Motorjacht, Recht op aftrek, recht op aftrek van Btw · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Hof van beroep Antwerpen 29 maart 2022

Zoeken

Motorjacht, Recht op aftrek, recht op aftrek van Btw

https://juriel.be/nl/rechtspraak/motorjacht-recht-aftrek-btw-beroepsmatig-hof-van-beroep-antwerpen-2022-03-29-54bb

Rechtscollege
Hof van beroep
Zetel
Antwerpen
Datum
29 maart 2022

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands
Strekking volgens de FOD
gunstig voor de Belgische Staat

Tekst

247 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van beroep te Antwerpen d.d. 29.03.2022

WF 707-15-18/061996

[Gunstig voor de Belgische Staat]

Belasting over de toegevoegde waarde – Motorjacht – Recht op aftrek

Wettelijke bepalingen

Art. 45 §1, WBTW

Samenvatting

1) Feiten en voorgaande procedure

De zaakvoerder van de belastingplichtige, kocht in eigen naam een motorjacht. Op 28 december 2015 werd het jacht verkocht aan Belfius Lease NV en diezelfde dag door de belastingplichtige in leasing genomen. Ook het maatschappelijk doel van de belastingplichtige werd die dag in functie van de exploitatie van het vaartuig uitgebreid. De zaakvoerder nam in eigen naam de verzekering van het jacht op zich. Het vaartuig werd evenwel niet verzekerd voor commerciële vaarten. Nadat het motorjacht in 2017 werd vernield door een brand werd de verzekeringsvergoeding aan de zaakvoerder van de belastingplichtige uitbetaald. De betwisting heeft betrekking op de kosten van de financieringsovereenkomst en de onderhoudskosten van het motorjacht. De administratie is van oordeel dat deze kosten niet aftrekbaar zijn. Aangezien er hierover geen minnelijk akkoord kon worden bereikt met de belastingplichtige werd er een proces-verbaal opgesteld. Het administratief beroep tegen dit proces-verbaal werd afgewezen door de administratie.

Hiertegen legde de belastingplichtige een verzoekschrift neer ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen. De rechtbank verklaarde de vordering van de belastingplichtige ontvankelijk, maar ongegrond. De kosten werden volgens de eerste rechter niet gebruikt of bestemd in de zin van artikel 45 WBTW. Tegen dit vonnis ging de belastingplichtige in hoger beroep.

2) Het arrest van het hof van beroep

Het hof is eveneens van mening dat de belastingplichtige het nodige bewijs voor het recht op aftrek niet levert. Zo volstaat de wijziging van het statutair doel niet als bewijs van intentie als deze wijziging niet wordt doorgegeven aan de btw-administratie.

Daarnaast weerlegde de administratie volgens het hof deze intentie met verschillende elementen. De website voor de verhuur van het jacht waarnaar de belastingplichtige verwees bleek pas te zijn gepubliceerd op het internet nadat het jacht werd vernield door een brand en na de aankondiging van de fiscale controle. Er kon ook geen businessplan of enig document met inschattingen van de te verwachten resultaten van de exploitatie van het vaartuig worden voorgelegd. Tevens was het vaartuig niet verzekerd voor commerciële vaarten.

Verder werden er voor de zogenaamde verhuren die niet konden doorgaan door technische mankementen geen creditnota’s uitgereikt en konden hiervoor geen andere stukken voorgelegd. Ook stroken deze annuleringen niet met de vlak daarvoor uitgevoerde herstellingen. Dat de uitbetaling van de verzekeringsvergoeding aan de zaakvoerder van de belastingplichtige louter een vergissing zou zijn geweest, hoewel het jacht eigendom was van Belfius Lease NV en gehuurd werd door de belastingplichtige, is volgens het hof niet geloofwaardig.

Het hof verklaart het hoger beroep van de belastingplichtige dan ook toelaatbaar, maar ongegrond

Opmerkingen

Het arrest is definitief en heeft kracht van gewijsde.

Tekst van het arrest

Tekst van de beslissing

Hof van beroep Antwerpen, kamer B6M burgerlijke zaken

Arrest van 29/03/2022

Rol: 2020/AR/1756

C. BV, ON 088...75, met maatschappelijke zetel te ...,

Eiseres in hoger beroep,

vertegenwoordigd door mr. S. N. loco mr. P. J., advocaat te ...

tegen het vonnis van de AFi4 kamer van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen van 05 oktober 2020, gekend onder rolnummers 19/2136/A en 19/2139/A

tegen

BELGISCHE STAAT- FOD FINANCIËN, ON 0308.357.159, in de persoon van de minister van Financiën, met kabinet te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, handelend ten verzoeke van de ADVISEUR-GENERAAL-DIRECTEUR VAN HET KMO CENTRUM ANTWERPEN, met diensten te

2000 ANTWERPEN, ltaliëlei 4 bus 2,

Verweerder in hoger beroep, voor wie verschenen zijn mevrouw X en de heer X, beiden fiscale ambtenaren


Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd waaronder het bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen van 5 oktober 2020, waarvan geen akte van betekening wordt voorgelegd, alsmede het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het hof van beroep te Antwerpen op 12 november 2020, waarbij een tijdig hoger beroep wordt ingesteld.

1. Voorafgaande feiten en procedure

1.1. Voorwerp van de betwisting.

De betwisting betreft aanslagen in de vennootschapsbelasting voor de aanslagjaren 2016, 2017 en 2018 en een navordering inzake BTW in toepassing van artikel 45 W.BTW voor de periode 2015-2017. De betwisting betreft de kosten in verband met een motorjacht ‘F. T. G.-C.’, eigendom van BV C..

BV C. werd opgericht bij notariële akte van 4 mei 2007 (stuk 3 administratief dossier).

Op de buitengewone algemene vergadering van 28 december 2015 werd beslist om het doel van de vennootschap aan te vullen als volgt:

"-het kopen en verkopen, huren en verhuren van alle land- en watervoertuigen, in binnen- en buitenland;

-personenvervoer over zee- en kustwateren;

-exploitatie van pleziervaartuigen, cruiseschepen en rondvaartboten;

-verhuur van pleziervaartuigen;

-verhuur en lease van sport- en recreatie-artikelen;

-vaaronderricht voor zeilers en bestuurders van pleziervaartuigen".

Bij onderhandse akte van 28 december 2015 verkocht L. S. het betrokken motorjacht aan NV B. L. in het kader van een leasecontract met BV C. van 29 december 2015 voor een bedrag van 700.000,00 EUR (stuk 5 administratief dossier). De verkoper verklaarde dat het vaartuig ingeschreven was in Nederland, dat de BTW destijds voldaan werd en dat hij optrad als particuliere verkoper en niet binnen een beroepsactiviteit.

1.2. Aanslag en bezwaar inzake vennootschapsbelasting.

BV C. diende voor de aanslagjaren 2016 en 2017 een aangifte in de vennootschapsbelasting in (stukken 6 en 7 administratief dossier) en er werd een aanvankelijke aanslag voor aanslagjaar 2017 gevestigd (stuk 8 administratief dossier).

Bij mail van 5 januari 2018 werd aan BV C. meegedeeld dat de vennootschap geselecteerd werd voor een BTW-controle voor de jaren 2015 en 2016. Er werd gevraagd om een aantal stukken te bezorgen (stuk 9 en 10 administratief dossier). Er werden bijkomende vragen gesteld in verband met de boot op 24 januari 2018 (stuk 11 en 12 administratief dossier) en hierop werd geantwoord (idem). Er werd bijkomende informatie opgevraagd (stukken 13 en volgende administratief dossier). Er werden facturen bezorgd in verband met de technische problemen en de waterlekkage via het dek (stuk 16 administratief dossier). Er werden nog bijkomende stukken opgevraagd en bezorgd (stuk 17 administratief dossier).

Er werd een aangifte ingediend voor aanslagjaar 2018 (stuk 20 administratief dossier).

Op 16 oktober 2018 verstuurde de administratie een bericht van wijziging voor de aanslagjaren 2016, 2017 en 2018 (stuk 21 administratief dossier). Er werd aangekondigd dat voor de betrokken aanslagjaren de volgende bedragen aan de verworpen uitgaven zouden worden toegevoegd:

Voor aanslagjaar 2016: 200.000,00 EUR

Voor aanslagjaar 2017: 235.513,08 EUR

Voor aanslagjaar 2018: 304.177,26 EUR

Het betrof de kosten met betrekking tot de financieringshuurovereenkomst van het vaartuig F. T. 62 G., evenals de onderhoudskosten met betrekking tot dit vaartuig. Volgens de administratie werden deze kosten in de resultatenrekening van BV C. opgenomen, hoewel de betrokken goederen en/of diensten volledig bestemd waren voor privédoeleinden of voor andere doeleinden dan die van de economische activiteit van de vennootschap. De administratie gaf een uitgebreid overzicht van de bekomen inlichtingen en gebeurtenissen en besloot dat de intentie om de boot voor de vooropgestelde beroepsdoeleinden te gebruiken niet werd aangetoond. De kosten van het vaartuig werden volgens de administratie aldus niet gedaan om belastbare inkomsten te verkrijgen of te behouden.

Er werd eveneens een belastingverhoging aangekondigd van 10% wegens het indienen van een onvolledige of onjuiste aangifte zonder het opzet de belasting te ontduiken, eerste overtreding.

Eiseres in hoger beroep verklaarde zich bij monde van zijn raadsman op gemotiveerde wijze niet akkoord met de voorgenomen wijziging (stuk 22 administratief dossier).

In een kennisgeving van beslissing tot taxatie van 27 november 2018 liet de administratie weten waarom ze bij haar standpunt bleef (stuk 23 administratief dossier).

De volgende aanslagen werden gevestigd zoals voorgenomen (stukken 24, 25 en 26 administratief dossier):

Aanslagjaar 2016, kohierartikel 884...02, gevestigd op 12 december 2018 voor een bedrag van 64.113,89 EUR;

- Aanslagjaar 2017, kohierartikel 884...02, gevestigd op 12 december 2018 voor een

bedrag van 88.568,63 EUR;

Aanslagjaar 2018, kohierartikel 884...09, gevestigd op 19 december 2018 voor een bedrag van 77.475,17 EUR.

De belastingplichtige diende bij monde van zijn raadsman op 4 maart 2019 een bezwaarschrift in voor de aanslagjaren 2016 en 2018 (stuk 27 administratief dossier) en op 1 april voor aanslagjaar 2017 (stuk 29 administratief dossier).

Het bezwaarschrift voor de aanslagjaren 2016 en 2018 werd afgewezen bij beslissing van de ambtenaar, gedelegeerd door de adviseur-generaal van 26 maart 2019 (stuk 30 administratief dossier) en voor aanslagjaar 2017 bij beslissing van 18 april 2019 (stuk 32 administratief dossier).

1.3. Administratieve procedure inzake BTW.

Bij aangetekende brief van 8 oktober 2018 werd aan BV C. een correctieopgave toegestuurd ingevolge een controle over de periode van 1 januari 2015 tot en met 31 december 2017 (stuk 35 administratief dossier). De controle betrof het nazicht van de toepassing van de BTW-wetgeving en -reglementering met betrekking tot de BTW, geheven van kosten waarvoor het recht op aftrek werd uitgeoefend.

Volgens de administratie werden gedurende de kalenderjaren 2016 en 2017 in de boekhouding van BV C. kosten opgenomen met betrekking tot de financieringsovereenkomst van een vaartuig F. T. 62 G., alsook onderhoudskosten met betrekking tot dit vaartuig, doch uit gedane vaststellingen, die in extenso werden weergegeven bleek volgens de administratie dat de intentie om de boot voor de vooropgestelde beroepsdoeleinden te gebruiken niet werd aangetoond, zodat er geen recht op aftrek kon worden genoten van de BTW, geheven van de kosten gemaakt voor het betreffende vaartuig. Aldus was volgens de administratie de aftrek te verwerpen de BTW en was een bedrag van 132.137,29 EUR aan BTW verschuldigd.

Er was volgens de administratie een verminderde proportionele fiscale geldboete verschuldigd voor een bedrag van 13.210,00 EUR.

De correctieopgave werd niet ondertekend en de administratie maakte op 9 november 2018 proces-verbaal op van regularisatie inzake BTW, bij brief van 12 november 2018 ter kennis gebracht aan BV C. (stuk 36 administratief dossier). Volgens dit proces-verbaal was de vennootschap een bedrag verschuldigd van 132.137,29 EUR als BTW en een verminderde geldboete van 13.210,00 EUR, meer de interesten aan 0,8% per maand te berekenen over 132.130,00 EUR vanaf 21 januari 2018.

Op 27 november 2018 werd een dwangbevel uitgevaardigd, op 28 november 2018 geviseerd en uitvoerbaar verklaard en bij gerechtsdeurwaardersexploot van 7 december 2018 betekend aan BV C. (stuk 37 administratief dossier).

BV C. tekende bij brief van 13 december 2018 administratief beroep aan tegen de inhoud van het proces-verbaal van 9 november 2018 (stuk 38 administratief dossier).

Dit bezwaar werd afgewezen bij beslissing van de adviseur van 20 maart 2019 (stuk 39 administratief dossier).

1.4. Procedure voor de eerste rechter.

BV C. legde op 10 mei 2019 een verzoekschrift neer ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen in verband met de vennootschapsbelastingen. De vennootschap vorderde om haar verzoek ontvankelijk en gegrond te verklaren, om de bestreden beslissingen te vernietigen en om, opnieuw wijzende de bezwaarschriften ontvankelijk en gegrond te verklaren. Ze vorderde bijgevolg om de betwiste aanslagen integraal te vernietigen, dan wel te ontheffen en om terugbetaling te bevelen van alle ten onrechte betaalde of ingehouden bedragen, te verhogen met de moratoriuminteresten overeenkomstig artikel 418 WIB92. De vennootschap vorderde om de kosten, waaronder begrepen de rechtsplegingsvergoeding van 6.000,00 EUR ten laste te leggen van de Belgische Staat.

Deze zaak kreeg rolnummer 19/2136/A.

BV C. legde op 10 mei 2019 eveneens een verzoekschrift neer ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen in verband met de BTW. De vennootschap vorderde om het dwangbevel nr. 500...79 van 27 november 2018 te vernietigen en te zeggen voor recht dat de bedragen, erin vermeld ten titel van BTW, geldboeten en interesten niet verschuldigd waren. De vennootschap vorderde om de terugbetaling te bevelen van alle reeds betaalde of ingehouden bedragen, meer interesten en om de Belgische Staat te veroordelen tot de kosten van het geding, daarin begrepen de rechtsplegingsvergoeding, begroot op 8.400,00 EUR.

Deze zaak was gekend onder rolnummer 19/2139/A.

De eerste rechter besliste vooreerst om beide zaken samen te voegen wegens klaarblijkelijke samenhang.

Inzake de vennootschapsbelasting oordeelde de eerste rechter dat niet voldaan was aan de voorwaarden voor aftrekbaarheid als beroepskosten van artikel 49 WIB92:

"Het jacht werd aangekocht door de heer S., hij werd op 28 december 2015 bedrijfsleider in eiseres, het jacht werd op die datum verkocht aan NV B. L. en de volgende dag door eiseres in leasing genomen.

Daarbij werd het maatschappelijk doel van eiseres uitgebreid.

De heer S. nam alvast in eigen naam de verzekering van het jacht op zich. Het werd niet verzekerd voor commerciële vaarten.

Hijzelf trok persoonlijk de verzekeringsvergoeding na vernieling van het jacht door brand. Enige administratie over gebruik en of verhuring van het jacht (in Spanje) is niet voorhanden. Enkel een website ter commercialisatie zou bestaan.

Louter een 'outprint' wordt in dit verband door eiseres voorgelegd (haar stuk 4).

Verweerder trof bij een zoekactie op Internet geen 'hit' dan per 13 februari 2018, bovendien eerst na de brand die het jacht vernielde, wat wel merkwaardig overkomt.

Economische benutting van het jacht door eiseres is dan ook ver zoek.

Art.49 WIB92 vereist nastreving dan wel behoud van belastbare inkomsten, wat niet wordt bewezen, gelet op al deze vaststellingen.

Het gaat hier bijaldien enkel om een onhandige poging tot wringen van de feiten onder gezegd art.49 WIB92.

De toegepaste belastingverhoging van 10% is volop evenredig met de feiten die geenszins losstaan van de wil van eiseres, wel in tegendeel.

Daarmee is overigens de goede trouw van eiseres niet omver geworpen. Het ene is immers niet inconsistent met het andere".

Inzake BTW oordeelde de eerste rechter dat, gelijklopend met wat inzake vennootschapsbelasting werd uiteengezet, bleek dat de aan het jacht gedane kosten niet in de zin van artikel 45, §1 W.BTW waren gebruikt of zelfs bestemd. Ook de boete van 10% werd wettelijk bevonden, evenredig met de feiten en geenszins losstaand van de wil van de vennootschap.

Inzake de voorgehouden dubbele belasting (vennootschapsbelasting, BTW en personenbelasting) oordeelde de eerste rechter dat het feit dat de belastingdruk in het geheel opliep, geen dubbele belasting vormde in de wettelijke zin. Elke belasting had volgens de eerste rechter haar eigen bedding en haar eigen wetsbasis.

De vorderingen van BV C. werden, na samenvoeging afgewezen als toelaatbaar doch ongegrond en de vennootschap werd veroordeeld tot de kosten van het geding, niet vereffend bij gebrek aan begroting in conclusie.

1.5. Procedure voor het hof van beroep.

BV C., thans eiseres in hoger beroep vordert om haar hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren en om het bestreden vonnis aldus teniet te doen/te hervormen. De vennootschap vordert om haar oorspronkelijke vorderingen toelaatbaar en gegrond te verklaren en bijgevolge de betwiste aanslagen en het betwiste dwangbevel integraal te vernietigen, dan wel te ontheffen en de terugbetaling te bevelen van alle betaalde en/of ingehouden bedragen, meer de moratoriuminteresten overeenkomstig artikel 418 WIB92. De vennootschap vordert tenslotte om de Belgische Staat te veroordelen tot de kosten van het geding, begroot op een rechtsplegingsvergoeding van 9.100,00 EUR per aanleg en de wettelijke bijdrage aan het begrotingsfonds juridische tweedelijnsbijstand van 20,00 EUR per aanleg.

Ter zitting van 1 maart 2022 wordt door BV C. gevraagd om de rechtsplegingsvergoeding te begroten op 8.400,00 EUR in eerste aanleg en 9.100,00 in hoger beroep en de bijdrage aan het begrotingsfonds juridische tweedelijnsbijstand op 40,00 EUR in eerste aanleg en 20,00 EUR in hoger beroep.

De Belgische Staat, verweerder in hoger beroep, vordert om het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond te verklaren en om aldus niet over te gaan tot de vernietiging van de kohierartikelen 884...02, 884...02 en 884...09 en van het dwangbevel 500...19 van 27 november 2018. De Belgische Staat vordert om eiseres in hoger beroep te veroordelen tot de kosten van het geding en om, in de niet te weerhouden veronderstelling dat het hoger beroep gegrond zou verklaard worden vordert de Belgische Staat om de rechtsplegingsvergoeding te bepalen op 8.400,00 EUR in eerste aanleg en 9.100,00 EUR in hoger beroep.

2. Bespreking

2.1. Beroepsmatig karakter van de gemaakte kosten.

2.1.1. Argumenten van de partijen

Volgens de vennootschap heeft ze terecht de kosten in verband met het motorjacht 'F. T. 62 G.' in aftrek gebracht in toepassing van artikel 49 WIB92 en paste ze terecht de BTW-aftrek toe in toepassing van artikel 45, §1 W.BTW. De betrokken kosten hebben immers een beroepskarakter. De vennootschap verwijst naar haar statutair doel en naar de intentie om het motorjacht beroepsmatig te charteren, dan wel te gebruiken voor het organiseren van incentives voor leveranciers en klanten. Er wordt verwezen naar de promotie van de verhuur op de website. Er wordt ook verwezen naar de boekingen door mevrouw V. en de heer V. en naar het feit dat deze vaarten niet zijn kunnen doorgaan ingevolge technische defecten aan het jacht. De uitbetaling van de vergoeding door de verzekeringsmaatschappij aan de heer S. gebeurde volgens de vennootschap per vergissing.

De Belgische Staat van haar kant argumenteert dat niet aangetoond werd dat BV C. de intentie had om het jacht aan te wenden voor het professioneel verhuren ervan of voor het organiseren van incentives voor klanten en leveranciers. Volgens de administratie blijkt uit een geheel van gegevens dat nooit de bedoeling bestond om met het jacht belastbare inkomsten te verkrijgen of te behouden of om het in te zetten voor de economische activiteit van de vennootschap. Er was volgens de administratie dan ook niet voldaan aan de vereisten van artikel 49 WIB92 en artikel 45, §1 WBTW.

2.1.2. Beroepsmatig gebruik: algemeen.

Overeenkomstig artikel 45, §1 W.BTW mag elke belastingplichtige op de belasting die hij verschuldigd is, de belasting in aftrek brengen van de aan hem geleverde goederen en verleende diensten, in de mate dat hij die goederen en diensten gebruikt voor het verrichten van onder meer belaste handelingen.

Overeenkomstig artikel 1, §2 van KB nr.3 van 10 december 1969 komen belastingen, geheven van de goederen en diensten die een belastingplichtige bestemd voor privédoeleinden of voor andere doeleinden dan die van zijn economische activiteit niet voor aftrek in aanmerking.

De bewijslast dat is voldaan aan de vereisten van artikel 45, §1 WBTW en artikel 1 KB nr.3 berust bij de belastingplichtige, die dit bewijs kan leveren door alle middelen van recht, de eed uitgezonderd. Beweringen terzake volstaan niet.

Het recht op aftrek kan worden toegekend aan een persoon die voorbereidende handelingen stelt voor een nieuwe activiteit, zelfs zonder de aanvang van de daadwerkelijke exploitatie van de onderneming te moeten afwachten, voor zover op basis van objectieve gegevens vaststaat dat bij die belastingplichtige de vaste intentie bestond om die economische activiteit uit te oefenen en er geen sprake is van fraude of misbruik (HvJ, 8 juni 2000, C-400/98 inzake Finanzamt Goslar t/8.Breitsohl).

Artikel 49 WIB92 bepaalt:

"Aftrekbare bedrijfsuitgaven of -lasten zijn die welke de belastingplichtige tijdens het belastbare tijdperk heeft gedaan of gedragen om de belastbare inkomsten te verkrijgen of te behouden en waarvan hij de echtheid en het bedrag verantwoordt door middel van bewijsstukken of, ingeval zulks niet mogelijk is, door alle andere door het gemeen recht toegelaten bewijsmiddelen, met uitzondering van de eed.

De uitgaven of lasten waarvan het bedrag niet overeenkomstig het vorige lid is verantwoord, mogen in gemeenschappelijk overleg door de administratie en de belastingplichtige op een vast bedrag worden bepaald. Indien geen akkoord wordt bereikt, taxeert de administratie die uitgaven of lasten op een redelijk bedrag.

Als gedaan of gedragen tijdens het belastbaar tijdperk worden de uitgaven of lasten beschouwd die tijdens dat tijdperk werkelijk werden betaald of gedragen, of het karakter van zekere en vaststaande schulden of verliezen hebben verworven en als zodanig werden geboekt."

Het hof oordeelt dat het feit dat de kosten werden gemaakt door een handelsvennootschap, niet automatisch de aftrekbaarheid ervan impliceert, ondanks het feit dat dergelijke vennootschappen uitsluitend met een winstgevend doel zijn opgericht. Vennootschappen dienen, zoals andere belastingplichtigen aan te tonen dat aan de voorwaarden van artikel 49 WIB92 is voldaan (Cass., 18 januari 2001, F.J.F., nr.2001/220; Cass., 19 juni 2003, T.F.R., 2004, nr.257, p.256; Cass., 12 juni 2009, F.07.0083.N/19; Cass., 10 december 2010, F.09.0129.N/3, zie website van het Hof van Cassatie; Grondwettelijk Hof, 26 november 2009, nr.191/2009, www.const-court.be).

Uit de rechtspraak van het Hof van Cassatie blijkt dat de beroepsvereiste van artikel 49 WIB92 niet in die zin mag worden begrepen dat vereist zou zijn dat er een noodzakelijk verband moet bestaan tussen de activiteit van de vennootschap en de gemaakte of gedragen kosten.

Niet enkel het maatschappelijk doel van de vennootschap, zoals dit uit de statuten blijkt is daarbij irrelevant (zie onder meer Cass., 12 juni 2015 (onder meer F.14.0080.N}; Cass., 21 juni 2019, F.15.0067.N), doch ook de werkelijke activiteit van de vennootschap blijkt daarbij volgens het Hof van Cassatie geen rol te spelen:

"De omstandigheden dat tussen een verrichting van een vennootschap en haar maatschappelijke activiteit of statutair doel geen verband bestaat (...) sluiten als dusdanig niet uit dat de kosten die met zulke verrichting verband houden als aftrekbare beroepskosten kunnen worden aangemerkt" (Cass., 12 juni 2015, F.14.0080.N; Cass., 21 juni 2019,

F.15.0126.N; Cass., 21 juni 2019, F.15.0067.N; Cass., 31 oktober 2019, F.16.0024.N; Cass., 12

maart 2021, F.19.0156.N}.

Ook het Grondwettelijk Hof bevestigde in een recent arrest dat zich op dit punt een belangrijke ommekeer in de rechtspraak van het Hof van Cassatie heeft voorgedaan (Grondwettelijk Hof, nr. 139/2021 van 14 oktober 2021).

De beroepsvereiste van artikel 49 WIB92 kan derhalve enkel worden begrepen in die zin dat vereist is dat de kosten werden gedaan of gedragen om belastbare inkomsten te verkrijgen of te behouden (finaliteitsvereiste).

De belastingplichtige kan gevolgd worden waar ze stelt dat voor de aftrekbaarheid van kosten als beroepskosten in toepassing van artikel 49 W1B92 niet vereist is dat de operatie, waaraan de kost is verbonden werkelijk winstgevend is geweest (cfr. Cass., 27 januari 1959, Arr. Verbr., 1959, 420). Er mag dienaangaande ook geen opportuniteitsbeoordeling worden doorgevoerd door de fiscale administratie. Het feit dat BV C. met het motorjacht nooit winsten heeft gegenereerd sluit derhalve op zich niet uit dat de betrokken kosten beroepsmatig waren.

Minstens moet ook inzake de inkomstenbelastingen wel worden bewezen dat de intentie voorhanden was om met het motorjacht belastbare inkomsten te verkrijgen of te behouden.

2.1.3. Het bewijs concreet.

Het hof oordeelt dat eiseres in hoger beroep op dit punt in gebreke blijft.

Het gegeven dat het statutair doel van de vennootschap op 28 december 2015 werd aangevuld volstaat niet als bewijs van de intentie om het betrokken motorjacht beroepsmatig in te zetten, vooral nu blijkt dat aan de BTW-administratie geen wijziging van de economische activiteit in die zin werd doorgegeven.

Ook de printscreen van een website, neergelegd als stuk 4 toont in deze niets aan. Niet alleen werden geen details verstrekt in verband met de mogelijke verhuur (huurprijs, beschikbare periodes, ligplaats, vereisten...), maar het is zelfs onduidelijk wanneer de betrokken website zou zijn aangemaakt. Uit onderzoek door de administratie bleek dat de website pas werd gepubliceerd op 13 februari 2018 (stuk 43 administratief dossier), daar waar het motorjacht door brand zou zijn vernield in het voorjaar van 2017 (stopzetting polis op 9 april 2017, stuk 19 administratief dossier).

Op basis van deze stukken toont eiseres in hoger beroep aldus niet aan dat voldaan is aan de voorwaarden van artikel 49 WIB92 voor de aftrek als beroepskosten en aan die van artikel 45, §1 W.BTW voor de aftrek van de voorbelasting.

Dat het jacht bestemd zou geweest zijn om te worden gecharterd of om het in te zetten voor het organiseren van incentives voor leveranciers en klanten betreft aldus een loutere bewering, die niet wordt ondersteund door objectieve gegevens. Integendeel haalt de administratie (hoewel ze daartoe niet gehouden is) elementen aan die deze intentie tegenspreken:

De zoektocht door de administratie op het internet naar het te huur stellen van het kwestieuze motorjacht leverde geen enkele hit op, behoudens een publicatie na vernieling van het motorjacht door brand en na het opstarten van de fiscale controle (stuk 43 administratief dossier).

Er is in verband met de vermeende voorgenomen activiteiten geen businessplan voorhanden, noch enig document waaruit prognoses, kosten-batenanalyses of inschattingen van het te verwachten resultaat van de exploitatie van het vaartuig moeten blijken.

Bij de BTW-administratie werd geen aangifte gedaan van de voorgenomen wijziging van de economische activiteit van BV C. .

Er werden weliswaar twee facturen uitgereikt in oktober 2016 betreffende de zogenaamde verhuur van het vaartuig aan mevrouw V. en de heer V., doch de huurder betreft in het eerste geval de echtgenote van de boekhouder van BV C. en in het andere geval ene heer V. die niet kon worden geïdentificeerd. Ondanks het feit dat de huur niet doorging werd geen creditnota opgemaakt, noch konden stukken worden voorgelegd in verband met de reservering/annulering van de zogenaamde verhuur. Het valt ook op dat beweerd werd dat de verhuur van de boot niet kon doorgaan omwille van technische mankementen, terwijl de laatste herstelnota dateert van 10 oktober 2016, daar waar de facturen zouden zijn opgemaakt op 24 en 30 oktober 2016, hetzij na de herstelling.

Uit geen enkel gegeven blijkt dat het vaartuig verzekerd was voor commerciële vaarten. Het vaartuig was enkel verzekerd door L. S. in persoonlijke naam.

Na het uitbranden van het vaartuig werden de vergoedingen van 380.000,00 EUR en 11.260,00 EUR door de verzekeringsmaatschappij Delta Lloyd gestort aan L. S. zelf, hoewel het voertuig eigendom was van B. l. en gehuurd werd door BV C. . Dat dit het gevolg zou zijn van een vergissing is niet geloofwaardig.

Ten overvloede dient te worden opgemerkt dat de stukken in verband met de reparatie/onderhoud van het jacht (stuk 5 eiseres in hoger beroep) dateren uit de periode tussen december 2015 en oktober 2016, waarbij enkel de stukken met betrekking tot de periode van december tot en met mei 2016 facturen aan C. betreffen en de overige stukken herstelnota's, gericht aan een bestemmeling in Spanje met een ander klantnummer of zelfs zonder vermelding van het betrokken schip (herstelnota oktober 2016). Het is derhalve zelfs onduidelijk of de toestand van het motorjacht tot gevolg had dat het jacht niet kon worden gebruikt in de betrokken periode, laat staan dat het niet kon worden ingezet voor verhuring of voor het organiseren van incentives.

Gelet op het voorgaande was de administratie terecht van mening dat de belastingplichtige (op wie de bewijslast rust) niet aantoonde dat de intentie bestond om het vaartuig aan te wenden voor haar economische activiteit (artikel 45, §1 W.BTW) of om hiermee voor de vennootschap belastbare inkomsten te verkrijgen of te behouden (artikel 49 WIB92).

2.2. Non bis in idem.

Er is volgens de vennootschap sprake van dubbele belasting, gelet op de toepassing van zowel de vennootschapsbelasting, de personenbelasting als de BTW.

Volgens de administratie betreft het taxaties in diverse belastingen, die allen het gevolg zijn van het feit dat het motorjacht niet bestemd was voor beroepsmatig gebruik en dat bij de verkoop ervan door de heer S. een aanzienlijke meerwaarde werd gerealiseerd. Er is geen sprake van een dubbele belasting.

Het hof volgt ook hier het standpunt van de fiscale administratie. Dat de aftrek van de voorbelasting inzake BTW werd verworpen is het gevolg van een schending van artikel 45, §1 WBTW en van artikel 1 KB nr.3 en betreft een verschillende inbreuk dan diegene die het gevolg is van de ten onrechte in aftrek brengen in de vennootschapsbelasting van de kosten als beroepskosten in de zin van artikel 49 WIB92 en van de (in het kader van onderhavig dossier niet aan de orde zijnde) vermeende belastbaarheid van de gerealiseerde meerwaarde in de personenbelasting in toepassing van artikel 90, 1° WIB92. Het betreft verschillende belastingen op basis van verschillende grondslagen, gevestigd in hoofde van verschillende personen, waarbij geen van deze belastingen de andere uitsluit. Dat de belastingplichtige onder druk werd gezet om tot een minnelijke regeling te komen blijkt uit geen enkel gegeven. Er is aldus geen sprake van een schending van het beginsel non bis in idem of van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

Het feit dat de fiscale lasten aldus hoog op lopen doet aan het voorgaande geen afbreuk.

2.3. Belastingverhoging.

De vennootschap verzoekt de kwijtschelding van de belastingverhoging van 10% en de BTW­ boete, gelet op haar goede trouw. De administratie wijst erop dat de betrokken sancties wettelijk zijn en bovendien gepast en proportioneel, zodat er geen reden is om tot verdere vermindering ervan over te gaan.

Er bestaat geen betwisting over het principe dat fiscale administratieve sancties onder bepaalde voorwaarden kunnen beschouwd worden als straffen in de zin van artikel 6 EVRM (EHRM, 24 februari 1994, B. t/Frankrijk en EHRM, 21 februari 1984, Ö./Duitsland).

Er kan geen betwisting bestaan over het feit dat de administratieve sancties, die in onderhavig geval werden opgelegd in principe strafsancties betreffen in de zin van artikel 6 EVRM. Het is de mogelijke sanctie die kan worden opgelegd, die determinerend is om te bepalen of het om een strafsanctie gaat, niet de effectief opgelegde sanctie. Dat deze boete/verhoging intussen werd gereduceerd doet aan het strafrechtelijk karakter ervan derhalve geen afbreuk (cfr. EHRM, 30 april 2015, 3453, K. e.a. t/Griekenland).

Dit heeft tot gevolg dat de waarborgen, gekoppeld aan artikel 6 EVRM gelden, zoals het recht op de toegang tot een rechterlijke instantie die met volle rechtsmacht kan oordelen (EHRM, 4 maart 2004, S. H. S., TFR, 2004, nr.264, p.636, met noot B. Coopman, 'Rechterlijke toetsing van fiscale boetes: cassatie teruggefloten door Straatsburg'; zie ook Grondwettelijk Hof, 24 februari 1999, nr.22/1999; Grondwettelijk Hof, 12 juni 2002, 96/2002).

De rechter aan wie gevraagd wordt een administratieve sanctie te toetsen die een repressief karakter heeft in de zin van artikel 6 EVRM, moet de wettigheid van die sanctie onderzoeken en mag in het bijzonder nagaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen (zie o.a. Cass., 21 januari 2005, C.02.0572.N; Cass., 16 februari 2007,

F.05.0015.N; Cass., 16 februari 2007, C.04.0390.N; Cass., 16 februari 2007, F.06.0032.N;

Cass., 21 september 2018, F.17.0086.N).

Dit toetsingsrecht moet in het bijzonder aan de rechter toelaten na te gaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk, zodat de rechter mag onderzoeken of het bestuur naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van een administratieve geldboete van zodanige omvang.

De rechter mag hierbij in het bijzonder acht slaan op de zwaarte van de inbreuk, de hoogte van reeds opgelegde sancties, de wijze waarop in gelijkaardige zaken werd geoordeeld en de weerslag van de sanctie voor de betrokkene, maar moet hierbij in acht nemen in welke mate het bestuur zelf gebonden was in verband met de sanctie.

Dit toetsingsrecht houdt niet in dat de rechter op grond van een subjectieve appreciatie van wat hij redelijk acht, om loutere redenen van opportuniteit en tegen wettelijke regels in, boetes kan kwijtschelden of verminderen.

De evenredigheid van de boete kan derhalve getoetst worden. Het hof stelt evenwel vast dat de vennootschap in onderhavig geval niet aantoont dat de opgelegde sancties onevenredig zouden zijn ten aanzien van de gepleegde inbreuken. De goede trouw van de vennootschap belet verder niet dat de betrokken sanctie kan worden opgelegd. In geval van goede trouw kan de administratie de boete kwijtschelden, doch ze is daartoe niet verplicht. Er is dan ook geen reden om deze boete verder te verminderen of kwijt te schelden.

2.4. Rechtspleqinqsverqoedinq.

De Belgische Staat is in deze te beschouwen als de in het gelijk gestelde partij, zodat BV C. tot de kosten van het geding moet worden veroordeeld. De Belgische Staat liet zich niet bijstaan of vertegenwoordigen door een advocaat, zodat ze terecht geen aanspraak maakt op een rechtsplegingsvergoeding.

Het hof stelt vast dat onderhavige zaak vrij is van rolrecht in hoger beroep overeenkomstig artikel 279 1, 1°, juncto 162, 4° W.Reg..

Beschikkend gedeelte

3. Beslissing

Het hof beslist bij arrest op tegenspraak.

De rechtspleging verliep in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de taal in gerechtszaken.

Het hof verklaart het hoger beroep van BV C. toelaatbaar doch ongegrond. Het hof bevestigt het bestreden vonnis in al zijn beschikkingen.

Het hof verwijst BV C. in de gedingkosten in hoger beroep, vereffend aan de zijde van de Belgische Staat op 0,00 EUR.

Op het ogenblik van de uitspraak van huidig arrest, waarover plaatsvervangend raadsheer B. P. mede beraadslaagd heeft, en die thans, wettelijk verhinderd zijnde, in de onmogelijkheid verkeert om dit arrest mede te ondertekenen, handelend volgens art. 785 van het Ger. W., tekenen de overige raadsheren, die mede hebben beraadslaagd, en de griffier, en aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het hof van beroep te Antwerpen van 29 maart 2022 door …

Door de FOD bijgevoegde beslissing

Vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg

Rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen, sectie burgerlijke rechtbank, Kamer AFi4

Vonnis van 05/10/2020

Rol: 19/2136/A - 19/2139/A

Inzake: 19/2136/A

C. BVBA

met maatschappelijke zetel te ..., KBO: 088...75,

eisende partij

- vertegenwoordigd ter zitting door Mr. P. J., advocaat, kantoorhoudende te ...,

TEGEN:

BELGISCHE STAAT

in de persoon van de Minister van Financiën, Wetstraat 12, 1000 Brussel,

handelend ten verzoeke van de Adviseur-generaal, Directeur van het KMO Centrum Antwerpen, met kantoor te 2000 ANTWERPEN, ltaliëlei 4 bus 2, KBO 0308.357.159,

verwerende partij

- vertegenwoordigd door de heer X en mevrouw X, in hoedanigheid van rijksambtenaar voor de Federale Overheidsdienst Financiën,

En inzake:19/2139/A

C. BVBA

met maatschappelijke zetel te ..., KBO: 088...75,

eisende partij

- vertegenwoordigd ter zitting door Mr. P. J., advocaat, kantoorhoudende te ...,

TEGEN:

BELGISCHE STAAT

in de persoon van de Minister van Financiën, Wetstraat 12, 1000 Brussel,

handelend ten verzoeke van de Adviseur-generaal, Directeur van het KMO Centrum Antwerpen, met kantoor te 2000 ANTWERPEN, ltaliëlei 4 bus 2, KBO 0308.357.159,

verwerende partij

- vertegenwoordigd door de heer X en mevrouw X, in hoedanigheid van rijksambtenaar voor de Federale Overheidsdienst Financiën.

Gelet op de stukken in het dossier van de rechtspleging waaronder:

* inzake AR 19/2136/A:

Het verzoekschrift neergelegd ter griffie op 10 mei 2019;

- de synthesebesluiten namens eisende partij, neergelegd op 30 maart 2020;

- de synthesebesluiten namens verwerende partij, neergelegd op 27 mei 2020;

- de stukken van partijen;

* inzake AR 19/2139/A:

Het verzoekschrift neergelegd ter griffie op 10 mei 2019;

- de synthesebesluiten namens eisende partij, neergelegd op 30 maart 2020; de synthesebesluiten namens verwerende partij, neergelegd op 20 mei 2020;

- de stukken van partijen.

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken.

Gehoord de partijen in hun middelen en besluiten, ontwikkeld in de Nederlandse taal ter terechtzitting van 7 september 2020.

Het geschil behelst vennootschapsbelasting (A.R.19/2136/A) en BTW (A.R.19/2139/A). Inzake vennootschapsbelasting gaat het om aanslagjaren 2016, 2017 en 2018.

Inzake BTW gaat het over kalenderjaren 2015 en 2016, toegevoegd ook kalenderjaar 2018. Gelet op wat volgt, past het de zaken samen te voegen wegens klaarblijkelijke samenhang.

I. Vennootschapsbelasting.

Voor aanslagjaar 2016 volgde op de aangifte geen aanslag.

Voor aanslagjaar 2017 geschiedde geen teruggave, om reden der geringheid van het bedrag (art.304 §1 WIB92).

[Een controle inzake BTW geschiedde in de loop van 2018.]

Inzake aanslagjaren 2016, 2017 en 2018 verzond de belastingdienst, in oktober 2018, een Bericht tot Wijziging van Aangifte.

Daarin wordt het voornemen kenbaar gemaakt de kosten met betrekking tot het motorjacht ‘F. T. 62 G.-C.’ te verwerpen als niet beroepsmatig, meer belastingverhoging met 10%.

Via beslissing tot taxatie kwam het tot aanslagen (kohierartikel 884...02 aanslagjaar 2016, artikel 884...02 aanslagjaar 2017, artikel 884...09 aanslagjaar 2018).

Bezwaarschriften werden ingediend voor aanslagjaren 2016, 2017 en 2018. Het inzagerecht en het hoorrecht werden telkens uitgeoefend.

De bezwaarschriften werden ten gronde afgewezen op 3 (aanslagjaren 2016 en 2018), respectievelijk 18 (aanslagjaar 2017) april 2019.

Een raadsman legde 10 mei 2019 verzoekschrift op tegenspraak neer ter griffie (A.R.19/2136/A).

Toelaatbaarheid van de rechtsvordering staat niet in betwisting, zulks ook niet desnoods ambtshalve aan te voeren.

Ten gronde

1. Eiseres streeft erkenning van de uitgaven met betrekking tot hoger vermeld jacht na, met bijhorende ontheffingen.

Verweerder streeft behoud der bestreden aanslagen na.

2. Krachtens art.49 WIB92 draagt eiseres de bewijslast van de beroepsaard der uitgaven en kosten.

Het jacht werd aangekocht door de heer S., hij werd op 28 december 2015 bedrijfsleider in eiseres, het jacht werd op die datum verkocht aan NV B. L. en de volgende dag door eiseres in leasing genomen.

Daarbij werd het maatschappelijk doel van eiseres uitgebreid.

De heer S. nam alvast in eigen naam de verzekering van het jacht op zich. Het werd niet verzekerd voor commerciële vaarten.

Hijzelf trok persoonlijk de verzekeringsvergoeding na vernieling van het jacht door brand. Enige administratie over gebruik en of verhuring van het jacht (in Spanje) is niet voorhanden. Enkel een website ter commercialisatie zou bestaan.

Louter een 'outprint' wordt in dit verband door eiseres voorgelegd (haar stuk 4).

Verweerder trof bij een zoekactie op Internet geen 'hit' dan per 13 februari 2018, bovendien eerst na de brand die het jacht vernielde, wat wel merkwaardig overkomt.

Economische benutting van het jacht door eiseres is dan ook ver zoek.

Art.49 WIB92 vereist nastreving dan wel behoud van belastbare inkomsten, wat niet wordt bewezen, gelet op al deze vaststellingen.

Het gaat hier bijaldien enkel om een onhandige poging tot wringen van de feiten onder gezegd art.49 WIB92.

De toegepaste belastingverhoging van 10% is volop evenredig met de feiten die geenszins losstaan van de wil van eiseres, wel in tegendeel.

Daarmee is overigens de goede trouw van eiseres niet omver geworpen. Het ene is immers niet inconsistent met het andere.

ll. BTW

Naar eiseres werd op 18 oktober 2018 een correctieopgave verzonden.

Ze houdt verwerping van voorbelasting in, onder toepassing van art.45 §1 Wetboek BTW na controle omtrent het gebruik van het jacht.

Gelijklopend met wat hogerop werd uiteengezet, blijkt dat de aan het jacht gedane kosten niet in de zin van art.45 §1 waren gebruikt of zelfs bestemd.

Op het niet ingaan op de correctieopgave volgden proces-verbaal en dan terecht dwangschrift.

De toegepaste boete van 10% is wettelijk, gemoduleerd tot 10% krachtens KB 41 inzake BTW.

Deze gemoduleerde boete is volop evenredig met de feiten, die zoals reeds uiteengezet geenszins los staan van de wil van eiseres.

Ook hier is daarmee de goede trouw niet omver geworpen en zijn beide niet inconsistent.

III. Voorgehouden dubbele belasting

Eiseres toont zich verontwaardigd over het gegeven dat er dubbele belasting zou zijn geheven, zeker in dan nog samenlezing met de personenbelasting.

Dat de belastingdruk in het geheel oploopt vormt echter, in de wettelijke zin, geen dubbele belasting.

Elke belasting heeft met name haar eigen bedding en haar eigen wetsbasis.

IV. Tegenstrijdige taxaties

De aanslagen in de personenbelasting in hoofde der echtelieden S.-A. werden (voor wat betreft de betrokken aanslagjaren 2018 en 2018) ontheven op bezwaar, zodat deze grief vervalt.

Eiseres draagt krachtens art.1017 Gerechtelijk Wetboek de kosten.

OM DEZE REDENEN

DE RECHTBANK

Rechtdoende op tegenspraak.

Alle andere en strijdige conclusies verwerpend.

Voegt de zaken onder A.R.19/2136/A en A.R.19/2139/A samen en beoordeelt ze in een en hetzelfde vonnis,

Verklaart alle vorderingen toelaatbaar, maar ongegrond, Veroordeelt eiseres tot de kosten,

Vereffent de kosten in hoofde van verweerder niet, bij gebrek aan opgave en begroting van eigen kosten in conclusie.

Dit vonnis werd uitgesproken op vijf oktober tweeduizend twintig in openbare zitting van de Kamer AFi4, …

Aangehaalde teksten

3

Vergelijkbare beslissingen

8