Fiche van de FOD Financiën
Arrest van het Hof van Beroep van Antwerpen d.d. 21.01.2025 (rolnr. 2023/AR/1028)
WF 707-15-22/020296
[ Gunstig arrest ]
Belasting over de toegevoegde waarde – btw-tarief – afbraak en heropbouw – verlaagd tarief van 6% - omvorming
Wettelijke bepalingen
Art. 1, eerste lid KB nr. 20, rubriek XXXVIII tabel A KB nr.20
Samenvatting van het vonnis / het arrest
1. Feiten
Het geschil betreft de vraag of terecht toepassing werd gemaakt van het tarief van 6% bij de verbouwing van een appartement boven een tandartsenpraktijk. De administratie betwistte de toepassing van het verlaagd tarief, aangezien niet voldaan is aan de voorwaarden van een omvorming. De administratie had vastgesteld dat het nieuwe gedeelte, nl. het duplexappartement op de eerste en tweede verdieping onafhankelijk van het bestaande kan fungeren.
Op 5 oktober 2021 werd een proces-verbaal opgesteld waarna de schuld ten bedrage van 46.817,62 EUR aan btw en een boete van 4.680,00 EUR, meer de nalatigheidsinteresten, op 17 januari 2022 werd ingeschreven in het innings- en invorderingsregister dat op 22 januari 2022 uitvoerbaar werd verklaard.
Eiser betwistte de vordering van de administratie en kreeg in eerste aanleg gelijk. De eerste rechter oordeelde dat is aangetoond dat de oppervlakte van het oude gedeelte betekenisvol is ten aanzien van het nieuwe aangezien minstens 12 m² van de eerste verdieping, nl. de vloerplaat, geacht moet worden te behoren tot het oude gedeelte. De eerste rechter stelde vervolgens dat de praktijkruimte volledig valt onder het oude gedeelte en dat het nieuwe deel beperkt is tot het woongedeelte, meer bepaald een uitbreiding van het voorheen al bestaande woongedeelte. Het nieuwe woongedeelte kan niet onafhankelijk functioneren van het oude woongedeelte. Dat er zich in het oude woongedeelte ook een praktijkruimte bevindt die apart bruikbaar is, doet daaraan geen afbreuk.
Tegen dit vonnis tekende de Belgische Staat hoger beroep aan.
2. Het arrest in hoger beroep
In toepassing van rubriek XXXVIII tabel A, KB nr. 20 is het verlaagd tarief van 6% van toepassing op voorwaarde dat het gaat om een omvorming, renovatie, rehabilitatie, verbetering, herstelling of onderhoud van een bestaand gebouw en niet om een nieuwbouw.
Opdat er sprake is van renovatie en/of omvorming van een onroerend goed dient derhalve aan 3 voorwaarden voldaan te zijn, m.n. (1) dienen de werken op relevante wijze te steunen op de reeds bestaande dragende muren, in het bijzonder de buitenmuren, en, meer algemeen, op de wezenlijke elementen van de structuur van het te renoveren gebouw, (2) dient de oppervlakte van het oorspronkelijk onroerend goed betekenisvol te zijn ten opzichte van het nieuwe gedeelte en (3) mag het nieuwe gedeelte niet onafhankelijk van het oude gebruikt kunnen worden.
De administratie betwist dat de tweede en derde voorwaarde zijn voldaan.
Het hof stelt vast dat de oppervlakte van het oude gedeelte dat overblijft na de uitvoering van de werken niet betekenisvol is ten aanzien van het nieuwe gedeelte. Het enkele behoud van de vloerplaat, impliceert gelet op de volledige afbraak van de eerste verdieping, geen behoud van een oppervlakte. Dat de vloerplaat door de administratie mee in aanmerking werd genomen om te besluiten dat de verbouwing steunt op de bestaande draagmuren (1ste voorwaarde) betekent geenszins dat de vloerplaat mee in aanmerking moet worden genomen ter bepaling van het oppervlaktecriterium. Van willekeur is geen sprake. De 2de voorwaarde is niet voldaan.
Het hof stelt bovendien vast dat ook aan de 3de voorwaarde niet is voldaan nu het nieuwe gedeelte, m.n. het duplexappartement, onafhankelijk van het oude gedeelte kan functioneren. Het hof stelt vast dat het duplexappartement alle noodzakelijke ruimtes van een zelfstandige woning/wooneenheid omvat; dat het over een afzonderlijke inkomhal op het gelijkvloers en een eigen lift beschikt; en dat door de gemeente een apart busnummer werd toegekend wat de autonomie van het appartement ondersteunt. Het nieuwe gedeelte blijft een zelfstandige woongelegenheid, ook al is er een doorgang naar de praktijk via één gemeenschappelijke deur, aangezien deze doorgang gemakkelijk opgeheven of afgesloten kan worden.
Nu niet voldaan is aan de voorwaarden voor de toepassing van het verlaagd tarief, geldt het normale tarief van 21%.
Het hoger beroep is dan ook gegrond.
Volledige tekst
Tekst van de beslissing
Arrest hof van beroep Antwerpen dd. 21.01.2025
Rolnummer: 2023/AR/1028
BELGISCHE STAAT-FOD FINANCIËN, ON 0308.357.159, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, handelend ten verzoeke van de ADVISEUR-GENERAAL-DIRECTEUR VAN HET CENTRUM KMO ANTWERPEN, met 2000 ANTWERPEN, Italiëlei 4, bus 2
Eiser in hoger beroep,
vertegenwoordigd door mr. B.B., advocaat te …
tegen het vonnis van de AFi4 kamer van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen van 26 april 2023, gekend onder rolnummer 22/755/A
tegen
D.F., RRN 60…, wonende te …,
Verweerder in hoger beroep,
vertegenwoordigd door mr. D.H., advocaat te ...
Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd waaronder een eensluidend afschrift van het bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen, van 26 april 2023, alsmede het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van het hof van beroep te Antwerpen op 22 juni 2023, waarbij tijdig hoger beroep wordt ingesteld.
1. Feitelijke en procedurele retroacta.
1.1. Huidige betwisting heeft betrekking op de inschrijving van een B.T.W.-schuld in het innings- en invorderingsregister op 17 januari 2022, met nummer 500247105957 (202201NL014) waarbij een bedrag van 46.817,62 EUR als B.T.W. wordt nagevorderd, meer een boete ten bedrage van 4.680 EUR en nalatigheidsintresten. In het bijzonder betreft de betwisting de vraag of al dan niet terecht toepassing werd gemaakt van het tarief van 6% bij de verbouwing van een appartement boven een tandartsenpraktijk.
Het betrokken pand bestond aanvankelijk uit drie garages op de gelijkvloerse verdieping, waarin later een tandartsenpraktijk werd gevestigd en een appartement op de eerste verdieping (stuk 2 verweerder in hoger beroep). In 2018 werd een vergunning verleend voor 'de afbraak en het herbouwen van een appartement op de eerste verdieping boven een tandartsenpraktijk' (stuk 4 verweerder in hoger beroep). De vergunde bouwwerken hebben geleid tot een duplexappartement op de eerste en tweede verdieping boven de tandartsenpraktijk op de gelijkvloerse verdieping. Bij de verbouwing werd toepassing gemaakt van het verlaagde B.T.W.-tarief van 6%.
Naar aanleiding van een fiscale controle werd een regularisatieopgave verzonden op 14 januari 2021 (stuk 6 verweerder in hoger beroep) waarbij werd meegedeeld dat ten onrechte het verlaagde tarief werd toegepast omdat geen sprake was van een omvorming van een woning nu de volledige bovenverdieping werd afgebroken en 2 nieuwe verdiepingen werden gebouwd. Het nieuwe gedeelte kan onafhankelijk van het bestaande fungeren en de verbouwing steunt niet op relevante wijze op de bestaande dragende structuur. Verweerder in hoger beroep verklaarde zich niet akkoord.
Op 5 oktober 2021 werd een proces-verbaal opgesteld waarbij werd gesteld, wat betreft de dragende structuur, dat er op basis van de foto's en berekening van verweerder in hoger beroep in het antwoord van 26 juni 2021 inderdaad sprake is van een omvorming. Wat betreft de autonomie werd gesteld het nieuwe gedeelte onafhankelijk van het oude kan functioneren, zodat niet voldaan is aan de voorwaarden voor de toepassing van het verlaagd tarief.
Op 15 oktober 2021 werd een betaalbericht verzonden en de schuld werd op 17 januari 2022 in het innings- en invorderingsregister ingeschreven en op 20 januari 2022 uitvoerbaar verklaard.
1.2. Bij verzoekschrift op tegenspraak, neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen op 18 februari 2022, vorderde verweerder in hoger beroep de vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren en dienvolgens, te zeggen voor recht dat het B.T.W.-tarief van 6% rechtmatig werd toegepast, dat de bedragen gevorderd door de belastingadministratie in de regularisatieopgave d.d. 14 januari 2021 ten bedrage van 51.497,62 EUR, te weten 46.817,62 EUR nog te betalen btw en een proportionele geldboete ten bedrage van 4.680,00 EUR niet verschuldigd zijn, de terugbetaling te bevelen van het bedrag van 51.497,62 EUR, meer moratoriuminteresten en de Belgische Staat te veroordelen tot betaling van de gerechtskosten.
De eerste rechter verklaarde de vordering ontvankelijk en gegrond, stelde vast dat de bedragen gevorderd door de belastingadministratie in het proces-verbaal van 5 oktober 2021 ten bedrage van 51.497,62 EUR, te weten 46.817,62 EUR B.T.W. en een proportionele geldboete ten bedrage van 4.680,00 EUR niet verschuldigd zijn, beval de terugbetaling van het bedrag van 51.497,62 EUR, meer moratoriumintresten en veroordeelde eiser in hoger beroep tot de kosten van het geding, vereffend op 3.750 EUR rechtsplegingsvergoeding en 22 EUR bijzondere bijdrage begrotingsfonds.
De eerste rechter stelde vast dat door de Belgische Staat niet (meer) wordt betwist dat de werken op relevante wijze steunen op de wezenlijke elementen van de structuur van het te renoveren gebouw. De discussie gaat over de vraag of voldaan is aan de voorwaarde dat de oppervlakte van het oude gedeelte betekenisvol is en dat het nieuwe gedeelte niet onafhankelijk kan functioneren van het oude gedeelte.
De eerste rechter stelde vast dat de Belgische Staat niet betwist dat de tweede verdieping van 73 m2 valt onder het nieuwe gedeelte en dat de praktijkruimte van 110 m2 valt onder het oude gedeelte. De eerste rechter oordeelde dat het restant van het gelijkvloers van 37 m2 valt onder het oude gedeelte van het gebouw, zodat dit al minstens een oppervlakte heeft van 147 m2, zijnde bijna de helft van het totaal van 315 m2. De Belgische Staat betwist niet (bij de berekening van het al dan niet rusten op de bestaande draagstructuren) dat de vloerplaat van de eerste verdieping kon worden meegerekend bij de bestaande structuren en dat op de eerste verdieping de oude scheimuren en de achterste dragende muur zijn behouden. Dit leidt er volgens de eerste rechter toe dat dat minstens 12 m2 van de eerste verdieping geacht moet worden te behoren tot het oude gedeelte, zodat is aangetoond dat de oppervlakte van het oude gedeelte betekenisvol is ten aanzien van het nieuwe.
De eerste rechter stelde vervolgens vast dat de praktijkruimte volledig valt onder het oude gedeelte en dat het nieuwe deel beperkt is tot het woongedeelte, meer bepaald een uitbreiding van het voorheen al bestaande woongedeelte. Het nieuwe woongedeelte kan niet onafhankelijk functioneren van het oude woongedeelte. Dat er zich in het oude gedeelte ook een praktijkruimte bevindt die apart bereikbaar is, doet daaraan, aldus de eerste rechter, geen afbreuk.
Tegen dit vonnis heeft eiser in hoger beroep bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het hof op 22 juni 2023, hoger beroep ingesteld.
2. De vorderingen en standpunten in hoger beroep.
2.1. Eiser in hoger beroep, de Belgische Staat, vordert de vordering van eiser in hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren, voor recht te zeggen dat ten onrechte het tarief van 6% werd toegepast op de uitgevoerde werken in onroerende staat, het bestreden vonnis dan ook te herzien door de inschrijving in het innings- en invorderingsregister met kenmerk 202201NL014 en de uitvoerbaarverklaring op 20 januari 2022 te bekrachtigen en door eiser in hoger beroep niet langer te veroordelen tot de terugbetaling van het bedrag van 51.497,62 EUR meer intresten en verweerder in hoger beroep te veroordelen tot de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep ten bedrage van 3.750 EUR en de bijzondere bijdrage begrotingsfonds in hoger beroep te bedrage van 24 EUR.
2.2. Verweerder in hoger beroep vordert het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond te verklaren, dienvolgens het vonnis van de eerste rechter integraal te bevestigen, in die zin dat het btw-tarief van 6% rechtmatig werd toegepast, dat de bedragen gevorderd door de belastingadministratie in de regularisatieopgave d.d. 14 januari 2021 ten bedrage van 51.497,62 EUR, te weten 46.817,62 EUR B.T.W. en een proportionele geldboete ten bedrage van 4.680,00 EUR niet verschuldigd zijn, dat de terugbetaling is bevolen van het bedrag van 51.497,62 EUR, meer moratoriuminteresten en de Belgische Staat te veroordelen tot betaling van de gerechtskosten, begroot op 3.750 EUR rechtsplegingsvergoeding per aanleg en 22 EUR bijzondere bijdrage begrotingsfonds.
3. Bespreking.
In toepassing van artikel 1, eerste lid K.B. nr. 20, zoals van toepassing vanaf 1 januari 2007, bedraagt het normale tarief van de B.T.W. 21%. Het tweede lid bepaalt dat, in afwijking van het eerste lid, de belasting wordt geheven aan een tarief van 6% dan wel 12% voor de goederen respectievelijk opgenomen in de tabellen A en B.
Verweerder in hoger beroep draagt de bewijslast dat aan de voorwaarden voor de toepassing van het verlaagd tarief is voldaan, zo niet geldt het normale tarief van 21%.
In toepassing van rubriek XXXVIII, tabel A, K.B. nr. 20 is het verlaagd tarief van 6% van toepassing op werk in onroerende staat, voor zover de handelingen de omvorming, renovatie, rehabilitatie, verbetering, herstelling of het onderhoud, met uitsluiting van de reiniging, geheel of ten dele van een privéwoning tot voorwerp hebben. Inzonderheid worden beoogd, het verbouwen, het afwerken, het inrichten, het herstellen en het onderhouden, met uitsluiting van het reinigen, van een privéwoning. Aldus is het verlaagd tarief van toepassing op voorwaarde dat het gaat om een omvorming, renovatie, rehabilitatie, verbetering, herstelling of onderhoud van een bestaand gebouw en niet om een nieuwbouw.
De rechter beoordeelt onaantastbaar of de uitgevoerde werken de omvorming, renovatie, rehabilitatie, verbetering, herstelling of het onderhoud, geheel of ten dele, van een woning tot voorwerp hebben dan wel of er sprake is van nieuwbouwwerken. Er is sprake van nieuwbouw, waarop een B.T.W.-tarief van 21% van toepassing is, indien de uitgevoerde werken niet steunen op de wezenlijke elementen van de structuur van het gebouw en het gebouw heropgebouwd wordt na afbraak, zelfs indien bepaalde delen, zoals de funderingen, de kelders of alleen de voorgevel worden behouden. Er is sprake van verbouwing, wat ook de benaming is die eraan wordt gegeven, wanneer de werken op relevante wijze steunen op
de reeds bestaande dragende muren, in het bijzonder de buitenmuren, en, meer algemeen, op de wezenlijke elementen van de structuur van het te renoveren gebouw (Cass. 21 oktober 2022, F.21.0053.N; Cass. 25 juni 2020, AR F.19.0069.N).
In de beslissing nr. E.T. 106.933 van 1 september 1994 preciseerde de administratie dat de uitbreiding van een bestaand gebouw kan worden aangemerkt ais een omvorming of verbouwing van dat gebouw voor zover de oppervlakte van het oude gedeelte betekenisvol is ten aanzien van het nieuwe gedeelte. Er kan worden van uitgegaan dat dit het geval is wanneer de oppervlakte van het oude gedeelte dat overblijft na de uitvoering van de werken groter is dan de helft van de oppervlakte van de woning of het woningcomplex na de uitvoering van de werken (zie ook Parl. Vr. nr. 1117 van Y. LETERME, 9 oktober 2002, Vr. & Antw. Kamer, 27 januari 2003, 19612). Bovendien is vereist dat het nieuwe gedeelte niet onafhankelijk van het oude gedeelte kan functioneren maar het oude gedeelte aanvult en er dus inzake aanwending van het gebouw een geheel mee vormt. Zulks werd bevestigd door het Hof van Cassatie (Cass. 25 juni 2021, F.20.0032.N, niet gepubliceerd maar waarnaar wordt verwezen in de conclusie van advocaat-generaal J. Van der Fraenen bij het arrest d.d. 21 oktober 2022).
Opdat sprake is van renovatie en/of omvorming van een onroerend goed dient derhalve aan drie voorwaarden te zijn voldaan, met name (1) dienen de werken op relevante wijze te steunen op de reeds bestaande dragende muren, in het bijzonder de buitenmuren, en, meer algemeen, op de wezenlijke elementen van de structuur van het te renoveren gebouw, (2) dient de oppervlakte van het oorspronkelijk onroerend goed betekenisvol te zijn ten aanzien van het nieuwe gedeelte en (3) mag het nieuwe gedeelte niet onafhankelijk van het oude gebruikt kunnen worden.
Om te beoordelen of in deze sprake is van nieuwbouw dan wel van renovatie en/of omvorming die recht geeft op de toepassing van het verlaagd tarief dient te worden nagegaan welke werken werden uitgevoerd aan welke delen van het bestaande gebouw en in welke mate het bestaande gebouw werd uitgebreid.
Het betrokken onroerend goed bevatte voor aanvang van de werken twee bouwlagen waarbij op de gelijkvloerse verdieping een tandartsenpraktijk was gevestigd en een appartement op de eerste verdieping (stuk 2 verweerder in hoger beroep).
De praktijk op de gelijkvloerse verdieping werd vernieuwd maar niet op constructieve wijze (A.D. 9). Hiervoor werd derhalve geen bouwvergunning aangevraagd. Voor 'de afbraak en het herbouwen van een appartement op de eerste verdieping boven een tandartsenpraktijk' werd op 11 september 2018 een bouwvergunning verleend (stuk 4 verweerder in hoger beroep). Conform de aangevraagde en toegekende bouwvergunning werd de 'volledige eerste verdieping afgebroken ‘met behoud van de gemeenschappelijke scheimuren' (stuk 4 verweerder in hoger beroep, p.4 en A.D. 9). De volledige afbraak van het bestaande appartement op de eerste verdieping blijkt uit de voorgelegde foto's (stuk 7 verweerder in hoger beroep, bijlage 4, foto's 1 en 2) en uit een vergelijking tussen de bestaande toestand (stuk 17 verweerder in hoger beroep, bijlage 2) en de nieuwe toestand (stuk 8 verweerder in hoger beroep). De vergunde bouwwerken hebben geleid tot een 'nieuw appartement' op de eerste verdieping en terugspringende dakverdieping (stuk 4 verweerder in hoger beroep, p. 4 en A.D. 9) boven de bestaande tandartsenpraktijk op de gelijkvloerse verdieping.
De totale oppervlakte van het onroerend goed na verbouwing bedraagt 315 m2. De oppervlakte van de gelijkvloerse verdieping bedraagt 147 m2, waarvan 110 m2 wordt ingenomen door de praktijkruimte. De oppervlakte van de eerste verdieping bedraagt 95 m2 en de oppervlakte van de nieuwe tweede verdieping bedraagt 73 m2.
Over het voorgaande bestaat tussen partijen geen betwisting.
Ter beoordeling of in deze sprake is van renovatie dan wel van nieuwbouw dient het volledige onroerend goed in aanmerking te worden genomen, met name met inachtneming van zowel de gerenoveerde gelijkvloerse verdieping waarin de praktijkruimte is ondergebracht ais de eerste en tweede verdieping waar het appartement is gelegen. Het betrokken onroerend goed werd ais zodanig aangekocht door verweerder in hoger beroep, is kadastraal aldus gekend en wordt ook door verweerder in hoger beroep bestempeld ais één onroerend goed (syntheseconclusie p. 23).
De administratie erkent dat de verbouwingswerken op relevante wijze steunen op de oude dragende muren en meer algemeen op de wezenlijke elementen van de structuur van het te renoveren gebouw. Aldus is voldaan aan de eerste voorwaarde. Het hof gaat hier dan ook niet nader op in.
De administratie betwist dat aan de tweede en derde voorwaarde is voldaan. De administratie stelt dat de oppervlakte van het nieuwe gedeelte van het onroerend goed beduidend omvangrijker is dan de behouden oorspronkelijke oppervlakte en tevens dat het nieuwe gedeelte onafhankelijk van het oude gedeelte kan functioneren. Zulks wordt door verweerder in hoger beroep betwist.
Ter beoordeling van het oppervlaktecriterium, moet worden nagegaan of de oppervlakte van het oude gedeelte dat overblijft na uitvoering van de werken groter is dan de helft van de oppervlakte van de woning of het woningcomplex na de uitvoering van de werken. Partijen betwisten niet dat de gelijkvloerse verdieping integraal en derhalve voor 147 m2 dient te worden beschouwd ais deel uitmakend van het oude gedeelte. De nieuwe tweede verdieping moet worden beschouwd ais deel uitmakend van het nieuwe gedeelte. Hierover zijn partijen het eens. De vraag rest of de oppervlakte van de eerste verdieping dient te worden gekwalificeerd ais deel uitmakend van het oorspronkelijke onroerend goed dan wel ais nieuw moet worden beschouwd.
In deze staat vast dat het bestaande appartement op de eerste verdieping van het onroerend goed volledig werd afgebroken. Zulks blijkt uit de aanvraag van de bouwvergunning waarin sprake is van een 'volledige' afbraak, uit de toegekende bouwvergunning, uit de voorgelegde foto's en uit de vergelijking van de plannen van de bestaande met deze van de nieuwe toestand (cfr. supra). De volledige inrichting, alle muren (behoudens de scheimuren) en dragende structuren en het dak van het appartement werden afgebroken. Aldus kan bezwaarlijk worden voorgehouden dat de oorspronkelijke eerste verdieping van het betroken pand werd behouden. Gelet op de volledige afbraak kan niet worden gesteld dat de eerste verdieping is overgebleven na de uitvoering van de werken. Het tegendeel kan geenszins worden afgeleid uit het enkele feit dat de vloerplaat van de eerste verdieping en de scheimuren werden behouden. In de beschrijvende nota bij de aanvraag van de bouwvergunning wordt bovendien aangekondigd dat een 'nieuw appartement' wordt voorzien 'op de eerste verdieping + terugspringende verdieping' (A.D. 9), zoals wordt overgenomen in de bouwvergunning (stuk 4 verweerder in hoger beroep, p. 4). De oppervlakte van de eerste verdieping dient derhalve te worden beschouwd als deel uitmakend van het nieuwe gedeelte.
Het enkele behoud van de vloerplaat impliceert, gelet op de volledige afbraak van de eerste verdieping, geen behoud van een oppervlakte. Dat de vloerplaat mee in aanmerking werd genomen door de administratie om te besluiten dat de verbouwing steunt op de bestaande draagstructuren (eerste voorwaarde) betekent geenszins dat de vloerplaat mee in aanmerking moet worden genomen ter bepaling van de oppervlakte van het oude gedeelte dat overblijft na uitvoering van de werken. Van willekeur is aldus geen sprake. Ten onrechte werd derhalve door de eerste rechter 12 m2 van de eerste verdieping in aanmerking genomen als deel uitmakend van het oude gedeelte.
Het hof dient dan ook vast te stellen dat de oppervlakte van het oude gedeelte dat overblijft na de uitvoering van de werken (147 m2) niet betekenisvol is ten aanzien van het nieuwe gedeelte na uitvoering van de werken (168 m2). Aan de tweede voorwaarde is aldus niet voldaan.
Het hof stelt bovendien vast dat ook aan de derde voorwaarde niet is voldaan, nu het nieuwe gedeelte, met name het nieuw opgerichte duplexappartement op de eerste en tweede verdieping onafhankelijk kan functioneren ten aanzien van het oude gedeelte.
De aard van de uitgevoerde werken moet objectief worden beoordeeld met inachtneming van het volledige pand en dus ook met inachtneming van de volledige gelijkvloerse verdieping. Ten onrechte beoordeelde de eerste rechter de derde voorwaarde enkel met inachtneming van het 'woongedeelte' en derhalve zonder rekening te houden met de praktijkruimte op de gelijkvloerse verdieping. Bovendien werd het volledige appartement nieuw opgericht, zodat bij de beoordeling van het al dan niet onafhankelijk functioneren van het nieuwe gedeelte de volledige nieuwe eerste en tweede verdieping dient te worden vergeleken met de oude gelijkvloerse verdieping.
Het hof stelt vast dat het duplexappartement alle noodzakelijke ruimtes bevat om ais zelfstandige woning/wooneenheid te kunnen functioneren namelijk een keuken, Ieefruimte, berging, bureau, toilet, badkamer met bad, douche en toilet en twee slaapkamers. Het appartement beschikt over een afzonderlijke, eigen inkomhal op het gelijkvloers en over een eigen lift die het mogelijk maakt om het nieuwe gedeelte te bereiken zonder door de praktijk te moeten gaan. Het nieuwe gedeelte vormt aldus een autonome eenheid en geenszins een aanvulling van het oorspronkelijke, oude gedeelte op de gelijkvloerse verdieping waarmee het geen geheel vormt (Cass. 25 juni 2021, F.20.0032.N, niet gepubliceerd maar waar naar wordt verwezen in de conclusie van advocaat-generaal J. Van der Fraenen bij het arrest d.d. 21 oktober 2022).
Het nieuwe gedeelte blijft een zelfstandige woongelegenheid, ook al is er een doorgang naar de praktijkruimte via één enkele gemeenschappelijke deur. Deze doorgang kan immers gemakkelijk opgeheven of afgesloten worden. Hetzelfde geldt voor het feit dat er maar één gasmeter, één watermeter, één septische put en één technische ruimte met aansluiting voor elektriciteit, telefonie en internet is. Dit sluit immers op zich geenszins uit dat het betrokken appartement geheel onafhankelijk van de praktijkruimte kan worden gebruikt. Zulks verhindert op zich ook niet de verhuur van het appartement aan een derde, voornemen dat door verweerder in hoger beroep werd geuit (A.D. 1).
Het hof merkt daarbij ten overvloede op dat aan het duplexappartement door de gemeente op 21 november 2019 een apart busnummer werd toegekend verschillend van de tandartsenpraktijk (stuk 5 verweerder in hoger beroep) wat de autonomie van het appartement ondersteunt. Dat de busnummering hangende deze betwisting op 3 februari 2022 op verzoek van verweerder in hoger beroep werd afgeschaft (stuk 14 verweerder in hoger beroep) doet geen afbreuk aan de mogelijkheid van het appartement om zowel op technisch ais op organisatorisch gebied onafhankelijk van de praktijkruimte te functioneren. Het appartement vult geenszins de praktijkruimte op de gelijkvloerse verdieping aan en vormt er geen geheel mee. Van enige opportuniteitsbeoordeling is aldus geen sprake.
De door verweerder in hoger beroep aangehaalde rechtspraak gaat uit van andere feitelijke omstandigheden en is derhalve niet relevant in deze.
Nu niet voldaan is aan de voorwaarden voor de toepassing van het verlaagd tarief geldt het normale tarief van 21%. Het hoger beroep is gegrond.
Het hoger beroep van eiser in hoger beroep is gegrond en het vonnis van de eerste rechter dient te worden hervormd.
Eiser in hoger beroep werd in eerste aanleg niet vertegenwoordigd door een raadsman, zodat de rechtsplegingsvergoeding in eerste aanleg wordt begroot en vereffend op 0 EUR. In hoger beroep wordt eiser in hoger beroep wel vertegenwoordigd, zodat de rechtsplegingsvergoeding kan worden begroot op 3.750 EUR. Eiser in hoger beroep verzocht tevens de bijzondere bijdrage begrotingsfonds in hoger beroep ten laste te leggen van verweerder in hoger beroep.
Het hof stelt vast dat onderhavige zaak is vrijgesteld van rolrecht in toepassing van artikel 2791, 1° io. 162, 4° W.Reg..
Beschikkend gedeelte
4. Beslissing.
Het hof beslist bij arrest op tegenspraak.
De rechtspleging verliep in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de taal in gerechtszaken.
Het hof verklaart het hoger beroep van eiser in hoger beroep ontvankelijk en gegrond en hervormt het bestreden vonnis. Het hof verklaart de oorspronkelijke vordering van verweerder in hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond.
Het hof veroordeelt verweerder in hoger beroep tot de kosten van het geding, in hoofde van eiser in hoger beroep begroot op en door het hof vereffend op 0 EUR rechtsplegingsvergoeding in eerste aanleg, 3.750 EUR rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep en 24 EUR bijzondere bijdrage begrotingsfonds in hoger beroep.
Het meer en anders gevorderde wordt afgewezen.
Dit arrest werd uitgesproken in de openbare zitting van 21 januari 2025 door
C. P. Raadsheer dd. voorzitter
E. D. Raadsheer
K. L. Raadsheer
E. C. Griffier
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.