Fiche van de FOD Financiën
Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Leuven d.d. 14.09.2012
Samenvatting niet beschikbaar
Tekst van het vonnis
Tekst van de beslissing
RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG ..., AFDELING BURGERLIJKE RECHTBANK - twaalfde kamer
14 september 2012
EINDVONNIS
(op tegenspraak)
Rol nr. : 10/19/A
In de zaak van :
S. L., vertegenwoordigd door haar College van Burgemeester en Schepenen met burelen te .., ….
eiseres,
ter zitting vertegenwoordigd door meester V. loco meester B., advocaat te …, … en meester S., advocaat te …, ….
tegen :
BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, in de persoon van de inspecteur van het BTW-Ontvangkantoor, met kantoren te 3001 ... (Heverlee), Philipssite 3A bus 2.
verweerder,
ter zitting vertegenwoordigd door meester C., advocaat te …, ….
1. Procedure
De bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken werden nageleefd.
De rechtbank nam onder meer kennis van :
- het verzoekschrift op tegenspraak op 7 januari 2010 ter griffie neergelegd;
- de neergelegde conclusies en stukken;
- de overige stukken van het rechtsplegingsdossier.
De advocaten van partijen werden gehoord op de openbare zittingen van 3 juni 2011 en 1 mei 2012, waarna de zaak in beraad werd genomen.
2. De feiten
De stad … is sinds 1 januari 1971 BTW-belastingplichtige.
Op 20 december 2005 heeft de stadsontvanger een aangifte tot wijziging van een identificatie ingediend wegens het aanvangen van een nieuwe werkzaamheid, namelijk het opvangen en transporteren van afvalwater, en dit met ingang van 1 januari 2005.
ln verband met de aanvang van de belastingplicht van de stad …, en de aftrek van de BTW voor goederen en diensten aan de stad … verleend voor het jaar 2005 werd een proces-verbaal opgesteld door de BTW-administratie op 25 november 2008 en werd reeds een procedure gevoerd voor deze rechtbank.
Op 26 november 2009 heeft G. V., eerstaanwezend inspecteur-diensthoofd bij de administratie van de BTW, registratie en domeinen ter beschikking gesteld van de AOIF, verbonden aan het controlecentrum ..., proces-verbaal opgesteld. Dit proces-verbaal behandelt de aftrek van de "historische" BTW. De aftrek van de BTW met betrekking tot de jaren vóór 2006 wordt door de administratie geweigerd. Tevens werd vastgesteld dat voor werken uitgevoerd door het personeel van de technische dienst van de stad … met betrekking tot het aansluiten van privé-woningen op het rioleringsnetwerk door de stad … het tarief van 6 % werd toegepast in plaats van 21 % en wordt hiervoor … euro BTW gevorderd.
Op 8 december 2009 werd door G. M., waarnemend eerstaanwezend inspecteur van het BTW-ontvangkantoor van ... een dwangbevel uitgevaardigd, dat op 16 december 2009 uitvoerbaar werd verklaard.
Volgens dit dwangbevel is … euro verschuldigd als BTW, … euro als boete en … euro als reeds vervallen intrest.
3. De vorderingen
De stad … vordert te zeggen voor recht dat zij voor het opvangen en transporteren van afvalwater BTW-belastingplichtige is vanaf 1 januari 2005, het dwangbevel van 8 december 2009 te vernietigen, te zeggen voor recht dat de erin vermelde bedragen niet verschuldigd zijn, minstens de administratieve boete kwijt te schelden en de Belgische Staat te veroordelen tot terugbetaling van alle bedragen die uit hoofde van dit dwangbevel ten onrechte werden geïnd, te verhogen met de wettelijke en gerechtelijke intresten.
4. Beoordeling
1. Met betrekking tot de vraag vanaf wanneer de stad … BTWbelastingplichtige is voor het opvangen en transporteren van afvalwater heeft de rechtbank zich reeds uitgesproken in het vonnis van 14 januari 2011.
Het gezag van gewijsde van deze beslissing mag door de rechtbank niet ambtshalve worden ingeroepen (artikel 27, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek).
Beide partijen herhalen echter gewoon hun argumenten zoals zij deze reeds in de vorige procedure hebben ontwikkeld, zonder dat zij aandacht besteden aan de inhoud van het vonnis van 14 januari 2011 en zonder dat zij de motieven van de rechtbank in dit vonnis bespreken, laat staan bekritiseren.
De rechtbank herneemt de motieven, die zij reeds weergegeven heeft in het vonnis van 14 januari 2011.
2. Op de belasting die hij verschuldigd is, mag elke belastingplichtige in aftrek brengen de belasting geheven van de aan hem geleverde goederen en verleende diensten in de mate dat hij die goederen en diensten gebruikt voor het verrichten van belaste handelingen (artikel 45, § 1, 1° BTW-Wetboek).
Belaste handelingen zijn de leveringen van goederen en de diensten die door een als zodanig handelende belastingplichtige onder bezwarende titel worden verricht (artikel 2, eerste lid, BTW-Wetboek).
3. Verweerder voert aan dat de stad … beslist had om vanaf 1 januari 2005 in te staan voor het inzamelen en transporteren van afvalwater, zonder daar een vergoeding voor aan te rekenen aan de Vlaamse Maatschappij voor Watervoorziening. Pas op 28 november 2005 besliste de stad … om vanaf 1 januari 2006 deze diensten onder bezwarende titel te verrichten. Aangezien deze diensten vóór 1 januari 2006 niet onder bezwarende titel werden verricht is er geen sprake van belaste handelingen, en is er geen recht van aftrek.
Later werd dan beslist om een vergoeding te vragen vanaf 1 januari 2005. De diensten waren toen al voltooid en - aldus nog steeds verweerder - de gemeente kan niet met terugwerkende kracht deze dienst aan de BTW-heffing onderwerpen en als een belaste handeling beschouwen.
4. De stad ... betwist niet dat zij slechts recht op aftrek kan laten gelden op voorwaarde dat zij de aan haar geleverde goederen en verleende diensten gebruikt voor het verrichten van belaste handelingen, dit wil zeggen dat zij de dienst levert ten bezwarende titel.
De stad ... voert aan dat zij wel degelijk vanaf 1 januari 2005 tegen een welbepaalde prijs een dienst levert aan de drinkwatermaatschappij.
5. Op 30 juni 2005 werd tussen de stad ... en de Vlaamse Maatschappij voor Watervoorziening (VMW) een overeenkomst afgesloten in uitvoering van het gemeenteraadsbesluit van 27 juni 2005.
In de aanhef van deze overeenkomst wordt overwogen dat de gemeente ... haar gemeentelijke saneringsplicht volledig zelf wil blijven uitvoeren en tot en met 31 december 2005 geen kosten voor de riolering wenst door te rekenen aan de VMW. De overeenkomst bepaalt dat de gemeente ... belast wordt met de sanering op gemeentelijk vlak van het door de VMW aan haar abonnees geleverde water op het grondgebied van de gemeente en dat de gemeente ..., tot een andersluidende gemeenteraadsbeslissing wordt genomen, geen kosten zal doorrekenen aan de VMW voor de afvoer van het door de VMW geleverde drinkwater via de riolering en dat de VMW bijgevolg, tot een andersluidende gemeenteraadsbeslissing wordt genomen, ook geen bijdrage voor de gemeentelijke saneringsplicht aan haar abonnees zal doorrekenen: in haar tarieven.
De overeenkomst wordt aangegaan voor onbepaalde duur met ingang van 27 juni 2005, datum van de gemeenteraadsbeslissing.
Op 13 december 2005 wordt tussen de stad ... en de VMW een nieuwe overeenkomst afgesloten. Deze overeenkomst bepaalt dat de stad ... en de VMW overeenkomen dat de VMW met ingang van 1 januari 2006 aan haar abonnees een bijdrage voor het opvangen en transporteren van het afvalwater naar de collectoren van NV Aquafin zal aanrekenen. De VMW geeft opdracht aan de stad ..., die aanvaardt, het afvalwater op te vangen en te transporteren naar de collectoren van Aquafin. De VMW rekent aan haar abonnees op het grondgebied ... een bijdrage voor de opvang en transport van het afvalwater naar de collectoren van Aquafin en zal de nettoopbrengst van deze bijdragen aanwenden voor de vergoeding van de door de stad ... aan de VMW geleverde diensten.
De overeenkomst treedt in werking op 1 januari 2006.
De gemeenteraad van de stad ... had op 28 november 2005 kennis genomen van het ontwerp van deze overeenkomst en heeft dit ontwerp toen goedgekeurd.
Op 18 december 2006 wordt tussen de stad ... en de VMW een nieuwe overeenkomst afgesloten. Deze overeenkomst bepaalt dat zij de overeenkomsten van 30 juni 2005 en 13 december 2005 vervangt. Deze overeenkomst bepaalt nog steeds dat de stad ... zal zorgen voor de opvang en transport van het afvalwater. De VMW zal aan haar abonnees een bijdrage voor het opvangen en transporteren van het afvalwater aanrekenen "uiterlijk 1 januari 2005”. De overeenkomst bepaalt dat de stad ... via het systeem "derde betaler" kan betalen voor de abonnees en de eigen waterwinners (de verbruikers). Dit systeem zal worden toegepast vanaf 1 januari 2005 en dit voor onbepaalde duur. De gemeente kan via een beslissing van de gemeenteraad een einde stellen aan het systeem van derde betaler en dit vanaf het boekjaar volgend op de beslissing van de gemeenteraad. Als vergoeding van de door de stad ... verrichte activiteit is de VMW aan de stad een vergoeding verschuldigd van de in dat jaar aan de verbruikers te factureren bijdragen, verminderd met het percentage dat de VMW inhoudt als vergoeding voor haar administratieve dienstverlening. Dit percentage bedraagt 5 %, of slechts 1 % als toepassing gemaakt wordt van de derde betalersregeling.
Deze overeenkomst treedt in werking op 1 januari 2005 en wordt gesloten onder de opschortende voorwaarde van de goedkeuring ervan door de gemeenteraad.
De gemeenteraad van de stad ... nam op de zitting van 18 december 2006 kennis van het ontwerp van deze overeenkomst en keurde het ontwerp op die datum goed.
6. Uit het overzicht van de door de gemeenteraad genomen beslissingen en de verschillende afgesloten overeenkomsten blijkt dat de stad ... in 2005 geen belaste handelingen heeft gesteld met betrekking tot het opvangen en het transporteren van het afvalwater.
Op 27 juni 2005 en 28 november 2005 besliste de gemeenteraad nog dat voor 2005 geen vergoeding zou gevraagd worden voor het opvangen en transporteren van het afvalwater. Op 28 november 2005 werd beslist dat de VMW vanaf 1 januari 2006 een bijdrage voor het opvangen en transporteren van het afvalwater zou aanrekenen aan de verbruikers, en aan de stad ... een vergoeding zou betalen voor de door de stad ... verrichte diensten. Pas vanaf 1 januari 2006 worden belaste handelingen verricht.
7. De overeenkomst van 18 december 2006 kan daaraan niets veranderen. Deze overeenkomst werd afgesloten één jaar nadat de dienst geleverd werd. Op het ogenblik dat de dienst in 2005 geleverd werd bepaalde de overeenkomst dat de VMW of de gebruikers hiervoor geen vergoeding dienden te betalen. De overeenkomst van 18 december 2006 heeft hier in feite geen verandering in gebracht.
Het principe van de overeenkomst is dat de vergoeding waarop de stad ... recht heeft voor de door haar verrichte prestaties betaald wordt door de verbruikers. De bijdrage van de verbruikers wordt gefactureerd en geïnd door de VMW. De VMW is aan de stad ... een vergoeding verschuldigd gelijk aan de bijdragen die de verbruikers moeten betalen, verminderd met een percentage voor debiteurenrisico en administratiekosten.
In december 2006 kon voor 2005 geen bijdrage meer gevorderd worden van de verbruikers. Voor 2005 ontving de stad ... dan ook geen vergoeding voor de door haar verleende diensten. De overeenkomst van 18 december 2006 bepaalt uiteindelijk dat de stad ... aan zichzelf de vergoeding betaalt voor de door haar verrichte diensten. De stad ... betaalt als derde betaler aan de VMW, die dit bedrag, onder aftrek van een percentage voor administratiekosten, terugbetaalt aan de stad .... Dergelijke transactie is geen dienstverlening ten bezwarende titel.
8. Op 28 november 2005 werd beslist dat de VMW vanaf 1 januari 2006 een bijdrage voor het opvangen en transporteren van het afvalwater zou aanrekenen aan de verbruikers, en aan de stad ... een vergoeding zou betalen voor de door de stad ... verrichte diensten.
Vanaf die datum heeft de stad ... ondubbelzinnig de bedoeling geuit om belastbare handelingen te verrichten inzake het inzamelen en afvoeren van afval water en heeft zij voor deze activiteit de hoedanigheid van BTW-belastingplichtige.
9. De stad ... voert aan dat zij recht heeft op herziening van de historische BTW. Hiermee wordt de aftrek bedoeld van de BTW die betaald werd op bedrijfsmiddelen, die aangekocht werden toen de stad ... nog geen BTW-belastingplichtige was voor het inzamelen en afvoeren van afvalwater en die gebruikt worden voor de belastbare handelingen nadat de stad ... BTW-belastingplichtige geworden is voor deze activiteit.
10. Artikel 45, § 1, 1°, BTW-Wetboek bepaalt dat de belastingplichtige op de belasting die hij verschuldigd is in aftrek mag brengen de belasting geheven van de aan hem geleverde goederen en verleende diensten, van de door hem ingevoerde goederen en de door hem verrichte intracommunautaire verwervingen van goederen, in de mate dat hij die goederen en diensten gebruikt voor het verrichten van belaste handelingen.
Het recht op aftrek ontstaat op het ogenblik dat de belasting opeisbaar wordt (artikel 2 Koninklijk Besluit nr. 3, van 10 december 1969, met betrekking tot de aftrekregeling voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde).
Artikel 48 BTW-Wetboek bepaalt dat deze aftrek in bepaalde omstandigheden kan worden herzien.
11. Deze wettelijke bepalingen dienen geïnterpreteerd te worden rekening houdend met de rechtspraak van het Europees Hof van Justitie.
Het Europees Hof van Justitie besliste bij arrest van 2 juni 20051 dat enkel degene die belastingplichtige is en die als zodanig handelt op het tijdstip waarop hij een goed aanschaft, voor dat goed een recht op aftrek heeft en de verschuldigde of voldane BTW over dat goed mag aftrekken indien hij het voor zijn belaste handelingen gebruikt2. Een niet-belastingplichtige heeft daarentegen geen recht op aftrek van de BTW die hij eventueel over de aanschaf van een goed heeft voldaan3. Dit geldt ook voor de overheid die optreedt als niet-belastingplichtige en het feit dat deze overheid daarna als BTWbelastingplichtige handelt kan niet tot gevolg hebben dat de BTW die deze overheid over de als overheid verrichte - en dus niet belaste - handelingen heeft betaald, aftrekbaar wordt4.
12. De Belgische wetgeving5 dient dan ook geïnterpreteerd te worden zodat deze in overeenstemming is met het Europees recht. Deze Belgische wetgeving houdt in dat enkel de BTW die een BTW-belastingplichtige betaalt op het ogenblik dat hij BTW-belastingplichtige is, voor aftrek en dus voor eventuele herziening in aanmerking komt. Op grond van artikel 48 BTW-Wetboek6 kan echter geen recht op aftrek in leven worden geroepen en kan evenmin aan de belastingplichtige het recht worden toegekend de door hem in verband met zijn niet-belaste handelingen betaalde belasting om te zetten in aftrekbare belasting7.
De historische BTW die door de stad ... betaald werd komt derhalve niet voor aftrek in aanmerking.
___
1 Hof van Justitie, zaak C-378/02 Waterschap Zeeuws Vlaanderen, http://curia.europa.eu/juris
2 Randnummer 32 van dit arrest
3 Randnummer 33 van dit arrest
4 Randnummer 40 van dit arrest
5 Zie hierboven randnummer 10
6 Dat bepaalt dat de aftrek onder bepaalde voorwaarden kan worden herzien
7 Randnummer 38 van het arrest van het Hof van Justitie 2 juni 2005
13. De stad ... verwijst naar artikel 21, tweede lid, 3° van het Koninklijk Besluit nr. 3 van 10 december 1969. Dit artikel bepaalt dat door of vanwege de Minister van Financiën de wijze van herziening van de aftrek wordt bepaald wanneer een nietbelastingplichtige een belastingplichtige wordt met recht op aftrek.
14. Hierboven heeft de rechtbank reeds geoordeeld krachtens de wet de belastingplichtige recht heeft op aftrek op het ogenblik dat dit recht ontstaat. Dit is op het ogenblik dat de belasting opeisbaar wordt. De wettelijke bepaling met betrekking tot het recht op herziening staat niet toe dat een recht op aftrek in leven wordt geroepen.
De Koning, en a fortiori de Minister, kunnen dan ook niet, in strijd met deze bepalingen, een recht op aftrek doen ontstaan voor een niet-belastingplichtige op het ogenblik dat hij belastingplichtige wordt voor BTW die betaald werd toen betrokkene nog geen BTW-belastingplichtige was.
15. De stad ... verwijst naar de beslissing E.T. 18.235 van 10 november 1976. Volgens deze beslissing kan een BTW-belastingplichtige die als bedrijfsmiddel een goed gebruikt, dat hij heeft verkregen en gebruikt op een tijdstip waarop hij nog niet de hoedanigheid van belastingplichtige bezat, een gedeelte van de BTW geheven bij de verkrijging van het goed in aftrek brengen.
16. Deze beslissing is in strijd met de Belgische wetgeving. De rechtbank moet de Belgische wetgeving toepassen en niet een administratieve beslissing die ermee in strijd is.
17. Deze beslissing werd trouwens met ingang van 1 juli 2005 door de administratie ingetrokken8.
De discussie over de retroactieve toepassing van deze beslissing van 20 december 2005 is echter niet relevant. De rechtbank is van oordeel dat zij de wet, en niet de beslissing E.T. 18.235 van 10 november 1976 dient toe te passen. Ook zonder de beslissing van 20 december 2005 moet de rechtbank de toepassing van de beslissing van 10 november 1976 weigeren, omdat deze in strijd is met de wet.
18. De stad ... voert aan dat het dwangbevel de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, met name het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel schendt.
19. Er kan slechts sprake zijn van een gewettigd vertrouwen in hoofde van de belastingplichtige indien deze te goeder trouw de mening kon zijn toegedaan dat zijn handelwijze in overeenstemming met de wet was. De handelwijze van de administratie moet bij een normaal, voorzichtige en redelijke belastingplichtige het vertrouwen gewekt hebben dat hij handelde in overeenstemming met de wet.
___
8 Beslissing nr. E.T. 110.412 van 20.12.2005
Sedert het arrest van 2 juni 2005 van het Hof van Justitie is het duidelijk dat de administratie de wet verkeerd toepaste en kan de belastingplichtige niet meer te goeder trouw van mening zijn dat hij toch recht heeft op aftrek van de BTW die hij betaald heeft op het ogenblik dat hij nog geen BTW-belastingplichtige was. Het dictum van dit arrest werd gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie van 3 september 2005, dit is ruim voordat de stad ... BTW-belastingplichtige geworden is9.
20. Op het ogenblik dat de stad ... BTW-belastingplichtige geworden is kon er in hoofde van de stad ... geen gewettigd vertrouwen bestaan dat zij de historische BTW nog kon aftrekken.
Het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel werden niet geschonden.
21. De stad ... voert aan dat de administratie een fout beging in de zin van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek. Zij werd door de administratie op het verkeerde been gezet door de publicatie van de beslissing van 10 november 1976 en de jarenlange toepassing ervan. De schade die zij hierdoor lijdt is gelijk aan het bedrag van de nagevorderde BTW-schuld.
22. Afgezien van de vraag of de administratie een fout beging, bewijst de stad ... niet dat zij schade geleden heeft door de houding van de administratie.
Indien de administratie immers de beslissing van 10 november 1976 niet zou gepubliceerd hebben, en de BTW-aftrek zoals in deze beslissing weergegeven nooit zou aanvaard hebben, zou de stad ... in dezelfde toestand verkeerd hebben als deze waarin zij zich thans bevindt : de BTW-aftrek kan niet aanvaard worden. Er is dus geen schade.
23. De administratie vordert ook een bedrag van … euro.
Personeel van de technische dienst van de stad ... heeft werken uitgevoerd met betrekking tot het aansluiten van privé-woningen op het rioleringsnetwerk. Voor deze diensten is in principe het normale BTW-tarief van 21 % van toepassing. Onder bepaalde voorwaarden is het verlaagd tarief van 6 % van toepassing. De stad ... heeft het tarief van 6 % toegepast. Volgens de administratie gebeurde dit ten onrechte omdat niet voldaan was aan de volgende voorwaarden :
- de diensten werden niet verricht door een geregistreerde aannemer;
- er werden geen attesten voorgelegd ter rechtvaardiging van de toepassing van het verlaagd tarief.
___
9 Zie randnummer 8
24. De stad ... voert aan dat de verplichting dat de werken door een geregistreerde aannemer moeten worden uitgevoerd in strijd is met het beginsel van de fiscale neutraliteit en het Europees beginsel van het vrij verkeer van diensten. Verder voert de stad ... aan dat de omstandigheid dat geen attesten werden voorgelegd te wijten is aan ovennacht en aan de precieze omstandigheden van de uitgevoerde dienstprestaties. Zij zegt dat zij alsnog deze attesten voorlegt.
In ondergeschikte orde voert de stad ... aan dat zij het gevorderde bedrag onder voorbehoud van haar rechten en zonder enige nadelige erkenning inmiddels heeft opgenomen in de BTW-aangifte over de maand november 2009.
25. Verweerder dringt niet verder aan wat de voorwaarde betreft dat de werken door een geregistreerde aannemer moeten worden uitgevoerd.
Verweerder erkent dat hij van de stad ... tien attesten ontving. Het voor deze handelingen geraamde bedrag, exclusief BTW, bedraagt … euro. In het procesverbaal is echter openomen dat het verlaagd tarief van 6 % ten onrechte werd toegepast voor een totaal bedrag van … euro. Verweerder gaat ermee akkoord dat op basis van de voorgelegde attesten de BTW en de boete dient aangepast te worden.
Voor de werken waarvoor geen attest werd voorgelegd blijft verweerder op zijn standpunt staan dat het tarief van 21 % moet toegepast worden zodat 15 % te weinig aangerekende BTW verschuldigd blijft.
26. De stad … bewijst niet meer attesten te hebben overgelegd dan voor werken uitgevoerd voor een bedrag van … euro exclusief BTW, terwijl in het proces-verbaal vermeld wordt dat het tarief van 6 % werd toegepast op een totaal bedrag van … euro. Op dit verschil werd dan ook 15 % te weinig BTW aangerekend.
27. Anderzijds betwist de administratie nergens dat de stad ... het gevorderde bedrag reeds heeft opgenomen in de BTW-aangifte over de maand november 2009.
Gelet op deze regularisatie werd het dwangbevel dan ook ten onrechte uitgevaardigd voor deze te weinig aangerekende BTW en de boete hierop.
28. In het dwangbevel wordt een boete gevorderd van … euro. Een dergelijke boete heeft een strafrechtelijk karakter.
Dezez boete heeft slechts voor … euro betrekking op het ten onrechte toepassen van het tarief van 6 %. Voor het overige heeft deze boete betrekking op de betwisting met betrekking tot de aftrek van de historische BTW.
De betwisting met betrekking tot de aftrek van de historische BTW heeft een principieel karakter. In een aantal vonnissen werd de administratie in het ongelijk gesteld. De stad ... heeft dan ook het recht deze betwisting voor te leggen aan de rechtbank en dit recht tot toegang tot de rechter mag niet belemmerd worden door het opleggen aan de rechtbank en dit recht tot toegang tot de rechter mag niet belemmerd worden door het opleggen van een boete met een strafrechtelijk karakter.
Het behoort dan ook deze boete te vernietigen.
29. Beide partijen worden deels in het ongelijk gesteld. De rechtbank verleent de kosten zoals hierna bepaald.
Beschikkend gedeelte
4. Uitspraak
Dit vonnis wordt gewezen op tegenspraak en in eerste aanleg.
De vordering is ontvankelijk en gegrond als volgt.
De rechtbank vernietigt het bestreden dwangbevel in de mate dat hierin … euro gevorderd wordt aan BTW wegens ten onrechte toepassing van het verlaagd BTW-tarief van 6 %, de intrest op dit bedrag en dat een boete gevorderd wordt van … euro.
Voor het overige is de vordering ongegrond.
De rechtbank veroordeelt de stad ... tot drie vierde en de Belgische Staat tot één vierde van de kosten. Deze kosten worden voor elke partij vastgesteld op … euro (rechtsplegingsvergoeding).
Dit vonnis is uitgesproken tijdens de gewone en openbare terechtzitting van de 12de kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven op 14 september 2012.
De zetel is als volgt samengesteld :
L. W., ondervoorzitter, alleenzetelend rechter
M. L’E., griffier.
M. L’E. L. W.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.