

- de door de dienstverrichter uitgereikte factuur en het dubbel dat hij bewaart, moeten, op basis van een duidelijk en nauwkeurig attest van de afnemer, melding maken van het voorhanden zijn van de elementen die de toepassing van het verlaagd tarief rechtvaardigen; behalve in geval van samenspanning tussen de partijen of het klaarblijkelijk niet naleven van onderhavige bepaling, ontlast het attest van de afnemer de dienstverrichter van de aansprakelijkheid betreffende de vaststelling van het tarief.

Krachtens tabel A, rubriek XXXI, § 3, 1°, van de bijlage bij dit besluit worden het verbouwen, het afwerken, het inrichten, het herstellen en het onderhouden, met uitsluiting van het reinigen, geheel of ten dele, van een uit zijn aard onroerend goed beoogd.

4. Hieruit volgt dat het btw-tarief van 6 pct. enkel van toepassing is op een handeling die bestaat uit de verbouwing van een uit zijn aard onroerend goed, met uitsluiting van nieuwbouw. Dit geldt ook voor een verbouwing die het gebouw uitbreidt of wijzigt voor zover de oppervlakte van het oorspronkelijke onroerend goed betekenisvol is ten aanzien van het nieuwe gedeelte en dit nieuwe gedeelte niet onafhankelijk kan gebruikt worden maar het oorspronkelijke gedeelte waarmee het geheel vormt, aanvult.

5. De rechter oordeelt onaantastbaar in feite of een handeling bestaat uit een verbouwing waarop het btw-tarief van 6 pct. van toepassing is. Het Hof gaat niet­temin na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgtrekkingen afleidt die deze niet kunnen verantwoorden.

6. De appelrechter stelt vast en oordeelt dat:

- de vraag of er sprake is van werken in onroerende staat die onder het btw-stelsel van 6 pct. vallen, in wezen door de feiten wordt gedetermineerd;

- gelet op de circulaire nr. 6/1986 en rekening houdend met het rechtszekerheids-en zorgvuldigheidsbeginsel, de verweerder, zoals alle andere belastingplichtigen, recht heeft op de toepassing van het verlaagd btw-tarief van 6 pct. wan­neer zijn renovatie in die zin beperkt blijft dat de oppervlakte van het oude gedeelte betekenisvol is ten aanzien van het nieuwe gedeelte;

- oor het bepalen van de oppervlakte van het oude gedeelte alleen die oorspronkelijke oppervlakte in aanmerking wordt genomen die behouden werd; de uitbreiding die door de betreffende werken heeft plaatsgevonden, overkomt als een uitvoerige uitbreiding en daardoor een fundamentele wijziging van de oorspronkelijke woning en dat het niet te betwisten valt dat de werken tot gevolg hebben gehad dat van een eenvoudig landhuisje een ruime villa werd gemaakt, doch dat rekening moet worden gehouden met de toets van de oppervlakte `voor-en-na' zoals voorzien in de circulaire nr. 6/1986;

- cruciaal in de betwisting tussen de partijen is te weten of de wijziging die werd aangebracht aan de bovenverdieping boven de oorspronkelijke woning al dan niet moet worden beschouwd als deel dat behoort tot de oppervlakte van het oude gedeelte dat overblijft na de uitvoering, doch dat de eiser niet kan worden gevolgd in zijn stelling dat het totaal verwijderen van het oorspronkelijke dakgebinte en van de houten roostering tot gevolg heeft dat die bovenruimte niet als overblijvend moet worden aangemerkt, aangezien de gevelmuren waar­tussen het dakgebinte en de roostering zich bevonden, integraal behouden zijn;

- men van dan af tot de vaststelling komt dat de totale oppervlakte van het oude gedeelte dat overblijft na de uitvoering van de werken overeenstemt met de totale oppervlakte van de oorspronkelijke woning en dat de oppervlakte die overblijft aldus 201,98 vierkante meter bedraagt;

- de oppervlakte na verbouwing 370,64 vierkante meter bedraagt en in de mate dat rekening wordt gehouden met de nieuwe carport 400,89 vierkante meter bedraagt;

- de totale oppervlakte van het oude gedeelte dat overblijft na uitvoering van de werken dus meer dan de helft is van de totale oppervlakte van de totale woning na de werken.

Aldus verantwoordt de appelrechter naar recht zijn beslissing dat het verlaagd btw-tarief van 6 pct. van toepassing is en het dwangbevel bijgevolg moet vernietigd worden.

In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.

7. In zoverre het onderdeel schending aanvoert van artikel 38 Btw-wetboek zonder te preciseren waarin die schending precies bestaat, is het niet ontvankelijk.

Derde onderdeel

8. De appelrechter oordeelt dat:

- hij de eiser niet kan volgen in zijn stelling dat het totaal verwijderen van het oorspronkelijke dakgebinte en van de houten roostering tot gevolg heeft dat de bovenruimte niet als overblijvend deel moet worden aangemerkt, aangezien de gevelmuren waartussen het dakgebinte en de roostering zich bevonden, inte­graal behouden bleven en het nieuwe dakgebinte en de nieuwe roostering op de behouden gevels steunen;

- men van dan af tot de vaststelling komt dat de totale oppervlakte van het oude gedeelte dat overblijft na de uitvoering van de werken overeenstemt met de volledige oppervlakte van de oorspronkelijke woning en dat derhalve, anders dan in het proces-verbaal dat door de administratie werd opgesteld, werd aan­genomen, ook voor de bovenverdieping de oppervlakte onder het schuine dak in rekening moet worden gebracht zodat de oppervlakte van de bovenverdie­ping in wezen gelijk is aan deze van de benedenverdieping;

- de oppervlakte die overblijft, bijgevolg 201,98 vierkante meter bedraagt, ter­wijl de oppervlakte na verbouwing 370,64 vierkante meter bedraagt, zodat de totale oppervlakte van het oude gedeelte dat overblijft na de uitbreiding van de werken meer is dan de helft van de totale oppervlakte van de woning na de werken;

- de toepassing van het verlaagd tarief van 6 pct. dus terecht was en het dwang­bevel moet worden vernietigd.

Aldus oordeelt de appelrechter dat de bovenverdieping niet volledig werd afgebroken.

In zoverre het onderdeel ervan uitgaat dat de appelrechter vaststelt dat de boven­verdieping volledig werd afgebroken, berust het op een onjuiste lezing van het arrest en mist het mitsdien feitelijke grondslag.

9. In zoverre het onderdeel aanvoert dat er sprake was van een volledig nieuwe bovenruimte of -verdieping, aangezien het dak volledig werd vernieuwd en de houten roostering werd vervangen door beton gestort op dikke houten platen en het hierbij niet van belang is dat de bovenverdieping steunt op de oude dragende muren, komt het op tegen de door appelrechter gegeven feitelijke beoordeling en is het mitsdien niet ontvankelijk.

Vierde onderdeel

10. De appelrechter stelt vast en oordeelt

- de gevelmuren waartussen het dakgebinte en de roostering zich bevonden, integraal behouden zijn;

- het feit dat in de rechter topgevel een deurgat is gemaakt niet belet dat die gevel werd behouden;

- het nieuwe dakgebinte noodzakelijk even goed als het verwijderde dakgebinte steunt op de behouden gevels, zijnde de beidde topgevels en de voor- en achtergevel;

- ook de nieuwe roostering, zoals de verwijderde roostering opnieuw steunt op de behouden gevels.

Met deze redenen geeft de appelrechter geen uitleg aan het proces-verbaal van 6 april 2017 en de bijgevoegde foto's, maar oordeelt hij op basis van de stukken die hem zowel door de eiser als de verweerder werden voorgelegd, dat de eerste ver­dieping niet volledig werd afgebroken.

11. De appelrechter miskent derhalve de bewijskracht van het proces-verbaal van 6 april 2017 niet.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Beschikkend gedeelte

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser tot de kosten.

Bepaalt de kosten voor de eiser op 552,76 euro.

Dit arrest is gewezen to Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, sectievoorzitter Geert Jocqué, en de raadsheren Bart Wylleman, Koenraad Moens en Sven Mosselmans, en in openbare rechtszitting van 25 juni 2021 uitgesproken door sectievoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Johan Van der Fraenen, met bijstand van griffier Vanity Vanden Hende

Aangehaalde teksten

4
WBTW art. 223 voorkomens
WBTW art. 373 voorkomens
KB nr. 20 art. 11 voorkomen
WBTW art. 381 voorkomen

Rechtspraak

5

België

5

Bekijk alle 5

Bekijk de 5 documenten

Vergelijkbare beslissingen

8