Inhouding die geldt als bewarend beslag onder derden · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Hof van Cassatie F.05.0004.F 16 december 2005

Zoeken

Inhouding die geldt als bewarend beslag onder derden

https://juriel.be/nl/rechtspraak/inhouding-geldt-bewarend-beslag-onder-cassatie-brussel-2005-12-16-7108

Rechtscollege
Hof van Cassatie
Rolnummer
F.05.0004.F
Datum
16 december 2005

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands
Strekking volgens de FOD
gunstig voor de Belgische Staat

Tekst

60 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van Cassatie dd. 16.12.2005 (F.05.0004.F)

Inhouding die geldt als bewarend beslag onder derden - Territoriaal bevoegde beslagrechter

Wettelijke bepalingen

Art. 76, ,§ 1, derde lid, W.BTW

Samenvatting

Geschillen betreffende op grond van art. 76, ,§ 1, derde lid, W.B.T.W. gedane inhoudingen die gelden als bewarend beslag onder derden in de zin van art. 1445 Ger.W., zijn geen vorderingen inzake bewarende beslagen en middelen tot tenuitvoerlegging in de zin van art. 633, Ger.W.

Het geschil betreffende op grond van art. 76, ,§ 1, derde lid, W.B.T.W. gedane inhoudingen die gelden als bewarend beslag onder derden in de zin van art. 1445 Ger.W., behoort tot de bevoegdheid van de beslagrechter die zitting houdt ter zetel van het hof van beroep in wiens rechtsgebied het kantoor gelegen is waar de belasting is of moet worden geïnd.

Tekst van het arrest

Tekst van de beslissing

Arrest van het Hof van Cassatie

dd. 16.12.2005

(F.05.0004.F)

BELGISCHE STAAT, Minister van Financiën, Mr. F.K., advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

A., naamloze vennootschap.

I. Bestreden beslissing

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 27 mei 2004 gewezen door het Hof van Beroep te Brussel (A.R. 2000/561).

II. Rechtspleging voor het Hof

Afdelingsvoorzittter … heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal … heeft geconcludeerd.

III. Middel

Eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan.

Geschonden wetsbepalingen

- de artikelen 632, 633 (vóór zijn wijziging bij de wet van 4 juli 2001), 643 en 1420 van het Gerechtelijk Wetboek ;

- de artikelen 76, 80, 85bis, 89 en 90 van de wet van 3 juli 1969 tot invoering van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, vóór de wijziging ervan bij de wetten van 15 maart 1999 betreffende de beslechting van fiscale geschillen en van 29 maart 1999 betreffende de rechterlijke inrichting in fiscale zaken ;

- de artikelen 81, ,§3, vierde, vijfde en tiende lid, en 14, tweede lid, van het koninklijk besluit nr.

4 van 29 december 1969 met betrekking tot de teruggaven inzake belasting over de toegevoegde waarde.

Aangevochten beslissingen

Het bestreden arrest verwerpt de door eiser opgeworpen exceptie van onbevoegdheid en zijn vordering om de zaak naar het Hof van Beroep te Luik te verwijzen; uitspraak doende op eisers hoger beroep verklaart het dit bijgevolg ten dele gegrond, zegt het dat het door verweerster gedane verzet tegen de inhouding die geldt als bewarend beslag onder derden, gegrond is, veroordeelt het eiser om aan verweerster op het bedrag van 659.372 BEF of 16.345,40 euro een interest te betalen tegen de wettelijke rentevoet vanaf het tijdstip van de inhouding tot op de dag van de overschrijving op de rekening van de gerechtsdeurwaarder die ten laste (van eiser) het beslag heeft gelegd, veroordeelt laatstgenoemde om aan verweerster 3.500 euro schadevergoeding te betalen wegens tergende en roekeloze inhoudingen en veroordeelt hem in drie vierde van de kosten van het appèlgeding, op grond dat :

"het geschil betrekking heeft op een inhouding die geldt als bewarend beslag onder derden, en gedaan werd op grond van het koninklijk besluit nr. 4 van 29 december 1969 zoals het werd gewijzigd bij het koninklijk besluit van 9 december 1992, en zoals artikel 81, ,§3 ervan vervolgens werd gewijzigd in 1993 en 1996.

Voornoemd artikel 81, ,§3, bepaalt dat de voorziening van de beslagen schuldenaar geschiedt zoals bepaald in artikel 1420 van het Gerechtelijk Wetboek, waarbij zij voor de beslagrechter moet worden gebracht, zoals in het geval van bewarend beslag onder derden dat door de schuldeiser zonder voorafgaand verlof wordt gelegd. Om uit te maken wie de bevoegde beslagrechter is, wordt hier toepassing gemaakt van artikel 633 van het Gerechtelijk Wetboek, en zulks vóór de wijziging ervan bij de wet van 4 juli 2001 (...) aangezien in deze zaak het verzet tegen de inhouding werd betekend bij deurwaardersexploot van 21 april 1999. Vóór die wijziging van het Gerechtelijk Wetboek gold dat de vorderingen inzake bewarend beslag uitsluitend gebracht werden voor de rechter van de plaats van het beslag (behoudens wettelijke uitzondering) en volgens de leer van het Hof van Cassatie impliceerde dit voor de vorderingen betreffende bewarende beslagen onder derden waarvoor de beslagrechter geen verlof had gegeven, dat de vordering gebracht moest worden op de plaats waar, overeenkomstig artikel 1445 van het Gerechtelijk Wetboek, het exploot aan de derde-beslagene wordt betekend (...). In deze zaak lijdt het evenwel geen enkele twijfel dat het exploot betekend werd te Geldenaken, waar de kantoren van de kantoren van de BTW-controle Geldenaken zijn gevestigd, die in de beslagakte uitdrukkelijk vermeld staan als derde-beslagene. Bijgevolg was enkel de beslagrechter van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Nijvel ratione loci bevoegd om van het litigieuze verzet kennis te nemen.

Artikel 632 van het Gerechtelijk Wetboek willen toepassen door te beweren dat het om een geschil ging over een belastingwet en daaruit afleiden dat de Rechtbank van Eerste Aanleg te Namen ratione loci bevoegd is, komt neer op een volledige miskenning van het onbetwiste feit dat alleen de beslagrechter bevoegd was om de als bewarende beslag onder derden geldende inhouding te toetsen en van het feit dat het gaat om een probleem van tenuitvoerlegging en niet om een geschil betreffende een belastingwet, zodat (eisers) argumenten op zijn zachtst gezegd nogal tegenstrijdig zijn".

Grieven

Ieder geschil betreffende de geldigheid van een inhouding van BTW-krediet, zoals zij wordt geregeld door de artikelen 76 van het BTW-wetboek en 81, ,§3, van het koninklijk besluit nr. 4, is, voor de toepassing van artikel 632 van het Gerechtelijk Wetboek, luidens hetwelk "ieder geschil betreffende de toepassing van een belastingwet ter kennisneming staat van de rechter die zitting houdt ter zetel van het hof van beroep in wiens rechtsgebied het kantoor gelegen is waar de belasting is of moet worden geïnd, of, indien het geschil geen verband houdt met de inning van een belasting, in wiens gebied de belastingdienst is gevestigd die de bestreden beschikking heeft getroffen (...)", een geschil betreffende een belastingwet, aangezien de inhouding van een belastingkrediet een fiscale maatregel is die, ook al geldt zij als bewarend beslag onder derden, er eigenlijk geen is en afwijkt van het gemene recht van het bewarend beslag.

Met "geschil betreffende belastingen" doelt artikel 632 van het Gerechtelijk Wetboek niet alleen op de geschillen betreffende de aanslag-procedure, het verschuldigd zijn van de belasting, de bepaling van de grondslag ervan of van de maatregelen om de inning van de belasting te verzekeren, maar ook op om het even welk geschil dat betrekking heeft op fiscaalrechtelijke bepalingen en de wijze waarop ze uitgevoerd, uitgelegd, moeten worden.

Inzake belasting over de toegevoegde waarde wordt de inning van de belasting, die de bevoegdheid bepaalt van de rechter die, krachtens artikel 632 van het Gerechtelijk Wetboek, over elk geschil op dat gebied moet kennisnemen, overeenkomstig het koninklijk besluit nr. 4 (lees : 24) van 29 december 1992 met betrekking tot de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde, gecentraliseerd in het kantoor van de door de Minister van Financiën met de invordering belaste ambtenaar, namelijk het kantoor van de BTW-ontvangsten Namen II.

De inhouding van het BTW-krediet is ongetwijfeld een maatregel die eigen is aan het belastingrecht en ertoe strekt de inning van die belasting te verzekeren en vooral te garanderen.

Zij heeft weliswaar dezelfde gevolgen als een bewarend beslag onder derden, maar valt toch onder een bijzondere regeling, die afwijkt van het gemene recht van de middelen tot tenuitvoerlegging, waarvan zij geen bijzondere categorie is.

En het doet weinig ter zake dat het koninklijk besluit nr. 4 preciseert dat de geschillen betreffende die inhouding, overeenkomstig artikel 1420 van het Gerechtelijk Wetboek, voor de beslagrechter worden gebracht, aangezien die bepaling geen verband houdt met de vraag of die geschillen de toepassing van een specifieke belastingwet op het fiscaal recht betreffen.

Het geding dat ontstaat bij de betwisting van het krachtens artikel 81, ,§3, van het koninklijk besluit nr. 4 geoorloofde verzet is, m.b.t. de territoriale bevoegdheid van de beslagrechter die ervan dient kennis te nemen, dus niet onderworpen aan de bepalingen van artikel 633 van het Gerechtelijk Wetboek, dat, in de versie ervan vóór zijn wijziging bij de wet van 4 juli 2001, bepaalde dat "de vorderingen inzake bewarende beslagen en middelen tot tenuitvoerlegging uitsluitend worden gebracht voor de rechter van de plaats van het beslag, tenzij de wet anders bepaalt" maar enkel en alleen aan artikel 632 van dat wetboek.

Krachtens die bepaling was enkel de beslagrechter van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Namen bevoegd, aangezien die regel van openbare orde is en hoe dan ook, zelfs voor het eerst, voor het appèlgerecht kan worden gebracht.

Artikel 643 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt evenwel : "in de gevallen waarin een exceptie van onbevoegdheid aanhangig kan worden gemaakt voor de rechter in hoger beroep, beslist deze over het middel en verwijst de zaak, indien daartoe grond bestaat, naar de bevoegde rechter in hoger beroep". Het bestreden arrest diende dus de zaak en de partijen te verwijzen naar het Hof van Beroep te Luik, dat territoriaal bevoegd is, en kon niet naar recht over de zaak zelf uitspraak doen zonder de in het middel aangewezen bepalingen te schenden.

IV. Beslissing van het Hof

Overwegende dat het arrest vaststelt dat het geschil de geldigheid van de inhouding van het BTW-krediet als voorwerp heeft en dat verweerster staande houdt dat de door de administratie op 15 december 1998 gedane inhouding geen wettelijke grondslag heeft ;

Overwegende dat artikel 76, ,§ 1, derde lid, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde bepaalt dat de Koning, met betrekking tot het overschot van de belasting dat aan de belastingplichtige toekomt, ten voordele van de administratie van de BTW, registratie en domeinen, kan voorzien in een inhouding die geldt als bewarend beslag onder derden in de zin van artikel 1445 van het Gerechtelijk Wetboek ;

Dat de wetgever, omwille van de noodzaak om de invordering van de belasting op efficiënte wijze te verzekeren, aan de Koning opdracht heeft gegeven in een aan eigen regelen beantwoordende wijze van inhouding te voorzien die, zoals een beslag onder derden, de onbeschikbaarheid van de schuldvordering van de belastingplichtige tot gevolg heeft ;

Dat uit die wetsbepaling weliswaar volgt dat de inhouding dezelfde gevolgen heeft als een bewarend beslag onder derden, maar dat die inhouding, die valt onder een bijzondere regeling van het koninklijk besluit nr. 4 van 29 december 1969 met betrekking tot de teruggaven inzake belasting over de toegevoegde waarde, daarom niet nog niet kan worden gelijkgesteld aan een bewarend beslag onder derden ;

Dat geschillen betreffende een dergelijke inhouding geen vorderingen inzake bewarende beslagen en middelen tot tenuitvoerlegging zijn in de zin van artikel 633 van het Gerechtelijk Wetboek ;

Overwegende dat artikel 632, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat ieder geschil betreffende de toepassing van een belastingwet ter kennisneming staat van de rechter die zitting houdt ter zetel van het Hof van beroep in wiens rechtsgebied het kantoor gelegen is waar de belasting is of moet worden geïnd of, indien het geschil geen verband houdt met de inning van een belasting, in wiens gebied de belastingdienst is gevestigd die de bestreden beschikking heeft getroffen ;

Dat uit de vaststellingen van het arrest blijkt dat de inhouding gedaan is door het kantoor van de BTW-ontvangsten Namen II ;

Dat het arrest bijgevolg niet naar recht beslist de exceptie van onbevoegdheid te verwerpen die eiser had opgeworpen ten aanzien van de beslagrechter te Nijvel, en vervolgens uitspraak te doen over de zaak zelf ;

Dat het middel gegrond is ;

Beschikkend gedeelte

OM DIE REDENEN,

HET HOF,

Vernietigt het bestreden arrest ;

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest ;

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over ;

Verwijst de zaak naar het Hof van Beroep te Luik.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter …

Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter …

Ondertekeningen

Aangehaalde teksten

1
WBTW art. 761 voorkomen

Rechtspraak

1

België

1

Rechtbank van eerste aanleg te Brussel07.05.2010

Teruggaaf van belasting

Bekijk het document

Vergelijkbare beslissingen

8