Invoering van de belasting, werkingssfeer, vervolging, geding · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg Gent 28 mei 1997

Zoeken

Invoering van de belasting, werkingssfeer, vervolging, gedingBelasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/invoering-belasting-werkingssfeer-invoer-vervolging-rechtbank-gent-1997-05-28-d1ba

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Zetel
Gent
Datum
28 mei 1997

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

61 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Gent d.d. 28.05.1997

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het vonnis

Tekst van de beslissing

EERSTE KAMER - OPENBARE TERECHTZITTING VAN 28 MEI 1997

AR 91/3146/A/A

In de zaak van :

D. M., constructeur, wonende te …, …, thans wonende te …, …

eiser,

vertegenwoordigd door Meester M. en Meester D. L. H., advocaten te …, …

tegen :

DE BELGISCHE STAAT, Administratie der Belasting over de Toegevoegde Waarde, Registratie en Domeinen, vertegenwoordigd door de heer Ontvanger van het BTW-Ontvangkantoor te Gent 2

verweerder,

vertegenwoordigd Meester V. R. v. N. Ch., advocaat te …, …

VONNIS DE RECHTBANK ALS VOLGT :

In openbare terechtzitting werden de partijen gehoord in hun middelen en conclusies.

De stukken werden ingezien, inzonderheid de dagvaarding van 5.9.1991 waarbij de eiser verzet aantekent tegen de hem bij gerechtsdeurwaardersexploot van 26.6.1991 betekende dwangbevelen.

Het geschil betreft de wederinvoer door de eiser van België naar Nederland van het motorjacht type Valkkruiser genaamd “Pallieter" dit in de loop van 1986, nadat er in Nederland verfraaiïngswerken werden aan uitgevoerd voor een bedrag van 79.832,16 Nederlandse Gulden, exclusief de Nederlandse BTW.

Op 24 april 1997 werd het schriftelijk advies van de heer Ph. S., substituut, gespecialiseerd in fiscale aangelegenheden neergelegd op de griffie.

§. 1. Betreffende de rechtsgeldigheid van het dwangbevel

1. Het dwangbevel is een buitengerechtelijke akte die door de administratieve overheid wordt uitgevaardigd en is bedoeld om als uitvoerbare titel te dienen ter invordering van de belastingschuld.

De wet voorziet geen bijzondere vormvoorschriften. Het Wetboek BTW-oud, bepaalde enkel dat dit dwangbevel uitgevaardigd wordt door de met de invordering belaste ambtenaar en geviseerd en uitvoerbaar verklaard wordt door de Gewestelijke Directeur van de administratie van de BTW, Registratie en Domeinen (art. 85, § 1 wetboek BTW-oud).

Dat de rechtspraak het dwangbevel wel toetst aan het beginsel van de rechten van de verdediging : vereist is dat het dwangbevel het voorwerp en de oorzaak van de vordering op voldoende gemotiveerde wijze doet kennen aan de belastingplichtige om hem in staat te stellen de gegrondheid ervan te beoordelen (Cass., 2 december 1994, F.J.F. , 95/47; rechtbank Gent, 17 december 1992, R.W. 1992-93, 1379).

Het dwangbevel, voorwerp van de onderhavige verzetprocedure, voldoet aan die vereiste, nu het dwangbevel een duidelijke motivering laat kennen die van dien aard is dat de eiser in de mogelijkheid wordt gesteld om zich voor de rechtbank afdoende te verdedigen.

2. De kennisgeving van een dwangbevel gebeurt bij een ter post aangetekende brief, of bij gerechtsdeurwaardersexploot, met bevel tot betaling (art. 85, §§ 1 en 3 W.BTW-oud). In verband met de kennisgeving of de betekening van het dwangbevel, is in de fiscale wetten geen bijzondere bepaling terug te vinden. Het gemeen recht is ter zake van toepassing (art. 2 Ger. W.).

3. Noch het artikel 85 Wetb. BTW, noch de artikelen 32, 1°, 43 en 45 Ger. W., noch het algemeen rechtsbeginsel van de rechten van de verdediging schrijven voor dat het door de gerechtsdeurwaarder aan de belastingplichtige overhandigde afschrift van het betekende dwangbevel de originele handtekeningen dient te bevatten.

Het feit dat het bij deurwaardersexploot betekende afschrift van het dwangbevel voor echt verklaard is door de ontvanger der BTW de belastingplichtige, biedt de waarborg dat de originelen van het dwangbevel voorzien zijn van de handtekeningen van de onderscheiden ambtenaren. De vermelding door deze ambtenaar in de uitoefening van zijn taak dat hij de gelijkluidendheid heeft vastgesteld van het origineel met het door hem gewaarmerkt afschrift - geldt als afdoende bewijs van de conformiteit ervan, zolang zijn vermelding niet van valsheid is beticht (zie rechtbank, Gent, 17 december 1992, o.c.).

§ 2 Met betrekking tot de betekening van het proces-verbaal

Ofschoon de wet er niets over zegt, wordt aangenomen dat indien een dwangbevel steunt op een proces-verbaal, dit proces-verbaal ook ter kennis van de belastingplichtige moet worden gebracht, hetgeen doorgaans, maar niet noodzakelijk, gelijktijdig met de kennisgeving van het dwangbevel gebeurt (Vandeberghe H., Taxatie en verweer inzake BTW, 1986, 79; Tiberghien, Handboek voor fiscaal recht, 1995, nr. 5601).

Dat de eiser wel degelijk kennis kreeg van het proces-verbaal van de administratie der douane en accijnzen van 04.12.1989.

Het feit derhalve dat het betreffende proces-verbaal voor echt werd verklaard door de hoofdcontroleur biedt de eiser voldoende waarborgen voor, en geldt als afdoende bewijs van de conformiteit ervan; zolang zijn vermelding niet van valsheid is beticht.

§ 3. Met betrekking tot de grond van de zaak

1. Krachtens de artikelen 3 en 23 Wetb. BTW-oud was invoer van goederen aan de belasting onderworpen, ongeacht door wie de invoer werd gedaan. De belasting was verschuldigd door het louter materiële feit goederen over de Belgische grens in land te brengen.

Dat Nederland tot 31.12.1992 inzake BTW werd beschouwd als het buitenland en dat vervoer van Nederland naar België van goederen tot dan onderworpen was aan de BTW bij invoer.

2. Dat terzake de administratie van de BTW haar taxatie baseerde op het artikel 27 van het KB nr. 7 van 27 december 1977 met betrekking tot de invoer van goederen voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde (BS 31 december 1977), zoals van toepassing tot 31.12.1992.

De eiser verdedigt de stelling dat het artikel 27 van het KB nr. 7 van 27 december 1977, het artikel 14, lid 1, sub f van de zesde BTW-richtlijn, zoals gewijzigd door de Richtlijn van de Raad van 16 december 1991 (P.B.L. 1991, 376), miskent.

Het artikel 14, zoals van toepassing op het ogenblik van de invoer luidde als volgt :

"14. Vrijstellingen bij invoer.

Onverminderd andere communautaire bepalingen verlenen de Lid-Staten vrijstelling voor de volgende handelingen onder de voorwaarden die zij vaststellen om een juiste en eenvoudige toepassing van de betreffende vrijstellingen te verzekeren en alle fraude, ontwijking en misbruik te voorkomen.

f) de wederinvoer van roerende lichamelijke zaken door degene die ze heeft uitgevoerd, of door een derde voor zijn rekening, wanneer deze zaken in een andere lid-staat een bewerking hebben ondergaan die is belast zonder dat er zake recht op aftrek of teruggaaf is ontstaan;

…

De Commissie dient zo spoedig mogelijk bij de raad voorstellen in om communautaire belastingsregels vast te stellen waarbij de werkingssfeer en de wijze van toepassing van de in lid 1 bedoelde vrijstellingen nader worden omlijnd.

Totdat deze regels in werking treden, kunnen de lidstaten :

- de vigerende nationale voorschriften in het kader van de bovenstaande bepalingen blijven toepassen;

- voornoemde nationale voorschriften aanpassen, teneinde concurrentievervalsing en met name het niet of dubbel heffen van belasting over de toegevoegde waarde binnen de Gemeenschap te beperken;

- de administratieve procedures gebruiken die zij het meest geschikt achten om tot vrijstelling te komen.

De Lid-Staten stellen de Commissie in kennis van de maatregelen die zij krachtens de voorgaande bepalingen hebben genomen of zullen nemen; de Commissie brengt de overige Lid-Staten daarvan op de hoogte.

Dat het artikel 14, lid 1, sub f derhalve uitvoeringsmaatregelen eist. Dat de Raad echter geen uitvoering verleende aan het artikel 14, lid 1, sub f. Dat aldus, bij wijze van overgangsmaatregel, het artikel 14, lid 2 dient te worden toegepast.

De richtlijnen hebben in beginsel geen directe werking; zij moeten worden omgezet in nationale wetgeving.

In alle gevallen waarin de bepalingen van de richtlijn voldoende precies en onvoorwaardelijk zijn, kunnen deze bepalingen worden ingeroepen, bij gebrek aan toepassingsmaatregelen genomen binnen de voorgeschreven termijn, of tegen elke nationale bepaling welke ermee in strijd is of nog voor zover zij rechten scheppen welke de burgers tegen de overheid kunnen laten gelden. (VANDEBERGH, H., Het BTW-handboek, 1995, 531 en de aldaar geciteerde rechtspraak).

Dat het lid 2 van het artikel 14 van de Richtlijn aan de Lid-Staten slechts een mogelijkheid verleent en geen verplichtingen oplegt, hetgeen duidelijk blijkt uit het woord “kunnen”.

De eiser kan zich aldus niet rechtstreeks beroepen op het artikel 14, lid 1, sub. f van de zesde richtlijn, bij gebrek aan directe werking.

Dat de vraag van de eiser om terzake een preliminaire vraag te stellen aan het Europees Hof dan ook zonder enig praktisch nut is.

Beschikkend gedeelte

OM DEZE REDENEN,

DE RECHTBANK, OP TEGENSPRAAK

met inachtneming van de artikelen 2, 37 en 41 van de wet van 15 juni 1935.

Ontvangt de vordering, doch wijst ze af als ongegrond.

Veroordeel t de eiser tot de kosten van het geding, in hoofde van de verweerder begroot op 12.300 F rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting op achtentwintig mei negentienhonderd zevenennegentig door de eerste burgerlijke kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Gent, samengesteld uit :

J.-F. C., ondervoorzitter,

A. V. W., griffier.

A. V. W. J.-F. C.

Aangehaalde teksten

2

Vergelijkbare beslissingen

8