Kennisgeving van de verantwoording van de belastingschuld · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg Brugge 28 april 2025

Zoeken

Kennisgeving van de verantwoording van de belastingschuldBelasting over de toegevoegde waarde – Kennisgeving van de verantwoording van de belastingschuld – Kosten van onthaal – Recht op aftrek

https://juriel.be/nl/rechtspraak/kennisgeving-verantwoording-belastingschuld-kosten-onthaal-rechtbank-brugge-2025-04-28-d848

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Zetel
Brugge
Datum
28 april 2025

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

94 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge d.d. 28.04.2025 - Rolnr. 23/506/A

[ Gunstig vonnis ]

Belasting over de toegevoegde waarde – kennisgeving van de verantwoording van de belastingschuld – kosten van onthaal – recht op aftrek

Wettelijke bepalingen

Art. 85, §1, derde lid WBTW, art. 45, §3 WBTW

Samenvatting van het vonnis

1. Feiten

Eiseres is ingeschreven als btw-belastingplichtige voor de activiteit van boekhouders en boekhouders-fiscalisten.

In hoofde van eiseres vond er een btw-controle plaats voor de periode 2018 tot en met het 1ste kwartaal 2021. Naar aanleiding hiervan werd een correctieopgave verzonden op 13 oktober 2021. Volgens de administratie heeft eiseres ten onrechte btw afgetrokken op kosten van onthaal. Aangezien eiseres niet akkoord ging met de correctieopgave, nl. wat betreft de kosten van onthaal, werd een proces-verbaal opgesteld op 13 december 2021 dat werd verzonden op 16 december 2021. Op 28 december 2021 werd de schuld opgenomen in het innings- en invorderingsregister, welk uitvoerbaar werd verklaard op 29 december 2021, en waarvan een innings- en invorderingsbericht werd verzonden op 6 januari 2022.

Eiseres gaat hiermee niet akkoord en tekent verzet aan door middel van een verzoekschrift neergelegd ter griffie op 13 februari 2023.

2. Het vonnis

Omtrent de toepassing van art. 85, §1, derde lid WBTW stelt de rechtbank dat de verantwoording van de belastingschuld uiterlijk 1 maand voor de opname ervan in een innings- en invorderingsregister ter kennis moet worden gebracht van de belastingschuldige, behalve indien de rechten van de Schatkist in gedrang komen.

De rechtbank stelt vast dat in artikel 85 §1, derde lid WBTW niet is bepaald op welke wijze de verantwoording van de belastingschuld aan de belastingplichtige moet worden ter kennis gebracht. In de bepaling is zeker niet opgenomen dat deze kennisgeving dient te gebeuren door een proces-verbaal. De rechtbank is van oordeel dat de verantwoording van de belastingschuld kan gebeuren via een regularisatieopgave.

De rechtbank stelt vast dat artikel 85 §1, derde lid WBTW niet werd geschonden.

Over de kosten van onthaal oordeelt de rechtbank dat conform artikel 45, §3 WBTW de BTW ter zake van kosten van onthaal niet voor aftrek in aanmerking komt.

Kosten van onthaal zijn kosten gedaan voor onthaal en ontvangst, desgevallend gepaard gaande met vermaak of ontspanning, van aan het bedrijf vreemde bezoekers, inzonderheid klanten en leveranciers, met het oog op het bestendigen of verstevigen van zakelijke relaties. Wanneer de uitgave hoofdzakelijk en rechtstreeks tot doel heeft de eindkoper in te lichten over het bestaan en de hoedanigheid van een product of dienst met de bedoeling de verkoop ervan te bevorderen, dan betreft het een publiciteitskost.

De rechtbank stelt vast dat eiseres onvoldoende bewijst dat de kosten zijn gemaakt om nieuwe klanten aan te trekken of om de verkoop van diensten te bevorderen. Eiseres bewijst niet dat de evenementen hoofdzakelijk en rechtstreeks tot doel hadden potentiële of bestaande klanten in te lichten over het bestaan en de hoedanigheden van een dienst van eiseres met de bedoeling de verkoop ervan te bevorderen.

Volledige tekst:

Tekst van de beslissing

Vonnis van de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge

28.04.2025

Rolnummer 23/506/A

De rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, sectie burgerlijke rechtbank, Kamer B.10, heeft het volgend vonnis verleend:

In de zaak : 23/506/A

Hoofdzaak :

B.H. (KBO: …), maatschappelijke zetel te …,

eisende partij,

hebbende als raadsman meester L.S. en meester V.S., beiden advocaat

te …

tegen :

de BELGISCHE STAAT — FOD FINANCIËN (KBO: 0308.357.159), in de persoon van de Minister van Financiën, met kantoren gevestigd te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, handelend ten verzoeke van de adviseur-generaal, Directeur van het KMO Centrum KORTRIJK 762, met kantoor te 8500 Kortrijk, Hoveniersstraat 31,

verwerende partij,

voor wie optreedt mevrouw D.J., attaché (ref.: …@minfin.fed.be).

I. RECHTSPLEGING

Gelet op de het verzoekschrift neergelegd ter griffie op 13 februari 2023.

De rechtbank nam kennis van het dossier van de rechtspleging en van de door partijen neergelegde stukken.

Partijen werden in hun middelen gehoord op de zitting van 31 maart 2025.

Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.

II. BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK

1. Eiseres is een ingeschreven als BTW-belastingplichtige onder het BTW-registratienummer …, voor de activiteit van boekhouders en boekhouders-fiscalisten. Zij is derhalve onderworpen aan de bepalingen van de BTW-wetgeving en de ter uitvoering ervan genomen besluiten.

Er wordt een controle uitgevoerd betreffende de BTW-wetgeving door D.D., verbonden aan het centrum KMO Kortrijk, …, wat betreft de periode 2018 tot het eerste kwartaal 2021. Een correctieopgave wordt verzonden op 13 oktober 2021. Volgens verweerder heeft eiseres o.a. ten onrechte BTW op kosten van onthaal afgetrokken. Eiseres gaat gedeeltelijk niet akkoord, namelijk niet akkoord wat betreft de aftrek van kosten van onthaal. Een proces-verbaal wordt opgemaakt op 16 december 2021 (verschuldigde BTW 970,68 EUR, proportionele boete 97,00 EUR en intresten vanaf 21 april 2021). Op 28 december 2021 wordt de schuld opgenomen in het innings- en invorderingsregister (datum uitvoerbaarverklaring 29 december 2021). Eiseres gaat niet akkoord en dient een bezwaar in op 2 maart 2022. Het bezwaar wordt afgewezen bij beslissing d.d. 1 september 2022.

Door eiseres wordt een fiscaal verzoekschrift neergelegd ter griffie d.d. 13 februari 2023.

2.Eiseres vraagt dat :

de vordering ontvankelijk en gegrond wordt verklaard;

- het PV d.d. 13 december 2021, het innings- en invorderingsregister artikel 500249405261 d.d. 28 december 2021 en de directoriale beslissing d.d. 1 september 2022 worden vernietigd, minstens wordt gezegd voor recht dat de erin opgenomen navordering van BTW en geldboete door eiseres niet verschuldigd is;

verweerder wordt veroordeeld tot terugbetaling van het reeds betaalde of ingehouden bedrag, te vermeerderen met de moratoriumintresten;

- ondergeschikt de geldboete wordt kwijtgescholden;

verweerder wordt veroordeeld tot alle kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding en de bijdrage aan het fonds voor juridische tweedelijnsbijstand t.b.v. 24,00 EUR.

3.Verweerder vraagt dat:

- de vordering ontvankelijk doch ongegrond wordt verklaard;

- eiseres wordt veroordeeld tot de kosten van het geding.

III. BEOORDELING

A. Betreffende de ontvankelijkheid

Verweerder voert geen redenen aan die tot de ontoelaatbaarheid van de eis kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van ontoelaatbaarheid, die zij ambtshalve zou moeten opwerpen, vaststelt, is de eis toelaatbaar.

B. Betreffende de grond

1. Artikel 85 §1, derde lid W.BTW

Conform artikel 85 §1, derde lid W.BTW moet de verantwoording van de belastingschuld uiterlijk 1 maand voor de opname ervan in een innings- en invorderingsregister ter kennis worden gebracht van de belastingschuldige, behalve indien de rechten van de Schatkist in gedrang komen.

In dat laatste geval moet zij ten laatste op het ogenblik dat de belastingschuld in een innings- en invorderingsregister wordt opgenomen aan de belastingschuldige ter kennis worden gebracht.

In casu wordt een regularisatieopgave op 13 oktober 2021 verzonden, door eiseres wordt hierop geantwoord met een gedeeltelijk niet-akkoord op 20 oktober 2021, en wordt een proces-verbaal opgesteld op 13 december 2021 welk wordt verzonden aan eiseres op 16 december 2021. Een innings-en invorderingsbericht wordt verzonden op 6 januari 2022 en uit dit bericht blijkt dat de belastingschuld werd opgenomen in het innings- en invorderingsregister op 28 december 2021 welk uitvoerbaar werd verklaard op 29 december 2021.

De rechtbank stelt vast dat in artikel 85 §1, derde lid W.BTW niet is bepaald op welke wijze de verantwoording van de belastingschuld aan de belastingplichtige moet worden ter kennis gebracht. In de bepaling is zeker niet opgenomen dat deze kennisgeving dient te gebeuren door een proces-verbaal. De rechtbank is van oordeel dat de verantwoording van de belastingschuld kan gebeuren via een regularisatieopgave. In casu werd een regularisatieopgave op 13 oktober 2021 verzonden. In deze opgave is opgenomen het bedrag van de BTW die verschuldigd is en de reden waarom (o.a. wegens onterechte aftrek van BTW op kosten van onthaal). Eiseres heeft op 20 oktober 2021 geantwoord met gedeeltelijk niet-akkoord.

De wachttermijn van één maand tussen de kennisgeving van verantwoording van de schuld en de opname in het innings- en invorderingsregister is er op gericht om de belastingplichtige toe te laten de aangekondigde schuld te onderzoeken, er zijn visie over te vormen en er zijn opmerkingen over te laten kennen. Uit de stukken blijkt dat die termijn werd gerespecteerd en eiseres voldoende tijd heeft gehad om opmerkingen te formuleren.

Dat in het schrijven d.d. 16 december 2021 bij de kennisgeving van het proces-verbaal van 13 december 2021 wordt vermeld dat het schrijven geldt als kennisgeving in de zin van artikel 85 §1, derde Iid WBTW, is niet relevant. Uit de feiten blijkt dat eiseres al veel eerder kennis had van de verantwoording van de BTW-schuld.

De rechtbank stelt vast dat artikel 85 §1, derde lid W.BTW niet werd geschonden.

Er is ook geen sprake van verjaring. Op 27 oktober 2021 heeft eiseres een verklaring ondertekend tot afstand van de verlopen tijd der verjaring voor de invordering van BTW t.b.v. 970,68 EUR, de proportionele geldboete t.b.v. 97 EUR en de nalatigheidsintresten.

2. Publiciteitskosten - kosten van onthaal

Conform artikel 45 §3 WBTW komt voor aftrek niet in aanmerking de BTW ter zake van kosten van onthaal (4°).

Kosten van onthaal zijn kosten gedaan voor onthaal en ontvangst, desgevallend gepaard gaande met vermaak of ontspanning, van aan het bedrijf vreemde bezoekers, inzonderheid klanten en leveranciers, met het oog op het bestendigen of verstevigen van zakelijke relaties.

Wanneer de uitgave hoofdzakelijk en rechtstreeks tot doel heeft de eindkoper in te lichten over het bestaan en de hoedanigheid van een product of dienst met de bedoeling de verkoop ervan te bevorderen, dan betreft het een publiciteitskost (Cals., 8 april 2005, T.F.R. 2005, afl. 289, 872).

Wanneer de betrokken activiteit hoofdzakelijk en rechtstreeks tot doel heeft potentiële kopers in te lichten over het bestaan en de hoedanigheden van een product of dienst met de bedoeling de verkoop ervan te bevorderen, is zij een reclame waarvan de kosten niet voor aftrek uitgesloten zijn. Dat de reclame niet rechtstreeks is gericht tot de eindkoper, doet hieraan niets af (Cass. 11 maart 2010, Cass. 15 juni 2012, F.J.F. 2012, 293).

De betwisting betreft 10 facturen van de jaren 2018, 2019 en 2020 met in totaal verschuldigde BTW t.b.v. 970,68 EUR. De facturen hebben betrekking op Bofisc Netwerk Caffee en startersevents door eiseres georganiseerd. Het Caffee wordt twee keer per jaar georganiseerd en de toegang is gratis mits voorafgaande inschrijving. De startersevents worden 4 keer per jaar georganiseerd en zijn gericht op zelfstandige-starters.

De administratie stelt dat het kosten van onthaal betreft. Volgens eiseres betreft het publiciteitskosten (seminaries gericht op bestaande klanten en potentieel nieuwe klanten met doel de verkoop van diensten van eiseres te bevorderen).

De rechtbank stelt vast dat eiseres onvoldoende bewijst dat de kosten zijn gemaakt om nieuwe klanten aan te trekken of om de verkoop van diensten te bevorderen. De printscreens van facebookberichten vermelden niet steeds de datum van het evenement. De aanwezigheidslijsten vermelden evenmin altijd de datum van het evenement. Bovendien staan op de lijsten ook medemerkers van eiseres. Uit de stukken blijkt dat het Bofisc Netwerk Caffee erop gericht is om ondernemers de mogelijkheid te geven om te netwerken. Op de foto's van de evenementen zijn geen verkoopbevorderende elementen te zien.

Eiseres legt ook facturen neer gericht aan klanten die op de evenementen aanwezig zouden zijn geweest. Een bewijs van een verband tussen een factuur en de aanwezigheid op een evenement wordt niet geleverd. Bovendien zijn de facturen opgemaakt door BV Bofisc Talcs & Legal en niet door eiseres.

Eiseres bewijst niet dat de evenementen hoofdzakelijk en rechtstreeks tot doel hadden potentiële of bestaande klanten in te lichten over het bestaan en de hoedanigheden van een dienst van eiseres met de bedoeling de verkoop ervan te bevorderen.

3. Geldboete

Een geldboete t.b.v. 97,00 EUR (10% van het BTW-bedrag) heeft een repressief karakter. Het zou strijdig zijn met het gelijkheidsbeginsel mochten de rechtbanken het recht ontzegd worden om op de betwiste administratieve beslissing om een dergelijke geldboete op te leggen, een toetsing met voile rechtsmacht uit te oefenen. Een toetsing met voile rechtsmacht houdt in dat de rechter moet nagaan of een administratieve beslissing met repressief karakter in rechte en in feite verantwoord is en of zij de wettelijke bepalingen en algemene beginselen die de administratie in acht moet nemen, waaronder het evenredigheidsbeginsel, eerbiedigt (Arbitragehof, 24 februari 1999, rolnr. 1279, arrest nr. 22/99).

Dat kan alleen in die zin begrepen worden dat de rechtbank (onder andere) de macht heeft om na te gaan of de concrete administratieve boete al dan niet in een redelijke verhouding staat tot de feiten waaraan de belastingplichtige zich bezondigd heeft. Een dergelijke toetsing brengt nog niet noodzakelijk met zich dat de rechtbank de belastingplichtige, om loutere redenen van opportuniteit of billijkheid, zou bevrijden van de verplichtingen die hem wettelijk zijn opgelegd door de overheid.

Uit de dossier blijkt dat eiseres onterecht BTW heeft afgetrokken. De betwisting omtrent of een kost een kost van onthaal is of een publiciteitskost, betreft een feitenkwestie.

De rechtbank stelt op basis van de vaststellingen en de inbreuk vast dat de door verweerder bepaalde administratieve boete beantwoordt aan een juiste toepassing van de betreffende wettelijke en reglementaire bepalingen op de vast gestelde feiten. Het opleggen van de boete is in deze zaak verantwoord en niet onevenredig met de inbreuken.

De rechtbank ziet geen enkele reden om een uitstel te verlenen. Er is geen enkel reden die een uitstel zou kunnen verantwoorden. Evenmin is er enige reden om de geldboete kwijt te schelden.

De geldboete heeft niet alleen een vergoedende aard, maar heeft ook een bestraffend en afradend karakter.

C. Betreffende de kosten

Gezien eiseres in het ongelijk wordt gesteld, moet zij overeenkomstig artikel 1017,1° lid GerW de gerechtskosten dragen.

Aangezien verweerder niet bijgestaan wordt door een advocaat, heeft hij geen recht op een rechtspiegingsvergoeding en zijn de gerechtskosten in hoofde van verweerder onbestaande.

Beschikkend gedeelte

OM DEZE REDENEN,

De rechtbank,

Wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak.

Alle verdere middelen van partijen verwerpend ais niet dienend.

Verklaart de eis toelaatbaar doch ongegrond.

Veroordeelt eiseres tot de kosten van het geding, aan haar zijde niet te begroten aangezien ze haar ten laste blijven en aan de zijde van verweerder begroot op 00,00 EUR.


Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare terechtzitting van de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, burgerlijke sectie, tiende kamer, op maandag achtentwintig april tweeduizend vijfentwintig waar zitting hadden:

L.D., rechter;

J.T., griffier.

Nota van de FOD Financiën

Referentie WF

Finaliti 54805201/01

Aangehaalde teksten

2
WBTW art. 855 voorkomens
WBTW art. 454 voorkomens

Vergelijkbare beslissingen

8