Fiche van de FOD Financiën
Vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg te Leuven d.d. 07.02.2020
WF 712-15-18/035850
[Gunstig voor de Belgische Staat]
Belasting over de toegevoegde waarde – Klantenlijst – Boete – Laattijdige indiening
Wettelijke bepalingen
Art. 53quinquies en 70, §4 WBTW
Art 1 van KB nr. 23 van 9 december 2009 met betrekking tot de jaarlijkse lijst van de btw-belastingplichtige afnemers
Samenvatting
1) Feiten en voorgaande procedure
Eiseres is als btw-belastingplichtige geregistreerd voor de activiteit van verwarmingsinstallateur. Zij liet na om haar lijst met btw-belastingplichtige afnemers in te dienen. Dit ondanks verschillende herinneringsbrieven.
Hierna werd er door de administratie een proces-verbaal opgesteld met betrekking tot de vastgestelde inbreuk. Bij gebrek aan betaling werd er op basis van dit proces-verbaal een dwangbevel uitgevaardigd, geviseerd en uitvoerbaar verklaard. Het dwangbevel werd betekend aan eiseres waarna zij alsnog de lijst met btw-belastingplichtige afnemers indiende. Tenslotte legde eiseres een verzoekschrift op tegenspraak neer bij de rechtbank van eerste aanleg.
2) Het vonnis in eerste aanleg
Eiseres betwist de geldboete met betrekking tot de lijst van btw-belastingplichtige afnemers aangezien het proces-verbaal en de andere uitvoeringsinitiatieven haar niet zouden hebben bereikt.
De rechtbank wijst erop dat de laattijdige indiening van de lijst met afnemers na de betekening van het dwangbevel geen afbreuk doet aan de verschuldigdheid van de boete.
Verder is zij van mening dat de administratie correct heeft gehandeld door de herinneringsbrieven naar de toenmalige curator van eiseres te sturen.
Bij arrest van 17 januari 2019 oordeelde het Hof van Cassatie dat rechtbanken onbevoegd zijn om btw-boeten te herleiden tot onder de bedragen die zijn voorgeschreven door het KB nr. 41 indien niet eerst kwijtschelding of vermindering is gevraagd aan de minister van Financiën.
Er werd door eiseres geen verzoekschrift neergelegd in het kader van artikel 9 van het Regentsbesluit van 18 maart 1831. De rechtbank kan dan ook de boete niet verminderen of afschaffen, aangezien de administratie hiertoe ook niet de bevoegdheid heeft gehad.
De rechtbank stelt vast dat de administratie de wettelijke boeteregeling correct heeft toegepast. In dit geval was de administratie gebonden door de tekst van de wet om een sanctie op te leggen en was er geen mogelijkheid om daarvan af te wijken.
De rechtbank verklaart de vordering van eiseres dan ook ontvankelijk maar ongegrond.
Tekst van het vonnis
Tekst van de beslissing
Burgerlijke rechtbank van de Rechtbank van eerste aanleg Leuven, Kamer 12
Rol: 18/1292/A
VONNIS op tegenspraak
In de zaak van:
T.E. cv, (KBO: 0849....), met maatschappelijke zetel te ..., eisende partij, vertegenwoordigd door ..., advocaat te ....
tegen
DE BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, (KMO : 0308 ....) algemene administratie van de fiscaliteit en directe belastingen, in de persoon van de minister van Financiën, met kantoor te 1000 Brussel, Wetstraat 12, vertegenwoordigd door de Adviseur-generaal van KMO Centrum Leuven-Expertise 1, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 3001 Leuven, Philipssite 3A bus 1. Verwerende partij,
I. Procedure
De bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken werden nageleefd.
De rechtbank nam onder meer kennis van:
- het verzoekschrift op tegenspraak ter griffie neergelegd op 27 juni 2018;
- de laatste conclusies1 van partijen en de door hen neergelegde stukken;
- de overige stukken van het rechtsplegingsdossier.
De zaak werd behandeld op de openbare zitting van 3 januari 2020 en daarna in beraad genomen.
II. Feiten
Eiseres is sedert 1 oktober 2012 als btw-plichtige geregistreerd voor de activiteit van installatie van verwarming onder het btw-nummer 0849.... en is in die hoedanigheid onderworpen aan de btw-wetgeving en de in het kader ervan genomen uitvoeringsbesluiten.
Overeenkomstig artikel 53 quinquies van het btw-wetboek en artikel 1 van het Koninklijk Besluit nr. 23 van 9 december 2009 dient eiseres ieder jaar vóór 31 maart van het jaar volgend op datgene waarop de lijst betrekking heeft, een lijst in te dienen van de btw-belastingplichtige afnemers.
Voor het jaar 2016 diende eiseres deze lijst niet in. Ondanks diverse herinneringsbrieven liet eiseres na deze lijst in te dienen.
Op 27 februari 2018 stelde de btw-administratie een proces-verbaal op omtrent de vaststelling van deze inbreuk waarin een boete van 3.000 euro werd bepaald. Er werd eveneens een beslissing tot naheffing opgemaakt.
Aangezien betaling uitbleef, werd op 9 april 2018 een dwangbevel lastens eiseres uitgevaardigd dat op 18 april 2018 geviseerd en uitvoerbaar werd verklaard (nr. 500/...}.
Op 17 mei 2018 werd het dwangbevel samen met de titel per gerechtsdeurwaardersexploot aan eiseres betekend.
Op 17 mei 2018 diende eiseres deze lijst alsnog in.
Bij verzoekschrift neergelegd op 27 juni 2018 tekende eiseres verzet aan tegen dit dwangbevel.
III. De vorderingen
1 Eiseres vordert:
"De vordering van concluante ontvankelijk en gegrond te verklaren en dienvolgens:
Alle aktes van tenuitvoerlegging ten aanzien van concluante (waaronder het Proces Verbaal van 27 februari 2018, het dwangbevel nr. 500/... van 18 april 2018, en het betekening bevel van het dwangbevel van 17 mei 2018) te vernietigen en de uitvoering van het dwangbevel van 18 april 2018 te verbieden en in die zin te zeggen voor recht dat de boete van 3.000 EUR niet kan worden opgelegd.
Minstens, te zeggen voor recht dat de boete van 3.000 EUR dient te worden kwijtgescholden.
In uiterst ondergeschikte orde, de boete te verminderen en vast te leggen op een maximumbedrag van 500 EUR.
In elk geval, verweerder te veroordelen tot de kosten van het geding en elke vordering tot veroordeling van concluante tot de betaling van een rechtsplegingsvergoeding af te wijzen."
2 Verweerder vraagt de vordering van eiseres ontvankelijk doch ongegrond te verklaren.
Hij verzoekt eiseres te veroordelen tot de kosten van het geding.
IV. Beoordeling
1 De vordering van eiseres is ontvankelijk. De rechtbank ziet geen ambtshalve aan te voeren redenen om deze niet ontvankelijk te verklaren.
2 Eiseres betwist de opgelegde boete om reden dat het proces-verbaal van 27 februari 2018 en de andere uitvoeringsinitiatieven haar niet bereikten. Verder verzoekt ze om de kwijtschelding, minstens de gedeeltelijke vermindering van de geldboete.
3 Verweerder wijst erop dat de boete door de wet wordt opgelegd wegens de loutere niet-indiening van de jaarlijkse lijst.
4 Art. 53quinquies btw-wetboek bepaalt:
"De belastingplichtigen die overeenkomstig artikel 50, § 1, eerste lid, 1°1 met uitsluiting van de BTW-eenheden in de zin van artikel 4, § 2, artikel 50, § 1, eerste lid, 3°, voor BTW-doeleinden zijn geidentificeerd, de leden van een BTW-eenheid bedoeld in artikel 50, § 1, eerste lid, 6°1 de niet in België gevestigde belastingplichtigen die voor de handelingen die zij hier te lande verrichten zijn vertegenwoordigd door een vooraf erkende persoon, overeenkomstig artikel 55, § 3, tweede lid, en de andere niet in België gevestigde belastingplichtigen bedoeld in artikel 50, § 3, zijn gehouden jaarlijks voor elk lid van een BTW-eenheid en voor iedere belastingplichtige die voor BTWdoeleinden moet geïdentificeerd zijn, behalve voor degenen die uitsluitend handelingen verrichten die krachtens artikel 44 van de belasting zijn vrijgesteld, en waaraan zij goederen hebben geleverd of diensten hebben verstrekt in de loop van het vorige jaar, de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde in kennis te stellen van het totale bedrag van die handelingen alsmede van het totale bedrag van de in rekening gebrachte belasting. (...)"
Art. 1 § 1 van het KB nr. 23 van 9 december 2009 met betrekking tot de jaarlijkse lijst van de btw-belastingplichtige afnemers bepaalt:
"De personen bedoeld in artikel 53quinquies van het Wetboek, zijn gehouden ieder jaar vóór 31 maart bij de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde een lijst in te dienen, waarin voor iedere afnemer die krachtens artikel 50 van het Wetboek voor BTW-doeleinden moet geïdentificeerd zijn, behalve voor de niet belastingplichtige rechtspersonen en voor de belastingplichtige afnemers die uitsluitend handelingen verrichten die krachtens artikel 44 van het Wetboek zijn vrijgesteld, en aan wie zij goederen hebben geleverd of diensten hebben verstrekt in de loop van het vorige jaar, de volgende gegevens voorkomen:
1 ° het BTW-identificatienummer van die belastingplichtige afnemer of het sub-BTW identificatienummer van alle afnemers die lid zijn van een BTW-eenheid in de zin van artikel 4, § 2, van het Wetboek;
2 ° het totale bedrag, exclusief belasting, van de goederen die hem werden geleverd en van de hem verstrekte diensten;
3 ° het totale bedrag van de aan hem in rekening gebrachte belasting.
Wanneer geen enkele door de lijst beoogde handeling wordt verricht, zijn de in het eerste lid bedoelde personen gehouden de administratie hiervan in kennis te stellen volgens de door of vanwege de Minister van Financiën vastgestelde modaliteiten."
Overeenkomstig artikel 70 § 4 btw-wetboek worden de niet in de §§ 1, 2 en 3 bedoelde overtredingen van dit Wetboek of van de besluiten genomen ter uitvoering ervan, bestraft met een niet-proportionele fiscale geldboete van 50 euro tot 5.000 euro per overtreding. Het bedrag van deze geldboete wordt naar gelang van de aard en de ernst van de overtreding bepaald volgens een schaal waarvan de trappen door de Koning worden vastgesteld.
In uitvoering van deze bepaling is krachtens de bijlage bij het KB nr. 44 van 9 juli 2012 tot vaststelling van het bedrag van de niet-proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde voor de niet-indiening van de jaarlijkse listing een geldboete van 3.000 euro verschuldigd.
5 De geldboete die door de BTW-administratie aan eiseres werd opgelegd, valt onder het rechterlijk wettigheidstoezicht. De rechtbank kan nagaan of de toegepaste boeten wettelijk gezien wel verschuldigd zijn.
6 De rechtbank is van oordeel dat op grond van artikel 70 § 4, eerste lid BTW-Wetboek en overeenkomstig de bijlagen van het Koninklijk Besluit nr. 44 van 9 juli 2012 tot vaststelling van het bedrag van de niet-proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde, eerste afdeling, IV, 1, eiseres wegens het nalaten een klantenlisting in te dienen met betrekking tot het jaar 2016 rechtsgeldig een geldboete van 3.000,00 euro kon worden opgelegd.
De rechtbank merkt op dat de indiening van de listing na betekening van het dwangbevel geen afbreuk doet aan de verschuldigdheid van de boete.
7 De rechtbank wijst erop dat er herinneringsbrieven aan eiseres werden verzonden op 9 mei 2017, 19 juni 2017 en op 11 juli 2017. Deze brieven werden, hoewel verweerder hier wettelijk gezien niet toe gehouden was, verstuurd naar het adres van de curator te Brussel, Defacqzstraat 16. De rechtbank is van oordeel dat er door verweerder terzake correct werd gehandeld. Gelet op het tussengekomen faillissement werd de briefwisseling door verweerder aan de curator van eiseres verstuurd. Geenszins blijkt uit de publicatie in het Belgische Staatsblad dat het faillissement nadien zou ingetrokken zijn. De administratie kan aldus niet worden verweten onzorgvuldig te hebben opgetreden. Evenmin werden de rechten van verdediging van eiseres geschonden.
8 Een fiscale geldboete kan een strafrechtelijke sanctie in de zin van artikel 6 EVRM uitmaken, waarover door een rechtbank kan worden geoordeeld.2
Het Hof van Cassatie is van oordeel dat de wettigheid van administratieve sancties met een repressief karakter kan worden onderzocht. In het bijzonder kan zo worden nagegaan of de straf verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen. De rechter moet zo kunnen nagaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk, zodat de rechter mag onderzoeken of het bestuur naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van een administratieve geldboete van zodanige omvang. De rechter kan daarbij, volgens het Hof van Cassatie, rekening houden met de zwaarte van de inbreuk, de hoogte van de reeds opgelegde sancties en de wijze waarop in gelijkaardige zaken werd geoordeeld, maar moet hierbij in acht nemen in welke mate het bestuur zelf gebonden was in verband met de sanctie. Dergelijk toetsingsrecht houdt echter niet in dat de rechter op grond van een subjectieve appreciatie van wat hij redelijk acht, om loutere redenen van opportuniteit en tegen wettelijke regels in, boetes kan kwijtschelden of verminderen.
Bij arrest van 17 januari 2019 oordeelde het Hof van Cassatie dat rechtbanken onbevoegd zijn om btw-boeten te herleiden tot onder de bedragen die zijn voorgeschreven door het KB nr. 41 indien niet eerst kwijtschelding of vermindering is gevraagd aan de minister van Financiën.3 Het regentsbesluit van 18 maart 1831 maakt immers uitdrukkelijk de minister bevoegd. Wie niet akkoord gaat met de beslissing van de minister, kan zich nadien uiteraard wel tot de rechter wenden. Maar de btw-plichtige moet wel eerst via de minister gepasseerd zijn. Artikel 6 EVRM (recht op toegang tot de rechter) doet daar niets aan af, voegt het Hof er nog aan toe.4
Aangezien er in voorliggend geval door eiseres geen verzoekschrift werd neergelegd in het kader van artikel 9 van het Regentbesluit van 18 maart 1831, beschikt de rechtbank niet over de mogelijkheid om een boete te verminderen of af te schaffen, in dezelfde mate waarin de minister van Financiën of zijn afgevaardigde deze bevoegdheid toekomt op grond van het Regentsbesluit van 18 maart 1831.
De rechtbank stelt vast dat de administratie in casu de wettelijke boeteregeling correct heeft toegepast. In dit geval was de administratie gebonden door de tekst van de wet om een sanctie op te leggen en was er geen mogelijkheid om daarvan af te wijken.
De vordering van eiseres dient dan ook te worden afgewezen.
9 Gelet op het ongelijk van eiseres dient zij veroordeeld te worden tot de kosten van het geding.
Er wordt geen rechtsplegingsvergoeding toegekend aan verweerder aangezien deze geen beroep heeft gedaan op een advocaat.5
Beschikkend gedeelte
V. Uitspraak
De rechtbank doet uitspraak op tegenspraak en in eerste aanleg.
De vordering van T.E. cv is ontvankelijk maar ongegrond.
T.E. cv wordt veroordeeld tot de kosten van het geding. In hoofde van T.E. cv dienen deze niet vastgesteld te worden aangezien zij te haren laste blijven. In hoofde van de Belgische Staat worden deze vastgesteld op 0,00 (nul) euro.
Dit vonnis werd uitgesproken in de openbare zitting van kamer 12 van de rechtbank van eerste aanleg Leuven op vrijdag 7 februari 2020.
Waar zitting namen: ...
Ondertekeningen
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.