Fiche van de FOD Financiën
Arrest van het Hof van Cassatie dd. 18.12.2014 (F.13.0068.F)
Levering in België - Buitenlandse leverancier - Belgische medecontractant - Btw - Hoofdelijkheid
Wettelijke bepalingen
Artt. 51, §1, 1° en 51bis, § 1, 3°, W.BTW en K.B. nr. 1
Samenvatting
Uit artikelen 1, §1, 2, tweede lid, 50 tot 55, in het bijzonder artikelen 51, §1, 1° en 51bis, §1, 3° alsook uit de koninklijke besluiten nr. 1 en 24 van 29 december 1992 volgt dat, om geheel of gedeeltelijk te ontkomen aan de hoofdelijkheid, de Belgische medecontractant van een buitenlandse leverancier die aan de Belgische Staat belasting op een levering in België verschuldigd is, melding moet kunnen maken van de betaling aan deze leverancier van de gehele of gedeeltelijke prijs en de bijhorende Belgische belasting.
Tekst van het arrest
Tekst van de beslissing
Arrest van het Hof van Cassatie
dd. 18.12.2014
(F.13.0068.F)
BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, Mr. F.K., advocaat bij het Hof van Cassatie,
tegen
P.S.
I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Luik van 2 oktober 2012.
Op 25 november 2014 heeft advocaat-generaal André Henkes een conclusie neergelegd ter griffie.
Raadsheer Martine Regout heeft verslag uitgebracht en advocaat-generaal André Henkes heeft geconcludeerd.
II. CASSATIEMIDDEL
In het cassatieverzoekschrift, dat aan dit arrest is gehecht, voert de eiser een middel aan.
III. BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling
Middel
Luidens artikel 1, § 1, Btw-wetboek wordt onder de naam belasting over de toe-gevoegde waarde een omzetbelasting ingevoerd, die geheven wordt onder de voorwaarden en met inachtneming van de regelen bepaald in dat wetboek.
Krachtens artikel 2, tweede lid (lees: eerste lid) van datzelfde wetboek zijn de le-veringen van goederen en de diensten die door een als zodanig handelende belas-tingplichtige onder bezwarende titel worden verricht, aan de belasting onderwor-pen wanneer ze in België plaatsvinden.
De artikelen 50 tot 55 van dat wetboek, die de voldoening van de belasting rege-len, en het koninklijk besluit nr. 1 van 29 december 1992 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde wijzen aan wie schuldenaar is van de belasting tegenover de Schatkist voor leveringen van goederen in België. Het koninklijk uitvoeringsbesluit nr. 24 van 29 december 1992 bepaalt de betalingsmodaliteiten ervan bij het bevoegde ontvangkantoor.
Artikel 51bis, § 1, 3°, Btw-wetboek bepaalt dat de medecontractant van de schul-denaar van de belasting krachtens artikel 51, § 1, 1° eveneens met deze tegenover de Staat hoofdelijk is gehouden tot het bedrag van de belasting wanneer de factuur of het als zodanig geldend stuk het bedrag van de op de handeling ver-schuldigde belasting niet of onjuist vermeldt.
Krachtens artikel 51bis, § 2 van datzelfde wetboek, in de versie ervan die van toe-passing is op het geschil, is de medecontractant van degene die krachtens artikel 51, § 1, 1° schuldenaar is van de belasting, indien hij de identiteit van zijn leve-rancier aantoont en bewijst hem de prijs en de bijhorende belasting of een deel er-van te hebben betaald, in die mate van de hoofdelijke aansprakelijkheid ontslagen.
Uit het geheel van die bepalingen volgt dat, om geheel of gedeeltelijk te ontkomen aan de hoofdelijkheid, de medecontractant van een leverancier die aan de Belgi-sche Staat belasting op een levering in België verschuldigd is, moet kunnen aan-tonen dat hij aan die leverancier de gehele prijs of een deel ervan en de bijhorende Belgische belasting heeft betaald.
Het arrest stelt vast dat de verweerder, die in België gevestigd is, niet btw-plichtig was op het ogenblik van de feiten en dat de litigieuze facturen, die in 2005 te zij-ner naam werden opgesteld met een Duitse belasting over de toegevoegde waarde van 16 procent, betrekking hadden op de levering van een zelfbouwwoning in België door een Duitse vennootschap.
Het arrest oordeelt dat de eiser terecht de betaling eist van de Belgische belasting over de toegevoegde waarde van 21 procent op de aldus gefactureerde prijs en dat de verweerder hoofdelijke medeschuldenaar is van deze belasting op grond van voornoemd artikel 51bis, § 1, 3°.
Uit die vermeldingen, waaruit blijkt dat de verweerder geen enkel bedrag aan zijn leverancier heeft betaald dat overeenstemt met een Belgische belasting over de toegevoegde waarde, heeft het arrest niet zonder de in het middel aangewezen wettelijke bepalingen te schenden, kunnen afleiden dat "de voorwaarden voor een gedeeltelijke bevrijding van de hoofdelijkheid vervuld zijn" en dat "de hoofde-lijkheid dient te worden beperkt tot een bedrag dat gelijk is aan het verschil tussen de belasting die betaald werd aan de [Duitse] leverancier en de belasting die ver-schuldigd is [aan de eiser]".
Het middel is gegrond.
Beschikkend gedeelte
Dictum
Het Hof,
Vernietigt het bestreden arrest behalve in zoverre dat het hoger beroep ontvankelijk verklaart.
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest.
Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.
Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Brussel.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, …
Vertaling opgemaakt onder toezicht van …
Ondertekeningen
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.