De tekst van dit document is in het Frans. De FOD publiceert er geen Nederlandse versie van.
Fiche van de FOD Financiën
Vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel d.d. 14.03.2017
WF 702-15-16/012168
[Gunstig voor de Belgische Staat]
Belasting over de toegevoegde waarde – Invorderingsprocedure – Motivatie van het dwangbevel
Wetgeving
Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen: art. 1, 1ste lid en art. 3, 2de lid
Samenvatting
I.Vorderingen van eiseres
Eiseres baseert zich op het antwoord dat door de Minister van Financiën werd verstrekt op de parlementaire vraag nr. 1283 van de heer Senator Olivier De Clippele (Vragen en Antwoorden, Senaat, G.Z. 2001-2002, Nr. 2-44, p. 2277-).: “In geval van een controle naar de juistheid van de aangegeven bedragen, leidt een voor akkoord ondertekende regularisatie-opgave of een proces-verbaal bij niet-akkoord vanwege de belastingplichtige, tot het opstellen van een invorderingsorder. Ingevolge dit invorderingsorder worden aan de belastingplichtige minstens twee uitnodigingen tot betaling gezonden. Bij hoogdringendheid wordt hem slechts één uitnodiging tot betaling gericht. Iedere uitnodiging tot betaling vormt voor de belastingplichtige een voorafgaandelijk bericht. Artikel 85, § 1, van het btw-Wetboek stelt dat bij niet-betaling, een dwangbevel wordt uitgevaardigd.”
Zij verwijt de administratie dat ze haar geen enkel betalingsbericht heeft toegestuurd en haar voorafgaandelijk niet op de hoogte heeft gebracht van het dwangbevel.
2. Uit de tekst van het dwangbevel is het, volgens eiseres, onmogelijk de aard en de draagwijdte van de taxatie na te gaan.
Bovendien zijn, volgens eiseres, bepaalde in het dwangbevel vermelde bedragen reeds opgenomen in het kader van een door eiseres ingestelde procedure van gerechtelijke reorganisatie en werd ze daarvoor in het gelijk gesteld.
II.Het vonnis
1.De invorderingsprocedure is correct verlopen gezien de administratie aangetoond heeft dat voorafgaandelijk aan de uitreiking en de betekening van het dwangbevel, een bijzondere rekening en een betalingsbericht ter kennis werden gebracht aan de belastingplichtige.
Gezien de voorafgaandelijke berichten wel degelijk werden verstuurd, is de invorderingsprocedure wel degelijk gerespecteerd.
2.De rechter wijst vooreerst op de draagwijdte van de wet van 29 juli 1999 die een duidelijke motivering van bestuurshandelingen oplegt.
In onderhavig geval herneemt het dwangbevel het verschuldigde bedrag en vermeldt dat het bedrag verschuldigd is overeenkomstig de bijzondere rekening die bij het dwangbevel is gevoegd en die opgemaakt is voor de vermelde periode.
Zowel het dwangbevel als de bijzondere rekening vermelden de wettelijke bepalingen waarop de administratie zicht gebaseerd heeft.
Zij zijn het gevolg van de periodieke btw-aangiften die belastingplichtige heeft ingediend en die bijgevolg dus kennis had van het bedrag dat hijzelf als verschuldigd had aangegeven bij de Staat.
De rechter besluit hieruit dat het dwangbevel voldoende gemotiveerd is.
Opmerking
De rechter benadrukt dat het Hof van Cassatie er op wijst dat het voor de administratie bij het nemen van een beslissing in het kader van een gebonden bevoegdheid er mee kan volstaan de feitelijke gegevens en de wetsartikelen aan te geven op grond waarvan het verplicht was om een beslissing te nemen (Cass., 14 april 2003, S.00.0116.N, Pas. 2003, nr. 251, https://jure.juridat.just.fgov.be).
Tekst van het vonnis
Het vonnis wordt enkel gepubliceerd in de oorspronkelijke taal
Tekst van de beslissing
Tribunal de première instance francophone de Bruxelles (36ème chambre civile), 14 mars 2017
RG 2016/1374/A
EN CAUSE DE:
LA SPRL S., dont le siège social est situé à …, …, inscrite à la BCE sous le n° …; demandeurs, représenté par A. R. loco Me O. T., avocat à …, … ;
CONTRE:
L'ETAT BELGE, SERVICE PUBLIC FEDERAL FINANCES, Administration générale de la Fiscalité, Centre PME de Bruxelles 2, dont les bureaux sont situés à 1000 Bruxelles, Boulevard du Jardin Botanique, 50/3408; défendeur, comparaissant personnellement en la personne de M. A. B., attaché;
En cette cause, tenue en délibéré le 28 février 2017, le tribunal rend le jugement suivant.
Vu les pièces de la procédure, et notamment:
- la requête contradictoire et ses annexes, déposée le 23 février 2016, pour la sprl S.;
- l'ordonnance prononcée, le 13 avril 2016, sur le fondement de l'article 747 § 2 du Code judiciaire;
- les conclusions déposées pour l'Etat belge;
Entendu le conseil de la sprl S. et l'Etat belge, comparaissant personnellement, en leurs dires et moyens à l'audience publique du 28 février 2017;
I. OBJET DU LITIGE
L'opposition à contrainte, introduite par requête du 28 février 2017, tend à l'annulation de la contrainte décernée à charge de la sprl S. par le conseiller recouvrement - receveur a.i. du Team recouvrement Bruxelles 11 le 17 décembre 2015, visée et rendue exécutoire le 5 janvier 2016 pour les montants suivants:
| A titre de TVA | … € |
| A titre d'amende nonproportionnelle | … € |
| Total | … € |
à augmenter des intérêts de retard et des frais de recouvrement.
La sprl S. sollicite également la condamnation de l'Etat belge aux dépens non liquidés.
L'Etat belge conclut à l'absence de fondement de l'opposition à contrainte. L'opposition à contrainte, régulière en la forme, est recevable.
II. DISCUSSION
1. Procédure de recouvrement
La sprl S. invoque la nullité de la contrainte en raison d'un prétendu défaut de respect de la procédure de recouvrement.
Or, l'Etat belge démontre que l'administration a notifié à la sprl S. un compte spécial (pièce n° 3) et un avis de paiement (pièce n° 4) avant de décerner et de notifier la contrainte litigieuse.
Les avertissements préalables requis ont donc bien été envoyés de sorte que la procédure de recouvrement a été respectée.
2. Motivation de la contrainte
La sprl S. invoque, ensuite, la nullité de la contrainte en raison d'un manque de motivation formelle.
La loi du 29 juillet 1991 impose, de manière générale, la motivation formelle des actes administratifs des autorités administratives.
Les actes administratifs sont des actes juridiques unilatéraux de portée individuelle émanant d'une autorité administrative et qui ont pour but de produire des effets juridiques à l'égard d'un ou de plusieurs administrés ou d'une autre autorité administrative (article 1er, alinéa 1er, de la loi précitée).
La motivation formelle nécessite l'indication expresse, dans l'acte lui-même:
1)de la mention de la base juridique sur laquelle l'autorité se fonde pour poser l'acte; et
2)du rappel des éléments de fait qui justifient la décision prise.
En cas de contestation, l'administration ne pourra se fonder que sur les motifs repris dans la décision et non sur les éléments qui pourraient ressortir du dossier. Une motivation a posteriori est donc exclue (B. PEETERS, De preventieve rechtsbescherming tegen het fiscaal bestuur, A.F.T., 1998, p. 211).
L'article 3, alinéa 2, de la loi du 29 juillet 1991 impose que la motivation doit être adéquate. Il est généralement admis que l'étendue de la motivation doit être proportionnelle à l'importance de la décision. L'obligation de motivation participe, en quelque sorte, au respect des droits de la défense.
À propos de la notion légale de devoir de motivation de l'autorité administrative, qu'il appartient au juge du fond d'apprécier, sans toutefois la violer, la Cour de cassation a rappelé que lorsqu'elle prend une décision dans le cadre d'une compétence liée, l'administration peut se borner à indiquer les éléments de fait et les articles de loi sur la base desquels elle était tenue de prendre une décision (Cass., 14 avril 2003, R.G. n° S.00.0116.N, consultable surwww.cass.be).
Concrètement, la contrainte mentionne que la somme de … € est due en vertu du compte spécial annexé à la contrainte et tenu pour la période qui précède le 31 octobre 2015.
Tant la contrainte que le compte spécial indiquent les dispositions légales sur lesquelles l'administration se fonde. Ils font suite aux déclarations déposées par la sprl S. qui avait donc nécessairement connaissance du montant qu'elle avait elle-même déclaré devoir à l'Etat belge.
La contrainte étant adéquatement motivée, il n'y a pas lieu de l'annuler.
Dans la mesure où elle succombe, la sprl S. doit être condamnée à supporter les dépens de l'instance.
Beschikkend gedeelte
Par ces motifs,
Le tribunal,
Vu les dispositions de la loi du 15 juin 1935, sur l'emploi des langues en matière judiciaire,
Statuant contradictoirement;
Déclare la demande recevable mais non fondée ;
En conséquence,
En déboute la sprl S. ;
Condamne la sprl S. aux dépens de l'instance et constate l'absence de·dépens à liquider dans le chef de l’Etat belge.
Ainsi jugé et prononcé par la 36ème chambre du tribunal de première instance francophone de Bruxelles composée de M. R. L., juge, avec l'assistance de M. O. O. l., collaborateur au greffe de ce siège, assumé en qualité de greffier par le magistrat conformément à l'article 329 du Code judiciaire, le greffier en chef, les greffiers et les greffiers délégués étant empêchés, à l'audience publique du 14 mars 2017.
Signatures
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.