De tekst van dit document is in het Frans. De FOD publiceert er geen Nederlandse versie van.
Fiche van de FOD Financiën
Vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg te Luik d.d. 19.01.2021
WF 704-15-19/048959
[Gunstig voor de Belgische Staat]
Belasting over de toegevoegde waarde – Horecasector – Geregistreerd kassasysteem – Niet-proportionele fiscale geldboeten – Gebrek aan of niet conforme kassa
Wettelijke bepalingen
Koninklijk besluit nr. 44 van 9 juli 2012
Artikel 9 van het Regentbesluit van 18 maart 1831
Koninklijk besluit van 30 december 2009
Artikel 21bis van het Koninklijk besluit nr. 1 van 29 december 1992, gewijzigd door het Koninklijk besluit van 16 juni 2016
Samenvatting
Belastingplichtige is sinds 21 januari 2014 voor btw-doeleinden geïdentificeerd als restaurantuitbater.
Tijdens een controle in de inrichting werd vastgesteld dat belastingplichtige niet beschikte over een geregistreerd kassasysteem (afgekort GKS) dat voldeed aan de bepalingen van het koninklijk besluit van 30 december 2009 tot het bepalen van de definitie en de voorwaarden waaraan een geregistreerd kassasysteem in de horecasector moet voldoen.
Deze inbreuk is in een proces-verbaal opgenomen en er werd een niet-proportionele geldboete opgelegd.
Belastingplichtige beroept zich op het feit dat het koninklijk besluit van 9 juli 2012 het gebruik van een niet-conform kassasysteem bestraft en niet het ontbreken van een kassa.
Belastingplichtige voerde ook aan dat de administratie bij de berekening van de drempel van 25.000 EUR rekening had gehouden met een periode waarin de verplichting om een kasregister te gebruiken niet gold.
De rechtbank herinnert aan de draagwijdte van artikel 21bis, § 1, van het koninklijk besluit nr. 1 van 29 december 1992, dat van toepassing is sinds 1 juli 2016,
Tot 10 juni 2017 voorzag artikel 2, rubriek II, punt A, van de bijlage bij koninklijk besluit nr. 44 in een geldboete wanneer het "gebruikte" kassasysteem niet voldeed aan het koninklijk besluit van 30 december 2009 tot het bepalen van de definitie en de voorwaarden waaraan een geregistreerd kassasysteem in de horecasector moet voldoen. Gelet op het belang van een duidelijke en uniforme bepaling voor alle betrokken belastingplichtigen, heeft de regering ervoor gekozen de bepaling in afdeling 2, rubriek II, duidelijker te maken om een einde te maken aan iedere rechtsonzekerheid. De in punt A bedoelde geldboete heeft nu betrekking op het "niet-houden” van een geregistreerd kassasysteem dat voldoet aan de voorwaarden van het koninklijk besluit van 30 december 2009, zodat deze bepaling zowel betrekking heeft op belastingplichtigen die een niet-conform geregistreerd kassasysteem gebruiken als belastingplichtigen die er geen in het bezit hebben.
Zoals in het verslag aan de Koning is vermeld, gaat het om een louter formele wijziging. De wijziging wijzigt in geen enkel opzicht de draagwijdte van de regels.
De bedoeling van de wetgever is zeer duidelijk: diegenen te bestraffen die geen gebruik maken van een conform geregistreerd kassasysteem, met inbegrip van het niet-houden of niet- gebruiken van een geregistreerd kassasysteem.
Overeenkomstig artikel 21bis, § 2, van het koninklijk besluit nr. 1 van 29 december 1992, komt de referentieperiode (voor de berekening van de drempel van 25.000 euro) voor belastingplichtigen die vanaf 1 juli 2016 een horecabedrijf uitoefenen, overeen met het kalenderjaar 2015.
De modaliteiten voor de berekening van de drempel die moet worden bereikt om onderworpen te worden aan de verplichting over een geregistreerd kassasysteem te beschikken, is duidelijk beschreven in de tekst van het koninklijk besluit. De verplichting is op 1 juli 2016 in werking getreden voor belastingplichtigen waarvan de jaaromzet -tijdens de referentieperiode die overeenkomt met het kalenderjaar 2015-, exclusief belasting over de toegevoegde waarde, met betrekking tot de restaurant- en cateringdiensten, met uitsluiting van de diensten die bestaan uit het verschaffen van dranken, meer bedraagt dan 25.000 euro.
Het feit dat de referentieperiode voor de vaststelling van de drempel op 1 juli 2016 overeenstemt met het kalenderjaar 2015 is, verleent geenszins een "terugwerkende kracht" aan de verplichting om over een geregistreerd kassasysteem te beschikken, zoals de belastingplichtige in zijn betoog lijkt te suggereren.
Ten slotte is de geldboete wettig en in beginsel gerechtvaardigd. Het bedrag van de geldboete is zeker aanzienlijk, maar evenredig en redelijk in verhouding tot de aard van de inbreuk.
Het barema op grond waarvan de sanctie wordt opgelegd, werd aangenomen met het oog op het nastreven van de dubbele doelstelling van artikel 70, § 4, eerste lid WBTW, namelijk een ontradend effect te creëren voor de niet-nakoming van de verplichtingen en de belastingplichtigen ertoe aan te zetten hun fiscale verplichtingen na te komen en, in onderhavig geval, de niet-nakoming van deze verplichtingen te bestraffen naar gelang van de aard en de ernst van de overtreding (Verslag aan de Koning (M.B., van 17 juli 2012) voorafgaand aan koninklijk besluit nr. 44 tot vaststelling van het bedrag van de niet-proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde) (zie rechtbank van eerste aanleg, Bergen, 19 juni 2018, rolnr. RG 17/91/A, Rechtbank van eerste aanleg, Luik, 22 oktober 2018, rolnrs. 17/3238 en 17/4352).
Het verzoek om vermindering van de geldboete is ongegrond.
Opmerkingen
Zie in deze zin de vonnissen Luik, 14 januari 2019, rolnr. 17/5486/A, Luik, 21 maart 2019, rolnr. 17/5752/A, en Brussel, 21 september 2018, rolnr. 2017/6867/A.
De belastingplichtige is in beroep gegaan tegen het vonnis.
Tekst van het vonnis
Het vonnis wordt enkel gepubliceerd in de oorspronkelijke taal
Tekst van de beslissing
Tribunal de première instance de Liège - Division Liège Jugement affaires civiles 21ème Chambre
Rôle : 19/4003/A
En cause :
Monsieur C.B. , BCE : 0600....66, ..., Partie demanderesse, représenté par Maître ..., avocat à ....
Contre :
L’ETAT BELGE représenté par Monsieur le Ministre en charge du Service Public Fédéral FINANCES, poursuites et diligence de Monsieur le Conseiller général, Directeur du CENTRE 4000 LIEGE, Rue de Fragnée 2 bte 73, Partie défenderesse, représenté par Madame X.
I. LA PROCEDURE
Vu la loi du 15 juin 1935 concernant l’emploi des langues en matière judiciaire, Vu les pièces de la procédure, laquelle est régulière, et notamment :
- La requête introductive d’instance du 12 septembre 2019 ;
- L’ordonnance de mise en état rendue le 3 décembre 2019 ;
- Les conclusions de synthèse de la partie demanderesse du 30 mars 2020 ;
- Les conclusions de synthèse de la partie défenderesse du 15 octobre 2020 ;
- Le dossier de pièces déposé par la partie défenderesse.
Entendu les parties comme dit ci-dessus à l’audience du 15 décembre 2020 à laquelle est intervenue la clôture des débats.
II. FAITS ET ANTECEDENTS
Le requérant est assujetti, et identifié en cette qualité, depuis le 21 janvier 2014 pour l’exploitation d’un restaurant à Bassenge.
Le 28 juin 2019, Monsieur Y , fonctionnaire auprès du service Public Fédéral Finances, Administration générale de la fiscalité, Team recherche Liège 1, a dressé un procès-verbal dans lequel il affirme s’être présenté, le 28 juin 2019, au siège de l’établissement du requérant, afin de vérifier si l'établissement disposait bien d'un système de caisse enregistreuse (SCE en abrégé) conforme à l'arrêté royal du 30 décembre 2009 fixant la définition et les conditions auxquelles doit répondre un système de caisse enregistreuse dans le secteur HORECA. Il déclare avoir constaté que l'établissement ne disposait pas d'un système de caisse enregistreuse conforme.
Le 22 août 2019, Mme Adeline Lamer, assistant administratif auprès du service Public Fédéral Finances, Administration Générale de la Fiscalité, a consigné cette infraction dans un procès- verbal (pièce 2 de l’Etat belge) et a infligé une amende de 1.500 €.
Par la requête du 12 septembre 2019, le requérant a introduit la présente action.
III. LES DEMANDES
Le requérant postule, à titre principal :
- de déclarer le recours recevable et fondé ;
- d’annuler l’amende appliquée au requérant ;
- de condamner l'Etat belge aux frais et dépens liquidés dans son chef à 480 €;
A titre subsidiaire, de ramener l’amende à 50 € et de mettre les dépens à charge de l’Etat belge, dépens cette fois liquidés à 400€
Le défendeur postule :
- de dire la demande recevable mais non fondée ;
IV. DISCUSSION
A. Quant à la recevabilité :
1. Le défendeur ne soulève aucune cause d’irrecevabilité et le tribunal n’en aperçoit aucune qu’il devrait soulever lui-même
B. Quant au fondement Position du requérant
2. Il soutient, à titre principal, le fait que l’arrêté royal du 9 juillet 2012 sanctionne l’utilisation d’un système de caisse non conforme et non l’absence de caisse.
Le requérant invoque par ailleurs le fait que, pour le calcul du seuil des 25.000 €, l’administration a pris en compte une période durant laquelle l’obligation d’utilisation d’une caisse enregistreuse n’était pas d’application.
Position du défendeur.
3. Le défendeur rappelle le prescrit de l'article 21bis §1er de l'arrêté royal n° 1 du 29 décembre 1992 applicable à partir du 1er juillet 2016.
Il rappelle que, jusqu’au 10 juin 2017, la section 2, rubrique II, point A, de l'annexe à l'arrêté royal n° 44 prévoyait une amende lorsque le système de caisse « utilisé » ne satisfaisait pas à l'arrêté royal du 30 décembre 2009 fixant la définition et les conditions auxquelles doivent répondre un système de caisse enregistreuse dans le secteur HORECA. Eu égard à l'importance d'une disposition claire et uniforme à l'égard de tous les assujettis concernés, le Gouvernement a fait le choix d'apporter plus de transparence à la disposition de la section 2, rubrique II afin de mettre un terme à toute insécurité juridique.
L'amende prévue au point A vise désormais la « non-détention » d'un système de caisse enregistreuse qui satisfait aux conditions de l'arrêté royal du 30 décembre 2009 en manière telle que sont concernés par cette disposition tant les assujettis qui utilisent un système de caisse enregistreuse non conforme que les assujettis qui n'en possèdent pas.
Le défendeur conclut : « Comme précisé dans le Rapport au Roi, il s’agit d’une modification qui a un caractère purement formel. La modification n’a en aucun cas changé la portée de la règle ».
En ce qui concerne le calcul du seuil de 25.000€, le défendeur rappelle le prescrit de l’article 21 bis §2 de l'arrêté royal n° 1 du 29 décembre 1992. Partant, pour les assujettis, comme Monsieur Crespin, qui ont débuté leurs activités avant le 1er juillet 2016, la période de référence est l’année 2015.
Analyse du tribunal
4. L'article 21bis §1er de l'arrêté royal n° 1 du 29 décembre 1992, applicable à partir du 1er juillet 2016, stipule que : « l'exploitant d'un établissement où sont consommés des repas ainsi que le traiteur qui effectue des prestations de restauration sont tenus de délivrer au client, assujetti ou non-assujetti, le ticket de caisse prévu à l'arrêté royal du 30 décembre 2009 fixant la définition et les conditions auxquelles doit répondre un système de caisse enregistreuse dans le secteur Horeca, pour toutes les opérations qu'ils effectuent dans l'exercice de l'activité économique et qui ont un rapport avec la fourniture de repas et de boissons, que les boissons soient fournies ou non au cours du repas, en ce compris toutes les ventes de nourriture et de boissons dans cet établissement, lorsque le chiffre d'affaires annuel, hors taxe sur la valeur ajoutée, relatif aux prestations de services de restaurant et de restauration à l'exclusion des services qui consistent en la fourniture de boissons, excède 25.000 euros. ».
5. Au paragraphe 2, alinéa 1er de cette même disposition, il est précisé :
« Pour les assujettis qui, à la date du 1er juillet 2016, exercent une activité de restaurant ou de restauration, la période de référence correspond à l'année calendrier 2015.
6. En ce qui concerne la sanction, l'article 70 § 4, alinéa 1 du Code de la TVA prévoit:
« Les infractions au présent Code et aux arrêtés pris pour son exécution, autres que celles qui sont visées aux §§ 1er, 2 et 3, sont réprimées par une amende fiscale non proportionnelle de 50 € à 5. 000 € par infraction. Le montant de cette amende est fixé d'après la nature et la gravité de l'infraction selon une échelle dont les graduations sont déterminées par le Roi. »
7. L'arrêté royal n° 44 du 9 juillet 2012 fixant le montant des amendes fiscales non proportionnelles en matière de taxe sur la valeur ajoutée prévoit en son article 1er :
« Les montants des amendes fiscales non proportionnelles en cas d'infractions visées à l'article 70, § 4, alinéa 1er, du Code de la taxe sur la valeur ajoutée, sont fixés dans l'annexe au présent arrêté. »
L'annexe à l'arrêté royal n° 44 prévoit à la section 2, Il., A. :
« L'utilisation d'un système de caisse qui ne satisfait pas à l'arrêté royal du 30 décembre 2009 fixant la définition et les conditions auxquelles doit répondre un système de caisse enregistreuse dans le secteur HORECA :
- 1ère infraction: 1.500 EUR
- 2ème infraction: 3.000 EUR
- infractions suivantes : 5. 000 EUR » ; 8.
En l’espèce, tout d’abord, l’intention du législateur est très clairement de sanctionner ceux qui n’utilisent pas de caisse enregistreuse conforme, ce qui englobe le fait de ne pas détenir ou utiliser de système de caisse enregistreuse.
Le grief du requérant n’est pas fondé.
9. Par ailleurs, au paragraphe 2, alinéa 1er de l'article 21bis de l'arrêté royal n° 1 du 29 décembre 1992, il est précisé :
« Pour les assujettis qui, à la date du 1er juillet 2016, exercent une activité de restaurant ou de restauration, la période de référence correspond à l'année calendrier 2015. »
Les modalités de calcul du seuil à atteindre pour rentrer dans le champ d’application de l’obligation de détention d’une caisse enregistreuse sont clairement décrites dans le texte de l’arrêté royal. L’obligation est bien entrée en vigueur le 1er juillet 2016 pour les assujettis dont le chiffre d’affaires annuel, hors taxe sur la valeur ajoutée, relatif aux prestations de services de restaurant et de restauration à l'exclusion des services qui consistent en la fourniture de boissons, excède 25.000 euros pour la période de référence de 2015». Le fait de prendre comme période de référence l’année 2015 pour la détermination du seuil au 1er juillet 2016 ne confère aucunement un « effet rétroactif » à l’obligation de détenir une caisse enregistreuse, comme semble le suggérer le requérant dans le cadre de son argumentation.
Ce grief n’est pas fondé.
10. Enfin, l’amende de 1.500 € (première infraction) est légale (voir point 7) et justifiée dans son principe. Elle est d’un montant certes significatif mais proportionné et raisonnable par rapport à la nature de l’infraction.
Le barème dont est issue la sanction infligée a été adopté en vue de poursuivre le double objectif visé à l’article 70, § 4, alinéa 1er du Code TVA ‘’de créer un effet dissuasif au non-respect des obligations’’ et ‘’d’inciter les assujettis à respecter leurs obligations fiscales ... et, le cas échéant, de sanctionner le non-respect de ces obligations selon la nature et la gravité de l’infraction’’ (Rapport au Roi précédant l’arrêté royal n° 44 fixant le montant des amendes fiscales non proportionnelles en matière de taxe sur la valeur ajoutée, M.B., du 17 juillet 2012°).»
La demande de réduction de l’amende est non fondée.
V. LA DEMANDE DE TERMES et DELAIS et LES DEPENS
11. A l’audience, le requérant a sollicité des termes et délais, en les justifiant par la situation
« covid » actuelle qui affecte particulièrement le secteur de l’horeca. Le tribunal constate cependant que le requérant n’a fait valoir aucun argument concret et spécifique à sa situation personnelle, démontrant qu’il serait malheureux et de bonne foi. Le tribunal ne peut dès lors faire droit à cette demande.
Il résulte enfin des considérations qui précèdent que le requérant succombe. Il doit donc être condamné aux dépens (art. 1017 du Code judiciaire), étant entendu qu’en vertu de l’article 1022 du Code judiciaire, l’Etat belge n’étant pas représenté par un avocat, aucune indemnité de procédure n’est due.
Beschikkend gedeelte
PAR CES MOTIFS,
Le Tribunal statuant contradictoirement,
Vu la loi du 15 juin 1935 sur l’emploi des langues en matière judiciaire, Écartant comme non fondées toutes autres conclusions,
Dit le recours introduit par le requérant recevable mais non fondé ; Condamne le requérant aux dépens liquidés à zéro euro.
AINSI jugé et signé par ..., Juge présidant la 21ème Chambre, du Tribunal de Première Instance de Liège - Division Liège, et prononcé en langue française à l’audience publique de la même chambre le 19/01/2021 par ..., précité(e), assisté(e) de ..., greffier,
Signatures
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.
Aangehaalde teksten
2Rechtspraak
1België
1Hof van beroep te Luik21.04.2023