Fiche van de FOD Financiën
Arrest van het Hof van Cassatie dd. 30.10.2014 (F.13.0140.F)
Invordering - Fiscus - Wettelijke hypotheek – Fiscus gewone schuldeiser in de opschorting - Volledige betaling van zijn rechten - Inschrijving van zijn wettelijke hypotheek - Rechtsmisbruik – Verantwoording
Wettelijke bepalingen
Artt. 2, e), d), 49, eerste lid, en 50 van de wet van 31 januari 2009 betreffende de continuïteit der ondernemingen
Artt. 85 en 86, W.BTW
Samenvatting
Rechtsmisbruik bestaat in de uitoefening van een recht op een wijze die kennelijk de grenzen te buiten gaat van de uitoefening van dat recht door een bedachtzaam en voorzichtig persoon; dat is inzonderheid het geval wanneer het recht wordt gebruikt voor een doeleinde dat geen verband houdt met dat waarvoor het recht werd toegekend; bij de beoordeling van de belangen die in het geding zijn, moet de rechter rekening houden met alle omstandigheden van de zaak.
De artikelen 85 en 86 van het Wetboek op de belasting over de toegevoegde waarde betreffende de wettelijke hypotheek op alle in België gelegen goederen van de belastingplichtige die voor hypotheek vatbaar zijn, waarover de openbare schatkist beschikt voor de invordering van de belasting, van de interesten en van de kosten strekken ertoe de invordering van de schuldvordering te waarborgen wanneer omstandigheden die met name voortvloeien uit de toestand of uit het gedrag van de belastingschuldige dat verantwoorden.
Uit de artikelen 2, e), d), 49, eerste lid, en 50 van de wet van 31 januari 2009 betreffende de continuïteit der ondernemingen volgt dat het plan de gewone schuldeiser in de opschorting weliswaar een vermindering van de schuldvordering kan opleggen, maar de buitengewone schuldeiser in de opschorting slechts een in de tijd beperkt uitstel van de betaling van zijn volledige schuldvordering kan opleggen.
Het algemeen rechtsbeginsel dat niemand misbruik van zijn recht mag maken, wordt miskend door het arrest dat, op grond van de redenen waaruit volgt dat de fiscus de wettelijke hypotheek heeft ingeschreven om de volledige betaling van zijn rechten te waarborgen veeleer dan in zijn hoedanigheid van gewone schuldeiser in de opschorting een vermindering van zijn schuldvordering te ondergaan, overweegt dat de fiscus het recht om zijn wettelijke hypotheek in te schrijven van zijn oorspronkelijke functie afwendt.
Tekst van het arrest
Tekst van de beslissing
Arrest van het Hof van Cassatie
dd. 30.10.2014
(F.13.0140.F)
BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, Mr. F.K. adocaat bij het Hof van Cassatie,
tegen
S.C.M. bvba.
I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Bergen van 24 juni 2013.
Raadsheer Marie-Claire Ernotte heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal André Henkes heeft geconcludeerd.
II. CASSATIEMIDDELEN
De eiser voert een middel aan.
Geschonden wettelijke bepalingen
- de artikelen 85 en 86 van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde;
- artikel 66 van de op 17 juli 1991 gecoördineerde wetten op de Rijkscomptabiliteit;
- artikel 35 van de wet van 22 mei 2003 houdende organisatie van de begroting en van de comptabiliteit van de federale Staat;
- de artikelen 2, 49 en 50 van de wet van 31 januari 2009 betreffende de continuïteit van de ondernemingen;
- artikel 149 van de Grondwet;
- algemeen rechtsbeginsel volgens hetwelk niemand misbruik van zijn recht mag maken;
- algemeen beginsel betreffende het recht van verdediging.
Aangevochten beslissingen
Het arrest overweegt dat de hoedanigheid van de schuldvordering en, bijgevolg, de hoedanigheid van de gewone of buitengewone schuldeiser in de opschorting beoordeeld diende te worden op de datum van het vonnis dat de reorganisatieprocedure open verklaart:
"De in artikel 2, k), van de wet vervatte begripsomschrijving vermeldt in dat verband precies dat onder ‘openen van de procedure' wordt verstaan het vonnis dat de reorganisatieprocedure open verklaart.
Zoals (de eiser) aanvoert, moet men dus refereren aan de datum van het vonnis, zijnde 14 oktober 2010",
en neemt aan dat de hypothecaire inschrijvingen gedaan zijn na de neerlegging van het verzoekschrift tot reorganisatie:
"Dat artikel (artikel 22 van de wet van 31 januari 2009 betreffende de continuïteit van de ondernemingen) bepaalt dat tussen de neerlegging van het verzoekschrift tot gerechtelijke reorganisatie en het vonnis dat uitspraak doet over de opening van de procedure van gerechtelijke reorganisatie, geen enkele tegeldemaking van de roerende of onroerende goederen van de schuldenaar kan plaatsvinden als gevolg van de uitoefening van een middel van tenuitvoerlegging, en dit ongeacht of de vordering werd ingeleid of het middel van tenuitvoerlegging werd aangevat voor of na de neerlegging van het verzoekschrift.
Die bepaling verbiedt aldus dat de goederen van de schuldenaar tegelde worden gemaakt als gevolg van de uitoefening van een middel van tenuitvoerlegging (...).
Zij verbiedt dus niet dat beslag, bewarend dan wel uitvoerend, op de goederen van de schuldenaar wordt gelegd, voor zover het niet leidt tot een tegeldemaking van die goederen (...).
Zij verbiedt evenmin dat hypothecaire inschrijvingen worden genomen",
en beslist ten slotte als volgt:
"De omstandigheid alleen dat (de eiser) gebruik heeft gemaakt van zijn recht om een hypothecaire inschrijving te nemen, zelfs na de neerlegging van het verzoekschrift, levert niet ipso facto rechtsmisbruik op, en het staat aan (de verweerster) de omstandigheden te kenschetsen waardoor een dergelijke inschrijving misbruik zou opleveren.
Uit de chronologische volgorde van de feiten en uit de briefwisseling die (de verweerster) vermeldt, op pagina 7 tot 9 van haar conclusie, komt voldoende tot uiting dat (de eiser) zich gehaast heeft om die inschrijving te nemen, net omdat hij door haar op de hoogte was gebracht van de neerlegging van het verzoekschrift tot reorganisatie.
Hoewel (de eiser) dat betwist, bestond het hoofddoel van die inschrijving erin de hoedanigheid van buitengewoon schuldeiser in de opschorting te verkrijgen en aldus te ontsnappen aan de maatregelen die kunnen worden opgelegd aan de gewone schuldeisers in de opschorting.
Hij heeft in dat streven volhard door de huidige procedure in te leiden. Hierbij wordt eraan herinnerd dat de vordering die hij had ingesteld in het proces-verbaal van vrijwillige verschrijving dat het geding in eerste aanleg inleidt, ertoe strekte te doen verklaren dat zijn schuldvordering de hoedanigheid van buitengewone schuldvordering in de opschorting heeft.
Kortom, (de eiser) beklemtoont het feit dat hij niet betwist dat zijn schuldvordering slechts als een buitengewone schuldvordering in de opschorting kan worden aangemerkt, indien een hypothecaire inschrijving is genomen vóór het vonnis dat de gerechtelijke reorganisatie open verklaart.
Dat verklaart waarom hij zich gehaast heeft om de wettelijke hypotheek te laten inschrijven zodra (de verweerster) hem heeft gemeld dat zij van plan was een procedure van gerechtelijke reorganisatie in te stellen.
Door aldus in de concrete omstandigheden van de zaak te handelen, heeft de belastingadministratie het recht om haar wettelijke hypotheek in te schrijven van zijn oorspronkelijke functie afgewend en heeft zij zich niet gedragen zoals een normaal bedachtzame en omzichtige overheid die erop let de beginselen van behoorlijk bestuur na te leven, dat zou hebben gedaan.
Door die hypothecaire inschrijving wordt het voor (de verweerster) duidelijk moeilijker om de voor het herstel noodzakelijke bankkredieten te verkrijgen en bijgevolg om het aan alle schuldeisers voorgelegde plan na te leven.
Zij levert het aangevoerde rechtsmisbruik op.
Daarentegen wordt niet aangetoond dat de latere inschrijving van 25 november 2010 rechtsmisbruik oplevert, aangezien (de eiser) toegeeft dat de schuldvordering waarop die inschrijving betrekking heeft een gewone schuldvordering in de opschorting is en betoogt dat hij zich wil indekken tegen een mogelijke mislukking van de procedure van gerechtelijke reorganisatie.
Het beroepen vonnis moet worden bevestigd, maar om andere redenen.
V) Opheffing van de hypothecaire inschrijvingen:
De sanctie op het rechtsmisbruik is niet het verval van dat recht, maar enkel het herleiden ervan tot het normale gebruik ervan of het herstel van de schade die het misbruik heeft veroorzaakt.
Die sanctie moet tot doel hebben dat de misbruik opleverende handeling geen uitwerking krijgt.
In deze zaak leverde de hypothecaire inschrijving van 5 oktober 2010 misbruik op, zodat (de eiser) ertoe moet worden veroordeeld om ze op te heffen".
Grieven
Eerste onderdeel
Artikel 86 van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde bepaalt:
"Voor de invordering van de belasting, van de interesten en van de kosten heeft de Openbare Schatkist een algemeen voorrecht op alle inkomsten en op de roerende goederen van alle aard van de belastingschuldige, met uitzondering van de schepen en vaartuigen, en een wettelijke hypotheek op alle daarvoor vatbare en in België gelegen goederen van de belastingschuldige."
In haar commentaar vermeldt de administratie het volgende:
"Omstandigheden die de inschrijving van de wettelijke hypotheek rechtvaardigen
De ontvanger zal - telkens de belastingschuldige onroerende goederen bezit en niettegenstaande het bestaan van het algemeen voorrecht op de roerende goederen - de inschrijving van de wettelijke hypotheek vorderen. Dit zelfs in het geval wanneer de inschrijving als bewarende maatregel gerechtvaardigd is" (nr. 86/205).
"De inschrijving van de wettelijke hypotheek is in het bijzonder gerechtvaardigd:
1° wanneer wegens de aard van de werkzaamheid van de belastingschuldige; wegens zijn gedragingen; wegens het wankelen van zijn kredietwaardigheid of wegens iedere andere omstandigheid, de schuldvordering van de Schatkist gevaar loopt;
2° wanneer de belastingschuldige herhaaldelijk verzoekschriften of bezwaarschriften indient, die slechts tot doel hebben de betaling van ontegensprekelijk verschuldigde sommen te vertragen;
3° wanneer de belastingschuldige uitstel van betaling vraagt en bekomt" (nr. 86/206).
Uit de opzet van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde en inzonderheid uit de artikelen 85 en volgende kan worden afgeleid dat het door de wetgever nagestreefde doel de betaling van de belasting is, desnoods via dwangbevel en maatregelen van gedwongen tenuitvoerlegging:
"Artikel 85. § 1. Bij gebreke van voldoening van de belasting, interesten, administratieve geldboeten en toebehoren wordt door de met invordering belaste ambtenaar een dwangbevel uitgevaardigd".
Bovendien vloeit die plicht voort, enerzijds, uit de toepassing van artikel 66 van de gecoördineerde wetten op de Rijkscomptabiliteit, zoals het van toepassing was toen de wettelijke hypotheek werd ingeschreven, en dat luidde als volgt:
"Elke rekenplichtige is aansprakelijk voor de invordering van de kapitalen, inkomsten, rechten en belastingen, waarvan de inning hem is toevertrouwd.
Alvorens decharge te verkrijgen voor de niet-ingevorderde posten, moet hij doen vaststellen dat de niet-invordering geenszins aan zijn nalatigheid te wijten is en dat hij te bekwamer tijd alle nodige maatregelen getroffen en de nodige vervolgingen ingesteld heeft.
Wanneer een rekenplichtige in ontvangst bezwaard is, en de verschuldigde doch niet-ingeschreven sommen uit eigen middelen bijgepast heeft, treedt hij van rechtswege in de vorderingen en voorrechten van de Staat ten laste van de schuldenaars",
en, anderzijds, uit artikel 35 van de wet van 22 mei 2003 houdende organisatie van de begroting en van de comptabiliteit van de federale Staat, dat van toepassing is op de dag van het arrest dat luidt als volgt:
"Aan de diensten toebehorende gelden of waarden, met inbegrip van de vastgestelde rechten, mogen alleen in bezit worden gehouden onder de verantwoordelijkheid van een rekenplichtige die aan de rechtsmacht van het Rekenhof is onderworpen en aan wie het beheer van die activa wordt toevertrouwd door of krachtens een wet of verordening".
Artikel 49 van de wet van 31 januari 2009 betreffende de continuïteit van de ondernemingen bepaalt:
"Het plan vermeldt de voorgestelde betalingstermijnen en de verminderingen op de schuldvorderingen in de opschorting, in kapitaal en intresten. Het kan in de omzetting van schuldvorderingen in aandelen voorzien, alsook in een gedifferentieerde regeling voor bepaalde categorieën van schuldvorderingen, onder meer op grond van de omvang of van de aard ervan. Het plan kan eveneens in een maatregel voorzien voor de verzaking aan de interesten of de herschikking van de betaling ervan, alsook in de prioritaire aanrekening van de bedragen die zijn gerealiseerd op de hoofdsom van de schuldvordering.
Het plan kan ook de gevolgen evalueren die de goedkeuring van het plan zou meebrengen voor de betrokken schuldeisers.
Het kan ook bepalen dat geen schuldvergelijking mogelijk zal zijn tussen de schuldvorderingen in de opschorting en de schulden van de schuldeiser-titularis die zijn ontstaan na de homologatie. Een dergelijk voorstel kan niet gedaan worden met betrekking tot samenhangende vorderingen.
Wanneer de continuïteit van de onderneming een vermindering van de loonmassa vereist, wordt in een sociaal luik van het reorganisatieplan voorzien, voor zover over een dergelijk plan niet eerder was onderhandeld. In voorkomend geval kan het in ontslagen voorzien.
Bij de uitwerking van dit plan worden de vertegenwoordigers van het personeel in de ondernemingsraad, of, indien er geen is, in het comité voor preventie en bescherming op het werk, of, indien er geen is, de vakbondsafvaardiging of, indien er geen is, een werknemersafvaardiging gehoord."
Artikel 50 van dezelfde wet bepaalt, voor de buitengewone schuldeisers in de opschorting die houder zijn, als bedoeld in artikel 2, h), van dezelfde wet, van een buitengewone schuldvordering in de opschorting volgens de bewoordingen van de artikelen 2, c) en 2, d):
"Onverminderd de betaling van de interest die hen conventioneel of wettelijk op hun schuldvorderingen verschuldigd is, kan het plan in de opschorting voorzien van de uitoefening van de bestaande rechten van de buitengewone schuldeisers in de opschorting, voor een duur die vierentwintig maanden niet mag overschrijden vanaf het neerleggen van het verzoekschrift.
Het plan kan onder dezelfde voorwaarden in een buitengewone verlenging van die opschorting voorzien voor een termijn van maximum twaalf maanden. In dit geval bepaalt het plan dat bij het verstrijken van de eerste termijn die voor de opschorting is bepaald, de schuldenaar aan de rechtbank, nadat zijn schuldeiser is gehoord, het bewijs moet leveren dat de financiële toestand en verwachte inkomsten van de onderneming na het verstrijken van deze periode de integrale terugbetaling van de betrokken buitengewone schuldeisers in de opschorting redelijkerwijze mogelijk maken, en dat bij ontstentenis van dit bewijs de rechtbank beveelt dat een einde wordt gemaakt aan die opschorting.
Behoudens hun individuele toestemming of een minnelijk akkoord gesloten overeenkomstig artikel 15 of 43, waarvan een kopie is gevoegd bij het plan op het ogenblik van de neerlegging op de griffie, mag het plan geen enkele andere maatregel bevatten die de rechten van die schuldeisers aantast."
Uit dat artikel 50 volgt dat de buitengewone schuldeiser in de opschorting, onder voorbehoud van een opschorting van vierentwintig maanden - verlengbaar met twaalf maanden - te rekenen van de neerlegging van het verzoekschrift, aanspraak kan maken op de gehele terugbetaling van zijn schuldvordering.
De schuldvordering van de gewone schuldeisers in de opschorting daarentegen kan, overeenkomstig artikel 49 van die wet, worden verminderd.
Voornoemd artikel 49 bepaalt dat het plan van gerechtelijke reorganisatie melding maakt van de betalingstermijnen en van de voorgestelde verminderingen van schuldvorderingen in de opschorting in kapitaal en interest.
Aldus, en onder meer op die grond, heeft het Hof in zijn arrest van 30 juni 2011 (J.T., 2012, p. 131) het volgende beslist:
"Ainsi que les travaux préparatoires l'indiquent, il suit des articles 2 et 49 précités que les créances d'impôt sont, au sens de la loi, des créances sursitaires ordinaires auxquelles un plan de réorganisation peut imposer des abattements.
L'arrêt considère que ‘toute modification ou dérogation ne doit pas nécessairement être expresse ou explicite : elle peut résulter du texte de la loi qui emporte clairement modification ou dérogation' et, par référence aux travaux préparatoires de la loi précitée, qu'il s'agit d'une ‘modification des droits du fisc par rapport à la loi relative au concordat judiciaire' qui ‘a pour objectif d'assurer, dans le cadre des procédures visant au redressement de l'entreprise, et bien entendu sans préjudice aux sûretés et privilèges institués par la loi hypothécaire ou par des lois particulières, le traitement égal de tous les créanciers, qu'ils soient publics ou privés, et de faire en sorte que chacun de ces derniers apporte sa juste part au redressement de l'entreprise dans l'intérêt général'.
En homologuant sur la base de ces considérations le plan de réorganisation imposant au demandeur des abattements d'impôt, l'arrêt attaqué ne viole aucune des dispositions visées au moyen.
Le moyen ne peut être accueilli."
Het Hof is, volgens zijn vaste rechtspraak sinds zijn arrest van 10 september 1971, waarin het het algemeen karakter van rechtsmisbruik heeft aanvaard en bevestigd dat dit rechtsmisbruik niet uitsluitend voortvloeit uit de uitoefening van een recht met de intentie om schade te berokkenen, van oordeel dat "rechtsmisbruik bestaat in de uitoefening van een recht op een wijze die kennelijk de grenzen te buiten gaat van de normale uitoefening van dat recht door een voorzichtig en bedachtzaam mens; dit is inzonderheid het geval wanneer de veroorzaakte schade niet in verhouding staat tot het voordeel dat de houder van dat recht beoogt of verkregen heeft; bij de beoordeling van de voorhanden zijnde belangen, moet de rechter rekening houden met alle omstandigheden van de zaak" (Cass. 9 maart 2009, AC, nr. 182).
Voorts heeft het Hof in zijn arrest van 13 oktober 1965 (Pas., 1966, I, 204) beslist dat "le détournement de pouvoir, qui est une des formes de l'excès de pouvoir, est le fait d'une autorité qui, tout en accomplissant un acte de sa compétence, et en respectant les formes imposées par la loi, use de son pouvoir à des fins autres que celles en vue desquelles il lui a été conféré ; qu'il entache d'illégalité l'acte administratif au même titre que tout autre excès de pouvoir".
Het bestreden arrest ontzegt de eiser het voordeel van de wettelijke gevolgen van een hypothecaire inschrijving via een beroep op de theorie van het rechtsmisbruik (aanwending van het onroerend goed om de belasting te voldoen, als bedoeld in artikel 41 van de hypotheekwet en kenschetsing als buitengewone schuldvordering in de opschorting, als bedoeld in artikel 2, d), van de wet van 31 januari 2009 betreffende de continuïteit van de ondernemingen) op het tijdstip dat die maatregel het meest gepast lijkt, namelijk wanneer de invordering van zijn schuldvordering ernstig gevaar loopt.
Evenmin mag uit het oog worden verloren, zoals het Grondwettelijk Hof vaak heeft herhaald, dat de opbrengst van de belasting wordt aangewend voor overheidsuitgaven die zijn gericht op het algemeen belang (cf. onder meer arresten nr. 54/2006 van 19 april 2006 en nr. 107/2006 van 21 juni 2006), wat tal van maatregelen van fiscale invordering die afwijken van het gemeen recht heeft kunnen verantwoorden.
Aangezien de Belgische Staat, door wetten van openbare orde, verplicht is de verschuldigde belasting in te vorderen en de houder van een hypothecaire schuldvordering, in het kader van een procedure van gerechtelijke reorganisatie, in zijn hoedanigheid van buitengewone schuldeiser in de opschorting de gehele betaling van zijn schuldvordering kan vorderen, heeft het arrest, dat had overwogen dat "het hoofddoel van die inschrijving erin [bestond] de hoedanigheid van buitengewoon schuldeiser in de opschorting te verkrijgen en aldus te ontsnappen aan de maatregelen die kunnen worden opgelegd aan de gewone schuldeisers in de opschorting", de in het onderdeel vermelde bepalingen geschonden door te beslissen dat "de belastingadministratie het recht om zijn wettelijke hypotheek in te schrijven van zijn oorspronkelijke functie heeft afgewend en zich niet heeft gedragen als een normaal bedachtzame en omzichtige overheid die erop let de beginselen van behoorlijk bestuur na te leven, dat zou hebben gedaan" (schending van alle in het middel vermelde bepalingen, met uitzondering van artikel 149 van de Grondwet en miskenning van het algemeen beginsel van het recht van verdediging).
(...)
III. BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling
Eerste onderdeel
Rechtsmisbruik bestaat in de uitoefening van een recht op een wijze die kennelijk de grenzen te buiten gaat van de uitoefening van dat recht door een bedachtzaam en voorzichtig persoon; dat is inzonderheid het geval wanneer het recht wordt gebruikt voor een doeleinde dat geen verband houdt met dat waarvoor het recht werd toegekend; bij de beoordeling van de belangen die in het geding zijn, moet de rechter rekening houden met alle omstandigheden van de zaak.
Krachtens artikel 86 Btw-wetboek heeft de openbare schatkist, voor de invordering van de belasting, van de interesten en van de kosten een wettelijke hypotheek op alle daarvoor vatbare en in België gelegen goederen van de belastingschuldige.
Overeenkomstig artikel 85 van dat wetboek wordt, bij gebreke van voldoening van de belasting, door de met invordering belaste ambtenaar een dwangbevel uitgevaardigd en maakt de kennisgeving van dat dwangbevel het mogelijk inschrijving te nemen van de wettelijke hypotheek.
Die bepalingen strekken ertoe de invordering van de schuldvordering te waarborgen wanneer omstandigheden die met name voortvloeien uit de toestand of uit het gedrag van de belastingschuldige dat verantwoorden.
Artikel 2, d), van de wet van 31 januari 2009 betreffende de continuïteit der on-dernemingen bepaalt dat buitengewone schuldvorderingen in de opschorting die zijn welke gewaarborgd zijn door een bijzonder voorrecht of een hypotheek en de schuldvorderingen van de schuldeisers-eigenaars, terwijl, volgens artikel 2, e), van de wet, de andere schuldvorderingen gewone schuldvorderingen in de opschorting zijn.
Krachtens artikel 49, eerste lid, van dezelfde wet kan het plan, met betrekking tot de gewone schuldvorderingen in de opschorting, voorzien in verminderingen op de schuldvorderingen in kapitaal en interesten, alsook in een gedifferentieerde regeling voor bepaalde categorieën van schuldvorderingen, onder meer op grond van de omvang of van de aard ervan.
Krachtens artikel 50 van die wet kan het plan, onverminderd de betaling van de interest die hen conventioneel of wettelijk op hun schuldvorderingen verschuldigd is, in de opschorting voorzien van de uitoefening van de bestaande rechten van de buitengewone schuldeisers in de opschorting, voor een duur die vierentwintig maanden niet mag overschrijden vanaf het neerleggen van het verzoekschrift, welke duur desgevallend met twaalf maanden wordt verlengd.
Uit die bepalingen volgt dat daar waar het plan de gewone schuldeiser in de opschorting een vermindering van de schuldvordering kan opleggen, het de buitengewone schuldeiser in de opschorting slechts een in de tijd beperkt uitstel van de betaling van zijn volledige schuldvordering kan opleggen.
Het arrest stelt vast dat de eiser "een hypothecaire inschrijving heeft genomen na de neerlegging van het verzoekschrift tot gerechtelijke reorganisatie [van] 29 september 2010 maar vóór het vonnis dat [op] 14 oktober 2010 de gerechtelijke re-organisatie open verklaart".
Het overweegt dat "artikel 22 [van de wet] [...] niet verbiedt [...] dat hypothecaire inschrijvingen worden genomen" na de neerlegging van het verzoekschrift en dat "het tijdstip waarop de hoedanigheid van de schuldvordering moet worden beoordeeld, [...] de datum van het vonnis [is]", zodat de eiser een buitengewone schuldeiser in de opschorting is.
Het bestreden arrest vermeldt dat "de omstandigheid alleen dat [de eiser] gebruik heeft gemaakt van zijn recht om een hypothecaire inschrijving te nemen, zelfs na de neerlegging van het verzoekschrift, niet ipso facto [...]rechtsmisbruik op[levert], en [dat] het [...] aan [de verweerster] [staat] de omstandigheden te kenschetsen waardoor een dergelijke inschrijving misbruik zou opleveren", overweegt vervolgens dat "[de eiser] zich gehaast heeft om die inschrijving te doen, net omdat hij door [de verweerster] op de hoogte was gebracht van de neerlegging van het verzoekschrift tot reorganisatie [en dat] [...] het hoofddoel van die inschrijving erin [bestond] de hoedanigheid van buitengewoon schuldeiser in de opschorting te verkrijgen en aldus te ontsnappen aan de maatregelen die kunnen worden opgelegd aan de gewone schuldeisers in de opschorting".
Op grond van die redenen, waaruit volgt dat de eiser de hypothecaire inschrijving heeft genomen om de volledige betaling van zijn rechten te waarborgen veeleer dan in zijn hoedanigheid van gewone schuldeiser in de opschorting een vermindering van zijn schuldvordering te ondergaan, miskent het arrest, dat overweegt dat "[de eiser] het recht om zijn wettelijke hypotheek in te schrijven van zijn oorspronkelijke functie heeft afgewend", het algemeen rechtsbeginsel volgens hetwelk niemand van zijn recht misbruik mag maken.
In zoverre is het onderdeel gegrond.
Beschikkend gedeelte
Dictum
Het Hof,
Vernietigt het bestreden arrest;
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest;
Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over;
Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Luik.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter C.S. , de raadsheren … , en in openbare terechtzitting van 30 oktober 2014 uitgesproken door … .
Ondertekeningen
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.