Fiche van de FOD Financiën
Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Gent d.d. 09.10.2012
Samenvatting niet beschikbaar
Tekst van het vonnis
Tekst van de beslissing
RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE GENT - ZESDE FISCALE KAMER - OPENBARE TERECHTZITTING VAN 9 OKTOBER 2012
Rolnummer AR 10/2198/A
In de zaak van :
De BVBA C. D. B., met maatschappelijke zetel te …, …, met ondernemingsnummer …;
eiseres,
vertegenwoordigd door Mter. M. D. B., advocaat, kantoorhoudende te …, …;
tegen :
De BELGISCHE STAAT, FOD Financiën, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, wiens burelen gevestigd zijn te 1000 Brussel, Wetstraat 12, Administratie van de BTW, registratie en domeinen, in de persoon van de heer wnd. E.a. Inspecteur van het BTW-Ontvangkantoor te Aalst, met kantoren gevestigd te 9300 Aalst, Graanmarkt 1;
verweerder,
vertegenwoordigd door Mter. B. W., advocaat, kantoorhoudende te …, …;
Vonnist de rechtbank als volgt :
1. De rechtspleging
De partijen werden gehoord in hun middelen op de openbare terechtzitting van 11 september 2012 waarna het debat gesloten werd en de zaak in beraad genomen. Het dossier van de rechtspleging en de overtuigingsstukken werden ingezien in het bijzonder het geding inleidende verzoekschrift d.d. 16 juni 2010 en de conclusies van de partijen.
2. De vordering
De eiseres verhaalt zich tegen het dwangbevel inzake BTW met artikelnummer …, zoals geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de heer L. V. M., E.a. Inspecteur van de BTW-Controle Dendermonde 1 en uitgevaardigd te Aalst door de E.a. Inspecteur a.i.-Ontvanger de heer B. M., en aan de eiseres ter kennis gebracht bij aangetekend schrijven d.d. 19 april 2010.
De eiseres vordert de vernietiging van de bestreden dwangbevel, de terugbetaling van de op grond van het dwangbevel ten onrechte geïnde (en ingehouden) bedragen, en de veroordeling van de Belgische Staat tot de kosten van het geding.
3. De relevante feiten en het geschil
De eiseres heeft ingevolge haar economische activiteit van groothandel en kleinhandel in auto’s en lichte bestelwagens sedert 1 juli 1984 de hoedanigheid van BTW-belastingplichtige in de zin van artikel 4 W.BTW.
Op 22 november 2006 werd door de "Centrale Eenheid BTW" aan de e.a. inspecteur verbonden aan het BTW-controlekantoor te Dendermonde 1 een verzoek om informatie gericht in het kader van de administratieve samenwerking tussen Lidstaten van de E.U. op het gebied van BTW Verordening nr. 1798/2003 waarbij in bijlage voor verder gevolg een SCAC 2004-formulier werd overgemaakt betreffende de eiseres en de onderneming in Portugal : M P. I., C. D. V. LDA - PT ….
De e.a. inspecteur verbonden aan het BTW-controlekantoor te Dendermonde 1 werd verzocht na te gaan of de op het SCAC 2004-formulier weergegeven intracommunautaire handelingen voldoen aan de Belgische BTW-wetgeving die van toepassing was op het ogenblik van deze handelingen. Uit deze kennisgeving blijkt dat de Centrale Eenheid BTW (CLO) inlichtingen heeft ontvangen van de Portugese belastingadministratie, waaruit blijkt dat deze administratie een onderzoek ter plaatse heeft uitgevoerd bij M P. I., C. D. V. LDA met adres …, …, …, … met BTW-nummer PT … als afnemer van twee voertuigen van de eiseres.
Uit deze informatie blijkt dat de Portugese afnemer van de eiseres in Portugal geen intracommunautaire verwerving heeft verricht, minstens de verschuldigde BTW op de eventuele intracommunautaire verwerving niet heeft opgenomen in een BTW-aangifte en niet heeft voldaan.
Mevrouw I. M., e.a. inspecteur verbonden aan het BTWcontolekantoor heeft op 13 december 2006 een BTW-toezicht verricht bij de eiseres. Ze heeft verzocht om voorlegging van de verkoopfacturen die corresponderen met het bedrag van € … dat werd opgenomen in de intracommunautaire opgave van het eerste kwartaal 2005. Tijdens dit toezicht werd door de eiseres een kopie van volgende twee verkoopfacturen voorgelegd, die gezamenlijk het bedrag van € … vormen :
- een verkoopfactuur nr. … van 4 november 2004 voor de levering van een tweedehandswagen Volkswagen Touareg V10 met chassisnummer … voor een bedrag van € … aan M P. I., C. D. V. LDA.
Op deze verkoopfactuur werd melding gemaakt van het BTW-nummer van de Portugese klant PT … en van volgende vermeldingen: "Wagen verkocht voor export - Vrij van BTW' en handgeschreven : “Payer Cash. Enlever par la route";
- een verkoopfactuur nr. … van 4 november 2004 voor de levering van een nieuwe wagen Volkswagen Touareg V10 met chassisnummer … voor een bedrag van € … aan M P. I., C. D. V. LDA. Op deze verkoopfactuur werd melding gemaakt van het BTW-nummer van de Portugese klant PT … en van volgende vermeldingen: "Wagen verkocht voor export - Vrij van BTW' en handgeschreven: "Payer Cash. Enlever par la route".
Door de eiseres werd tevens met betrekking tot deze verkoopfacturen een kopie voorgelegd van de bestelbon en van de orderbevestiging.
Naar aanleiding van dit toezicht heeft de BTW-administratie geoordeeld dat de eiseres onvoldoende bewijzen kan voorleggen met betrekking tot de echtheid van de intracommunautaire levering. Bij gebrek aan bewijs van de echtheid van de intracommunautaire levering, werden de leveringen, op grond van de artikelen 2, 15 en 16 W.BTW, geacht in België te hebben plaatsgevonden, waardoor de Belgische BTW werd aangerekend aan het normaal BTW-tarief van 21 %. De administratie is van oordeel dat de eiseres ten onrechte toepassing werd gemaakt van de vrijstelling van artikel 39bis, 1°, eerste lid W.BTW.
Op 7 maart 2008 heeft mevrouw I. M. de door haar verrichte vaststellingen op grond van artikel 59, § 1 W.BTW opgenomen in een procesverbaal. Overeenkomstig dit proces-verbaal van 7 maart worden lastens de eiseres de volgende bedragen gevorderd (cfr. bewijsstuk 1) :
- BTW : € …
- fiscale geldboete (artikel 70, § 1 W.BTW) : € …
- interesten : p.m.
De eiseres is niet spontaan overgegaan tot betaling van deze BTW en geldboete.
Door het bevoegd BTW-ontvangkantoor te Aalst is vervolgens overgegaan tot het opmaken van de volgende akten van inhouding in toepassing van artikel 81 , § 3, 4de lid, van het K.B. nr. 4 van 29 december 1969 met betrekking tot de teruggaven inzake BTW :
- akte van inhouding d.d. 13 december 2007 met betrekking tot het BTW-tegoed op de rekening-courant per 31 oktober 2007 voor een bedrag van € …;
- akte van inhouding d.d. 26 maart 2008 m.b.t. het BTW-tegoed op de rekeningcourant per 31 januari 2008 voor een bedrag van € ….
Op 11 april 2008 werd door de eiseres verzet gedaan tegen de verrichte inhoudingen en werd de Administratie gedagvaard om te verschijnen voor de Beslagrechter in de Rechtbank van Eerste Aanleg te Dendermonde.
Bij beschikking d.d. 28 oktober 2008 oordeelde de heer Beslagrechter dat het verzet tegen de verrichte inhoudingen ongegrond was. Tegen deze beschikking werd door dossier eiseres hoger beroep ingesteld op 19 december 2008. In haar arrest van 10 november 2009 heeft het Hof van Beroep te Gent eveneens geoordeeld dat het verzet ongegrond was.
Op 12 april 2010 werd door de e.a. inspecteur van het BTW-ontvangkantoor te Aalst een dwangbevel met referte RCIV … uitgevaardigd, dat op 13 april 2010 werd geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de e.a. inspecteur van het BTW-controlekantoor te Dendermonde 1, daartoe aangewezen door de gewestelijke directeur van de BTW te Gent. Als bijlage bij het dwangbevel werd het proces-verbaal opgemaakt op 7 maart 2008 door Mevrouw I. M., e.a. inspecteur verbonden aan het BTW-contolekantoor Dendermonde 1 gevoegd.
Overeenkomstig dit dwangbevel is de eiseres verschuldigd aan de Belgische Staat :
- BTW : € …
- fiscale geldboete (artikel 70, § 1 W.BTW) : € …
- interesten (artikel 91, § 1 W.BTW) : p.m.
- kosten : p.m.
Het dwangbevel met referte RCIV … werd op 19 april 2010 bij aangetekend schrijven ter kennis gegeven aan de eiseres.
Op 16 juni 2010 werd door de eiseres een verzoekschrift ter griffie van de Rechtbank neergelegd waarbij de Rechtbank werd verzocht het dwangbevel met referte RCIV … te vernietigen en terugbetaling te bevelen van de ingehouden sommen.
4. Beoordeling
4.1. Met betrekking tot de verjaring
4.1.1.
De eiseres wijst op artikel 81bis, § 1 W.BTW. Het bestreden dwangbevel heeft betrekking op de verkoop van twee tweedehandswagens die op 4 november 2004 door de eiseres werden verkocht.
Op 19 april 2010, bijna zes jaar later, wordt een dwangbevel uitgevaardigd. De eiseres is van oordeel dat het dwangbevel overeenkomstig artikel 81bis, § 1, eerste lid W.BTW kennelijk laattijdig is, nu dit binnen een termijn van drie jaren werd gelegd.
4.1.2.
Krachtens artikel 81bis § 1, 3de lid 1°, W.BTW (oud; van toepassing tot 28 december 2008) vindt de verjaring plaats na het verstrijken van het zevende kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van opeisbaarheid zich heeft voorgedaan, wanneer een inlichting, een onderzoek of een controle aantoont dat belastbare handelingen niet werden aangegeven in België of dat er onrechtmatige belastingaftrekken werden toegepast en de inlichting werd medegedeeld of verzocht of het onderzoek of de controle werd uitgevoerd of verzocht door, hetzij een andere lidstaat van de Europese Unie, overeenkomstig de regels daartoe bepaald in dit Wetboek of in de regelgeving van deze Unie, hetzij een bevoegde overheid van enig ander land waarmee België een overeenkomst heeft gesloten tot het vermijden van dubbele belasting, in verband met de belasting waarop die overeenkomst van toepassing is.
In het proces-verbaal van 7 maart 2008 is vermeld dat op grond van de kennisgeving van een andere EG-lidstaat, in casu Portugal, en bij toepassing van artikel 81bis, § 1, 3de lid, 1°, W.BTW (oud), er verjaring is voor de vordering tot voldoening van de belasting, van de intresten en van de administratieve geldboeten na het verstrijken van het zevende jaar volgend op dat waarin de oorzaak van opeisbaarheid van de belasting, intresten en administratieve boeten zich heeft voorgedaan.
Uit de kennisgeving van 22 november 2006 van de "Centrale Eenheid BTW" (CLO) aan de e.a. inspecteur verbonden aan het BTW-controlekantoor te Dendermonde 1, verstrekt in het kader van de administratieve samenwerking tussen Lidstaten van de E.U. op het gebied van BTW - Verordening nr. 1798/2003 en waarbij in bijlage een SCAC 2004-formulier werd bijgevoegd, bleek dat de Portugese belastingadministratie een onderzoek ter plaatse had uitgevoerd bij M P. I., C. D. V. LDA met adres …, …, …, … met BTW-nummer PT … als afnemer van twee voertuigen.
De oorzaak van opeisbaarheid van de BTW, interesten en boeten zich heeft voorgedaan in het jaar 2004 (de twee verkoopfacturen dateren van 4 november 2004). Krachtens artikel 81bis, § 1, 3de lid 1°, W.BTW (oud) treedt de verjaring in na 31 december 2011 indien de verjaring niet geldig is gestuit, zijnde namelijk na het verstrijken van het zevende kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van opeisbaarheid zich heeft voorgedaan.
De verjaring werd geldig gestuit overeenkomstig artikel 85, § 2 W.BTW ingevolge de kennisgeving aan de eiseres bij aangetekend schrijven van 19 april 2010 van het dwangbevel met referte RCIV ….
4.2. Met betrekking tot de motivering van het dwangbevel
4.2.1.
De eiseres voert aan dat het dwangbevel niet afdoende is gemotiveerd en aldus in strijd zou zijn met de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen.
4.2.2.
Het dwangbevel is voldoende gemotiveerd door de aanhechting van het procesverbaal d.d. 7 maart 2008. In het dwangbevel wordt expliciet vermeld dat het kwestieuze proces-verbaal als bijlage is toegevoegd. Het proces-verbaal maakt één geheel uit met het dwangbevel.
De rechtbank stelt vast dat het dwangbevel de belastingschuld concretiseert, door de duidelijke vermelding van het belastbare feit. de omvang en oorzaak van de fiscale schuld, en de hoedanigheid van de schuldenaar. Het dwangbevel is afdoende gemotiveerd en stelt de eiseres voldoende in staat om met kennis van zaken haar rechten te vrijwaren en uit te oefenen en/of de opportuniteit van een verzet tegen het dwangbevel naar behoren te beoordelen.
4.3. Met betrekking tot het bewijs van de intracommunautaire levering
4.3.1.
Overeenkomstig artikel 39bis, eerste lid, 1° W.BTW zijn van de belasting vrijgesteld :
1° de leveringen van goederen door de verkoper, andere dan een belastingplichtige die de regeling geniet bepaald in artikel 56, § 2, door de afnemer of voor hun rekening verzonden of vervoerd buiten België maar binnen de Gemeenschap, die worden verricht voor een andere belastingplichtige, of voor een niet-belastingplichtige rechtspersoon, die als zodanig optreden in een andere Lid-Staat en die er aldaar toe gehouden zijn hun intracommunautaire verwervingen van goederen aan de belasting te onderwerpen, voor zover die leveringen van goederen niet onderworpen zijn aan de bijzondere regeling van belastingheffing over de winstmarge ingesteld bij artikel 58, § 4;
Artikel 39bis, tweede lid W.BTW stelt :
De Koning bepaalt de beperkingen en voorwaarden voor de toepassing van deze vrijstelling.
De voorwaarden waaronder de vrijstelling kan worden toegepast, is weergegeven in het Koninklijk Besluit nr. 52 van 29 december 1992, met betrekking tot de vrijstellingen betreffende de Intracommunautaire leveringen van goederen en de ermee gelijkgestelde handelingen, alsook betreffende de intracommunautaire verwervingen van goederen, op het stuk van de BTW.
Artikel 1 van dit KB stelt dat de in artikel 39bis van het Wetboek bedoelde vrijstellingen zijn afhankelijk van het bewijs dat de goederen verzonden of vervoerd zijn buiten België maar binnen de Gemeenschap.
Artikel 2 bepaalt dat de in artikel 39bis, eerste lid, 1°, van het Wetboek bedoelde vrijstelling bovendien afhankelijk is van het bewijs dat de levering geschiedt voor een belastingplichtige of voor een niet-belastingplichtige rechtspersoon, die voor de belasting over de toegevoegde waarde geïdentificeerd is in een andere Lidstaat.
Artikel 3 van het voormelde KB bepaalt dat de verkoper te allen tijde in het bezit moet zijn van alle stukken waaruit de echtheid van de verzending of het vervoer van de goederen blijkt. De verkoper moet ze op ieder verzoek van de met de controle van de belasting over de toegevoegde waarde belaste ambtenaren overleggen. Die stukken zijn onder meer de contracten, de bestelbons, de vervoerdocumenten en de betalingsstukken. Door of vanwege de Minister van Financiën kan eveneens het uitreiken van andere stukken worden voorgeschreven, inzonderheid indien de goederen door de koper of voor zijn rekening worden meegenomen.
4.3.2.
Onder het woord "verzonden" moet worden begrepen dat de intracommunautaire verwerving van een goed pas plaatsvindt en de intracommunautaire levering eerst wordt vrijgesteld, wanneer de macht om als eigenaar te beschikken over het goed op de afnemer is overgegaan en de leverancier aantoont dat dit goed naar een andere lidstaat is verzonden of vervoerd en het grondgebied van de lidstaat van levering ingevolge deze verzending of dit vervoer fysiek heeft verlaten.
De administratie merkt terecht op dat zeker in een fraudegevoelige sector van de handel in voertuigen, vanwege de verkoper mag verwacht worden dat hij een minimum aan omzichtigheid aan de dag legt. Zonder meer aannemen, op de enkele verklaringen van de persoon die zich namens de koper aanbiedt, die in contanten betaalt, met wie de verkoper geen vaste handelsrelatie onderhield, dat het geleverde goed zal uitgevoerd worden zoals gewoon beweerd door de persoon die komt komen, is evident risicovol. De administratie voert terecht aan dat de verkoper het risico kon inschatten dat bij een dergelijke transactie en bij dergelijke houding het moeilijk is het voormelde bewijs te leveren.
Uit de concrete feitelijke gegevens blijkt :
- dat de voertuigen werden volgens de zaakvoerder van de eiseres, opgehaald en meegenomen door de klant, de heer A. G.;
- dat door de eiseres geen kopie werd genomen van de identiteitskaart van deze persoon;
- het voertuig zou meegenomen zijn onder dekking van een tijdelijke nummerplaat, zonder dat van deze gegevens enig objectief bewijs of document kan worden voorgelegd;
- er geen betalingsbewijzen voorhanden zijn. De voertuigen zijn cash betaald. Het eisen van de contante betaling betekent eveneens dat er de betaling geen enkel aanknopingspunt bevat omtrent de identiteit van de afnemer of bestemming van de goederen.
- op 22 februari 2007 aan de verbaliserende ambtenaar een kopie werd toegezonden van een "bono recepceon” uitgaande van de Portugese afnemer en gericht aan de eiseres, waarop werd gesteld: "Ayant receptioné nos deux véhicules, enlevé par la route, je tiens à vous signaIer qu'il manque les deux compresseurs dans le coffre. “Hieromtrent merkt de administratie terecht op dat uit deze "bono recepceon" echter niet redelijk kan afgeleid worden of en hoe dit document vanuit Portugal aan de eiseres werd overgemaakt.
Op basis van het geheel van de gegevens van het dossier dient te worden vastgesteld dat de eiseres niet bewijst dat de goederen effectief verzonden zijn. De door de door de eiseres overlegde stukken, in het bijzonder de bestelbonnen van 20 april 2004 en de facturen, gedateerd 21 oktober 2004, bewijzen niet dat de wagens, die het voorwerp zijn van de bestelling en facturatie effectief en fysiek het grondgebied hebben verlaten. Er worden door de eiseres geen afdoende bewijzen voorgelegd en geen duidelijkheid verschaft omtrent de identiteit van de persoon, die deze voertuigen in ontvangst zou hebben genomen en/of opgehaald, omtrent de identiteit van de persoon door wie deze goederen zouden zijn vervoerd, of onder welke nummerplaat deze goederen zouden zijn vervoerd. Verder blijkt niet met voldoende zekerheid dat de voertuigen werden betaald, en zo deze al werden betaald, door wie deze werden betaald en wanneer deze werden betaald. Door de eiseres worden geen boekhoudkundige bescheiden overlegd waaruit de echtheid van de verkoop van de wagens zou kunnen blijken, evenmin een bewijs van inschrijving van de voertuigen in het buitenland.
De eiseres kan geen geheel van overeenstemmende handelsdocumenten voorleggen waaruit blijkt dat de bewuste auto's werden verzonden of vervoerd. In die omstandigheden wordt door de eiseres niet bewezen, of zelfs aannemelijk, gemaakt dat de door de verbaliserende ambtenaar gedane vaststellingen onjuist zouden zijn, zodat de rechtbank van oordeel is dat de vordering van de administratie, zoals gesteld middels het bestreden dwangbevel, gegrond is.
4.4. Met betrekking tot belastingverhoging
4.4.1.
De eiseres stelt dat het dwangbevel niet gemotiveerd is en niet de motieven weergeeft die gediend hebben om het bedrag van de boete vast te stellen.
4.4.2.
Op de vijfde pagina van het proces-verbaal van 7 maart 2008 is vermeld op welke wettelijke basis de boete werd bepaald. Overeenkomstig artikel 70, § 1 W.BTW werd de administratieve geldboete bepaald die het dubbele bedraagt van de verschuldigde belasting. Deze wettelijke boete werd overeenkomstig artikel 1, eerste lid, 10 van het Koninklijk Besluit nr. 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de BTW verminderd overeenkomstig tabel G, eerste afdeling, rubriek VII, 2° van de bijlage bij het Koninklijk Besluit tot 10 % van de verschuldigde rechten.
De boete werd verminderd tot € … aan 10 % = € … (afgerond).
De geldboete werd correct overeenkomstig de wet opgelegd en er zijn geen redenen voorhanden om de geldboete te verminderen of kwijt te schelden.
4.5. Met betrekking tot de gerechtskosten
De eiseres dient, als de in het ongelijk gestelde partij, in de kosten te worden verwezen (art. 1017, eerste lid Gerechtelijk Wetboek).
In toepassing van de artikelen 279 en 162, 4° van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten is geen rolrecht verschuldigd.
De kosten in het huidige geschil betreffen enkel de rechtsplegingsvergoeding. De vordering is in geld waardeerbaar. Het bedrag van deze vordering ligt, gelet op het bij het dwangbevel gevorderde bedrag, in de schijf van 20.000,01 tot 40.000 EUR. Er worden geen bijzondere redenen aangevoerd die een afwijking van het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding verantwoorden.
Beschikkend gedeelte
OM DEZE REDENEN,
DE RECHTBANK,
Recht doende op tegenspraak.
Melding makende van het feit dat de bepalingen van artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden nageleefd.
Alle meeromvattende en strijdige conclusies verwerpend als niet terzake dienend.
Verklaart de vordering ontvankelijk doch ongegrond.
Veroordeelt de eiseres tot de kosten van het geding.
Begroot deze kosten als volgt :
- aan de zijde van de verweerder: de geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding : … EUR.
Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting door de zesde fiscale kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Gent, op negen oktober tweeduizend en twaalf, waar aanwezig waren :
de heer S. R., alleenrechtsprekend rechter, voorzitter van deze kamer,
mevrouw G. L., griffier.
G. L. S. R.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.